Met het strelen van zijn boek streelt de auteur feitelijk zijn hoofdpersoon

Door de telefoon loodste drukkersvrouw Anne me eergisteren op die druilerige loodgrijze oktoberzaterdag via Hilvarenbeek over zandweggetjes en langs bospaden door het langgerekte Esbeek tot op driehonderd meter van de Belgische grens. Hier woonde ze, met Lou, in een stroperswingewest, dat kon niet anders, zo bedacht ik. Ik bevond me op de Roovertsebaan. Verwachtte met ‘baan’ natuurlijk duidelijk iets anders dan kuilen en hobbeldebobbel en een auto onder de modderplakkaten en de blubber. De eerste oplage van mijn nieuwe boek had Anne in witte kartonnen dozen in een schuurtje staan. Eén exemplaar hield ze in de hand. Ze zwaaide ermee. ‘Ja Johan streel dat maar, aai maar, dat doet iedereen ongegeneerd bij de geboorte van een pennenvrucht’. Ik begon dus maar te strelen en te aaien daar in dat schuurtje. Dat eerste exemplaar dus. Van Anne bleef ik af.
Moest met die liefkozerij terugdenken aan mijn allereerste stukje in de krant dat over honkbal ging. Het is intussen meer dan veertig jaar geleden. Op de fiets van de Frans Halsstraat in Utrecht naar het redactielokaal aan de Korte Jansstraat op een vroege zaterdagmorgen om me te vergapen aan een onnozel berichtje dat afgedrukt te bewonderen viel in een glazen vitrine. Links en rechts naast mij, ik herinner me dat nog goed, twee luitjes die de uitgestalde verse krantenpagina’s aandachtig stonden te lezen. Ik had de neiging naar dat briljante honkbalartikel van mijzelf te wijzen. Zo van: ‘Die naam daar boven dat verhaal – ziet u beiden die naam? Dat ben ik!’ En dan erbij kijken met een gezicht, en neus in de wind, alsof ik die naar poëzie neigende proza van tien regels even uit mijn mouw had geschud. Ik liet het gelukkig wijselijk uit mijn hoofd. Fietste naderhand terug richting de bloemenmarkt van het Janskerkhof, kwam bij de eerste stoplichten naar de Nachtegaalstraat, en dacht: weet je wat, ik ga terug, ik ga nog een keer kijken.
Zoiets vond later ook eens plaats in Amsterdam aan het einde van de Rijnstraat naar de Churchill-laan toe waar Het Parool destijds een tamelijk verveloos kantoortje als distributiepunt had. Ik las mijn voetbalverslag met grote instemming terug, totdat ik ontdekte dat ik een keer niet Gorichem met een M aan het eind had geschreven maar met een N. De vlammen sloegen me uit. Durfde van de weeromstuit niet meer verder te lezen. Ik reed met de pest in mijn lijf terug naar huis en draaide halverwege de Rijnstraat weer om. De opgewonden aanvechting. Nog een keer kijken, je kon nooit weten, misschien was die N in de tussentijd wel een M geworden. Zou zó maar kunnen. Ik dreigde een moeilijk leven tegemoet te gaan met die verslavende en meedogenloze vitrines. Gelukkig verdwenen ze gaandeweg uit het stadsbeeld van Amsterdam. Het Parool was goed voor zijn personeel.
En toen reed ik veertig jaar later van die schuur van Anne terug naar het noorden de grote rivieren weer over en betrapte ik mezelf erop dat ik mijn nieuwe boek heel af en toe, en heel stiekem, was blijven strelen en aaien. Een boek als animeermeisje, hoever kan een mens het laten komen. Bij een stoplicht even die zo bekende verhoogde hartslag. Op pagina 165 ontwaarde ik een tikfout. Er stond abusievelijk ‘aansluiten hij het betoog’. Moest natuurlijk niet ‘hij’ zijn maar ‘bij’. Ach heremetijd, zat daar mijn Skoda nou voor onder de modder en de blubber?! Ik naderde vanuit het Brabantse de aangetaste Merwedebrug met zijn vertraging van dik een uur en wist dat er voor mij op Gorichem sowieso geen zegen rustte. Ooit in mijn Parooltijd had ik eens een verhaal uit Gorichem laten komen, met een M, dat dan weer wel, terwijl ik voor dat interview toch wel degelijk in Gouda was geweest. Ik merkte het pas op bij het declareren.
Het nieuwe boek is uit, op aandringen van Lou voorzien van een code, en al opgevraagd (vertelde Lou) door de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. De voorpresentatie vond gisteren plaats in abdijhotel Rolduc in Kerkrade. Tevoren had kameraad Taco mij geadviseerd in deze kraamkamer der katholieke geestelijkheid veiligheidshalve een toque te dragen, een kruisbeschermer, vanwege mogelijk friemelgevaar van bronstige geloofszuigelingen. Die raad heb ik opgevolgd. Liep er rond als een schichtige wereldvreemde balletdanser. Rolduc is imposant maar er kleeft een verleden aan waarop men toch niet al te trots kan zijn. De mijnen hielden de parochianen eertijds arm en de kerk hield ze dom. Moest aan de nare aartsconservatieve Jo Gijsen denken, die de mijnwerkersfamilies weer tot gedweeë kerkslaven maakte, en aan nog enkele farizeeërs. In Rolduc ging een eerste doos van mijn boeken van de hand. Kerkrade was daartoe niet toevallig gekozen. Even verderop in Chevrèmont waren Ellen en ik dit jaar twee keer voor enkele dagen te gast geweest op de speciale parkinsonafdeling (een novum in Nederland) van verpleeghuis Lückerheide. Eerstverantwoordelijke Marco Maassen had ons zijn kamer ter overnachting aangeboden en was zelf met zijn bureau en computer op de gang gaan zitten. Kom daar maar eens om bij managers! In de totstandkoming van ‘Achter mijn woorden smeult de passie’ nam Kerkrade dus een bijzondere positie in.
De toque kon af toen Marco Maassen me vanuit Rolduc meenam naar de Romeinenstraat en verdere omgeving van de wijk Heilust, nieuwsgierig als ‘Het geluk van Limburg’ van Marcia Luyten me had gemaakt. De glorie en ondergang van de Nederlandse steenkoolindustrie aan de hand van een dramatische familiegeschiedenis – prachtig en meeslepend beschreven over 365 pagina’s. Op Heilust onder de rook van één van ’s werelds modernste steenkolenmijnen groeide ooit een ingenieus organisme, de mijnwerkerskolonie. Daar leefde men van en voor de mijn. Ik slenterde onder een stralend zonnetje en in hemdsmouwen langs de door Marcia Luyten geportretteerde mijnwerkersplekken, haar boek onder de arm. Ik wilde het met eigen ogen zien. Gluurde ongegeneerd naar binnen bij Romeinenstraat 7 waar in de jaren vijftig de hoofdpersoon van het boek Jack (Sjaakie) Vinders woonde, geboren in 1949, vierde generatie mijnwerkersgeslacht, uiteindelijk uitgegroeid tot Limburgs bekendste zanger. De devotie van zijn moeder had Sjaakie aanvankelijk tot een vroom en meegaand ventje gemaakt. Hier ergens moest ook de Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand staan, een kerk. Of zou die intussen door de ontkerkelijking zijn gesloopt?
Marco Maassen is zelf van Spekholzerheide en ook zoon van een mijnwerker. Hij vertelde van de drie-eenheid van de Limburgse macht – mijn, kerk en staat. Ze voerden de totalitaire regie over het mijnwerkersbestaan. In de achtertuinen van Heilust nog altijd veel duivenhokken. Zoals zijn echtgenote van de kinderen hield, zo hield de mijnwerker van zijn duiven, las ik in ‘Het geluk van Limburg’. Daar kon de kompel een vermogen mee verdienen. In elk geval een bromfiets zoals Haberts van Romeinenstraat 9. Kwam in de Romeinenstraat nog twee keer een naambordje met familie Habets tegen. Op Romeinenstraat 7 waren kennelijk nieuwe mensen bezig, want behalve een trap en wat verfspullen was de hoekwoning leeg. De vader van Sjaakie voetbalde bij Juliana dat later Rapid JC werd en weer later Roda JC. Spelers als Wiel Coerver (uit de aanpalende wijk Bleijerheide), Chiel Haenen, Sjef Mommertz en Hub Bisschops losten op zaterdag hun duiven en kwamen op zondag op de fiets naar Rapid JC. Aan het begin van de Batastraat had zich de mijn Willem-Sophia bevonden. Op de bult nu een sportcomplex waar fanatiek gevoetbald werd in geel en blauw. Een klein stukje verderop stadion Kaalheide waar ik ooit voor de krant de mijnwerkersclub Roda JC bezocht. En onderwijl maar bladerend in ‘Het geluk van Limburg’. Ach ja, mijn eerste chef in de sportjournalistiek bij het Nieuw Utrechts Dagblad ofwel het Utrechtse Parool, veertig jaar geleden – hij was zwaar aan de drank. Je wist nooit hoe je hem ’s morgens zou aantreffen. Nou onbekwaam soms, zoals die zondag toen ik hem razendsnel moest vervangen bij Roda JC tegen FC Utrecht. Ik vertelde Marco Maassen erover en ja wie speelden er toen bij Roda JC voor de mijnwerkersfamilie van Spekholzerheide en Heilust? Hadden ze Jan Jongbloed al uit Amsterdam weggehaald of was het nog Bram Geilman, het aanstormend keeperstalent bij Feyenoord achter Eddy Pieters Graafland? Marco Maassen begon over Dick Nanninga, idool van de streek, de robuuste kopsterke spits, een nek van gewapend beton, het prototype van een kompel. Overleden intussen, niet oud geworden, erg gesukkeld met zijn gezondheid op het laatst. Van Kaalheide eind jaren zeventig herinnerde ik me ook nog Leo Degens en Pierre Vermeulen. Ging die laatste niet naar Feyenoord?
Ik reed weg uit de appendix Limburg door de flessenhals naar het Utrechtse terug. Ik zag af van een overnachting in Rolduc, ik annuleerde de kamer die al in gereedheid was gebracht, want ik wilde naar Ellen. ‘She is always on my mind’ Elvis Presley? jazeker, Elvis! Ellen altijd dichtbij en in het hoofd. Als ik een beetje opschoot, konden we nog samen thuis in de tuin zitten bij een glaasje en een snack. Dacht terug aan ‘Afri’ van de schrijfster Jutta Chorus met wie ik samen studentenprojecten (o.m. vijftien jaar Somaliërs in de Sibeliusflat van Tilburg-Noord) had gedraaid op de journalistenopleiding. In ‘Afri’ beschreef Jutta de negentiende-eeuwse Afrikaanderwijk in Rotterdam via familiegeschiedenissen, en dat deed ze zó knap en zó fascinerend dat ik met Ellen, en ‘Afri’ in de hand, op een winterse maandag de Erasmusbrug overstak langs het Nieuwe Luxortheater naar De Kop van Zuid, naar de Pretorialaan en de Bloemfonteinstraat, de toegangspoort tot één van de bekendste migrantenwijken van Nederland. Zoete en verdrietige herinneringen tegelijk. Ik herinner me dat we ook Katendrecht nog even inliepen. Bij Ellen was dat jaar de diagnose parkinson al gesteld. Maar we wisten nog niet wat er nog meer aan onheil ging komen. Nog geen enkel vermoeden van die Lewy Body dementie. En Ellen liep nog. Geen rolstoel nog. Ik trapte het gaspedaal bij Weert nog eens extra stevig in. Op de radio verloor het Rotterdamse Excelsior thuis tegen alle verhoudingen in met 0-1 van Roda JC uit Kerkrade. Luyten won van Chorus zogezegd. Zouden Marcia Luyten en Jutta Chorus ook hun boek gestreeld hebben toen dat net uit was? Vast wel. En zo niet dan moesten ze dat maar alsnog doen. Las weer enkele passages in ‘Achter mijn woorden smeult de passie’ terug (bij stoplichten) en herinnerde me hoe ik met sommige zinnen had zitten stoeien tot in het oneindige om de juiste formulering op mijn computerscherm te krijgen. Hoeveel tijd en energie was er wel niet in dat boek gaan zitten? Na ‘Dankjewel voor je liefde, omgaan met parkinson en Lewy Body dementie’ en ‘Kijkje achter de schemering, kroniek van een mantelzorger’ heb ik met ‘Achter mijn woorden smeult de passie, we houden het heft in eigen hand’ onze verdere levensgeschiedenis willen vastleggen. Het kan ons immers allemáal overkomen. Veel wijsneuzen van nu zullen dan van een koude kermis komen. Want wat weten sommigen het goed en wat hebben nog weinig tot geen ervaring met dementie. Het nieuwe boek lag prettig in de hand. Met het strelen van zijn nieuwe boek streelt niet alleen ik, maar elke auteur, feitelijk zijn hoofdpersoon.

Johan

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *