Douwe Bob vieren met roze tompoezen

Het zijn dagen met dompers. Zomerse dagen met de gebruikelijke geneugten waarvan de meeste door ziekte aan ons neus voorbij gaan. Ik vrees de mentale terugval van de mantelzorger die op blote voeten de marathon loopt over verraderlijke kopspijkertjes en van die gemene vlijmscherpe kiezelsteentjes. Ik knok tegen versomberen. Maar elke avond duik ik momenteel doordesemd van spanning en hondsmoe mijn bed in. Met het voornemen mijn madelief de volgende dag maar eens gewoon tussen de andere dementerenden in het verpleeghuis te laten en iets ongedwongen leuks voor mezelf te gaan doen. Elke ochtend sta ik voor zonsopgang op, laat ik een traan, en maak ik toch weer nieuwe plannen voor met mijn vrouw. Mijn echtgenote is een stilleven geworden. Ze zegt bijna niets meer, ze kijkt me vaak met doffe uitdrukkingsloze ogen aan. Ongrijpbaar. Afgelopen week was exemplarisch.

Tijdens het hogedrukgebied in de week vóór Pinksteren beleefde ik zelf innerlijk een depressie als afkomstig van de Azoren. ‘Maar er komt vermoedelijk nog heel veel bij haar binnen’, bracht vriendin Maggy aan de vooravond van Pinksteren verlichting in de atmosfeer. Daar heeft ze mogelijk een punt. Dementerenden worden zo gemakkelijk onderschat. Ik maak mezelf verdrietig bij het denken aan de mensen die ons links laten liggen en van wie ik dat nooit had verwacht. Maar ik vergeet dan gemakshalve hoeveel mensen nog heel dicht om ons heen staan, personen ook van wie ik dit nimmer had vermoed, of luitjes die plots opduiken. Ellen blijft trouwens hoe dan ook een krachtige magneet – het is de onverbrekelijkheid die me telkens opnieuw naar het verpleeghuis doet terugrijden. Dat blijft zo.

Las bij mijn eerste kopje koffie, en met de bekende ketelmuziek van de stampende wasmachine boven mijn hoofd, een mailtje van Marieke Dubbelman die ik tot dusver alleen maar kende als het Vinexvrouwtje van het Algemeen Dagblad/ Utrechts Nieuwsblad. Haar vader woont in hetzelfde verpleeghuis als Ellen. Ook de vader van Marieke heeft parkinson, met een abonnement (haar woorden) op blaasontstekingen en hallucinaties. Hij lijdt bovendien aan prostaatkanker. De columniste schreef me, nooit eerder te hebben beseft dat er nog zoveel bestaat tussen leven en dood. Eenvoudig te raden waar ze op doelt: de onmachtige frustratie waarmee de aftakeling gepaard gaat, de knagende afhankelijkheid ook. Marieke mailde over een talkshow in de bibliotheek van Vleuterweide. Voor de volgende aflevering zoomt ze in op verpleeghuisliteratuur. Of ik, met Ernst Nordholt en Hugo Borst, haar gast wilde zijn. Alle drie hebben we één of meer boeken geschreven over het dwaalspoor dat zich onafwendbaar aandiende. Er is zoveel belangstelling voor het thema verpleeghuisliteratuur dat de talkshow naar de Centrale Bibliotheek in de stad Utrecht verhuist.

Hoe het in een verpleeghuis toegaat, wil Marieke van haar gasten weten. Waarom daarover schrijven? En wat laat de auteur achterwege? Ja, waarom schrijf ik over ons gekantelde bestaan waarbij ik niet schroom me kwetsbaar op te stellen? Waarom geef ik mij bloot? Misschien vind ik tot op zekere hoogte troost in mijn proza. Ik deel complimentjes uit aan het verpleeghuis, maar zoom voor een uitlaadklep ook in op beroerde ervaringen. Een onbekende schreef me: Je kunt het aanraken wat je vertelt. Misschien is het dàt wel: de aanraking, die zachte warme hand van Ellen die ik mee naar huis neem en die in de mijne rust als ik mijn emoties in zinnen vervat. Schrijven is accentueren, voelen met je pen, schilderen met woorden, schrijven is kortom als aquarelleren. De reacties hebben de herkenning door lotgenoten gemeen. Het zijn de ontroering en verslagenheid die alleen begrepen en gevoeld kunnen worden door personen die op dezelfde wrede en onmenselijke wijze zo frontaal met een onherstelbare hersenaandoening gelijk een spookrijder in botsing zijn gekomen. Misschien hoop ik ook wel dat er meer ervaringsfeitelijk gelezen wordt in de zorg. Zodat die meer gaat aansluiten bij de werkelijkheid van de verpleeghuisbewoners in heel hun uniciteit.

En wat schrijf ik niét? Het meeste. Men kan mij geen groter compliment maken dan dat mijn schrijven met grote subtiliteit gepaard gaat. Ellen kan niet meer over mijn schouder meekijken en speldenprikken uitdelen. Vandaar. Er is veel waarover ik niét schrijf, de dingen die ik als te privé beschouw. Ik laat mijn lezers heel dichtbij komen, maar blijf niettemin afstand bewaren. Het is steeds weer een afweging uit respect voor de vrouw die onvervangbaar is. Dat wil ik ook meegeven aan de twee kleinkinderen die zich Ellen moeten blijven herinneren als die grandioos bijzondere, hartveroverend lieve oma. Een mooie verschijning bovendien die de eeuwige jeugd aan haar bips had hangen. Nog steeds overigens oogt ze als door een ringetje te halen. Mooi modieus gekleed en tiptop verzorgd maken minder ziek. Onvervangbaar blijft ze als levensgezellin – daarom geen veroordeling ván maar wel verbazing óver Arnold Grunberg die in relaties altijd een plan B. in reserve zegt te hebben. Kan me er niets bij voorstellen.

Dagen met dompers. Ellen die ook thuis tijdens het eten de kaken stijf op elkaar geklemd hield. De lepel ontmoette onbegrepen weerstand. Hele dagen in de achtertuin zonder dat ze een woord zei. Ze keek strak voor zich uit of dommelde met gebogen hoofd. Zo benieuwd naar wat er achter haar masker schuilgaat. Inderdaad Marieke, het doet beseffen dat er nog zo verschrikkelijk veel geheimen bestaan tussen leven en dood. Het ongeloof meandert alle kanten op zodra ik me door zorgverleners in de steek gelaten weet. Zoals door een zorghotel. Dat vertikte het deze week, vijf minuten tussen de middag extra uit te trekken voor een toilettering van Ellen na dik twee uur reistijd. Even de helpende hand zodat we in de aanloop naar Pinksteren al vroeg van het zomerse weer aan zee konden genieten en niet op het heetst van de dag in de auto hoefden te zitten. De bagage kon wel zo lang in de kofferbak blijven als de kamer pas halverwege de middag beschikbaar kwam. Maar nee. Ze troffen de achilleshiel van deze mantelzorger. Ik kon soebatten wat ik wilde, kon ze in een opgewonden discours over de telefoon wurgen, kon dreigen met annuleren – het bracht geen enkele verandering in de vilein weigerachtige houding die me als emotionele jojo (voor even) sloopte. Was er ziek van. Het zijn van die zorgzusters met een ingenaaide tachograaf.

Voor even gesloopt. Voor even, want toen sloeg bij Ellen de wijzer uit naar een warmtefront. Dan kun je ineens weer de hele wereld aan. Het is het ziektebeeld. Voortdurend intervallen. De treurnis over het vakantieadres verdween op slag achter de horizon. Een lepel die een mond trof die dicht bleef? Gewoon later nogmaals proberen. Enzovoorts. Ellen had een opleving, een boost, veel belangrijker. Het begon bij het ophalen de zaterdag voor Pinksteren.

‘Waar gaan we naartoe?’, klonk het met vaste stem. Ze was volledig ontwaakt en weg uit de cocon.

‘Wat denk je zelf?’

‘Naar huis soms? Oh lekker, heerlijk, wat fijn. Ik ken het hier’.

Ze noemde me bij mijn voornaam. Dat had ik al heel lang niet meer gehoord. Ze wuifde naar enkele voorbijgangers. Die zwaaiden verbaasd terug. Die dachten wellicht: die vrouw zit al vroeg met haar gedachten bij het Songfestival.

‘Kun je niet wat harder rijden?’

Het kon niet op. Ik leefde helemaal op. De energie kwam terug. Een week met dompers kreeg een schitterende apotheose. Een tussenstop bij de super voor tompoezen en verse slagroom. Voor Eerste Pinksterdag overwoog ik een lange romantische wandeling door het stiltegebied met zijn rietstengels en broedplekken nabij de plassen van Nieuwkoop. Nostalgie en idylle, en saampjes weg van de knellende teugels der afhankelijkheid. Hockeyde Kampong niet in Barcelona? Kon gezellige tv opleveren. Was er niet iets met Max Verstappen? Werd er niet gevolleybald tegen een Aziatische ploeg van hoog niveau? Andere tijden sport, 1963, de geboorte van het legioen van Feyenoord, Eddy Pieters Graafland en Reinier Kreijermaat, Benfica en de bootreis – dat zeker niet vergeten. Achter de coulissen kwam ineens weer perspectief te voorschijn. De plannenmakerij draaide andermaal op volle toeren.

‘Wel eens gehoord, Ellen, van Douwe Bob?’

Ze zette grote ogen op.

‘Nee? Gaan we vanavond naar kijken. Met roze tompoezen. Lijkt me heel toepasselijk’.

 

 

Johan

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *