Een rijk verleden moet je kunnen aanraken. Lak aan Nietzsche (slot)

Hallo Maarten.
Dank wederom, nu voor je reactie op ‘Wim Onderstal, tapijtlegger naar honkbalkampioenschappen’. Heel vriendelijk van je en al even zeer attent. Een verleden dat tastbaar moet blijven. Een rijke clubhistorie moet door het nageslacht kunnen worden opgesnoven en liefst ook nog kunnen worden aangeraakt. Ik heb er een uitgesproken mening over. Zoals ook over die hiphoppers die elders een dubbeltje meer kunnen beuren. Weten vaak niet eens voor welke club ze toevallig spelen. Ooit weigerde mijn held Henk Heinen zijn reiskosten uit Wormerveer te declareren omdat hij als pitcher een nederlaag op zijn geweten had. Kom daar nu nog maar eens om. Heinen die uit schaamte geen onkostennota durfde in te dienen met zijn vergoeding van vijf cent de kilometer. Het duurde altijd een uur voordat Heinen van de parkeerplaats in de kleedkamer was. Uit zijn auto kwamen een vrouw, twee kinderen, een box, een wandelwagentje, een tas met spenen en speelgoed, een dekentje, een springtouw, kleurpotloden, je kunt zo gek niet bedenken. Wat er vaak niet uit die auto van Heinen kwam, waren een honkbalpak, een pet of een paar spikes. Die lagen dan nog in Wormerveer. Herinneringen en nog eens herinneringen. Tussen het roken van een aantal mentholsigaretten door hielp voorzitster Line Klein de familie Heinen vaak een handje met het uitruimen van die verhuiswagen uit Wormerveer. Want anders was Henk nooit van zijn leven op de heuvel verschenen. Alles ging traag. Soms hoefde Henk alleen maar zijn zonnebril van de parkeerplaats naar de kleedkamer mee te nemen. Dan hiep het hele bestuur zijn vrouw en bolle koters met alle meuk. Het aardige was dat Heinen in de jaren zeventig meer wedstrijden won dan verloor. Dat was in de jaren zestig wel even anders. Toen vlogen de kanonskogels alle kanten op. Levensgevaarlijk. Ook voor de buren, de flikvlooiende korfballers en korfbalsters en andere fladderaars van de vereniging Vogel. Catcher Jan Dalmeyer bracht Heinen enige werpbeschaving bij. 
UVV mag er dan sportief en prestatief niet al te best voorstaan momenteel, de club is zeker in de hoofden van veel nostalgisch ingestelde Utrechters nog lang niet dood, zo concludeer ik uit de bonte verzameling mails die ik over de krantpublicaties ontving – ook nu wederom. Van het uitje met Ootje Haazer naar De Musschen in Rotterdam naast De Kuip begin jaren zestig herinner ik me vooral de modderig vette opengebarsten kroketten die je zwaar op de maag bleven liggen. Veel boertjes. Een half leven lang Rotterdam geassocieerd met een frituurpan vol bedorven motorolie.
Het artikel van deze week in de Oud-Utrechters (opening krant nota bene en hoe uitbundig!) betreft een compilatie van een uitgebreid blog op mijn website. Het was bestemd voor, en aangeboden aan de Oud-Rotterdammer. Tot mijn verrassing stond het ook in de Oud-Utrechter. En waarom ook eigenlijk niet. Het stuk probeert de spannendste honkbaljaren van weleer een beetje in leven te houden. Ze zijn het waard. Zie ook de opgetogen reactie van de basketballer Rob Smaling (Midland eertijds). Hij spreekt over Cees Hiele in termen van een kei. Terecht. Hij suggereert een groot artikel en misschien zelfs wel het schrijven van een boek over alle invloed van de vliegbasis Soesterberg op het sportleven in Utrecht. Het heeft me aan het denken gezet. Tsja, daar duikt plots misschien wel UVV’s beste basketballer aller tijden in mijn herinnering op: de stekelkop Bill Finnell. Die is ook nog eens als pitcher bij het honkballen uitgeprobeerd. In 1964 tegen HCK. Maar dat werd geen succes. De werper Finnell werd alle kanten opgeslagen. Allemaal snoeiharde ballen recht door het midden naar catcher Rob Rijnders. HCK (met coach Arie van Driel-Krol) won in een mum van tijd met 1-11. Of 0-10, dat kan het ook zijn geweest. De rest van het honkbalseizoen speelde Finnell als outfielder in het tweede. Een tweede overigens (met Wim Hiele als coach, met Adrie Hiele achter de plaat, en met Cees Hiele en Jan Kars afwisselend op het eerste honk of in het buitenveld) dat in de hoofdklasse voor reserveteams heel goed voor de dag kwam. Bijna kampioen zelfs. Maar ik had het over Bill Finnell. Als basketballer was hij onovertroffen. Volle zalen ook aan het Vredenburg in de stad. Bij UVV basketbalde toentertijd ook de boomlange pivot Piet Polet. Hij legde de ballen in het netje zoals wij de kopjes en schoteltjes op ooghoogte in het keukenkastje zetten. Die Piet Polet woonde in de Cremerstraat en moet zo’n beetje jouw achterbuurman zijn geweest. En ik herinner me de spelverdeler Hofman, of Hofmans. Had die later niet een drankwinkel in de Willem van Noortstraat? 
Met de vroegere eerste team honkballer Jan van Ewijk heb ik twee jaar terug UVV aangeboden gratis en voor niks een (voor het publiek te bezichtigen) museum op de Paperclip op te zetten.
Kijk maar eens naar de aanzuigende werking van zo’n museum bij Feyenoord, ik deed daar mee aan een rondleiding. Maar ik verwijs ook naar de Amsterdamse honkbalvereniging Pirates. Een magneet zo’n collage van historische feiten. De geschiedenis die, als gezegd, tastbaar blijft!
Het is ook waar de geschiedenis recht op heeft. De sport niet uitgezonderd. Ook die kent zijn kassieken en kassiekers.
Men heeft bij UVV nooit de moeite genomen ook maar iets met dat museumidee van ons te doen. De omgangsvormen bij de club bleken slordig. We schrokken daarvan. Soit. Want we liggen er niet wakker van.
Maar wel jammer, want in Leidsche Rijn is heel veel jeugd, verschrikkelijk veel jeugd zelfs, kijk maar eens tijdens de Avondvierdaagse, een stoet van vele kilometers lang, je zou excursies van scholen naar zo’n museum kunnen organiseren. Daar kan geen enkele ledenwerfcampagne tegenop.
Ook de sport heeft zijn geschiedenis. Die van het voetbal en honkbal (meer nog dan van basketbal) van UVV is bovendien een indrukwekkende. Ook de sport heeft zijn tradities – zou die in elk geval moéten hebben, en zou die ook moeten koesteren. Kijk eens naar de Koninklijke HFC in Haarlem! Voorbeelden te over nog verder.
Enfin, graag of niet, dachten Van Ewijk en ik schouderophalend. We verbaasden ons niet over de neergang van UVV-honkbal. Wie zijn verleden niet koestert, heeft geen toekomst. Het is een wetmatigheid.
Nu dreigt het archief van mensen als Cees Hiele, Jan Kars, Jack Keja en noem er nog maar een paar in de vuilnisbak te verdwijnen. Eenmaal naar de vaalt komt het nooit meer terug. Het is niet anders. Maar wel doodzonde.
En dan even die foto van de oude tribune. Inderdaad, roemruchte tribune. Ik herinner me nog een suppoost die naar je ledenkaart vroeg alvorens toestemming te geven op die tribune plaats te nemen. Die suppoost leek zo weggelopen uit de voorstelling van de acteur Ton van Duinhoven (Crooswijk). Wij keken bij UVV vaak of die controleur niet oplette en glipten dan vliegensvlug de tribune op. We hadden die ledenkaart immers nooit bij ons en altijd thuis liggen. De man was heel streng en nam zijn werk altijd ongelofelijk serieus. Het paste in de tijd, zullen we maar zeggen. Nu ik er zo over zit na te denken: de suppoost van UVV had een rood-witte band om zijn bovenarm en volgens mij droeg hij ook nog een speciale pet. Klopt dat? Aan de kassa had het voetbal van UVV vroeger een kerel zitten met strak achterover gekamd haar. Heette hij niet Houtman? Dick Houtman? Die had het nooit zo op honkbal begrepen. Hij had er in latere jaren altijd gloeiend de pest in als wij met honkbal langere rijen voor onze kassa hadden staan dan hijzelf met voetbal. Nu spreek ik over de beginjaren zeventig. Niemand die kan ontkennen dat het honkbal destijds het voetbal bij UVV overvleugelde. Volgens sommigen gaf dat geen pas. Ze vonden het oneerbiedig. Cees Hiele had zich het liefst afgescheiden van UVV. Eigenlijk heeft hij dat met Utrecht Hitters op Welgelegen op het Kanaleneiland ook gedaan.
Anders dan bij het interview met de 90-jarige Henk Ferwerda heb ik me ditmaal niet met de illustraties bemoeid. Die foto van de tribune was nieuw voor mij. Vond hem trouwens meer passen bij mijn vorige verhaal dan dat van deze week dat vooral om Wim Onderstal draaide. Maar dit terzijde. Ik denk dat je maar eens zou moeten informeren bij de redactie van de Oud-Utrechter. Of het Utrechts gemeentearchief. Ja, die oude roemruchte tribune, die stond plots op een zaterdagavond in de fik, ik weet dat nog wel. In de bestuurskamer in de boezem van die oude houten tribune moest ik eind jaren vijftig als jong jochie voor een ballotagecommissie verschijnen om tot UVV te mogen toetreden. Mannen in een strak pak die heel belangrijk deden. Zat Houtman daar al bij? Zou zo maar kunnen. Hoe oud zal ik geweest zijn, acht of zo. Mijn ouders moesten mee naar die ballotagecommissie. Volgens mij werd aan mijn vader nog gevraagd wat voor werk hij deed. Nadat ik was toegelaten tot UVV gingen we voetbalschoenen en een shirtje kopen bij meneer Danvers in de Damstraat in Lombok. Daar hing aan de muur een foto van zeker twee bij twee meter van het kampioenselftal van DOS. Dat team kan ik nog steeds opdreunen. Alleen al uit historisch oogpunt is het dood- en doodzonde dat bepaalde verenigingen al dan niet door een gedwongen fusie zijn verdwenen in Utrecht. Zoals DOS, zoals Velox ook. 
Kars en Cees Hiele waren eigenheimers, maar geweldige eigenheimers. Beiden waren hun tijd vooruit. Ver vooruit zelfs. Ze waren pioniers. Zij beleden het honkbal als een diepgewortelde geloofsovertuiging zoals de biblebelt het Eerste en Tweede Testament. Alleen die twee al zouden een museum verdienen. Net als al die Yankees van Soesterberg (de UVV-Daggers bij basketbal) die de sport in Utrecht een lift naar boven gaven. Maar dat geldt ongetwijfeld ook voor een aantal mensen uit het voetbal van UVV. Je hebt het over de oud-voetballer Peter van Santen. Ik zie een aanvalslinie voor me met Hans van Rooijen, Hans de Heus, Peter van Santen, André ten Hoeve en Reinier Friedrichs. Daarachter die zo jong overleden dynamische Indische jongen Rudie Pieters. Achterin Cees Overeem. En Herber, of Herben, zijn voornaam ben ik kwijt. (misschien wel familie van Mat van Pim Fortuyn). Rechtsback en later stopperspil was Theo Dupont die ooit nog eens een heel gecompliceerde beenbreuk opliep. In het doel de sigarenboer Rob Zomer, later Co Lazet. Ik realiseer me dat ik een rijtje spelers heb opgedreund uit een kampioensjaar. Moet ineens ook denken aan de familie Lacroix die frisdranken vanuit een stalletje verkocht. 
Je noemt in je mail Rob Hoogkamer. Die overigens wist van het aanbod van Jan van Ewijk en mij, hij zat erbij toen wij onze plannen uit de doeken deden. Misschien dat anderen het museumidee alsnog kunnen en willen oppakken.
Wij, Jan en ik, vonden het in elk geval een gemiste kans van de club. Zeker gezien Leidsche Rijn en de nieuwe accommodatie waarnaar je de aloude clubcultuur en –historie zou moeten willen meeverhuizen.
Met hartelijke groet. Johan Carbo. 

Beste Johan,
Weer met plezier jouw stuk gelezen in de Oud-Utrechter. Mooie herinneringen. Ja, ik ben inderdaad die man die vele jaren geleden pijp rookte. Je haalde Jan Kars aan. Met hem en Tom Stamer heb ik nauw samengewerkt bij de verhuizing van de Hoge Weide naar Leidsche Rijn.
Jan en Tom waren lid van de terreincommissie (schadeloosstelling Hogeweide, accommodatie voorbereiden en begeleiden). Ik was erbij betrokken als bestuurder (secretaris en vicevoorzitter van de asvUVV en bouwcoördinator). Tot die periode kende ik Jan alleen als honkballer, maar toen heb ik hem ook als accommodatievakman leren kennen. Soms kort door de bocht, maar wel met humor.
Maar ik heb nog een vraag.
Kun je mij het origineel of een kopie van de foto van de tribune leveren? Bij een scan van de krant lever ik teveel kwaliteit in. Als lid van de Historische Commissie van de club bereid ik namelijk een artikel voor over deze roemruchte tribune (Lage Weide, Inundatiekade, Hogeweide).
De titel zal luiden: ‘In de brand, uit de brand’. Rob Hoogkamer, Peter van Santen en ondergetekende vormen de Historische Commissie van de club.
Wellicht ken je de website: (www.uvv-voetbal.nl)  Rubriek: Historie.
Met vriendelijk groet,
Maarten van der Stoep.

Beste Johan Carbo,
Wat een geweldig boeiend en beeldend geschreven stuk in de Oud-Utrechter over UVV! Hoewel ik zelf basketbalde bij Midland was ik vaak op de Hoge Weide te vinden. Was toen nogal een USA fanaat en met een vriend hadden we veel contact met de jongens van Camp New Amsterdam.
We stapten op woensdag na school  op de fiets en reden naar Den Dolder. De kinderen van de militairen hadden daar een eigen school. Op het pleintje daar was een basketbalveldje en daar hebben we veel geleerd. Na afloop nog even naar de ingang van CNA en een babbeltje maken met de GI’s die we kenden van de competitie in Utrecht. We kleedden ons als de Yanks, inclusief Levi’s, witte sokken en loafers. In de grote stad leidde dat in die tijd nogal eens tot misverstanden. Die dracht was daar meer voorbehouden aan gay’s en toen werd daar nog heel anders naar gekeken. Op den duur kwamen we ook bij de families thuis. Daar werden we getrakteerd op sandwiches met Baloney (een soort boterhammenworst) en Cool Aid (opgelost poeder met vooral chemicaliën).
We genoten ervan! Soms mochten we zelfs met een pasje mee de basis op om te bowlen. Mijn vriend en ik hadden zelfs nog korte ‘flings’ met dochters van de militairen. En honkbal was mijn passie hoewel ik zelf niet speelde. Op maandagmiddag haalde ik bij de kiosk in het Centraal Station de New York Times en bewaarde de verslagen van de Major League in plakboeken. Heb ze nog allemaal, incl foto’s van onze bezoekjes aan de basis. In het weekend luisterde ik ik onder mijn kussen naar de live-verslagen via AFN op de middengolf. Het 32 FIS had ook een eigen basketbalteam dat meedraaide in de Utrecht competitie. Maar ook UVV heeft veel geprofiteerd van de jongens van de basis. Cees Hiele was een kei in het steeds weer charteren van nieuwe dienstplichtigen. Eigenlijk zou iemand eens een artikel/boek moeten schrijven over de invloed van de basis op de sport in Utrecht.
Dank weer voor je artikel,
Vriendelijke groet,
Rob Smaling

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *