De Dolle Mina’s van Kerkrade

Terwijl Marco Borsato weer bij zijn moeder is gaan wonen en langzamerhand van de voorpagina van de roddelhitsige parochieblaadjes Telegraaf en AD verdwijnt, maakt daarop een bakker uit Monster zijn opwachting. Eigenlijk geeft het misèrenieuws rond die bakker uit de buurt van Den Haag heel goed aan hoezeer de door Farmers Defence Force geterroriseerde boerennatie Nederland in staat van ontbinding verkeert. Want laten we eerlijk zijn, de agrariërs maken de laatste tijd de dienst uit. En geen agrariërs meer dan ook geen eten meer en zeker geen banket. We zijn gewaarschuwd. Over banket gesproken: de HEMA noemt de moorkoppen geen moorkoppen meer. Ze heten voortaan chocoladekoppen. Nou aten we die vanwege ons gewicht toch al niet, dus vooruit. Chocoladekoppen vanaf nu. Een banketbakker uit Monster vond dat het initiatief van de HEMA navolging verdiende. En dus gaf ook hij de moorkop een andere naam. Het werd roomkop. Waarom niet ook chocoladekop vertelt het verhaal niet. Maar het zou wel zo eenvoudig en overzichtelijk zijn geweest als de banketbakker de nieuwe benaming van de HEMA had aangehouden. Of de HEMA die van de banketbakker. Maar nee. De banketbakker uit Monster verkoopt sinds kort roomkoppen. Dat is hem in het protestantchristelijke buitengebied van Den Haag met zijn kassen voor komkommers en tomaten duur komen te staan. Ineens kreeg hij te maken met enkele actiegroepen waaronder het plotselinge gezelschap ‘Red de moorkop’. Beslist iets om je druk over te maken. Red de moorkop van zijn ondergang. Het bleken hyperventilerende fanatiekelingen, evangelisten die in conditie wilden blijven voor de strijd om zwarte piet. En natuurlijk vormden de ontwikkelingen groot nieuws voor het hijgerige Algemeen Dagblad dat er met diepzinnige beschouwingen en een biografie aangaande de boreale moorkop alles aan deed om De Telegraaf voor te blijven. De banketbakker uit Monster schrok zich rot maar kon met de roomkop niet meer terug. Hij kreeg zelfs in zijn bakkerij met fysieke bedreiging te maken. Ik probeer me daar een voorstelling van te maken. En dat is heel moeilijk. Nederland in ontbinding. Scheldpartijen treffen Nederlanders met een Aziatisch uiterlijk alsof die persoonlijk voor het coronavirus hebben gezorgd. De messentrekkers op straat lijken de laatste tijd regelrecht uit het kinderdagverblijf te komen. Vuurwerk met Oud & Nieuw is er om de hulpdiensten te pesten. Een banketbakker uit Monster loopt gevaar omdat hij de moorkop omdoopte in roomkop. Waar zou onze geliefde en hopeloos voor beschaving vechtende roerganger Baudet (vriendinnen en niet bestaande Marokkaanse treinbelagers) in deze hele discussie staan? Wat zou Donald Trump zeggen als we het hem konden voorleggen? Hij heeft er vast een mening over. Zoals hij als enige in de wereld weet dat het nieuwe coronavirus in april voorbij is. Het laatste nieuws is dat er rond de bakkerij in Monster mobiele camera’s zijn geplaatst en dat de bakker het nog een poosje probeert vol te houden met zijn roomkoppen. Maar wordt het écht te gek dan verdwijnen de dikmakers uit zijn assortiment. Binnenkort komt dit hete hangijzer als bloedstollend item natuurlijk bij ‘Opsporing Verzocht’. Dan krijg je televisiebeelden te zien van gebivakmutste actievoerders die als in de Kristallnacht een winkelruit ingooien omdat de moorkop niet meer moorkop heet. Diverse strafrechtadvocaten melden zich meteen om in een blonde overtuiging de bewakers van het Nederlandse erfgoed te verdedigen tegen een anti-boreale rechtsgang.
Het kan toeval zijn. Maar misschien ook wel niét. Afgelopen zondag nog tamelijk vroeg in de ochtend ploegden zich overal vandaan jongemeiden met rode pruiken op en in knalrooide panty’s door de storm naar de bars en lunchrooms aan de Markt in Kerkrade. Een koddig gezicht waar het kerkklokkengelui slechts aan ontbrak. Het was net het fundamentalistische Staphorst op de zondagochtend maar dan rood in plaats van oudtestamentisch zwart. Maar even zo serieus. Geen kerel te zien, ja drie in de Hoofdstraat bij de pinautomaat van de ING, voor de rest alleen maar rooie vrouwen. Op de radio in de auto besprak OVT van de VPRO ondertussen opgewekt de circa tien jaar die Nederland met de Dolle Mina’s te maken had gehad. Je had de intellectuelen onder de Dolle Mina’s die kwijlden bij de leer van Marx en Engels. Ze dweepten met Simone de Beauvoir. Sartre, weliswaar een man, mocht er ook zijn. Die intellectuele Dolle Mina’s kwamen vooral uit Amsterdam. Duidelijker nog: van de grachten. Hoe kon het ook anders. Ze waren ook van de sherry. De sherry die je zelf mocht tappen bij Henri Bloem. Sherry uit een groot donkerbruin houten fust met onderin een kraantje. Je had ook de meer militante Dolle Mina’s voor wie de alleenheerschappij over hun eigen buik hun gehele liturgie besloeg. Buik als uitgangspunt. Scherp mes tussen de tanden. Marx en ook Engels kon deze Dolle Mina’s gestolen worden als ze al ooit eens iets van die twee gelezen hadden. Zo’n Dolle Mina was Ellen. Gingen deze vrouwen in Kerkrade met hun rooie pruiken en rooie nylonkousen naar een herdenking van de Dolle Mina’s? Had ik iets gemist? Dat moest haast wel met de Dolle Mina’s bij OVT op de radio en in Kerkrade alleen maar vrouwen op straat. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. En toevallig had ik ook nog eens een volle blaas. ‘Nee meneer, U mag hier niet naar binnen. Vanochtend alleen voor dames’, sprak de kelner naast het kantoor van de Rabobank op de Markt in Kerkrade. Hij stond er bij te lachen en te molenwieken. De kelner liep rondjes op de stoep alsof hij zo-even van zijn paard was geklommen. Groot bord boven zijn hoofd waar ik geen wijs uit werd. ‘Nou vooruit eigenlijk maar, even plassen is toegestaan. Maar probeer op uw leeftijd toch nog maar even tempo te maken.’ Dit kon niet anders dan Memorial Day van de Dolle Mina’s zijn. Hier werd op de stoep bij de buren van de Rabobank in Kerkrade wel erg de nadruk gelegd op de man als bedreigend diersoort. Besloot om na het plassen snel enkele dames aan te spreken en ze te vertellen dat ik deze pijpenla was binnengeglipt vanuit een eerbetoon aan mijn geliefde vrouw Ellen in het Utrechtse. Ook ooit praktiserend Dolle Mina. Niet van Marx of Engels, wel een beetje van Simone de Beauvoir, en vooruit: een vleugje Jean-Paul Sartre, maar vooral van De Buik.
‘U bent in de war meneer. U zegt? Dolle Mina’s? Waar heeft U het over? Wat zijn dat, Dolle Mina’s? Welnee, het is in Kirchroa aanloopzondag naar het carnavál meneer! Nooit van gehoord? We kunnen niet wachten tot het weer zover is met het carnaval. We ontbijten hier gezamenlijk. We nemen hier koffie met gebak. Daarna gaan we met z’n allen in optocht naar de Rodahal om de hoek. Daar gaan we zingen. Ja, ook liedjes van Marco Borsato. Woont hij nu bij zijn moeder? U bent goed op de hoogte. Maar van onze voorpret op het carnaval wist U niets af? Na de Rodahal komen we hier terug. Dan mogen de mannen ook naar binnen. Nee, eerder niet. Hoe is het U zo gelukt voorbij de portier te kom
en?’ Lieve help, toch niet straks de ongegeneerde en deprimerende carnavalsfluim over genezen en Chinezen en het coronavirus, flitst er door mijn hoofd. Ik wil er niet met de dames uit Kerkrade over beginnen. Mijn plastijd is gelijk een verpleeghuis al ruimschoots om. ‘U bent toe aan koffie met gebak, zie ik. Hoe noemt U in Kirchroa dat gebak?’ Het tafeltje rooie nylonkousvrouwen joelt. Dat gebak? Nou heel gewoon, een Bossche bol.”

****

Even overwogen van fysiotherapeute Dorothy afscheid te nemen met chocoladekoppen van de HEMA, of met roomkoppen uit Monster, maar het werd een grote bos gele tulpen. Na bijna dertig jaar bij één en dezelfde praktijk gaat ze dichter bij huis werken. Dorothy liet een prachtige handgeschreven boodschap achter met ‘veel bij jullie geleerd hoe het ware leven in elkaar steekt’. Om werkelijk trots op te zijn. ‘De liefde voor elkaar brengt aandacht en doorzettingsvermogen en kan opmerkelijk veel de baas’. Bewaartekst. We gaan Dorothy missen. Drie jaar lang was ze er elke week. Ze gaf veel om Ellen, dat kon je zien. Diana coördineert de fysiotherapie van Ellen en houdt sowieso met Dorothy contact. Van ergens ver weg, het doet er niet toe wáar precies, onverwacht contact met een altijd vrolijkvriendelijk joch dat inmiddels 56 jaar blijkt te zijn. Hij schreef de stoute schoenen te hebben aangetrokken voor een brief. Of ik nog wist wie hij was? We hadden elkaar immers in geen veertig jaar meer gesproken en gezien. De zoon van m’n oud-collega herinnerde aan de rit in mijn Deux Chevaux naar Haarlem waar we zijn eerste honkbalhandschoen kochten. Door mij was hij gaan honkballen. Zijn vader klom eens met zijn korte beentjes woest over het hek om een coach de les te lezen. Ik zou dat jaren later ook eens doen bij het hockey van Kampong van mijn kleindochter. Schaam me er nog voor. Hij schreef over zijn avonturen bij UVV. Over zijn broer die veel beter was dan hij en die thuis en buiten de deur alle aandacht kreeg. Meisjes bij de vleet die broer, hij niet. Hij kon er mee leven. Toen en nu nog steeds. Maar wel jammer, zo stond in zijn brief, dat hij door beperkte sporttalenten nooit een echte band met zijn vader had kunnen opbouwen. Had hij zijn vader wel ooit leren kennen? Hij dacht van niet. Wat was zijn vader eigenlijk voor een man geweest? Zeer getapt bij iedereen, dat zeker, maar hoe was hij écht? Zou ik hem daarover kunnen vertellen? Nee, zou ik hem daarover willen vertellen, met de nadruk op willen? Nu hij zelf een zoon en een dochter van rond de twintig had, realiseerde hij zich wat hij had gemist: een band. Hij had dus de stoute schoenen aangetrokken, zoals hij schreef. Hij was me via internet op het spoor gekomen. Hij had de website bezocht en verschillende blogs gelezen. Ze hadden hem ontroerd. Hij vroeg naar Ellen die hij nooit had ontmoet. Ellen was van later. Ik ga hem over zijn vader vertellen. Van lang geleden. Die vader was bij zijn geboorte al behoorlijk op leeftijd. Die flamboyante vader hoorde eigenlijk in Nederland niet thuis. Te kil Nederland. Te calvinistisch en te betweterig. Te veel van achter de ellebogen. Ik hoor het hem nóg zeggen. Hij was een tropenkind. Hij was een kind van de vrijheid die zijn werk toch ook wel een beetje beschouwde als een plek om tot rust te komen van een drukke vrije tijd. Op de Rijksuniversiteit van Utrecht scholden we vanachter ons bureau de Amerikaanse president Johnson de huid vol. Onze collega uit de tropen knikte slechts. Want de Vietcong was ook niet alles. In zijn ogen dan. Wij dachten daar heel anders over. Het was de tijd van de serie M*A*S*H op tv. Van Suïcide is Painless, it brings on many changes. Muziek en tekst van Johnny Mandel en Michael Altman. 1970? Zo ongeveer ja. Onze (behalve sport) alles relativerende collega met gelige tropenhuid had vanuit Azië een hoop anekdotes meegebracht naar Utrecht waar op dat moment het prachtige authentieke station met zijn marmeren beelden en zuilen onder de vernielzuchtige slopershamer verdween voor zoiets wanstaltigs en megalomaans als de betonnen Brederobunker Hoog Catharijne. Vandaag de dag zouden ze mijn oud-collega uit de tropen om het coronavirus uitgescholden hebben. Hij moet een totok zijn geweest, net als Ellen. Maar destijds kende ik dat woord nog niet. Een buitengewoon geestige man. Als avonturier die alle wereldzeeën bevaren had, voerde hij altijd hilarische discussies met mijn chef die in zijn leven nooit verder was gekomen dan de Afsluitdijk. Het verhinderde die chef niet voortdurend te orakelen over wat er allemaal met de wereldpolitiek mis was, en hoe het anders moest. En de vader van de briefschrijver schudde daarop altijd zijn hoofd en lachte maar een beetje voor het vaderland weg. Hij kwam er toch niet tussen met een weerwoord. Die chef was nooit in één van onze koloniën geweest maar wist er ongezien zogenaamd alles van. De vader van de briefschrijver was er opgegroeid maar was tenslotte tot de conclusie gekomen dat hij ze in de koloniën niet begreep. Er valt zijn jongste zoon veel te vertellen. Die rit naar Haarlem voor een honkbalhandschoen herinner ik me niet meer. Het moet de winkel in honkbalartikelen van Nico van Heemskerk zijn geweest. Ik reed inderdaad in een Deux Chevaux. Naar Haarlem voor een honkbalhandschoen? Kan zijn, maar ik herinner me er niks meer van. Wel van de Indonesische rijsttafels die zijn moeder bereidde. De jenever die zijn vader schonk. In glaasjes waaruit je moest slurpen. Tijdens het wereldkampioenschap voetbal van 1974 en de Olympische Spelen van 1972 in München, die vooral herinneren aan het Arabisch-Israëlisch conflict, nam zijn vader een maand vrij en kwam hij zijn stoel thuis niet uit. Behalve dan voor een pilsje uit de koelkast. De chef zou zich hebben kunnen opwinden over de moorkop. De vader van de briefschrijver had fijntjes laten weten dat het hem aan zijn kont kon roesten.

Johan