PAROOL SPORT Met niet al te veel kleerscheuren tenslotte (2)

Het journalistieke is een reddende laag onder je leven. Daardoor overleef je altijd. Acteur en theatermaker Paul Haenen kan daar wel eens groot gelijk in hebben. Hij schreef zich door een moeilijke periode in zijn leven. Zijn dagboeken worden binnenkort uitgegeven. Schrijven is als zalf met geneeskracht. Ook al blijft het litteken zichtbaar. Maar schrijven verzacht wél enigszins de pijn. Zoals de pijn om mijn muze Ellen met wie ik zo dolgraag andere pensioenjaren had gehad. Gelukkig verstaan we de kunst de emoties in woorden uit te drukken. Ze bovendien van beelden te voorzien. Zeker ook het weerzien na welhaast veertig jaar van oud-collega’s van Parool Sport doet de rijkdom beseffen zoals het journalistieke kan worden opgevat. De sportredactie van Het Parool vormde vijf jaar lang een prachtige leerschool. Het was de uitvalsweg naar gezonde buitenlucht, besef van alle vier de jaargetijden, en van een stevige ontwikkeling in zo scherp mogelijk waarnemen en een gedegen uitdrukkingsvaardigheid op papier. Sport is emotie in het kwadraat en de sportjournalistiek dwong je daarover te schrijven in prozaïsche meeslepende volzinnen. In de auto van Feyenoord naar de redactie deed ik alle benzinestations aan om een nóg betere zin in mijn verfomfaaide blocnote te schrijven. Het was voelen met de pen. Je streelde je taalvondsten. Je boetseerde je artikel. Het kostte je telkens weer een doos Wilde Havana’s en je longen. Parool Sport leerde je hard werken en incasseren. Zo anders dan die afgestompte verveelde ambtenarij met het uitrekenen van zwangerschapsuitkeringen. Was je op een dag van meer dan drie uitkeringen bevallen dan tikten de andere ambtenaren je paniekerig op de vingers. Want dan moesten zij er ook meer dan drie en dat was niet de bedoeling. Nee dan de journalistiek. Een totaal andere wereld. Eén van drive. Het was verkeerd om al te nuchter aan te kijken tegen sportprestaties. Het moest meeslepend. Visualiseren op papier. Zelfs als je de pech had te loten voor een zeilwedstrijd in een zomers weekend aan de oever van Monnickendam. Keek er eens vanaf de wal door een verrekijker naar ronddobberende bootjes en wist bij God niet wat ik de abonnee daarover vertellen moest. Het was een stilleven. Het meest werd ik gegrepen door de zon die het water deed glinsteren. Dit was veeleer een foto-onderwerp met drie regels bijschrift. Dan gebeurde er wel even meer met de kerstdagen bij het veldrijden in (een ansichtkaart) het besneeuwde bossige kerkdorp Soestduinen met renners die van hun kruin tot voorbij de kuiten onder de blubber zaten en met een schandaleuze Belg die als een gesel het parcours beheerste. Hij hanteerde de zweep in de drassige entourage van Soestduinen. Die pezige afgetrainde Belg was wereldkampioen en heette Erik de Vlaeminck. Verhalen over drank en verdovende middelen deden over hem de ronde. Op de fiets was hij een waar fenomeen. De iele man was een filmscript in natura. Valpartijen van uitgeputte renners over de door modder verscholen knoeperds van boomwortels en publiek dat zich te goed deed aan oliebollen en patat met mayo. Het was als reporter in alles proberen je creatieve schrijfvaardigheid aan te boren en daarbij tot het uiterste te gaan. Je laafde je in je verhalen aan de prestaties van de ongenaakbare winnaar. Maar ook aan het tandenknarsende gezwoeg van de ondanks de vrieskou bezwete achtervolgers die alle tegenslag hijgend en met een blik op oneindig verbeten. Het Parool was in die dagen nog steeds van de lyriek en de bombastiek. De krant was Een Meneer. Een Meneer met hoofdletters die serieus genomen werd. Ook in zijn fotoreportages van George Verberne en de vooruitstrevende opmaak van Arie Verhoef, al wilde die laatste zich in de lengte van een stuk nog wel eens verrekenen. Dat kwam dan ‘aan steen’ wel weer goed. ‘Aan steen’ ja, al werd er inmiddels met plakstroken gewerkt. Kijk het kunstje ook af, zeiden ze, lees vooral het werk van de betere auteurs met een surplus aan woordenschat. Ik begon te lezen en ben blijven lezen, een complete bibliotheek tot gevolg. Het kon allemaal niet zonder inlevingsvermogen. Merkwaardig, ja zelfs stom, kreeg Ellen later op verjaardagen nog wel eens te horen, dat ”hij daar” vrijwillig stopte als sportjournalist om als politieverslaggever voor moorden en steekpartijen door te gaan. Het had voor buitenstaanders iets platvloers, ‘redacteur voor de zelfkant van onze maatschappij’. In de beeldvorming ging er niets boven sportjournalistiek, maar was dat ook echt zo? Nee, dat was niet zo. Als sportjournalist kwam je nog wel eens ergens, maar het was niet alleen maar goud wat er blonk. Zo dachten velen daarentegen wél. Maar als gênant werd hoe langer hoe meer het gewacht bij een kleedkamer ervaren om er aan betaald voetballers een onnozele quote te ontlokken. Liefst een quote die jij als enige had. Om die uitspraak dan op te pompen als iets heel visionairs waarbij alle grote filosofen uit de wereldgeschiedenis op slag verbleekten. Het was maar al te vaak maar al te zeer cliché wat je na afloop voor je artikel als strooigoed vergaarde. Moest ik dit jaren en jaren blijven doen met mijn moeizaam veroverde einddiploma van de hbs? Ik was toch zeker niet twee keer op die hbs blijven zitten om in de catacomben van het oude Utrechtse stadion Galgenwaard met betonnen wielerbaan op mijn achterneef Willy Carbo te staan wachten voor een paar armzalige extra tekstregeltjes? Hoe zat dat ook alweer? Was Willy niet de kleinzoon van mijn oom Willem van vaderkant die vroeger in december in de familie een grote populariteit genoot omdat die ome Willem in kerstbomen deed? Anders dan tegenwoordig kocht je de kerstboom niet alreeds in het tuincentrum in oktober maar pas twee of drie dagen voor de Kerst. Zo hoorde dat vroeger toen alles afhing van of iets hoorde of niet. En waarom dat zo was, wist je meestal niet. Als we er niet uit kwamen, vroegen we het de dominee. Ook de sportjournalistiek liet weinig ruimte voor eigenzinnigheid. Of ik had er toen het lef niet toe. Graag had ik me gedragen als Ben de Graaf van de Volkskrant die zich van de voetballers geen zier aantrok, zijn eigen weg ging en nooit in de buurt van een kleedkamerdeur te vinden was. Maar ik durfde niet. Het Parool was van de citaatjournalistiek, en van het menselijke verhaal, en niet van de afstandelijke beschouwing waarin de sportredacteur opereerde als zijn eigen grootvorst. Ben de Graaf ging door voor onze nationale voetbalzuurpruim en leek zich daar heel prettig bij te voelen. Hij rookte zijn pijp en doopte zijn pen nog maar eens heel vilein in een eierdopje azijn. De twee basketbalwedstrijden van Nashua Den Bosch tegen Bologna waren de meest zenuwslopende ooit meebeleefd in die jaren. Er was nog geld bij de kranten om zo’n ploeg achterna te reizen naar Bologna en om ook naar de finale van de Europa Cup te vliegen. Tegen het Italiaanse Cantu in een troosteloze en gedateerde hal in het neutrale Porec, toen een toeristenoord in opkomst aan zee in Kroatië waar tegenwoordig voor het zomerseizoen maar liefst 130.000 bedden beschikbaar zijn. Met de reünie van Parool Sport komen weer veel herinneringen boven. Parool Sport stáát ook daadwerkelijk voor karrenvrachten aan herinneringen. Ze zijn intussen honingzoet. Je ging zondagavond naar Dobben bij het Rembrandtplein voor een paar dikbelegde broodjes. Lever en pekelvlees waren favoriet. Dik roomboter. ’s Zomers na een nachtdienst naar het strand om te slapen en op de boulevard te ontbijten met een uitsmijter ham. Zo afschuwelijk getint dat ik gevaar liep van een te bruin leven in de ogen van hoofdredacteur Sandberg. Het zijn niet de grote wedstrijden van Feyenoord en PSV die het meest tot de verbeelding zijn blijven spreken. Al was bijvoorbeeld de reis van Feyenoord naar Everton in het Liverpool van de Beatles onvergetelijk. Je maakte je in Liverpool druk over het wel of niet meespelen van Wim van Til tegen Everton. Wim van Til? Ja die! Toen hij stopte met betaald voetbal ontging dat de meesten. Er viel eens zoveel sneeuw en het vroor zo hard dat een paar weken achtereen het betaalde voetbal werd afgelast. Toch moest die krant op maandag met sport gevuld. Er werden ineens dingen belangrijk die dat daarvoor helemaal niet waren. Zoals de nationale kampioenschappen priktol. Het dwergwerpen was ineens niet meer illegaal. Mocht zelf naar het zaalkorfbal. Ons Eibernest in Den Haag. Het zou geen straf blijken.Terwijl de jongens en meisjes van Ons Eibernest en Blauw Wit (of was het Deetos?) verschrikkelijk hun best deden die bal door de korf te gooien, ging het een paar meter verderop op de tribune alleen maar over ene Jan Wals. Jan Wals? Stiekem afluisteren dat gesprek. Wie mocht dat nou weer zijn? Hij was ontslagen als coach van Blauw Wit (of was het Deetos?). Er werd behoorlijk opgewonden over gedaan. Waarom had ik daar nog nergens over gelezen? Ineens volstond de einduitslag van Ons Eibernest tegen Blauw Wit (of was het Deetos?). Het scoreverloop deed er niet meer toe. Het artikel voor de maandagkrant ging uitgebreid over Jan Wals. Nooit eerder bracht Parool Sport het korfbal zo prominent als toen. Alle ballen op Jan Wals. Waarom schreven al die kortbalmedewerkers er elders niet over? Dat bleek toen de man opbelde die Jan Wals had ontslagen. Korfbalmedewerkers schreven daar niet over omdat ze te veel van hun sport hielden. Die muilkorfden liever zichzelf dan dat zij meldden dat er met Jan Wals een vies spelletje was gespeeld. Hier doemde het beeld op van een griezelig kerkgenootschap. Ik bevond me middenin een secte. De man die Jan Wals had ontslagen wilde zich voor de dinsdagkrant wel laten interviewen. En Jan Wals om een reactie gevraagd zette thuis graag een kopje koffie klaar om weer op zijn beurt zíjn verhaal te doen. En zo groeide Het Parool in drie dagen tijd uit tot dé krant van korfballend Nederland en kreeg ondergetekende prompt de reputatie van Clingendaeldeskundige als het om korfbal ging. En dat alles door die sneeuw en aanhoudende vorst waardoor het betaald voetbal niet doorging. Eigenlijk waren de B-sporten het leukst om te doen. Leuker dan het betaalde voetbal. In die korfbalwereld liepen verschrikkelijk aardige mensen rond. Het Parool liet me de zaalkorfbalfinale doen. Zonder ME. Net zoals de Haarlemse Honkbalweken het deden met maar één agent, om het verkeer te regelen. Die ene agent was Dazzy Rasmijn, de Antilliaanse tweede honkman van de Nicols. Van het Zuiderpark in Den Haag herinner ik me meer nog de containers van de Mobiele Eenheid waar het publiek tussendoor moest en die vervaarlijk blaffende en grommende honden dan het voetbal. Veel gezonde buitenlucht in de sportjournalistiek en je kreeg er nog geld voor ook. Al was het geen vetpot. De nieuwe Honda Civic moest eraan geloven toen honkbalsupporters er met straatstenen naar gooiden vanwege een hun onwelgevallig wedstrijdverslag. En voor de verzekering natuurlijk niet te achterhalen wie er gegooid had. Heel wat mensen begrepen niet dat de krant maar een dag vers bleef. Daarna werd de vis erin verpakt of belandde de krant in de kattebak. Honkbalcoach Piet van der Wilk van Sparta bleef eens een week lang zo boos op Het Parool dat hij me in vol ornaat met een honkbalknuppel in zijn hand kwam opzoeken aan de zijlijn. En de havenarbeider die uit een kraan was gevallen en daardoor invalide was geworden had nog wel zo’n vriendelijke inborst. Ook de bondscoach van de softbaldames raakte van een interview eens volkomen over zijn toeren. Nol Houtkamp las in Het Parool dat zijn modelspeelster Ludy van Mourik al na een dag niet meer wist tegen wie ze gespeeld had en ook geen idee meer had van de uitslag. Houtkamp was niet boos op de mooie meid met het geheugen dat aan een verpleeghuis deed denken, maar op degene die het had gewaagd te schrijven dat zulk een sterke vergeetachtigheid nu niet bepaald bij een international paste. En zo was het toch?! Van Mourik schaamde zich zo voor haar onnozelheid dat ze de straat niet meer opdurfde. ‘Crobo bezoedelt de softbalsport’, krijste de bondscoach en het volle Pim Mulierstadion genoot mee. Was op dat moment net even van de perstribune af voor een plasje. Tussen hem en mij was het toch al geen gelukkig huwelijk. Interviewde Nol Houtkamp zelf eens en hij vertelde doodleuk dat hij een waardeloze baan had en dat hij in de buitendienst ’s zomers het liefst op een vuilnisbak zat met een banaan. Dat had hij toch echt verteld. Maar toen hij thuis op zijn lazer kreeg van zijn vrouw zou ik het allemaal hebben verzonnen. Er werd soms overdreven veel waarde gehecht aan wat we schreven. Dat van Ludy van Mourik en Nol Houtkamp ervoer ik als complete aanstellerij. Alsof de hele mensheid zich voor softbal interesseerde. Het was gewoonweg marginaal. Maar niet voor de bondscoach. Parool Sport was ook Dik Bruijnesteijn, de kleine tekenaar van Appie Happie. Schitterende man die Dik. Zat twee keer met hem aan een kerstdiner met op de achtergrond de muziek van een bijna hysterisch galmende zigeunerin. Dat was in Wijdenes in de kop van Noord-Holland bij sportpresentator Ed van Opzeeland en zijn vrouw. Inmiddels was Ellen in de geschiedenis aangeschoven. Het was niet moeilijk om over een klein houten bruggetje de aan elkaar geschroefde arbeiderswoninkjes van Van Opzeeland te bereiken. Maar hoe kwam je ver na middernacht weer terug over dat bruggetje? Dan ineens was het bruggetje wel héél smal en spekglad. Ja ook (de bijna weer jarige en alle parkinsonprognoses nog steeds tartende) Ellen snapte aanvankelijk niet dat ik de sportredactie had verruild voor de algemene verslaggeverij. Zeker niet in de eerste weken toen ik de politiebureaus van Amsterdam ter kennismaking afging met in feite mijn ziel onder de arm. Het was het aangeboren verzet tegen verandering. Maar het sloeg allemaal om in opwinding op die woensdagavond 9 november 1983 tegen zevenen met de ontvoering van Freddy Heineken en zijn chauffeur Ab Doderer. Soms moet je mazzel hebben. Heel vaak mazzel gehad. Zoals ook in 1989 met de overgang naar de buitenlandredactie en met Duitsland aanvankelijk tegen heug en meug in het takenpakket. Weer aanvankelijk de vraag of het wel zo wijs was geweest van redactiestoel te wisselen. Weer de twijfel en het gemis van de vaste routines en de opgebouwde werkrelaties. Maar toen, ja toén (!) in de zomer van 1989 de opstand in de DDR tegen Honecker uitbrak en Oostduitsers die niet meer van vakantie terugkeerden naar huis. Ja toen! Tentenkampen waar we naartoe reden, tentenkampen in het Beierse Passau onder meer. En verderop aan de Donau naar Boedapest toe. De trein van Wenen naar Amsterdam die ’s nachts om drie uur even stopte op het station van de Duitse grensplaats Passau waar het Rode Kruis voor de vluchtelingen klaar stond met gamellen koffie en broodjes. Het verdere verhaal is bekend. De opstand rolde zich steeds verder uit over Oost-Europa. De wereld veranderde om nooit meer geopolitiek de oude te worden. Parool Sport had zijn keerzijde, andere deelredacties hadden dat evenzeer. Het bij een kleedkamer wachten op spelers die geen tekst hadden werd meer en meer een beproeving. Zoals ook het door weer en wind op de zaterdagavond of zondagmiddag naar de verste uithoeken van Nederland rijden Feyenoord achterna tegen FC Twente, MVV of Roda JC. Zoals bewoners uit de Rijnstraat in Amsterdam interviewen die vanwege een gaslek hun huis uit moesten. Tegenwoordig zou je zeggen: net als in verband met het coronavirus voor een ziekenhuis in Tilburg staan en je Journaalkijkers melden dat je niks te melden hebt. Of in Loon op Zand even wachten totdat Hanny en Karel hun bloemkool en griesmeel in hun fietstassen hebben gepropt en ze dan vragen of ze misschien al bang waren nu het eerste Nederlandse coronaslachtoffer uit Loon op Zand bleek te komen. ‘Nee, nog niet bang? Echt niet. Ook nog niet een klein beetje bang?’ Ach ja, Parool Sport. Twee vaste medewerkers op zondagavond voor de uitslagen en standen van het amateurvoetbal. Gerrit Klein en Henk van de Kamp. Ideale figuren voor cartoonisten. Ze mochten elkaar graag, behalve op de dagen dat ze mekaar wat minder mochten. En dat terwijl hun werk toch behoorlijk feitelijk was. Parool Sport stuurde me voor de reünie van binnenkort de lijst van sportredacteuren door de jaren heen. Een aparte opsomming van de collega’s die intussen al waren overleden. Een behoorlijk aantal jonger dan ikzelf. De diplomatenzoon Henk de Groot stond er tussen. De auto met het gezin kwam eens frontaal in botsing met een tegenligger toen Henk nog maar een klein jongetje was. Henk was voor de rest van zijn leven invalide. Zijn vader op slag dood. Moeder en zus kwamen er beter vanaf. Henk werd bij Parool Sport een vriend. Een vriend met een enorme kennis van het Amerikaanse honkbal. Een vriend met een onvoorstelbaar opgewekt humeur. Henk tikte zijn verhalen met een speciaal stokje. Zijn hand was nog het meest te vergelijken met de handen van Ellen, maar daaraan is de laatste jaren parkinson debet. Henk was halfzijdig verlamd. Hij was de eindredacteur in de ochtenddiensten. Hij checkte wat er in de andere kranten stond en belde je bijna dagelijks in alle vroegte je bed uit. Dan had hij weer even een ‘natrekkertje’. De tijden van Parool Sport waren dusdanig dat je van een ochtend- en avondspits eigenlijk geen weet had. Henk kwam eens in de Amsterdamse Wibautstraat te vallen over enkele los liggende stoeptegels en werd daarna nooit meer de oude, en hij was al zo kwetsbaar. Een andere collega pleegde zelfmoord en weer een andere collega verongelukte tijdens zijn wintersportvakantie in (toen nog) Tsjechoslowakije. Ook Hans Doeleman dood die altijd rondstruinde met wel twintig pennen aan een koordje om zijn nek. De enige ook die ik met een attachékoffertje zag. Hij had beet met een visrubriek die hij begon. Groot succes. Heel Amsterdam ineens aan de hengel. Parool Sport organiseerde samen met de levende legende Cor du Buy een tafeltennistoernooi in de kerstvakantie voor scholieren en studenten op de rand van Amsterdam en Amstelveen. Heette het daar niet Uilenstede? De campus Uilenstede, uitgegroeid intussen tot de grootste studenthuisvesting van heel West-Europa? Als ik me niet vergis waren er welhaast achthonderd inschrijvingen. Een hal vol tafeltennistafels. Alle pingponguitslagen een week lang elke dag in Het Parool. Lange tabellen in de kolommen. Veel publiek voor de vitrines van de verschillende verkoopkantoren van de krant in Amsterdam. Dat tafeltennis was een geweldige publiciteitsstunt. Jong en oud liep in Amsterdam met Parool Sport onder zijn arm, en een tafeltennisbatje in de hand. Leo van der Kar, ook zo’n naam. Hij genoot faam met zijn Sportfonds dat grote sporttalenten uitzond voor een stage in het buitenland. Ooit verloor hij bij het instappen in zijn auto zijn portefeuille met alle mogelijke creditcards, pasjes en meer. Ellen vond die portefeuille beneden op de parkeerplaats van onze flat in Amstelveen. Nee, geen cadeaus, ook geen dure sportschoenen voor haar twee zoons, ik hoor het Ellen nog zeggen toen Leo van der Kar zijn portefeuille met pasjes kwam ophalen. Geen beloning, beslist geen beloning. De vrouw van Leo van der Kar leek ons een haaiepin. Meegelift op de bekendheid van haar echtgenoot. Zag je wel meer. Als Ellen die portefeuille ’s morgens om acht uur had gevonden, waarom dan pas om half tien gebeld? Je moest maar durven. Nou dáárom! Mocht ze alsjeblieft eerst van Amstelveen naar Utrecht rijden voor haar kinderen op school?! Leo van der Kar excuseerde zich met een knalrood hoofd voor de babbels van zijn vrouw. Een paar dagen later moesten we van een onbekende een pakketje bij het postkantoor van Amstelveen ophalen. Die zaterdag at bijna de halve flat van de gerookte zalm van Leo van der Kar. Zalm in plaats van sportschoenen. Begonnen was het allemaal met de verstokte pijproker Sandberg. Die achterover geleund in zijn draaibare bureaustoel met een weids gebaar hautain zijn armen spreidde en me verzekerde dat àls hij uit het raam zou roepen om extra redacteuren, de gehele Wibautstraat in een mum van tijd zou volstromen. Andere Tijden Sport. Andere Tijden Krant. Het journalistieke blijkt inderdaad een reddende laag onder je leven. Daardoor overleef je altijd. Hij heeft gelijk Paul Haenen. Ik merk het dagelijks in de situatie met de vrouw van mijn leven. 

* * *
Lieve Johan Carbo,
Met veel bewondering en ontroering lees ik al een tijdje uw columns over uw leven met uw lieve echtgenote Ellen. 
Ik maak een hele diepe buiging voor u. Uw liefde en zorgzaamheid voor Ellen lijken grenzeloos. U bent voor mij een groot voorbeeld van medemenselijkheid en onbaatzuchtigheid in een vaak harde en materialistische samenleving.
Mijn vriend heeft al zestien jaar de ziekte van Parkinson en er is steeds meer zorg nodig. Ik vroeg me af of u een keer een column zou kunnen schrijven over hoe u de zorg thuis voor uw vrouw Ellen georganiseerd heeft. 
Ik heb het idee dat de wijkverpleegkundige, de huisarts, de zorgverzekeraar en de zorgkantoren mij niet goed kunnen adviseren. Of ik ben te dom. Dat kan natuurlijk ook. 
Gelukkig bent u niet definitief gestopt met het schrijven en uw blogs die momenteel ook over uw sportjournalistiek bij Het Parool gaan.  
Ik vermoed dat uw teksten voor veel mensen een bron van inspiratie, herkenning, kracht en troost zijn waarvan ik er één ben.
Hartelijke groet,
Beatrice Kunz.

   

Johan