Pluk de dag, hop biertje hop!

20190914_145953_HDR_resized

De kale hopstruiken als stille getuigen. En het is maar goed dat de ouders van Ellen niet meer leven. Er werd bij haar thuis niet gedronken. Maar zie de twee foto’s, vooral de eerste, het lijkt waarachtig Zuid-Europa wel. In werkelijkheid is het nog geen kwartier lopen van ons huis.  
Tachtig tot negentig vrijwilligers voor het jaarlijkse hopplukken bij de plaatselijke bierbrouwerij Maximus. Een hele oogst. Dat kan al niet meer mis met het bier. Hovenier Ben van Zuilen, bij ons in de tuin bezig met het scheren van enkele coniferen waar we zelf niet bij kunnen, geeft voor alle zekerheid handschoenen mee. Daar had de organisatie al op aangedrongen. Die hop zou ongelofelijk kleverig zijn. Het is zaterdag 14 september. Wil houdt Ellen gezelschap. Zelf naar de ‘dagbesteding’. Zo heet dat toch in de verpleegzorg? De start van het hopplukken al vroeg in de ochtend, om tien uur. Er hoeft weinig te worden uitgelegd. Je neemt een struik en je roetsjt de knoppen eraf. Hoe eenvoudig kan het zijn! Groene plastic kratten in overvloed. Struiken ook. Het doet aan vroeger denken, aan vroeger thuis. Zo ging het ook met de doperwten. Je drukte ergens op zo’n neusvleugel, vork in de aanslag, de losse pols en de erwtjes sprongen enthousiast in de pan. Of op het vloerkleed, zo’n Perzisch vierkant tapijt hadden we. Met kwastjes. Witte franje. Zo’n Perzich tapijt ging bijna wekelijks op vrijdag naar buiten voor een onderonsje met de mattenklopper. Jaffastraat 16 dat bij een nieuwe nummering Jaffastraat 50 werd. Bij de gemeente gingen ‘bis’ en ‘bis A’ er op een verdwaald ambtelijk moment uit.
De Jaffastraat, het adres van die seringenboom. Recht tegenover ons de schoenmakerij van De Kleuver. Iedereen kwam er om zijn schoenen te laten verzolen. Daarnaast het onderkomen van een duivenmelkersvereniging. Elke zaterdag een grote vrachtwagen om de manden met duiven te komen ophalen. Die duiven werden vervolgens buiten de stad losgelaten. Op zaterdagmorgen ging je toen nog naar school. Wie een auto bezat, waste die auto op zaterdag voor de deur. Herinneringen. Ik kan me zelfs nog die emaillen steelpan voor de geest halen waar die doperwtjes na het roetsjen in neerdaalden. Waren het geen doperwten dan waren het wel sperziebonen. Aardappelen, vlees en groente. Dat schafte de pot. Tot lang. Aan rijst deden we pas veel later. Macaroni met ham en kaas was aanvankelijk al heel wat. Het was van mijn moeder een gewaagde culinaire operette. Net als Brussels lof met ham en gesmolten kaas. Wat de boer niet kende dat at hij niet, mijn vader was geen boer maar hij gedroeg zich er wel naar. Hij incasseerde ook de huur in het Spinozakwartier in Utrecht. Aan de overkant van de Douwe Egberts. Daar woonden veel Indiëgangers. Mijn vader had het liefst een knijper op zijn neus. Die Indische mensen hadden hun keuken aan de galerij. Weer thuis van een exotisch uitstapje tegen zijn zin gingen al zijn kleren naar buiten om te luchten. Dat Indische eten dat stonk hem te veel. 
Mantelzorgverlof met hopplukken als dagbesteding. Zoals een paar jaar geleden olijven plukken in Toscane. Dat was een stuk zwaarder, dat plukken van olijven, en het gebeurde met netten en een ladder. Wacht nog altijd op de fles olijfolie die me was toegezegd. Ik zou er zelfs wel meer dan één ontvangen. Zaterdag 14 september. Het is schitterend weer. Volop nazomer. Zon, strak blauwe hemel. Vrolijke mensen. Er is koffie, thee en voor later in de middag wordt er bier beloofd. Mooi vooruitzicht. Bier uit eigen brouwerij natuurlijk. De keuze uit drie soorten. Elke vrijwillige hopplukker krijgt drie muntjes voor het bier van later op de zaterdag. De beloning. Hoe laat de pomp opengaat? We zullen wel zien. Hangt van het werktempo af. Ik zit te punniken aan een struik, tegenover mij ene Martien. Aardige kerel. Hij zal van dezelfde leeftijd zijn. Hij komt van de Alendorperweg bij Intratuin. Hij moet later op de dag met de harmonie naar de Uitmarkt in Utrecht. Spelen aan de voet van het stadhuis op de Oudegracht. Hij is dus van de harmonie en natuurlijk, het kan niet missen, hij komt uit Limburg. Uit Heerlen om precies te zijn. ‘Vind jij dat een interessante stad? Nou dan ben je één van de heel weinigen.’ Toch doet het hem goed, iemand die Heerlen nu eens niet afbrandt. We praten over het Glaspaleis van Heerlen. Over mannen op straat die je vanwege hun verweerde kop meteen herkend als ex-mijnwerker. We praten over het station van Heerlen met destijds al die overlast van drugs en junks. Heerlen als roversnest. Dat kreeg je van al dat grensverkeer. Of ik het nieuwe station van Heerlen al eens gezien heb? Zeker wel. ‘Het lugubere tunneltje is verdwenen.’ Ik vertel hem hoeveel voetstappen ik met Ellen wel niet in Limburg heb liggen. Epen, Mechelen, Slenaken, Margraten, Eys, Trintelen, Voerendaal. Kasteel Ter Worm tussen Heerlen en Voerendaal in.
Vertel hem dat het echte mijnwerkers-Limburg me meer trekt dan Maastricht en André Rieu. Daar gaat mijn vriend eens goed voor zitten. Zijn dag kan niet meer stuk. Kent hij het boek ‘Het geluk van Limburg’? Nee? Het gaat over die mijnwerkersenclaves. In Kerkrade vooral rond dat vroegere voetbalstadion van Roda JC, Kaalheide. Ik ging met het boek in de hand de straten en adressen langs om te zien of de naambordjes nog klopten. dat was drie jaar geleden. Hij weet er alles van, Martien, van het mijnwerkersleven van destijds. In Heerlen had je de mijn de Nassau. In Brunssum de Emma. Inderdaad, al die mijnwerkers deden in hun vrije tijd aan de duivensport. Iedereen zat bij de harmonie. Iedereen stemde op de KVP. Alles draaide om de pastoor. De Limburgers van toen hielden allemaal duiven en hadden ook siervogeltjes. Martien is alweer heel wat jaren geleden naar de Randstad geëmigreerd. Zo noemt hij het: ‘geëmigreerd’.
Rolduc? Wat zeg ik daar nou? Het roomkatholieke riool Rolduc? Nu een hotel? Dat wist Martien niet. ‘Een besmette plek’, mompelt hij. Over Rolduc in Kerkrade praat hij eigenlijk liever niet. Slechte naam door monseigneur Jo Gijsen als grootste viespeuk. Door de paus verbannen naar IJsland om af te koelen. Zou het geholpen hebben? Martien doet dit hopplukken voor het vierde achtereenvolgende jaar. Zelf drinkt hij zelden bier net als ik. Ook hij doet dat hopplukken ter ontspanning. Nog geen moment kleverige handen van die hop. Hier en daar een praatje, een kop koffie, een beetje lachen en ondertussen een struik leegplukken. De harmonie van Vleuten? Hebben we die dan Martien? ‘Zeker wel! Moet je horen: die heeft momenteel meer aanmeldingen dan heel wat harmonieën in Limburg. En we worden overal uitgenodigd.’ En hoe komt dat zo met al die aanmeldingen? ‘Een goeie voorzitter. Een goed bestuur.’
Martien woonde eerst op de Titus Brandsmalaan in Vleuten. Weer iets gemeenschappelijks. Want dan kent hij ook de Odenveltlaan. Daar woonden we eerst. Op nummer 9. Naast de onvergetelijke pillenprofessor van Philips Duphar, Andries Koekendorp. We komen te praten over de drukkerij van Van Rooijen. Ook Odenveltlaan. Of ik de plaatselijke slijter ook ken naast de notaris. Natuurlijk. Ik ken háár van de slijterij, heet ze niet Truus? En de notaris die ken ik ook. Zij van de slijterij is familie van Martien. Ze stopt, die vrouw van de slijterij. Hij had graag de hele handel overgenomen, gekocht. Maar aan acht ton kan Martien niet komen. Acht ton? Inclusief de voorraad aan flessen? ‘Het goeie mens weet alles van wijn en heeft in haar hele leven nog nooit een druppel gedronken, toch knap hè.’
Ineens zit er een bekende van Martien bij ons met een struik hop. Hij is van de plaatselijke zangclub, zo begrijp ik uit de conversatie die hij met Martien heeft. Ook hij moet deze zaterdag nog naar de Uitmarkt. Na de harmonie treedt het zangkoor op. Dat wist Martien nog niet. Met aanhangwagens worden nieuwe struiken met hop van het naburige Maximapark naar de brouwerij aangevoerd. Daar worden ze verdeeld onder de plukkers. De meesten werken in deeltijd. Sommigen kienen het zo uit dat ze vlak voor de lunch komen en al snel na de lunch weer de benen nemen. De hopplanten schijnen te groeien in de buurt van de vlindertuin van het Maximapark. Daar wordt door de jeugd veel gerotzooid, weet Martien die aan de rand van het park woont. Hij klaagt over de politie die niks doet. Het is speciale politie die het Maximapark in de gaten houdt. Hij heeft er een woord voor. Dat ben ik vergeten. Hij overweegt een proefproces tegen de gemeente. Want een oude vrouw op de fiets zonder licht bekeuren ze wel maar jongelui durven ze niet aan. Zo hoor je nog eens wat. ‘Vernielen en gillen’. De zingende hopplukker die erbij is gekomen weet daar ook alles van. De anekdotes vliegen over tafel.
‘s Middags komen Diana en Ellen ook een handje helpen. Beiden voorzien van een grote zonnebril en van handcrème. Want ja, prikken die hopstuiken? Zitten er naalden aan? Of stekeltjes? Tot hun tevredenheid is het werk dan praktisch nagenoeg geheel gedaan. Ze hoeven niks te doen maar lusten wel een biertje. De hele meute zit aan lange tafels alreeds aan het bier. Of Ellen ook zin in bier heeft. Tuurlijk! Dat liet ze toch al merken! En graag een schuimkraag. Is ze gek op. Het glijdt vanzelf naar binnen. Beter dan een glas karnemelk. Nog maar zo’n Pipa. Want zo blijkt dat bier te heten, met bovendien de nodige varianten op dat woord.
Besef nu dat je bij ons in de supermarkt het bier van Maximus (sinds 2011 operationeel) kunt kopen. Tijdens de hittegolf deze zomer wel eens met zo’n flesje in mijn handen gestaan. Met het merk Brutus is ooit een prijs gewonnen. Of we voor de barbecue blijven? Fantastische zaterdag. Voor een afzakkertje met Ellen en Diana ook nog naar Charles. Ook bij hem zou tuinman Ben eerst nog even een paar klusjes doen. Charles had zijn gazon zo goed geverticuteerd dat hij geen gras meer overhield. Dat was nu ook weer niet de bedoeling. Of Charles aan Ben zijn grasmaaier eens wilde laten zien. Of Charles die messen van zijn grasmaaier in alle vijfentwintig jaar ooit wel eens had laten slijpen? Nee? Nee dus. De hovenier Ben van Zuilen heeft een hele speciale manier van grinniken. Ook Charles weet dat nu. 
Het belooft ook verder een mooie week te zullen worden. Van de trap naar boven gaat de bekleding af. Die trap willen we geschilderd hebben, wit. Veel ruimtelijker. De hal gaat dan op een expositieruimte lijken. Er hangt al wat abstracts aan de muur. Alles wit en kleur aan de muur van Picasso voor mensen de echte Picasso niet kunnen betalen. De nieuwe buurman van tien heeft een adresje voor de trap. Want het ergste van het verwijderen van de bekleding zijn de lijmresten. Daar waren we in het vorige huis aan de Odenveltlaan weken zoet mee. Er staat verder iets heel bijzonders te gebeuren. Gebeld over ‘iets’ met ‘Mondje dicht’. Het is inderdaad ook iets geweldigs. Maar of we alsjeblieft nog even ons mond dicht willen houden. Het moet een verrassing blijven. Nooit een geheimpje kunnen bewaren maar nu moet het toch echt.

20190914_150015_HDR_resized

Johan

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *