De Marlene Dietrich van ons verpleeghuis

‘Hoe komt u toch aan zo’n mooie vrouw?’, vroeg de hoogbejaarde dementerende met haar tandeloze mondje guitig tijdens de aspergemaaltijd van afgelopen woensdagavond in ons verpleeghuis. Ze zat recht tegenover mij en keek me met ondeugende glinster ogen aan. ‘Nou, vertel me dat eens’. ‘Maar mevrouw Van Ketel, vraagt u zich ook niet af hoe Ellen aan mij kwam?’ ‘Nee, dat hoef ik niet te weten’. Ad rem. Een paar seconden later was ze afgeleid door een vork met aardappelpuree die begeleidster Agnes haar voorhield. Ik probeerde nog, of ze ook mij geen knapperd vond. Maar ik legde het af tegen de aardappelpuree.

Mevrouw Van Ketel is heel bijzonder. Aristocratisch was ze en is ze ook in zekere zin gebleven. Vrolijk bejaard, en nog vrolijker dement. Van deze bewoonster houden we in het verpleeghuis een beetje extra. Als kroniekschrijver wil (en mag) ik niet om haar heen. Toen er op straat eens twee Marokkanen op een fiets voorbijkwamen, wist ze vanuit haar rolstoel met zekerheid te zeggen dat die fiets gestolen was. Moest iedereen erg om lachen. Zijzelf trouwens ook. Het was zo onschuldig. Toen Ellen en haar trouwe oud-collega Wil eens in het winkelcentrum niet hadden opgelet met het ijsje zag mevrouw Van Ketel haar kans schoon, greep naar het bekertje en lepelde het zelf gezellig kwebbelend leeg. Over stelen gesproken… We hebben van de dievegge nog altijd een ijsje tegoed. Mevrouw Van Ketel is een vermakelijke actrice, een prima donna zogezegd, en een charmante ‘mannengek’ die in ons verpleeghuis voortdurend de één na de ander het hof maakt met een wel zeer opmerkelijke voorkeur voor verpleeghuisbewoner Frank van As. ‘Oh daar komt ie weer aan’, juichte haar romantische hart afgelopen woensdagavond onder het eten. De verleidster van om en nabij de negentig maakte handenwrijvend meteen de stoel naast haar vrij. De massieve Frank – liefhebber van zoveel mogelijk ballen gehakt met mayonaise – wurmde zich achter zijn rollator vandaan en stiefelde op de aangeboden stoel af. ‘Ik wil nog altijd met u trouwen mevrouw Ketel, maar het komt er maar niet van’. ‘Oh ja?’ Mevrouw Van Ketel prikte nog maar eens onhandig in een asperge, schaterde erbij en keek verwachtingsvol de kring rond. Agnes stootte het oudje aan. ‘Hoorde u dat hij mevrouw Ketel zei? Maar zo heet u toch niet?’ Dat was haar even ontgaan. ‘Wat zei ie? Nee, nee, VAN Ketel, VAN Ketel’. Hoe vaak ze dat al niet had gezegd! Excuses van Frank. Want het moest natuurlijk foutloos op de huwelijksakte straks. Verzorger Ron kwam ondertussen voor iemand van boven even snel een bordje asperges weghalen. Ogenblikkelijk probeerde de oude dame zijn blik te vangen. ‘Leuk hè, hem ken ik ook’.

Mevrouw Van Ketel is van stand, dat kun je aan alles zien en merken. Veel stijl en geen steil. De grandeur van weleer hangt nog om haar heen. Droeg ze bij het dinertje van woensdag ook niet een parelketting? Dat was inderdaad zo, of ik moet me heel sterk vergissen. Daar zat ik dan tegenover in korte broek, en op slippers, en ondanks de Lola-boenborstel met een paar handen die een dagje onkruid wieden niet konden verbloemen – ze zal wel gegruwd hebben. Of ze als een intellectueel door het leven ging, weet ik niet, maar toch zeker wel als een halve. Bij deze dame denk ik aan een echtgenoot als wijlen de liberaal Molly Geertsema. Ja, zo iemand. Mevrouw Van Ketel (ik beloof mijn blog naderhand nauwlettend en geconcentreerd op het woordje VAN te zullen teruglezen) woonde vroeger op stand aan de Utrechtse Johan Wagenaarkade. Prachtig huis met zicht op het kanaalwater en de vaartuigen. Maar ze heeft ook overal elders gewoond – in Vlissingen bijvoorbeeld, in Maastricht en in Roosendaal. Mevrouw Van Ketel wil er nog wel eens een schepje bovenop doen, maar dat nemen we dan, net als afgelopen woensdag, met een korreltje zout. Als we haar geloven mogen, woonde ze nooit ergens langer dan een week. Gekkenwerk natuurlijk. Ze was getrouwd met een gerenommeerde medisch specialist. Haar man is al heel lang dood. Kinderen heeft ze niet. Haar zaken worden behartigd door een bewindvoerder. En die bewindvoerder heeft Agnes en een collega van haar ingeschakeld om zijn meestal goed geluimde cliënte dagelijks van bezoek en buitenlucht te voorzien. Mevrouw Van Ketel hield altijd van de opera, van poëzie, van dansen, van mooie kleren, en van culinaire hoogstandjes in de meest exquise restaurants. Een vrouw van de wereld en de hoogste kringen. Mondain. Toen ze als alleenstaande steeds vergeetachtiger werd, bouwde ze een façade om zich heen. Een op haar afgestuurde dementieconsulent zorgde er na een eindeloze reeks van overredingsgesprekken met tientallen kopjes thee voor dat ze zich liet opnemen in een verpleeghuis. Natuurlijk declameerde mevrouw Van Ketel ook afgelopen woensdagavond weer aan tafel een gedicht over de zee, de zee en nog eens de zee. Slauerhoff? Een gedicht van de scheepsarts Jan Slauerhoff uit Leeuwarden die zo jong nog aan tuberculose stierf? Ditmaal raffelde mevrouw Van Ketel de versregels een beetje af. Dat zal wel door Frank gekomen zijn.

Pijnlijk was het wat er heel even aan een tafel naast ons gebeurde. Een bewoonster die door een verzorgster met sombere blik en hoofdschuddend werd opgehaald omdat ze het vertikte ook maar één hap te nemen. ‘Jullie weten toch dat ik dood wil’. Het maakte ons allemaal even stil. Ook de bediening. Het stemde verdrietig. Maar in een verpleeghuis leer je schakelen. De maandelijkse etentjes op de zaterdagavond en woensdagavond in ons verpleeghuis zijn overigens zeer gewild. Dat ze telkens een ander thema hebben is een trouvaille. Wel jammer alleen dat het met name op de woensdagavond in het grand café ontbreekt aan voldoende verzorgers waardoor een aantal dementerenden uit onmachtige onwetendheid te weinig eet, of bijna helemaal niet. Voor de organiserende welzijnsmedewerkster Elly Wolf en die paar vrijwilligers is het niet te belopen. Eigenlijk zou het nog veel vaker moeten gebeuren, liefst zelfs bijna dagelijks, dat er in het grand café en masse door verpleeghuisbewoners, verzorgers en (apart betalende) mantelzorgers wordt gegeten ’s avonds. Het brengt een beetje leven in de brouwerij. Weg uit de bedompte dagelijkse sleursfeer op die afdelingen, je zag het woensdagavond aan een zekere Toos, met haar 96 jaar fysiek nog een bijkans jonge meid. Toos slentert met groene overjas aan en bruinlederen schoudertas om de nek vaak grote delen van de dag op een bovenetage onafgebroken van cijferslot naar cijferslot, en weer terug. Als een gewiekste ekster houdt de vluchtgevaarlijke oud-verpleegster de lift in de gaten om de benen te kunnen nemen. Toos denkt dat haar ouders in Hilversum zich ongerust maken over waar ze toch uithangt. Ze rende pas geleden de straat op met een geschrokken hollende verzorgster achter zich aan. Die verzorgster struikelde over een verkeerd liggende stoeptegel en liep een gekneusde enkel op. Toos dus die afgelopen woensdagavond helemaal opfleurde en geen moment over haar ongeruste ouders begon. Geen geloer ook naar de trap van het grand café die in één vloeiende beweging naar de uitgang leidt. Ze was heel gezeglijk. De verpleegster in haar kwam boven. ‘Uw vrouw slaapt bijna de hele maaltijd, is dat normaal?’ Zo geduldig mogelijk legde ik Toos uit dat dit op mindere dagen helaas heel normaal was geworden. Ik zei maar niet dat de parkinson het steeds meer van ons begon te winnen. Maar zo was het wel. Ik hield het op parkinson die al je energie opvreet. Ondertussen zocht Toos ‘voor de zekerheid’ toch even naar een sleutel om in Hilversum straks haar huis in te kunnen. ‘Ja , ik luister hoor’. Verdorie, waar had ze haar sleutel nou gelaten?! ‘Oh, ze heeft parkinson uw vrouw, dat is niet best hè. U zorgt goed voor haar, u bent een lieve man, dat zie ik zo’.

En zó was ik aan die mooie vrouw gekomen, zei ik tegen mevrouw Van Ketel. ‘Dat wilde u toch weten?’ Maar mevrouw Van Ketel was druk in de weer met haar onder een schuimkraag van slagroom verscholen toetje, en iedereen kon verder de pot op. Nergens anders meer aandacht voor, ook niet voor Frank. Laat staan voor hoe ik aan Ellen gekomen was, of omgekeerd. Ondertussen ontrolde zich in Frankrijk een voetbalthriller als naar een script van filmmaker Alfred Hitchcock – de Portugezen tegen de Hongaren met hun kalende pyjamakeeper, de beste wedstrijd van het EK tot dan. Het nieuws ging in het grand café snel rond onder de fijnproevers. Maar zeker in een verpleeghuis werkt Uitzending Gemist. Wat het EK al niet teweeg brengt. Ellen die een paar traantjes krijgt bij de volksliederen van Engeland, de Ieren en Wales. Die volksliederen doen haar meer dan een hakballetje achter het standbeen vandaan. Diep van binnen zit haar van oorsprong Britse moeder Beatrice. We spraken onder het etentje over de pech die je uiteindelijk in het leven kunt hebben. En over de bestuurlijke degeneratie die van de zorgsector afdruipt. Het breed geëtaleerde calculerende leiderschap zonder overtuiging en zonder draagvlak. Of mevrouw Van Ketel zin had de koffie mee naar buiten te laten nemen, de klamme transpiratiewarmte in die aan de Tropen deed denken? Welja, gezellig de sauna in, de Tropen kende ze ook, een avondje uit, en nog wel in eigen huis. Als de wedergeboorte van Marlene Dietrich (So sind die Männer, stamt uit 1922, maar is in het verpleeghuis nog hoogst actueel) – als een neo Marlene begon de diva van ons verpleeghuis onder de koffie in vloeiend, en naar het leek vlekkeloos, Duits te brabbelen. Ich bin von Kopf bis Fuss. Duitsland was haar ook niet onbekend. Ze nam me van kop tot teen op. Waarom ik vodden aan had? Hoezo vodden? Omdat het gloednieuwe T-shirt van de Zeeman kwam? Sssttt, probeerde Agnes nog met een rood hoofd, zulke dingen zei je toch niet mevrouw Van Ketel? Dit had Marlene Dietrich ook gezegd kunnen hebben. We kunnen het onze geliefde volksschrijver Godfried Bomans alleen helaas niet meer vragen. Zet deze mevrouw Van Ketel op het toneel en je hebt een vermakelijke avond! Opnieuw nam ze de vloer en had ze de lachers op haar hand. En ik dacht: als je dan toch dement moet worden wat god overigens verhoede….

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *