Lessinglaan 9 met een vette knipoog

En ik wist: ooit nog eens schrijf ik een liefdevol verhaal over haar. Ze noemde zichzelf soms mijn ‘kunstmoeder’. Was ze ook wel een beetje. Ik vond het prachtig. En ik wist: ooit nog eens ga ik haar portretteren als een buitengewoon gek en elegant mens. Mevrouw UVV. Oprichtster van het softbal bij UVV, later presidentieel aanvoerdster van het honkbal. 

Ze kon minuten lang staan spioneren voor het raam van het ronde UVV-paviljoen op sportpark Hoge Weide. Als bouwwerk een trouvaille trouwens, maar dit terzijde. Dan stond ze op de uitkijk. Waar bleven ze nou? Waar bleef toch die spelersbus van Sparta? Ondertussen rookte ze haar vertrouwde mentholsigaretten. En ja hoor, daar kwam eindelijk de touringcar uit Rotterdam aan gegleden. Line Klein haastte zich dan naar buiten om één honkballer wel zeer in het bijzonder te begroeten. Ze was heimelijk verliefd op hem. Zo heimelijk dat iedereen bij UVV dat in de gaten had. En dan kuste de lange, strak getailleerde, zwarte Antilliaan uit Sint Maarten, in clubblazer met embleem en pantalon met scherpe officiersvouw, de uitbundige voorzitster van UVV-honkbal vriendschappelijk en hartelijk op haar wangen. Meestal bruine wangen. Van Fuengirola aan de Spaanse zuidkust. En elke zoen werd beantwoord met een gastvrije weder kus. Ach ja Line: voor velen de meest bijzondere vrouw uit de memorabele geschiedenis van het honkbal en het softbal van UVV. Onvergetelijk blijft ze. Sommige mensen schrijven bij leven hun eigen verhaal. Ze zijn legendarisch. 

Die oogappel van Line Klein was Hamilton Richardson. De gemeenteambtenaar uit Hoek van Holland was in zijn gloriejaren de beste honkballer van Nederland en hij was zeker niet alleen voor Line Klein de mooiste man ter wereld. ‘Geen grammetje vet’, heb ik Line meer dan eens horen juichen, terwijl ze zich weer een knipperbol liet inschenken en in haar handtas greep naar de slof mentholsigaretten. Mijn hemel, die donkergele knipperbollen! Sherry en jus d’orange in gelijke mate, maar de verhouding werd al gauw anders. Bij haar thuis aan de Lessinglaan nummer 9 in Utrecht stond altijd een glaasje op het bijzettafeltje naast de bank. Leeg of vol. Dat glas, het staat na veertig nog altijd op mijn netvlies. Als daarop geëtst. Een glas met een bruin leren houdertje. Of moet ik lederen zeggen? Waar zou dat glas trouwens gebleven zijn? Bij Line ook altijd op tafel De Telegraaf. Op de vuurrode sociale academie De Horst in Driebergen hadden ze me geleerd dat je maar beter bij dat vod een aansteker kon houden. Aanstekers lagen bij Line voor het grijpen. Toch maar niet die krant in de fik gestoken op Lessinglaan 9. ‘Een stofdoek Line, en kom je net van een keukentrapje? Ik ken je alleen maar met een pen en een leesbril.’ ‘Wat denk jij wel? Dacht je goddomme soms dat de kabouters dat voor mij deden!’

Onvergetelijke vrouw die Line. Zeer uitgesproken. Vrouw met grote sympathieën en antipathieën. Bij het zien van Hamilton Richardson sprong haar hart telkens open. Wij allen hadden dan even het nakijken. Over hart gesproken: dat droeg deze vrouw heel dikwijls op de tong. Je wist altijd meteen waar je met haar aan toe was. Uitmuntende bestuurder. Ook binnen de bond. Grand Lady. Ambassadrice voor de bond. En voor UVV. Op bondsvergaderingen een stralend middelpunt. Een Neelie Kroes in een mannenwereld. Indrukwekkende verschijning. Wars van burgerlijkheid. Van kleinburgerlijke lieden moest ze al helemaal niets hebben. Menigeen van 60+ die de eindjaren zestig en jaren zeventig bij het softbal en honkbal van UVV intensief hebben meegemaakt, weet het nog: bij Line Klein leerde je converseren, discussiëren, luisteren naar trendy muziek, drinken, roken en als het even mee zat ook nog vloeken. Wat heb ik toch zelf bekrompen ouders, dacht ik vaak. Als ik dat wel eens zei dan tikte ze me op de vingers en kreeg ik een standje. Mijn moeder riep mijn vader eens voor een geheimzinnig tasje terug toen hij bij veertig graden heel ondeugend aan de overkant een beugelflesje Grolsch wilde gaan halen. De buren! Wat moesten de buren wel niet denken. Altijd de buren. Kwam daar maar eens bij Line om. Die was de jaren vijftig al in de jaren vijftig ontgroeid. Zei ze zelf. En het kon zo maar waar zijn.

Line Klein kwam begin jaren zestig in de slipstream van haar man Tom bij UVV terecht. Ze waren daarvoor van Zwemlust. Kwam dat niet doordat hun zoon begon te honkballen? De chemicus dr. Klein werd voorzitter van het honkbal. Hij moest rust brengen en structuur. En wijsheid. Dat deed hij ook. Er moest aan een nieuw UVV worden gebouwd. De Antillianen Ruben en Vincent Leysner, Ricky Kersout en Gerald de Vries waren ‘m na de degradatie uit de hoofdklasse in 1963 gesmeerd. Naar Ajax. Klein zette een rem op de invloed van de Amerikanen van de vliegbasis Soesterberg. UVV moest zich zelf leren bedruipen. Talent zat. Klein gold als een autoriteit. Ik zat eens bij hem in de auto naar de uitwedstrijd tegen De Volewijckers. Op de achterbank haalde basisspeler Jan van Ewijk een mandarijntje uit zijn tas. Vriendin (en later echtgenote) Carry naast hem. Klein keek in zijn achteruitspiegel. ‘Wat ga je doen, Jan?’ ‘Een mandarijntje pellen, Meneer Klein.’ Ja ja, ‘Meneer Klein!’ Tegen deze voorzitter zei je Meneer. Met een hoofdletter! ‘Jan, zou jij zo vriendelijk willen zijn dat mandarijntje weer terug te stoppen naar waar het vandaan kwam? Want als het spat dan zit het op de bekleding van mijn auto.’ Eerste honkman en international Jan van Ewijk deed zijn mandarijntje braaf terug in zijn sporttas. Zo ging dat. Toen nog wel. Klein was als een vader. En vaders wil was wet. Hij stond op een voetstuk. De spelers spraken zijn naam met diep ontzag uit. Hij had dr. voor zijn naam staan, dat was al helemaal een zinsbegoocheling. Hij reed in hele dure auto’s. Ford Taunus. Sjeesde erin. Alsof hij voor de formule 1 op het circuit van Zandvoort was. Klein kreeg zo de smaak van het honkballen te pakken dat hij op een gegeven moment in honkbalpak tussen zijn spelers in de dug-out ging zitten. Zie het tafereel nog voor me. Zijn vrouw: ‘Wat doe jij nou? Jij ook al in een honkbalpak? Ga je straks ook nog meedoen? Nee toch hopelijk.’

De beste speler in de tijd van Ton Klein was ongetwijfeld de technisch superbegaafde Roley Wout. Hij zat bij Werkspoor, daar plukte Klein hem vandaan. Als tweede honkman. Wout speelde voor Ajax met een hoog slaggemiddelde. Bij zijn neef Ruben Leysner. Eerder haalde Klein bij Werkspoor en Ajax de Antilliaan Leito weg. Ook Ton Klein was een kettingroker, net als zijn vrouw. Lustte ook graag een goed glas, net als zijn vrouw. Bourgondiër. Bourgondiër met een hartkwaal. De dokter kon waarschuwen wat hij wilde, dovenmansoren. Hij sloeg alle adviezen in de wind. In 1967 liet zijn hart hem in de steek. De spelers droegen de kist het crematorium van Westerveld in Driehuis bij Haarlem binnen. Onder die spelers Tom Stamer, Jan van Ewijk, Robbie Rijnders, Wim van der Ster, Henk Heinen, Roley Wout, Arie Hagen, Guillaume Campagnard en Jan van Woensel. Coach in die dagen was Jan Kars. De vrouw van Henk Heinen, Marjan, werkte als verpleegster in het Diaconessenhuis in Utrecht toen dr. Ton Klein daar overleed. Hij was begin vijftig. Zo jong nog maar. Hij stierf op dezelfde maandag dat aan de overkant van de Hoge Weide een kruitschip ontplofte en in duizenden brokstukken de lucht in vloog. Een dag van sirenes en nog eens sirenes. Een dag van diepe rouw in de gelederen van heel UVV bovendien. Want dr. Klein werd ook bij de voetballers als een eminentie gezien.

De weduwe Klein liet zich in haar DAF naar en van het veld rijden door spelers als Robbie Rijnders en Tom Stamer. Het waren bovendien haar coaches bij het softbal dat ze twee jaar daarvoor had opgericht. Als ik me niet vergis reed Rijnders het Dafje ook eens in een sloot. Of was het haar zoon? Het incident was goed voor een extra pakje mentholsigaretten en een fles rode port. (Niet te verwarren met de knipperbol). Geleidelijk aan nam Line de rol van haar echtgenoot bij het honkballen over. Dat gebeurde met een nieuwe generatie eerste teamspelers. Alleen Stamer overleefde alles en iedereen. En ook Roley Wout een beetje. Die speelde het ene jaar bij UVV en het andere jaar bij HCAW in Bussum. Meestal besloot hij over zijn clubkleuren op de laatste dag van de overschrijving. Op de laatste avond zelfs. De avond van 31 oktober. Line vond er tenslotte iets op. In een samenzwering met mevrouw Wout. Ze namen Roley ’s avonds mee uit eten en maakten het zo laat mogelijk op 31 oktober. En HCAW maar aanbellen bij Roley bij dat bovenhuis in de buurt van de Spinozaweg en de Laan van Nieuw-Guinea. Hoorden ze alleen de hond blaffen. Was het de Weltevredenstraat? Met Line als voorzitter aanvang jaren zeventig zette UVV nieuwe stapjes. Stapjes werden stappen. Stappen werden grote stappen. Ruben Leysner kwam terug. Nu als coach. Later volgde Wim Onderstal. Misschien wel de beste coach ooit. De accommodatie werd verbeterd. Tribunes werden aangebouwd. Het publiek stroomde weer toe. Tegen Quick Amersfoort zag het zwart van de mensen. De halve stad vond de weg terug naar het honkbal. De geluidsinstallatie kon uit het materiaalhok. De terugkeer naar de hoofdklasse volgde. Met sponsor Ola via Cies Bouwens werd een grote vis binnengehaald. Line Klein, de dochter van een beroepsmilitair en vermaard schermer, de dochter van de statige Desta, nam haar functie van voorzitster bloedserieus. En ze zag die functie ruim. Ze was trouwens de tante van banketbakker Jan van Reenen die als stormram in de jaren zestig deel uitmaakte van wellicht de sterkste basketbalformatie ooit in Utrecht: SVE met Roel Tuinstra en met Kees Hiele als manager. Wie anders! Natuurlijk Kees Hiele. Basketballer Jan van Reenen speelde zijn beste wedstrijd voor de Europa Cup tegen Real Madrid in een stampvol afgeladen en euforische Beatrixhal aan het Vredenburg. De kaartjes waren in de voorverkoop. We noteren 1964.  Of was het ’65?

UVV vormde één grote honkbal- en softbalfamilie toentertijd. Voetballers sloten zich aan. De Rijk, Overeem, Martens, de oude Jan de Heus van het UVV-Nieuws, Leen Slob. Je paste in de cultuur of je paste er niet in. Met huwelijksproblemen konden de spelers immer bij Line terecht. Er was altijd wel iets onder de kurk. Ze koppelde ook graag. Liefst plakte ze een UVV-er aan een UVV-ster of omgekeerd. Een beeldschoon softbalstertje dat eens voor een vriendje van huis was weggelopen, spoorde ze op. Zette het meisje eerst bij haar thuis onder de douche, ging daarna ernstig met de puber in gesprek, en bracht haar toen in haar DAF terug naar huis op het Kanaleneiland. Daar praatte ze met de ouders. Of ze hun verliefde dochter niet te hard wilden aanpakken. Vader was in Nederlands-Indië KNIL-militair geweest. Vandaar. Bij hem en zijn vrouw aten veel honkballers hun eerste portie bami en nasi. Line at ook niertjes en varkenstong. En gebakken varkenslever. En kalfszwezerik. Zo’n niertje bij Line stond een dag in de keuken zich van bloed en urine te ontdoen. Utrecht verbaasde zich erover dat ze het allemaal wist te overleven. Bij de bond werd Line lid van verdienste en ook erelid. Meestal op donderdag belde ze ’s middags naar mijn werk. Dan had ze besloten dat we Indisch gingen eten in dat grandioze restaurant Deli bij het Lepelenburg in Utrecht. Verpletterende ambiance. Balzalen met exotische planten. Bediening in oosterse gewaden. Mannen met zo’n zwart hoedje op gelijk Soekarno. Wat overbleef aan eten liet Line Klein in bakjes doen. Voor de kat, zei ze erbij. Ik schaamde me dood. En ik wist dat de overgebleven rijst met rendang en gekruide boontjes helemaal niet voor die kat van haar bestemd was maar voor zichzelf. Vraag het maar aan Ingrid van Reenen. Die was toen secretaris in het honkbalbestuur van Line Klein was. Die liep op zulke momneten het liefst even van tafel. Later in Suriname zag ik dat daar de gehele mensheid in restaurants het restant liet inpakken voor thuis. Line als vrouw van de wereld.

Dat vonden ze ook in het Brabantse Made waar Onderstal zijn selectie enkele jaren achtereen mee naartoe nam voor een trainingskamp met Pasen. Ook Line was van de partij. De kastelein in het hotel liet zich niet onbetuigd. Grote voorraden sherry en jus d’orange werden tevoren ingeslagen. Het feest kon beginnen. De trainingen waren zwaar, elke dag weer. Het bestuur vergaderde aan de grasrand. Cies Bouwens met zijn zware baan bij Unilever haalde achterstallige slaap in achter het outfield. Soms miste een bal hem op een haar na. Onvergetelijk die tijd. Bevriende clubs als HCK, Euro Stars, Celeritas en RAP (later Pirates) informeerden herhaaldelijk naar het geheim van UVV. De charme van Line. Dat was het gewoon. Moesten ze maar eens aan Hamilton Richardson vragen. Maar het was meer dan de charme. Haar tomeloze energie. Haar punctualiteit. Het was de geestdrift. Het was het nakomen van afspraken en toezeggingen. Het was haar levenskunst en levenswerk. UVV had haar nodig en zij UVV. Ze hief met jonge mensen het leeftijdsverschil op. Ze was ook eigenwijs en behoorlijk VVD. Tsja. Ze hield van Wiegel. Wij van Den Uyl. Ze mocht je of ze mocht je niet.

Ineens stopte ze. En daar weet ik alles van. Ik reed haar DAF. Van Made terug naar Utrecht. Ze had er de balen van. Rookte aan één stuk door. Het trainingskamp was anders dan alle eerdere niet goed geweest. Te vrijblijvend. In het bestuur zat iemand die ze niet uit kon staan. Pas toegetreden. Deed zijn werk niet goed. Allemansvriend. Anders dan zijzelf. Line stopte. Ze wist toen nog niet dat ik tot een identiek besluit was gekomen. Onafhankelijk van haar. Zelfde argumenten. Zij stopte en greep opnieuw naar haar mentholsigaretten. Toen rookten we nog in de auto. Wie het ook probeerde, niemand lukte het om Line Klein-Desta op andere gedachten te brengen. Ze had er genoeg van. Begin jaren tachtig overleed ze. Kanker aan de alvleesklier. Ze was nog maar 63. Op Oudejaarsavond bezocht ik haar nog even in het Oudenrijn ziekenhuis. Ze was sterk vermagerd. Voor het raam in haar bed keek ze naar Oog-in-Al. Ze kon bijna haar huis aan de Lessinglaan 9 zien. Het adres dat veel UVV-ers nooit meer zijn vergeten. Een vette knipoog waard.   

 

 

 

Johan

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *