Niet ook nog eens afscheid van mijn maîtresse Fabia

Kan een mens zich gaan hechten aan een auto, zodanig zelfs dat het vreselijk pijn doet hem in te ruilen? Kan het dat het schuldgevoelens oproept, in de garage te lonken naar een nieuwe glanzend witte Skoda model Rapid? Ik ga nog een stap verder: kan het dat je de huidige auto om vergiffenis vraagt omdat je in de verleiding bent gekomen de huwelijkstrouw over een lange reeks van jaren op te geven? Ja het kan. Ben ik op weg een sentimentele gek te worden? Het zal zonder twijfel. Zo maar een doordeweekse middag. Ellen doet haar dutje. Diana is voor een paar uur naar haar eigen huis en komt later in de middag terug om Ellen weer te verzorgen. Zelf even naar de garage vlakbij voor een afspraak. Want de Skoda Fabia is toe aan een grote beurt. Onder het wachten in de garage prop ik mijn jaszakken vol met fruit. Voor Ellen. Aan de receptie weten ze dat al. Ze kijken er allang niet meer van op. Ze stimuleren het eerder nog. Meneer Carbo van Ellen, heet ik daar. Een sinaasappel, een kiwi, een banaan. Het staat er voor het grijpen. Van de fruittelers van Goes aan de overkant? Sandro Favre van de receptie toont zich altijd weer een verschrikkelijk aardige jongen. Ik schat hem midden twintig. Hooguit. Hoe we zo samen over het inruilen van de meest sexy, en de in boeken en in blogs meest bejubelend bezongen auto van zijn gehele wagenpark kwamen, dat weet ik niet meer. Geen idee. Maar Sandro troonde me ineens mee naar een platform waar verscheidene nog betrekkelijk jonge occasions te koop stonden. Verleidelijke omgeving met auto’s paradijselijk opgepoetst als appeltjes. De meeste van het model Rapid, een slagje groter dan de Fabia. Ik ga vreemd, schoot er door mijn hoofd. Was dit nou verstandig? Konden we maar niet beter teruggaan naar de receptie? Aan de andere kant: ik had het er al een paar keer met Sandro over gehad dat ik dit jaar de Skoda zou vervangen door een nieuwere met minder kilometers op de teller. En ging ik intussen niet naar de 200.000? Sandro deed het goed, hij drong niets op. Hij zag me likkebaarden en glimlachte. Ik vocht een hopeloos gevecht met mezelf. Wroeging omdat ik daar op dat platform wildvreemde occasions liep te strelen en naar de prijskaartjes keek. En naar het bouwjaar. En naar de kilometerstand. Als een kerel die zijn vrouw inlevert voor een jong blond ding. Gedachten die opkomen in een garage met occasions die staan te knipogen. Beneden stond de zwarte Skoda met jarenlang pen en papier op het dashboard om de belevenissen met Ellen onderweg meteen op te schrijven en die anekdotes in de boeken door te geven aan onze vrienden, kennissen en een steeds groter wordende groep onbekenden die lotgenoten bleken. Vergiste ik me of voelde de oude Fabia zich inderdaad aan de kant geschoven? Alle denkbare gemoedstoestanden deden zich voor achter de gesloten portieren van de Fabia. Machteloze woede uit frustratie en onmacht ook. Huilen met het hoofd over het stuur gebogen. Met Ellen nog in het verpleeghuis reed ik in mijn kameraad in grote eenzaamheid overal en nergens naartoe. In de garage dacht ik aan de conversatie met Ellen over de dood. Ze begon er zo maar over, heel plotseling, een kleine vijf jaar geleden. Op de Cartesiusweg is een benzinepomp. Daar stopte ik en pakte ik mijn blocnote en ballpoint. Meteen vastleggen. Was het niet herfst 2015? Zó begon ‘Dankjewel voor je liefde’, een ode aan de mooiste vrouw ter wereld. Storm en regen in 2015 – Lees maar mee.
Terwijl zware windstoten en slagregens hun geldingsdrang aan ons tonen, schrijf ik in euforische geladenheid. Het kan verkeren in heel dit dramatisch wrede proces van parkinson en Lewy Body dementie, het kan verkeren in deze apocalyps van rauwe rouw die ons met welhaast conspiratieve bedoelingen zo onherstelbaar getroffen heeft. Getroffen maar hopelijk niet beschadigd. Alhoewel die twee soms wel érg dicht bij elkaar komen.Vanmiddag terug van de fysio was Ellen zó helder. Als onze hondstrouwe zwarte Skoda met zijn opvallende sexy witte dakje eens kon praten. Hoeveel van onze verhalen van tegenwoordig zijn niet opgeslagen in die ene auto! Die ene auto die bij onze garagehouder een streepje voor heeft en altijd een voorkeursbehandeling krijgt. Want voor de garagehouder is de Skoda niet zo zeer mijn auto, maar veeleer die van Ellen en haar rolstoel. Vanmiddag op de brug ter hoogte van de koffiebranders van de Douwe Egberts naar Utrecht toe verrast Ellen met vragen en opmerkingen die ik de rest van mijn leven niet meer zal vergeten. Luister maar.

‘Ben ik dood?’
‘Nee lieverd, dat ben je niet, anders had je me dit niet eens kunnen vragen’.
‘Oh ja, dat is waar’.
Vanuit mijn ooghoek zie ik haar prakkiseren.
‘Ben jij dan dood?’
‘Ik? Nee, want anders kwam onze auto nu geen meter meer vooruit. Je ziet toch dat we rijden?!’
‘Je zal maar dood zijn’.
‘Schei maar uit. Maar je hebt momenteel wel een lekkere straffe wind mee om snel in de hemel te arriveren. Zullen ze van opkijken.’
‘De hemel? Die bestaat niet eens’.
‘Maar je hebt er anders vroeger als dochter van de hoogste baas bij het Leger des Heils wél veel over gezongen. Met tamboerijn nog wel’.
Stilte. Ze ademt diep in, en dan weer uit. Ze knikt.
‘Ja, dat was toen.’
‘Geen hemel?’
Bijna fel: ‘Nee, die is er niet’.
Een perpetuum mobile ondanks dat ze er verder het zwijgen toe doet. ‘Toch , Ellen – geloof jij niet net als ik in het mystieke? Filosofie, Spinoza, of ga ik nu zeveren?’
Dromerig kijkt ze voor zich uit. De huizenrijen van de saaie Cartesiusweg glijden voorbij. De ruitenwissers van de parmantige Fabia vechten zich naar vroegtijdige slijtage.

Inderdaad, het moet najaar 2015 zijn geweest. Ellen woonde nog in verpleeghuis De Ingelanden. Elke dag haalde ik haar daar op. Elke dag zat ze op de passagiersstoel van de gitzwarte Skoda Fabia met zijn witte dakje en met schrijfbenodigdheden op het dashboard. Elke dag bracht ik Ellen ook weer terug naar De Ingelanden. Ze kon lange tijd heel geestig nog uit de hoek komen. Het praten werd langzaamaan minder. Nu praat ze nauwelijks meer. Maar ze beleeft de dingen om haar heen nog altijd wél. Terug naar het heden. Naar Sandro, het platform met zijn occasions en die ene glanzende witte die mijn hart stal. Die albino die me toelachte. Het model Rapid ging eruit, vertelde Sandro. Er kwam een ander model voor in de plaats. Waarom eigenlijk? Dat wist Sandro niet. Maar de Rapid was toch een werkelijk zeer fraaie auto? Ineens herinnerde ik me weer dat ik van de garage een mailtje had ontvangen met de mededeling dat op nader genoemde dagen een serie sterk afgeprijsde Skoda’s van één of hooguit twee jaar oud te koop zou staan. Op = op, stond er ronkend bij, en meestal is dat voor mij de aansporing naar de knop delete te zoeken. Zoals ook met die afgeprijsde Skoda’s het geval was geweest. Op = op, het is me te dwangmatig. Te opdringerig. Moet ik dan al gauw aan toiletpapier en keukenrollen bij het Kruidvat denken. Maar nu ik er toch was in die garage. Ik was eigenlijk al verkocht. Waarom wachten tot na de zomer nu er in de garage gestunt werd. En die ene glanzend witte Rapid bleek nog de meest voordelige ook. Hij stond er voor mij, voor ons! Ik had voor het najaar met een veel hogere uitgavepost rekening gehouden. De twijfel. Er was ook een kleine Skoda in de aanbieding. Een Fabia. Maar nee, die witte raaf waarin nog maar nauwelijks door de vorige eigenaar gereden was. Zou ik mezelf trakteren voor al die jaren dag en nacht mantelzorg? Zou ik? Zou ik mezelf een mantelzorgbonus geven? Die wagen voor een paar uur mee om ‘m eens uit te proberen. Ondertussen zou de garage de inruilwaarde van óns ‘huisdier’ berekenen. De Fabia kwam op één lijn met onze drie katten Sally, Nicols en Sara. Want zo gevoelig begon ik te worden. Ik begon de oude Skoda als een trouwhartig huisdier te ervaren. Ojee. Ze konden ons erin uittekenen, in die Skoda Fabia. Telkens dook hij weer op in de verhalen. Bij de aanschaf had de garage een enorm boeket bloemen voor Ellen meegegeven in het verpleeghuis. Toen ik hem voor het eerst kwam ophalen stond hij onder een wit laken met een koordje. Van het verwijderen van het witte laken maakten ze in de garage een hele ceremonie. Zo van: kiekeboe. Gelukkig geen muziek bij die ceremonie. Geen Mieke Telkamp. Geen Waarheen en waartoe. Dag in dag uit met Ellen in de Fabia. Nooit pech of iets dergelijks. Altijd meteen starten. We waren ermee naar verschillende zorghotels gereden, op de Veluwe bij Wapenveld en in Vlissingen waar we op kamer 6 aan de boulevard de grote schepen zowat konden aanraken. Vooral op de Veluwe wisselde Ellen redelijk goede momenten af met soms zeer verwarrende. En dat verwarde haar mantelzorger weer. Hoelang viel het leven met Lewy Body nog vol te houden? Soms op de Veluwe wilde Ellen niet eens de auto uit. Waren het de bomen, was het de plotselinge overgang van volle zon naar schaduw? Herinner me een Goede Vrijdag in een Hanzestadje onder Zwolle, Ellen weigerde uit de Skoda te komen. Eén en al Lewy Body. Ik werd er krankjorum van. Ze leek op weg naar een psychose. Ik kende met vallen en opstaan de verschijnselen. De enige remedie was een tik met de vlakke hand tegen haar wang. Ik moest haar laten schrikken, waarvan deed er niet toe. Een psychose, levensgevaarlijk als je iemand vanuit de auto in de uitvouwbare rolstoel probeert te tillen. Dat geeft ongelukken. Een pets dus. Een vrouw op de fiets die stopte en boos zei dat ze de politie voor me ging bellen. Mevrouw had geen notie van mijn lijden op Goede Vrijdag in het Hanzestadje waar op dat moment de zon scheen en het carillon speelde. Op de gristelijke Veluwe wisten ze alles van het lijden van Jezus maar niet van het lijden van een mantelzorger. Geen idee die vrouw hoe ik me in de Fabia had zitten opvreten over Ellen. Geen idee die vrouw op die fiets hoezeer de onnavolgbare cocktail Lewy Body de rafelranden van haar en van mij kon zoeken. Dagenlang verdriet van die pets. Maar mogelijk redde die pets het paasweekend in Groot Stokkert. Ritjes in de zwarte Skoda met zijn witte dakje naar Limburg, naar Rolduc, en zo meer, die beroemde kraam ook met ijs en fruit aan het begin van het Geuldal bij Epen. Hij of zij, wat is het, werd uit duizenden voertuigen herkend. De tochten naar De Panne aan de Belgische zuidkust. Het zijn er zoal reeds twintig geweest. De oefeningen met verpleeghuisfysiotherapeut Henk om Ellen, zonder lichamelijke mankementen, voor mij, als tillift, in en uit de auto te krijgen. Uit de heupen. De knieën licht buigen. De schouders losjes. Korte resolute draai. De passagiersstoel op de juiste afstand ten opzichte van de rolstoel. De liesbreuk was nog ver weg. De geïrriteerde buikwand met mogelijk een klein scheurtje eveneens. Eén keer glipte Ellen in de draai uit mijn verkleumde vingers. Dat was rond de kerstdagen, terug van een muziekvoorstelling in theater Vredenburg, ergens op het Weerdsingel in Utrecht en tijdens een hopeloze sneeuwbui. Ik kon haar niet meer houden en vóór het geopende portier belandde Ellen in een plas water. Ik kreeg haar alleen niet meer overeind. Geen kip op straat. Het liep tegen zevenen ’s avonds. Twee Marokkanen uit een eethuisje vlakbij schoten te hulp. Ik ben ze nog steeds dankbaar. Kletsnat was Ellen en met de verwarming hoog draafde de Fabia gedienstig terug naar het verpleeghuis, de parkeergarage met zijn harmonicadeuren in. Met die extreme hitte van vorig jaar reed de Fabia ’s ochtends bijna automatisch naar het ontbijt op het strand van Scheveningen. Twee keer met de Skoda van achteren tegen een betonnen paaltje gezeten. Een keer bij de sporthal en een keer op winkelcentrum Overvecht. Gewoon over het hoofd gezien die grijze paaltjes die geen millemeter meegeven. Schade die gemakkelijk te verhelpen viel. Maar niet zonder gevloek. Ik houd niet van krassen en deuken.

In de Fabia naar de levenslust opwekkende Vecht tussen Maarssen en Breukelen om daar te picknicken op een kleedje. Dat kon toen nog met Ellen. De Fabia in de berm in het manshoge gras. In de achterbak een kartonnen doos met brood, beleg, yoghurt en zo meer. Vogels die het hoogste woord hadden. Pleziervaartuigen met zwaaiende zonnebaders. ‘Je goed vasthouden aan het portier Ellen’, zei ik eens aan de Vecht. ‘Denk maar niet dat ik wegloop’, antwoordde ze. ‘Je weet natuurlijk dat ik geld heb, daarom loop je niet weg.’ ‘Daar doe je anders altijd heel geheimzinnig over.’ De Fabia moet in een deuk gelegen hebben. Want ik bemoeide me eigenlijk nooit met het geld. Het was Ellen d’r afdeling. Voor ons tweede boek ‘Kijkje achter de schemering’ uit 2015, een dagboek, regen de anekdotes van in en buiten de auto zich aaneen als een kostbare kralenketting van Gucci.

Herlees momenteel ‘Kwetsbaar’ van Tatiana de Rosnay, als schrijfster vooral bekend geworden met haar boek ‘Haar naam was Sara’. Kwetsbaar ja, over een jongen van dertien die als voetganger in Parijs werd overreden bij het oversteken en in coma geraakte. Voor zijn ouders stond van de ene op de andere minuut geen steen meer op de andere. Ineens kregen de schooltas van die jongen en zijn agenda een heel andere waarde. Alles kreeg een andere betekenis. Zoals klassenfoto’s. Zoals zelfs een kammetje. En wat nog niet belangrijk was werd wel belangrijk. De glanzend witte Skoda Rapid is met tijdelijk groene nummerplaten op proefverlof uit de garage en rijdt (nee zoeft) als een limousine. En toch. Sta ik mij dit genieten wel toe? Dat is geen altruïsme, het is heel anders, het is verdriet, het zit dicht onder de huid. Hetzelfde verdriet dat het jonge groen oproept dat in het voorjaar de grond uitspuit. Een mens wil delen. Delen met zijn geliefde. Tenzij hij lijdt aan een onhebbelijke persoonlijkheidsstoornis. Dan zijn zelfbewondering en zelfzucht een deugd. Het laat zich aan velen moeilijk uitleggen hoe pijnlijk het is om over de aanschaf van een paar nieuwe schoenen, van kleding en ook zoiets als een auto niet meer met Ellen te kunnen overleggen. Het sámen, het onmisbare samen is weggevallen. En toch zijn we nog steeds rijk. Dat mogen we nog steeds niet vergeten. De inruilwaarde van de Skoda Fabia is niet veel maar ook niet weinig. Er tussenin, zeg maar. Maar wat als ik in ons dorp of daar in de buurt straks ineens die onvermoeibare Fabia zie rondrijden met een totaal onbekende achter het stuur? Mijn auto. Onze auto. Die bleek volgens de garage in nog uitstekende staat te verkeren. Goed onderhouden, altijd op tijd zijn onderhoudsbeurten, niet afgeragd. Nauwelijks krasjes. Onze Fabia. Het klinkt bijna exotisch. Het proeft naar citrusvruchten. Je ziet zon en zee. Ze komen vanzelf op je netvlies. Onze Fabia. De pakezel door het stuifzand op de boulevard van Noordwijk. Een onbekende die rondrijdt in ónze geschiedenis? Dat nooit. Het worden hele zware jaren, hadden de doktoren gezegd bij de diagnoses parkinson en Lewy Body. Maar het zouden behalve zware jaren ook heel bijzondere jaren kunnen worden. Met de nadruk op kúnnen en op wórden. Dat lag zeker ook aan ons. Hoe zouden we met de tragedie omgaan? Het wérden bijzondere jaren. Dat zijn ze nog steeds. Bijzondere jaren. Jaren met een enorme emotionele lading. En ook de zwarte Fabia met zijn witte dakje vertegenwoordigt die bijzondere jaren. Ook die droeg eraan bij. In belangrijke mate zelfs. Hij liet ons nooit in de steek. Nog geen tel! Alsof ik in een maand tijd de derde necrologie schrijf.

Veel wakker vannacht. Afgesproken met Sandro uit Gouda en daarvoor Boskoop en zeker niet Italië dat ik hem de volgende ochtend zou bellen. Doen of niet doen die witte Rapid? En de zwarte Fabia dan, naast Ellen mijn maîtresse? Of is ze mijn concubine? Ging er de laatste tijd steeds vaker alleen mee weg, omdat voor mijn nimf Ellen het reizen en trekken bijna onoverkomelijk is geworden. En de Fabia dan? Maar krijg ik in het najaar in de garage weer zo’n kans? Waarschijnlijk niet. Rare maand mei. Mijn grote sportheld van vroeger Eddy Pieters Graafland dood. Eén van mijn twee favoriete hotels, de abdij van Rolduc, failliet door de corona. En de Fabia ook weg? Dat wordt te veel. Ik hoor de klok drie uur slaan. Drie uur in de nacht. Om elf uur ’s ochtends bel ik Sandro. Ik koop de witte Rapid. Die kan van internet af. Die kan weg van het platform. Die moet niet het weekend in de showroom staan. Ik koop ‘m. En de Fabia, de Fabia die in tal van verhalen voorkomt in de boekenreeks over ons omgaan met parkinson en Lewy Body? De Fabia die ons overal bracht met een lach en een traan? Die geweldige onovertroffen kameraad op wielen! Die auto die nooit uit de school klapte! Geen enkel geheimpje van ín de Fabia ging naar buiten. Altijd ook een thermoskan water mee en de medicijnen. Een oranje thermoskan uit de HEMA. Gekocht in Vlissingen. Ik plaste er eens in toen ik uit Den Haag kwam en in een file belandde en ik het bijna in mijn broek deed. Ik kon op de buitenste rijstrook geen kant op met mijn hoge nood daar op die A12. Het was iets voorbij Zoetermeer. Ellen vond het allang goed. Dat de oranje thermoskan daar achter het stuur van de Fabia te klein bleek voor mijn volle blaas kon Ellen geen zier schelen. Ze was wel wat gewend. De omroeper op de radionieuwsdienst ook. Die vertelde rustig verder over een heel enge president in Washington en zijn laatste waarschuwing aan Noord-Korea. Dan maar verder plassen op het matje bij de pedalen. Sandro luister jongen! De Fabia ruil ik niet in. In die auto ligt veel van onze geschiedenis van de laatste jaren. Je geschiedenis ruil je niet in hoe zwaar die ook geweest mag zijn. De Fabia schenk ik aan een goed doel. Ik tref wel een regeling. De Fabia blijft in de familie. Hij is toe aan een beurt. Die gaan we maandag in plannen. Jullie halen ‘m ook door de wasstraat en poetsen ‘m op. Beloofd Sandro? Ik heb concrete plannen. De Fabia blijft in de familie.

PS. De sales manager in de garage moest mij ongetwijfeld een sentimentele gek vinden. Of niet soms? ‘Nee, dat vind ik niet. Ik heb dit vaker in de autowereld meegemaakt. Ik had een klant aan wie ik net een gloednieuwe auto had verkocht. Het is jaren geleden alweer. Hij ging eerst even voor zijn werk naar het buitenland. Daarna zou hij zijn nieuwe auto samen met zijn vrouw komen ophalen. Hij was eerder terug en stond voor me te huilen. Hij wilde de nieuwe auto niet meer. Of we de koop ongedaan konden maken? Hij zat in het buitenland en zijn vrouw had hem gebeld. Ze hadden er niet op gerekend dat de uitslag van een medisch onderzoek wel eens heel slecht kon uitvallen. Die vrouw bleek een niet te opereren hersentumor te hebben. Ze had nog een half jaar. De man huilde dat hij het ineens niet meer over zijn hart kon verkrijgen de auto weg te doen die hen jarenlang overal heen had gebracht. Ik werkte toen nog in Rotterdam. We hebben alles teruggedraaid. De man kreeg zijn geld terug. Ik heb meer voorbeelden. Als je gezond bent en volop van het leven kunt genieten heeft een auto een andere gevoelswaarde dan zodra je als echtpaar elkaar gaat verliezen. Dan krijgen veel dingen ineens een andere betekenis.’


Johan