Het kleine donkere meisje van negen uit Angola

Opeens stond ik er. Met een eenvoudige roos in cellofaan. Donderdagochtend 11 juli 2019. Op de plek van de dodelijke steekpartij op klaarlichte dag een stel buurtbewoners en twee cameraploegen. Zelf onderweg van ergens naar nergens met vakantiegevoel. Die roos bij de andere bloemen gelegd en me omgedraaid om terug naar de Skoda te gaan. Klopje op de schouder. ‘Meneer, sorry maar mogen wij U voor Hart van Nederland een paar vragen stellen?’ Dat moest ik maar niet doen. Nee, geen microfoon onder mijn neus. Bij de auto bedacht ik me. Hoe dikwijls vroeger had ik niet zelf dit ondankbare werk voor de krant moeten doen? En dan altijd uitgemaakt worden voor een naar sappige citaten vissende sensatiebeluste ramptoerist die er nog leuk voor betaald werd ook. Op de algemene verslaggeverij van de krant kwam je altijd wel een keer aan de beurt. Zoals het mijn beurt was op Nieuwjaarsdag in 1998. Of 1999, dat kan ook. Ik voelde het al aankomen toen we in de nacht van Oud op Nieuw thuiskwamen van een feestje. Had weekenddienst. Eén van mijn laatste weekenddiensten voor het Utrechts Nieuwsblad. Ze wilden er van hun grootverdieners af. Op Oudejaarsavond was ik met de laatste sneeuwschuiver van het jaar mee geweest over de A2 van Utrecht naar Vinkeveen en terug. En daarna nog een keer die route heen en weer. Maar dan over twee andere nog besneeuwde banen van de snelweg. Het ijzelde. Een hoogst enkele keer glibberde een andere weggebruiker ons voorbij. In de cabine van de strooiwagen van Rijkswagen een praatje met de chauffeur die niet zoveel te vertellen had en ondertussen de vraag wat ik hier in godsnaam over moest gaan schrijven. Hoe zou ik ooit dat blaadje vol krijgen met tekst over een hagelwitte en spekgladde Oudejaarsavond met geen sterveling op de weg. En een werknemer van Rijkswaterstaat die zich alleen maar druk maakte over zijn hond die thuis zenuwaanvallen kreeg van vuurwerk.
Had ik hier nou mijn diploma van de hbs voor gehaald? Weliswaar met vallen en opstaan, en de nodige reprimandes, maar toch het papiertje met geslaagd. Mee met die strooiwagen de eenzaamheid in was daarentegen allesbehalve geslaagd. Dit zou een verhaal voor de krant worden vanuit de dikke duim. En toen de volgende ochtend het telefoontje dat ik wel begreep dat ik naar Nieuwegein moest. Waar bij het vuurwerk afsteken ‘s nachts een bewoners letterlijk en figuurlijk zijn hoofd verloor. Het was groot landelijk nieuws. Teletekst stond er vol mee op 101. Een jongeman nog, morsdood, op slag dood nadat hij in een ton had gekeken waar zijn vuurwerk toch in godsnaam bleef. En toen kwam het er juist aan. Zelden me zo armoedig gevoeld als toen op1 januari. Omwonenden die de deur voor mijn neus dichtsmeten met de woorden dat het tijd werd dat ik eens een écht vak ging leren. En ik gaf die obstinate mensen diep in mijn hart nog gelijk ook. Ik was niet de enige die met een groot gevoel van schaamte door de wijk liep. Alle kranten hadden er een ‘dwangarbeider’ naartoe gestuurd, en ook de televisie. Naar leeftijd en anciënniteit werd niet gekeken. Je had weekenddienst of je had het niet. We liepen elkaar als journalisten voor de voeten op zoek naar een paar quotes over wie het slachtoffer nou precies was. Lieve kerel natuurlijk. Hard werkende man. Stond altijd voor iedereen klaar. De bekende clichés. 
Vele jaren later zei één van mijn studentes mij dat zij dit voetenwerk voor de krant zou weigeren. Ze zou zich hier nooit voor lenen. Dat hoefde ook niet, antwoordde ik haar. ‘Jij komt nooit op een redactie te werken. Want jij haalt nooit je diploma. Jij bent journalistiek gaan studeren voor de show, voor de glamour. Maar soms is journalistiek het meest vernederende beroep dat een mens zich kan voorstellen. En dan toch maar doen. Niet voor luxepaard willen spelen meisje.’
Die herinneringen flitsten in de Erensteinerstraat in de wijk Chèvremont van Kerkrade door mijn hoofd toen ik weer in mijn trouwe Skoda zat. Achter me werden weer nieuwe bloemen bij het tuinhek neergelegd. In mijn achteruitspiegel zag ik ook een politiebusje arriveren. Het sleuteltje ging weer uit het contact. Terug naar de plek des onheils. Op slippers. Ja, ik liep nu eenmaal op slippers.
Terug naar die mevrouw van Hart van Nederland die zich daar op de stoep wellicht ook geen raad wist met haar figuur. Ook zij had deze weinig aantrekkelijke journalistieke klus maar te doen. Ik had me bedacht. Ze mocht me een paar vragen stellen. Zag de deuren van Nieuwegein weer voor me die werden dichtgesmeten alsof ik een Jehova was. Het gezicht van de verslaggeefster van Hart van Nederland klaarde op. Eindelijk werd ze niet afgewezen. Dat was ze al de hele ochtend voornamelijk: afgewezen. En waarom ik dan die roos had neergelegd? En of ik die roos straks voor de camera nog een keer tussen de andere bloemen wilde leggen. Voor het plaatje. Ze begon uit te leggen hoe dat in de journalistiek zat: zonder plaatje geen praatje. Waar was ik aan begonnen! Het rode lampje van de camera brandde inmiddels weer. Ik vertelde de verslaggeefster dat ik de vorige dag in de auto op weg was naar Kerkrade toen daarvandaan het nieuws op de radio kwam dat er een vrouw van 41 voor haar woning door messteken om het leven was gekomen. Eenmaal in Kerkrade nam ik op het terras van kasteel Erenstein een kop koffie en daar vertelde de ober me dat het iets verschrikkelijks was geweest wat zich enkele uren eerder daarboven aan de andere kant van de geitenberg had afgespeeld. En maar sirenes en maar helikopters van de politie in de lucht. De ober dacht dat het hele politieapparaat van Kerkrade en Heerlen zich plots in de Erensteinerstraat bevond. En alles tot ver in de omtrek afgezet voor nieuwsgierigen.
Later in hotelabdij Rolduc sprak iedereen vol ontzetting over de tragedie van hemelsbreed een paar honderd meter verderop. Allemaal zo dichtbij, en allemaal ook zo bekend. Die betonnen jaren ’70 flats en daar loodrecht op de bewuste straat met op de hoek geschilderd ‘Café Rolduc’. Kan Chèvremont ondertussen wel dromen. In Rolduc ging het gesprek aan een soort stamtafel over de vraag wat wij zouden hebben gedaan, ja wij, als het voor onze neus was gebeurd op klaarlichte dag en we dus ooggetuigen zouden zijn geweest. Eén van de gasten (uit de buurt van Doetinchem) twijfelde niet. Hij zou de dader op zijn nek zijn gesprongen. De moedige gast kreeg meteen een por in zijn lenden van zijn vrouw met de woorden: ‘Idiote waaghals’. Zei aan die tafel terloops dat ik waarschijnlijk ook voor held zou spelen. Maar dan wel met een dooie held als afloop. Een dooie held met wie je de oorlog sowieso verliest. Hoorde dat een man met een kindje op de arm het drama voor zijn ogen had zien afspelen. De man had niet zo gauw geweten waar hij dat kleine kindje had moeten laten. Die man was daarna nog wel achter de dader aangehold. Ik kwam uit Utrecht, vertelde ik aan Hart van Nederland. Die tram van eerder dit jaar, die aanslag, de onschuldige doden, hun familie, alle impact, nu die rechtszaak. Misschien had dát er wel mee te maken gehad dat ik bij de bloemist om de hoek van de Erensteinerstraat was gestopt voor een roos. Die had ik neergelegd mede namens mijn echtgenote. Een eenvoudig gebaar van medeleven. De verslaggeefster knikte ter aanmoediging. Maar meer had ik haar niet te zeggen. Het lampje van de camera mocht uit.   
In Nieuwegein had ik destijds een interview met de baas van de man die was omgekomen bij het afsteken van zijn vuurwerk. Gek eigenlijk dat ik me daarvan nog steeds zoveel herinner. Dat kantoor en de werkplek van de vuurwerkdode. In de aanloop naar de volgende jaarwisseling belde een vrouw naar de redactie die naar mij vroeg en vertelde wie ze was. De weduwe. Of ik haar wilde interviewen. Maar dat interview moest dan wel gaan over het gevaar van vuurwerk. Ze had een missie. Het artikel moest een waarschuwing van haar kant worden. De beelden werden weer scherp toen ik allang de Erensteinerstraat van Kerkrade uitgereden was. Eind december twintig jaar geleden in die woning in Nieuwegein. Het kwam weer boven. De vrouw was zwanger geweest toen ze haar man op straat verloor. In de box lag een kindje van een paar maanden oud. Drie kwart jaar, nee nog niet eens, meen ik me te herinneren. Collega Nelly Jacobs was erbij. We zeiden niets. We keken alleen maar. Dat kindje dat haar vader al verloor toen ze nog in het lichaam van haar moeder woonde. Ik geloof dat we het zó in de krant hebben verwoord, Nelly en ik. Samen hadden we ons ook over straat bewogen toen het allemaal een paar uur eerder in die nieuwjaarsnacht was gebeurd. Voetje voor voetje. Want in de nieuwbouwwijk van Nieuwegein hadden ze geen enkele strooiwagen mogen begroeten. Aanbellen en weggesnauwd worden.
Vijftien jaar later gaf ik incidenteel op zondag les aan de weekendschool in Tilburg. Vijftig kinderen van acht tot elf met roots in Ghana, Somalië, Kenia, Angola, de Antillen en ga zo maar door. Druktemakers uit alle windstreken. Maar wel leuke druktemakers. Althans, de meeste jongens hadden praatjes, de meisjes niet. Die waren bleu. Ik moest ze op speelse wijze vertellen over het werk van verslaggevers voor radio, tv en krant. Wie niet oplette die pakte ik zijn limonade af, waarschuwde ik vooraf. Dat hielp soms voor vijf minuten. Op een keer besloot ik over de vuurwerkdode te vertellen. Zo subtiel mogelijk. Zo eenvoudig mogelijk ook. Ik kreeg ze meteen stil. Ik vertelde over dat kindje in de box. Een meisje, meende ik me te herinneren. Drie kwart jaar oud of zo. Op de weekendschool aan de kinderen van de achterstandsbuurten van Tilburg-Noord de vraag wat hun belangrijkste vraag zou zijn geweest als zij de moeder van het kindje hadden mogen interviewen. Een stoer jochie uit Curaçao wist het wel. ‘Hoe duur was dat vuurwerk?’ Geen al te beste vraag, lieve jongen. Er werd gelachen. Naast hem een andere macho. Die kwam uit Afrika. ‘Wat voor vuurwerk was het?’ Kon beter, kon beter! Verderop zat een heel verlegen zwart meisje met vlechtjes verlegen te zijn. En in die vlechtjes veelkleurige kraaltjes. Een poppetje. Wat zou zij aan die moeder hebben gevraagd? Ze wilde toch journaliste worden? Nee? Dierenarts, fluisterde ze. Ze sloeg haar ogen neer. De overtreffende trap van verlegenheid. Ze moest maar even gaan staan. Ojee. Waar ze geboren was? Angola, klonk het heel zachtjes. En schuchter. Hoe oud ze was? Negen? Wat zou zij aan die mevrouw van dat vuurwerk in Nieuwegein hebben gevraagd? Ik voelde dat dit kleine donkere verlegen meisje me ging verrassen. Ze wapperde een beetje met haar armen langs haar lichaam. Nou? ‘Ik zou vragen aan die mevrouw: hoe vertelt U later aan Uw kindje dat ze geen vader meer heeft.’ Ik weet nog dat ik spontaan voor dit meisje begon te klappen. De rest deed mee. Sommigen stampten erbij met hun voeten. Hier en daar ging een glas limonade om. En de volgende vraag? Ze kreeg moed. ‘Wanneer vertelt U dat aan het kindje?’ Heel goed, heel goed. Ja wanneer?! Ik stond perplex. Altijd kreeg ik aan het eind van mijn les een doos met Merci-chocolaatjes. Voor Ellen. Toen het zover was, bleek de begeleiding zo kien het cum laude geslaagde meisje van negen de chocolaatjes te laten overhandigen. Ik mocht haar een kusje geven, ze vond het goed. Kunnen kleine donkere meisjes uit Angola blozen?  
Een paar uur later ver na de lunch klopte ze heel zachtjes op de deur van mijn docentkamer. Op de drempel: ‘Meneer, meneer…. Euh, meneer… Ik wil geen dierenarts meer worden maar journalist.’ Ze begon er zelf een beetje opgewonden bij te giechelen. ‘Ik had je al als student ingeschreven en je mag het eerste jaar overslaan.’ Van geluk sprong ze een meter omhoog op de deurdrempel. Onvergetelijke zondag. Toen mij bij mijn vervroegde pensionering werd gevraagd naar mijn Top-10 van mijn carrière noemde ik ook dit meisje van negen uit Angola. Al een paar keer eerder had ik haar genoemd. Tijdens colleges zodra studenten en studentes van twintig en ouder interviews hadden afgenomen zonder zinnige vragen. ‘Angola’, riep ik dan. Men wist dan meteen hoe laat het was. Die kinderen van de weekendschool waren zó ongekunsteld en daardoor zó vermakelijk. Zo direct ook. Zonder gêne. ‘Heeft U diploma’s meneer? Nee? Echt niet? Wat doet U dan hier.’ Ik heb er dagen om lopen lachen, ook thuis. Dat jochie dat dit aan mij vroeg kwam ook ergens uit Afrika.  
Aan deze dingen dacht ik terug toen ik allang de Erensteinerstraat van Kerkrade weer uit was. Soms ergerde ik me aan collega’s op de School voor de Journalistiek die helemaal geen journalistieke achtergrond hadden. Het waren meer wetenschappers die wel eens een artikel gepubliceerd hadden gezien dat ze vanuit hun veilige studeerkamer en vanonder een leeslamp hadden gefabriceerd. Heel interessant allemaal. Commentatoren. Analisten. Kamergeleerden. Omgevallen boekenkasten. Maar toch anders dan het echte handwerk met het nieuws dat op straat ligt. En dat eigenhandig van de stoeptegels wordt geschraapt. Eigenlijk niets zo fascinerend als het doodordinaire verslaggeversleven. Met de klei en vuiligheid aan de schoenen. De regenjas met opgestoken kraag. Het authentieke verslaggeverswerk. En dat is niet altijd het verslag van de val van de Berlijnse Muur of de overwinning van de één miljoen revolutionairen van het Wenceslasplein in Praag. Of het verslag uit de indianendorpen in het uiterste zuiden van Venezuela. Of de Elfstedentocht. Of Wimbledon. Of drie weken WK-honkbal in Italië. Of de berichtgeving over de ontvoering van Heineken en later Gerrit-Jan Heijn. En verschillende ontvoeringszaken daar tussenin. Gijsie van Dam junior bijvoorbeeld. En de dochter van die rijke kerel uit Laren in ’t Gooi die in levensmiddelen deed. Met Feyenoord door Europa. Allemaal bezigheden waarmee je kon scoren. Verslaggeverswerk is ook een volle nacht in de stromende regen voor het huis posten van ene Croiset die zichzelf in België ontvoerd had. Was knettergek zelf een rioolbuis ingekropen. Of in de snerpende kou de omwonenden aanklampen van een vuurwerkdode. Of in de Erensteinerstraat in Chèvremont in Kerkrade bij een houten schutting met bloemen staan waar een vrouw op klaarlichte dag en volop bedrijvigheid werd doodgestoken. En dan kun je wel tegen je hoofdredacteur roepen ‘dat-vertik-ik’, maar het zal toch moeten gebeuren.  
Zoals onze goede vriend Taco weleens zei: wij verslaggevers proberen gewoon in de frisse buitenlucht van poepjes gebakjes te maken, meer niet. Soms is het doodordinair en heel ondankbaar.  
 IMG_9849  
Drie dagen Rolduc en kasteel Erenstein in Zuid Limburg. Daarna vanuit Kerkrade dwars door België langs Genk onder Brussel door en verder via Gent naar de kust, naar De Panne voor het afsluitende vakantieweekend. Geen files. Geen wegwerkzaamheden. Wel ter hoogte van Leuven een wolkbreuk. Op zaterdagavond na het diner in Cajou (spaghetti met dagverse groentjes aldus de kaart) met een bolglas volle dieprode klassewijn naar de kamer. De ramen naar de duinen wagenwijd open. Krijsende meeuwen vanaf het strand. Koerende duiven op de bedrading. Gelach van beneden uit het restaurant van Cajou. Windstil. Een prachtige onvergetelijke zaterdagavond. Die ondergaande zon. Die serene rust. Wat heet! Pastorale rust. Met een hilarisch nieuw boek over wat er achter de schermen van Voetbal Inside allemaal gebeurde alvorens John de Mol het spartelende RTL de voet dwars zette en drie provocateurs inlijfde. Het getob van RTL met de afkalvende reputatie van Humberto Tan waarover Voetbal Inside niet mocht praten en het juist daarom toch deed. De pruik van Renate. Alle consternatie daarover bij RTL. En niet alleen bij RTL. Ineens kwamen de huichelachtige moraalridders van alle kanten opzetten. Belangenverenigingen waarvan we tot dan nog nooit hadden gehoord. Waarschijnlijk pas opgericht tijdens de geestige act van Renate. De frustraties van Genee. Die voelde zich miskend. Werd ineens Twan Huys de opvolger van Tan en niet hij. Strebertje die Genee. Steeds meer sympathie voor ‘het directeurtje’. Die bleek vroeger kok in een restaurant te zijn geweest. In reserve voor de vakantie de biografie van Alain Light over de briljante zwarte bipolaire zangeres en pianiste Nina Simone en haar strijd in de zuidelijke staten van Amerika voor de burgerrechten. In de aanbeveling de opmerking dat de biografie de lezer recht in de ziel van Nina Simone (grillig van temperament) zou doen kijken. De biografie over Nina Simone (‘I Loves You, Porgy’ – ‘I Put A Spell On You’ – ‘The House Of The Rising Sun’ -‘Mississippi Goddam’) blijkt al gauw een pageturner. Zondag 14 juli later in de middag weer terug thuis tussen de vlinderstruiken en de floxen die het tijdens de vakantieafwezigheid op hun heupen hadden gekregen. ‘Ellen, het is weer tijd voor je medicijnen, zeg eens wat.’ Ze fronst zondagavond negen uur haar wenkbrauwen. ‘Dag meneer, hoe gaat het?’ Ongelofelijk maar weer eens. Kraakheldere stem. Ze wordt beloond met een uur massage aan armen en benen. ‘Heb je spierpijn Ellen?’ Ze knikt. Ik hoor ‘Ja’. Het klopt: met dagelijks een paar keer een paracetamol geeft Ellen het beter aan als ze ergens pijn heeft. Zoals op zondagavond. Op maandag 15/7 een rustdag. We bootsen de Tour na. Cajou in De Panne kan ergens in augustus weer op ons rekenen. Daarmee klap ik maar alvast uit de school. Of zoals ze in Vlaanderen zeggen: uit de biecht. In België klappen ze niet uit de school maar uit de biecht. Amuseerde mij in De Panne met die kop in één van de kranten. 
 IMG_9850
  
De purperen wereld. Het is paars dat de klok slaat. Hoe anders dan vorig jaar toen de droogte middenin de zomer genadeloos toesloeg. Het leidingwater ging op de bon toen. Het uitblijven van regen bleek hardnekkig. De tuin was toen een stuk minder weelderig. Die verpieterde zelfs. Enkele hortensia’s konden al snel tot de grond toe worden afgeknipt. Veel van de bloemenpracht ging al gauw verloren. Dit jaar is het anders. De planten laten zich niet onbetuigd. Als pensionado’s halen we ons hart op. Behalve aan de slakken die op de tuintafel de dahlia’s al snel gevonden blijken te hebben. Klote slakken. Langs het water van de Leidsche Rijn mogen we van een altijd naar de rolstoel zwaaiende dorpsgenoot bollen barstensvol zaad van uitgebloeide papavers afknippen. Hij doet er een lege jampot bij cadeau. Dat gaat wat worden volgend jaar! Dagelijks zijn we wel even zoet met het plukken van uitgebloeide bloemen. De beloning een nieuwe bloei. 
 
    IMG_9835    

Johan

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *