Weer duikt voor Ellen iemand op uit een ver verleden

Vrijdag 28 juni:
Terug van het boodschappen doen op Vleuterweide.
Lunchtijd. Ellen in de kussens. De pui naar de tuin wagenwijd open. 
De vlinderstruiken op uitbarsten voor een meer dan manshoog boeket.
Een geweldige bloemenpracht verder met lavendel, margrieten, wilde geraniums en kamperfoelie. Geruisloos flanerende roomwitte gordijnen bij fluwelen pianoklanken. Moet dan terugdenken aan de kust van Venetië naar Triëst. Beneden ons de glinstering van de zee. Bibione. Dat huis naast ons waar een muziekpedagoge bleek te wonen. Bibione ja – het cadeau van een pottenbakster herinnert er nog tastbaar aan. De Venetiaanse Rivièra met ossobucco op de spijskaart. Lago Trasimeno en Castel Rigone. Twee weken ook op een klein flatje in een volksbuurt van Triëst. Aangeboden door de correspondent Italië toentertijd bij Het Parool. Het leek er op Napels. Wasgoed aan een lijn van de ene gevel naar die van de overburen. ’s Avonds laat nog tussen de Italiaanse gezinnen op een bankje in een klein parkje in die volksbuurt van Triëst. 
Trudy: ‘Lekker zacht hè Ellen dat fruit?!
‘Ja geniaal fruit.’
‘Geniaal?
‘Ja echt.’
‘Geniale abrikozen dus.’
Die houden we erin. Die noteren we ook weer meteen. De kamer vult zich met een vrolijk aroma. 
Haar ziekte geeft een onnavolgbaar verloop te zien. Hoe hier een patroon in te ontdekken?! 
Haar mantelzorger kan dit opkikkertje wel gebruiken. Die is óp. Trappenlopen gebeurt als een ouwe kerel.  
Ze voelt dat aan. Denk niet dat ze gek is. 
‘Kom maar’, zegt ze als de verzorgende naar huis is. 
Telkens denk ik: mensen met parkinson en LBD horen niet in een verpleeghuis tussen personen die als gevolg van hun alzheimer vloeken en tieren en de hele dag op de gang onrustig op en neer schuifelen. Patiënten met het bonken op liftdeuren als dagbesteding. Het werkt averechts. De Nederlandse verpleegzorg dient veel meer ingericht te worden naar aard en verschijningskenmerken van dementie. Kunnen we dat niet betalen? Ach, schei uit, flikker toch op, we zijn in Nederland stinkend rijk. We leven in een paradijs. Velen werken om hun vakanties heen. We leven op grote voet. Maat vijftig welhaast. We doen steeds meer aan herzuiling, zal ik in een geschrift van Frans Timmermans lezen. We gaan steeds meer langs elkaar leven binnen de lijnen van kansenongelijkheid. Ik zie het aan de migranten met wie ik in de gezondheidszorg te maken kreeg.  
‘Weet je Ellen, ik heb een optie op een paar hoteldagen in Noordwijk aan Zee.’
Ze slaapt. Klets maar raak, lijkt ze te dromen. 
‘Weet je nog? Astridboulevard. Strandpaviljoen De Branding? De biefburgers daar? Die druipende mayonaise. Hoe vaak gingen we ’s zomers niet naar Noordwijk! Wat kan ik daar allemaal naar terugverlangen. De auto parkeren in het stugge helmgras op de Beethovenlaan waar ze altijd bezig waren de villa’s nog mooier te maken dan ze al waren. Ons vaste loopje naar de winkelstraat en dan zeker ook naar de Bruna. Blijven overnachten in hotel Edelman. Die rare eigenaar Arie met zijn carnavaleske optredens. Ik ga morgen kijken of ik in De Kim de reservering kan afronden. Luister je?’
 Ze snurkt een beetje. Het is knorren. 
‘Het wordt 35 graden vanmiddag Ellen. Ik ga even terug naar Vleuterweide. Voor hamburgers. Voor op de barbecue. We gaan barbecueën. En! Geniale abrikozen toe.’ 
****
Dag Johan Carbo,
Mijn naam is Roos van Buiten. Ik las met veel belangstelling uw website. Ik was bezig aan een zoektocht naar Ellen Palstra. Ik was eertijds voor het Leger des Heils zo’n meisje met de tamboerijn bij de kerstpot  in De Pijp in Amsterdam. U schreef daarover. We hadden een leuke jeugdgroep waar Ellen ook lid van was: de KK brigade. We zijn een reünie aan het organiseren. Daarom was ik naar Ellen op zoek. Trouwens, Ellen speelde ook heel goed piano. Ik begrijp dat dit nu allemaal niet meer mogelijk is. Ik lees op uw website over haar ziekte parkinson en over Lewy Body dementie. Ontroerend. Ik wil haar heel hartelijk groeten. Ook namens de anderen uit onze jeugdgroep uit de jaren vijftig van de vorige eeuw.
Veel lieve wensen van Roos van Buiten, nu Roos Vermeulen. 
****
Geachte mevrouw Roos van Buiten!
Ach ja, de meisjes met de tamboerijn bij de kerstpot van het Leger! Naar anderen toe mocht niet het beeld ontstaan dat Ellen als dochter van de baas werd voorgetrokken, in tegendeel, en daarom moest ze harder over de Heer zingen dan haar omgeving. Maar Ellen hield al gauw meer van Hollywoord dan van Jezus. De pas geleden hoogbejaard overleden Doris Day was één van haar idolen. Ik spreek namens mijn dierbare en onvervangbare echtgenote Ellen als ik U vanaf deze plek zeer hartelijk bedank voor Uw vriendelijke woorden. En ja: op een gegeven moment werd Ellen, werd óns, de pas afgesneden. We kregen met parkinson te maken en vervolgens met een uit parkinson voortvloeiende achterneef van dementie. Een dementie die een andere is dan alzheimer. Dat krijg je gaandeweg steeds meer in de gaten. Bij Ellen is er niet eentje op de loop. Het is anders, het is een variant van dementie. Ellen is zich van heel veel dingen nog goed bewust. Er komt nog veel bij haar binnen. Maar ze kan er moeilijk op reageren. Het is een vertraagde film. Ze zit opgesloten in haar lijf. Maar ze woont thuis en geniet het voorrecht van een koninklijke verzorging één op één. Ze beschikt over een sterrenteam aan persoonlijke verzorging. Telkens weer de loftrompet mijnerzijds aangaande het team verzorging dat voor Ellen in touw is. Lees de blogs en constateer dat er ondanks zo’n zware ziekte als parkinson in combinatie met Lewy Body nog veel van het leven te maken valt. We trekken er ook binnenkort weer op uit. Maar verdrietig is het natuurlijk wel allemaal. Het schrijnt. We stelden ons van onze pensioenjaren heel iets anders voor. Het leven van nu heeft ons grote beperkingen opgelegd. Al ver voor haar parkinson had Ellen eigenlijk niet of nauwelijks meer contact met het Leger des Heils. Ze kwam in opstand tegen bepaalde standpunten die het Leger innam. Amper contact nog. Wel altijd een prettig gevoel bij het luisteren naar de brassband van het Leger. Meeslepende muziek. De brassband is voor Ellen jeugdsentiment. De laatste keer van contact betrof de tachtigste verjaardag, of was het de negentigste? – ja ik denk de negentigste verjaardag van majoor Bosshardt. Die werd gevierd in de Mozes en Aäron kerk nabij het Waterlooplein in Amsterdam. We waren genodigden. Nou ja, Ellen was genodigde. Ik mocht mee. Zonder voorbereiding hield de negentigjarige volksheldin Bosshardt een toespraak in die stampvolle kerk. Ze was net een beetje herstellende van een zware ziekte. Welke, weet ik niet meer. Had ze niet een hersenbloeding gehad? Ik weet het niet meer. ‘Het woord is nu aan de majoor’, klonk het ineens vanachter de microfoon in de Mozes en Aäron kerk. En je zag Bosshardt verbaasd kijken en denken: ‘Hoezo, dat stond toch helemaal niet in het draaiboek?!’ Ze had zich nergens op voorbereid. Je wachtte dat de hoogbejaarde in de stress zou schieten, maar nee. Ze kwam naar voren en kreeg iets van ti ta tovenaar over zich. Magie. Wat het feestvarken gezegd heeft, weet ik niet meer. Maar goede wijn behoefde geen krans. Daar stond iemand die een missie vervulde en die het geweldig vond om voor volle zalen te speechen. Het was heel bijzonder. Volgens mij zijn we na afloop met een klein clubje bij haar thuis geweest. Voor een afzakkertje. Nou ja afzakkertje, het zal wel priklimonade zijn geweest. Ze woonde niet ver van het Waterlooplein. Vlakbij was een politiebureau, bureau IJtunnel, en even verderop had Bosshardt een flatje. Het was daar allemaal zó eenvoudig. Het goeie mens had niets voor zichzelf nodig, leek het wel. Goeie vrienden van ons die Ellen aan het Leger had overgehouden droegen tot op het laatst bij aan de verzorging van tante Zus. Want ik weet niet beter dan dat Bosshardt tante Zus werd genoemd. Werd Bosshardt rond de eeuwwisseling niet uitgeroepen tot de grootste Amsterdammer aller tijden? Op het laatst leek ze toch heel erg eenzaam en alleen. Ik merkte dat eens toen we met die vrienden uit het Leger in zo’n Bilderberghotel in de buurt van Arnhem logeerden. Van Ellen weet ik dat haar vader er heel alert op was dat de majoor niet groter en belangrijker werd dan de organisatie waarvoor ze werkte. Het is Will Palstra niet gelukt. Ellen voelde zich in de latere jaren altijd een beetje opgelaten in kringen van het Leger. Zoals een keer op kerstavond op het hoofdkwartier in Almere. Ze was de dochter ván, maar daar stond ze zich helemaal niet op voor. In Almere hoorde ze twee bezoekers min of meer bewonderend tegen elkaar zeggen: ‘Dat is de dochter van kolonel Palstra van vroeger, daar staat ze.’ Het liefst liep Ellen naar de garderobe. Het liefst ging ze weer naar huis. Ik zou zoiets prachtig hebben gevonden. Maar ja, ik ben anders. Die kerstavond in Almere zal ik niet gauw meer vergeten. Hoe anders dan mijn jeugd met zingen bij een deprimerend protestantchristelijk traporgel. Ik werd in Almere helemaal blij als de mensen onder het zingen ook in een bepaald ritme gingen klappen. Het duurde even voor ik dat ritme onder de knie had. Het zat ‘m in de pols dat klappen. Wilt U iedereen op de reünie hartelijk groeten namens Ellen?
Uit haar mond het volgende en U mag dat op de reünie aan de anderen voorlezen: 
‘Mij, Ellen, zijn veel dingen niet meer vergund. Maar gelukkig een hoop andere dingen nog altijd wel. Je moet het leven nemen zoals het valt, hoor ik vaak. Dat advies komt meestal van mensen wier leven nog niet op de proef is gesteld. Ik ben ondanks alles rijk. Er wordt van mij gehouden, heel veel gehouden. Er wordt met passie voor mij gezorgd. Verzorgende Trudy gaf me vandaag fruit. ‘Lekker zacht’, zei ze erbij. Dan wil je iets terugzeggen, zoek je naar woorden, en probeer je te formuleren. Dat kost tijd en dikwijls vind je niet het juiste woord. Alhoewel – ik antwoordde ‘gaaf’. Daar moesten we prompt om lachen. Laten we zo zeggen: ik zat er met mijn antwoord dicht bij. Tot voor kort ging ik nog steeds met vakantie. Naar De Panne in België bijvoorbeeld. Tot op heden ben ik nog dagelijks buiten. Veel buiten zelfs. Ik geniet van de wandelingen en van mijn tuin die één grote bloemenpracht in wit, paars, lila en roze te zien geeft. Mooie herinneringen bewaar ik aan mijn jeugdjaren. Misschien is het beter om te zeggen: ambivalente herinneringen. Als jong meisje verloor ik mijn moeder. Mijn vader had een hoge positie maar was desondanks eenzaam, en ik ook. Het gemis van een echtgenote en moeder woog zwaar. Veel herinneringen. Aan het Leger des Heils ook waarvan ik alle rituelen door mijn ouders met de paplepel kreeg ingegoten. Ook mijn moeder had de rang van officier. Als klein meisje ging ik nog wel eens mee naar het kantoor van mijn vader bij de Warmoesstraat. Mijn gouvernante kwam uit het Leger. De kerstpot ja. De Gerard Doustraat. De Pijp. Amsterdam. De kou in zo’n kort telkens opwaaiend rokje met flinterdunne nylonkousen. Hoe konden ze me dit aandoen. Jaren later nog dacht ik bij Kerst altijd aan de kou op de hoek van de Gerard Doustraat in De Pijp. De tamboerijn. Je stond te vernikkelen. Halleluja. En ja, de piano van thuis. Chopin. Maar later de nagellak. Lippenstift. Oogschaduw. De sigaret. Ik werd een Dolle Mina. Baas in eigen buik. Emancipatie. De solex uit de jaren zestig. De gitaar op de bagagedrager. Levensgevaarlijk ding die solex met buitenboordmotortje op je voorwiel. Vooral met die gladde tramrails in Amsterdam. Mijn werkzame leven bracht ik in het onderwijs door. Ik, Ellen, was graag naar de reünie gekomen. Maar helaas. Het leven en de wending. Maar liefde en geborgenheid omringen mij. De temperatuur loopt vandaag weer op naar tropische waarden. We gaan eind van de dag barbecueën hier in de tuin. Ik kus jullie van waar ik nu ben, in mijn tuin vol uitbundig bloeiende planten op een prachtige plek in de Randstad. Maak er een gezellige reünie van. Is getekend Ellen Palstra, nu Ellen Carbo-Palstra.’
****
Zondag 30 juni. Vroeg voor eieren en warme broodjes naar de Lidl. Op dat idee kwam bijna ons halve dorp. Waarom ook niet. Het lijkt met het brood wel België op een vroege warme zondagochtend. In de rij voor brood net uit de oven. Brood en eieren. Eieren voor op de elektrische plaat Princess die jaren geleden op de kartonnen verpakking met een vette knipoog werd aanbevolen door de veel te jong overleden tv-kok Cas Spijkers uit Brabant. Kwam hij niet uit Oisterwijk? Daar in de buurt, in Vught, woonde Yvonne die met televisiepresentator Ed van Opzeeland getrouwd was geweest. Een zus van Yvonne werkte als gastvrouw in het restaurant van Cas Spijkers. Een vriend van ons kon nooit zijn ogen van die blonde zus afhouden en terug naar huis kreeg hij altijd bij Den Bosch op zijn flikker van zijn vrouw. Die ook blond was. Schitterende verhalen had die zus van Yvonne altijd. Dat moet gezegd. Het kwam er eigenlijk op neer dat je niet kon gaan hemelen zonder ooit bij Cas Spijkers in Oisterwijk gegeten te hebben. Al was het maar voor één keer. Voor ons soort mensen bleef het ook bij één keer. Want de heer Spijkers schudde zijn eters financieel volledig door elkaar. Of beter: leeg.
Dat deed Bocuse ook in de buurt van Lyon. Ellen liep eens tussen twee gangen plotseling weg, de restauranttuin door. Geen idee waar ze bleef. Op het toilet telde ze nerveus na hoeveel francs er in haar portemonnee zaten. Ooit gingen we ook eens heel duur uit eten in een kasteeltje aan de Loire in Frankrijk. Vooraf moest er gekozen worden. Eten in het kasteeltje en dan daarna voor de deur de nacht doorbrengen in de auto – of een mooi hotel en broodjes van een Franse Lidl. Weet je nog Ellen? We kwamen de volgende ochtend gebroken uit de auto. Een Fiat Uno, als ik het wel heb. Wat waren we vroeger rijk. Zorgeloze stinkend rijke vrijheid. We konden gaan en staan waar we wilden. Heb ik me dat toen wel ten volle gerealiseerd? Nee, ook al was ik een detailgenieter. Met fotografisch geheugen. Toen aan de Loire waren we op de bonnefooi naar Frankrijk. Weggeregend in Noordwijk aan Zee waar we in hotel Edelman met die plezierig maffe eigenaar Arie kamer 16 hadden. Meestal kozen we er voor 10 of 20. Direct aan zee op de Astridboulevard.
Juni 2019 eindigt als warmste maand ooit gemeten. En ook als natste maand ooit gemeten. Door al die uitbundige bloemen en planten in de voortuin is vanuit het keukenraam de straat niet eens meer te zien. Achter die flora moet ergens de Skoda staan te bakken in de zon. Ik hoor ‘m zuchten dat zoveel jaren trouwe dienst wel een garage verdient. Deze zondag 30 juni ter afkoeling voor de siësta met een boek naar de Vinkeveense Plassen. Handdoek mee. Dat boek, ‘Jas van Belofte’ van Jan Siebelink, heeft iets ondoorgrondelijks. Waar wil Siebelink nou heen met dit boek? Minder mysterieus is ‘Broederschap’ van Frans Timmermans, een pleidooi voor verbondenheid.
Daar was de vorige dag op het strand van Noordwijk aan Zee overigens weinig van te merken. Om negen uur ’s morgens al op het ons welbekende strandterras van De Branding. Druk, hartstikke druk. Alleen in een hoek nog  twee loungebanken met kussens vrij. Liep er gelijktijdig met twee vrouwen van om en nabij de veertig naartoe. Wil er neerstrijken. ‘Meneer, wij willen hier graag zitten.’ ‘Maar U bent met z’n tweeën en er is wel plek voor acht.’  ‘Onze mannen komen later met de kinderen.’ ‘En wat mag dat “later” wel zijn dames?’ ‘Nou, over een kwartier, twintig minuten, hooguit een halfuur.’ ‘Heeft U gereserveerd dames?’ ‘Nee, maar wij hebben geen zin om hier met een vreemde te zitten.’ Moet je dát toch eens horen allemaal. De woorden van Timmermans zijn niet mysterieus, maar wat moet ik met Broederschap op het strand van Noordwijk tegenover twee hittepetitjes op wie ik het liefst de brandspuit zou zetten? Daar heb je nou vijf kwartier voor in de auto gezeten! Met een beetje fantasie valt op het strand van Noordwijk het nihilistische dogma van de volgevreten westerling te ontdekken waarover Timmermans schrijft. Woede brandt achter mijn nieuwe zonnebril van het Kruidvat. Zo moesten asielzoekers zich geregeld voelen. Dit benadert Trump. Muren en grenzen om ons geluk niet te hoeven delen. Tot op het strand toe. Op Vinkeveen leest Broederschap een dag later gemakkelijker. Noordwijk als egocentrisch egoïstisch Haarlem. Pedanterie. Decadentie. Dan maar even liever het ontwapende volkse Mokumse Vinkeveen van André Hazes. Wie zichzelf lief heeft generaliseert.
Met die twee vrouwen op het strand van Noordwijk ineens het beeld vlijmscherp van de moerassige Camargue ten zuiden van Avignon. Arles eind jaren negentig. Vincent van Gogh. Saintes-Maries-de-la-Mer. De Rhônedelta met zijn in het wild levende witgrijze paarden en zijn roze flamingo’s. Inderdaad, een mantelzorger leeft herhaaldelijk terug. Duitse toeristen, ja Duitse vooral, die al ’s morgens vóór zessen hun handdoek en de handdoeken van de rest van hun familie op de bedden aan het zwembad drapeerden. En daarna weer naar boven dribbelden en naar bed. De matineuze Ellen amuseerde zich ermee op ons balkon. Je hoorde ’s morgens om vijf uur in verscheidene appartementen de wekker. Daar kon geen enkele bioscoop tegenop, genoot Ellen. In ons latere hotel Riu Palmeras op Gran Canaria waren zulke strapatsen met handdoeken en onzinnige beddenclaims verboden. Strenge bordjes aan de muur geschroefd. Maar dat maakte de Duitsers nóg maffer. Ging er één al midden in de nacht op een strandstoel zitten en waakte hij tevens over een stel andere strandstoelen als een politieagent met bonnenboekje. Het zit in hun genen. ‘Nein, nein! Meine Frau und die Kinder.’ Duits gezinsgeluk op de vroege Canarische ochtend bij een pensioengerechtigde Canarie die met een net aan een lange stok het zwembad van Duitse smetten vrij maakte. ‘Meine Frau! Die Kinder! Het was zó aandoenlijk dat je het die Duitsers ook niet wilde afpakken. 
Diana maakt veel uren dit tropische weekend. Ze is alles tegelijk. Ook pedicure en kapster. Ze stuurt foto’s met het resultaat naar de andere verzorgenden en enkele vrienden. Het resultaat mag er zijn! Diana heeft ook een nieuwe zomerbroek voor Ellen gekocht. Een hele mooie. Ze moest toch even bij de Hema zijn. Esmé: ‘Ik ga er snel net zo één kopen. Maar 8,99 bij de Hema?’ Aan het begin van de zondagavond van 30 juni de elektrische plaat weer aan in de tuin. Links barbecueën de buren. Rechts ook. Natuurlijk die van rechts ook. En ook van schuin in de hoek, zo’n veertig meter verderop achter de naaldbomen, komt de geur van karbonade ons tegemoet. Je hoort flessen die ontkurkt worden. Het geluid van een geopend biertje en een vinger die snel in en uit de flessenhals gaat. Plok, klinkt het. De Princess is op temperatuur en heet de  kabeljouwburgers een warm welkom. Op de verpakking meldt Albert Heijn dat de kabeljouwburgers na openen maar beperkt houdbaar zijn. Wat een stimulans! Voor de mantelzorger is barbecueën een aangename therapie. Straks op slippers de door de huisarts geadviseerde wandeling door de wijk. Die tippel geeft een heel andere kijk op het begrip leeghoofd.
Maandag 1 juli 2019.
Met nieuwe kabeljauwburgers voor op de barbecue bij de kassa van de super.
‘Meneer, wat heeft U een geweldig mooi bruin kleurtje.’
Voel me gevleid. Wat heet! 
De vriendelijke moslima – ‘in volle bepakking’ zouden we vroeger in militaire dienst zeggen – beziet de pensionaris met een speelse glimlach.
Wat als half naakte poepie bruine pensionaris hierop te antwoorden? Hoe bedenk je zo snel iets snedigs? Al gauw zeg je onbedoeld iets verkeerds. Maar ze meende het! 
‘Wilt U de bon?’
‘Nee hoor, ik vertrouw U, ik twijfel geen moment dat het klopt.’
‘Dat zou ik graag vaker horen, meneer.’
 
 

Johan

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *