PAROOL SPORT Met niet al te veel kleerscheuren tenslotte

Met een uitnodiging voor een reünie van Parool Sport komen er veel herinneringen boven aan de tijd van zelfkastijding. Hij gedroeg zich als Jezus Christus. Wat zeg ik? Als God zelf! God zelf keek me vanachter zijn bureau geringschattend aan, en stopte maar weer eens zijn pijp. Hoe heette ik ook alweer? Hij had nog nooit van mij gehoord. Maar ook het door hem opgeheven Nieuw Utrechts Dagblad viel uiteindelijk toch onder hem? Dat had ik goed begrepen. Maar dat wilde nog niet zeggen dat hij dan ook de leden van dit huiskamerproject kende, of wel soms? Ik hield angstvallig mijn mond. Maar of de heer Sandberg misschien begreep hoe erg het voor mij was om meteen al op mijn eerste werkdag te moeten vernemen dat het Nieuw Utrechts Dagblad nog maar drie maanden te gaan had en dan zou worden opgeheven? Kon ik vanuit de failliete inboedel van het NUD niet mét vormgever Louis Prins mee naar Amsterdam? Onze Lieve Heer met duizelingwekkend zoetig geurende pijp trok zijn wenkbrauwen op en begon zijn bril te poetsen. Hij spreidde zijn armen in de richting van het raam. Of ik wel wist dat als hij dat raam zou openzette, en naar buiten zou roepen dat hij personeel zocht, de gehele Wibautstraat zou volstromen?! Nee, dat wist ik niet. Was dat echt zo? Nou vooruit, besloot de stadsgoeroe van Amsterdam, en hij riep zijn secretaresse Adrie er vanachter de coulissen bij. Een proefstukje. Adrie met vale rokershuid knikte. Ze trok er een gezicht bij alsof we nog moesten beslissen of de amputatie mijn linker arm zou betreffen of het rechter. Ik moest maar eerst eens een proefstukje schrijven, want ook zij had nog nooit iets van me gelezen. De redactiesecretaresse zou me het onderwerp voor dat proefstukje doorbellen. Geen idee meer waar dat toen over ging. Maar Onze Lieve Heer met pijp vond het niet onverdienstelijk, zo kreeg ik naderhand te horen. Maar hij vond ook dat je op één been niet kon lopen. Hij in elk geval niet. Nog maar eens een proefstukje. Daarvan raakte hij weinig opgewonden. Opgewonden? Dat onthield ik voor het derde en laatste proefstukje. Sandberg was zo vriendelijk me ditmaal zelf het onderwerp te laten uitkiezen. Het werd Hal (of Hall met dubbel l) Laycoe. Ik hoop dat ik zijn naam nog goed schrijf. Ik praat over 1975 of zo, in die koers. Hij was in die tijd bondscoach ijshockey. Eigenlijk was het geen sterke keus van me. Al had deze levende legende wel voor hetere vuren gestaan. Op het ijs met een stick. Nu zou ik zeggen dat de man één zalvige klomp cliché was. Bij hem thuis in zijn karig ingerichte flatje legde ik de Canadees uit welk belang er met het interview gemoeid was. Hij was onder de indruk. Of hij niet een paar uitspraken kon doen waarvan de heer Herman Sandberg opgewonden zou raken. Herman Sandberg? Daar had Canadese Laycoe nog nooit van gehoord? Ook niet van dat àls Sandberg het raam open zou zetten dat dan…? Nee, ook dat niet. Was de heer Sandberg niet een klein opscheppertje? Moest ik de Canadees in gelijk geven. Dat deed relativeren! Maar hij wilde me gerust wel even helpen. Wat moest hij zeggen om me bij Het Parool door de keuring te krijgen? ‘Waarschuwen dat U bij verlies van uw team zelfmoord pleegt’, hoor ik mezelf nog zeggen. Daartoe was de bondscoach gaarne bereid. Hij zou zelfmoord plegen. Hoe of waarmee deed er niet toe. Het artikel over Laycoe ontlokte aan God een glimlach. Of ik wel bij die meneer uit Canada geweest was? En of ik die zelfmoord soms verzonnen had? Maar Sandberg kon het ook wel waarderen, hij zou Cees van Nieuwenhuizen waarschuwen dat ik eraan kwam. Ook dat heb ik geweten. Hopeloos eerste jaar bij Parool Sport. Brak en kneusde op wintersport ook nog alles wat een beginneling op ski’s kan breken en kneuzen. Toch gewoon doorgewerkt voor Parool Sport. Met één hand in de Honda en aan de schrijfmachine. Hoe komt een mens aan een minderwaardigheidscomplex! Nou zó! Het besef dat in vergelijking tot Het Parool kopblad NUD toch altijd met veel stijfsel achter behangrollen verscholen was gebleven. Heimwee naar mijn eerdere baan op het Ministerie van Onderwijs waar ik de zwangerschapsuitkering van de dames S. tot en met Z. in Nederland uitrekende (en begeleidde wat dat ook wezen mocht). Bij Parool Sport ging aanvankelijk veel mis. Schreef over Unitas dat in Gorkum speelt maar liet die club in de krant uit Gouda komen. Godverdomme nog aan toe. Hoe ik dat met de reiskostendeclaratie heb gedaan, weet ik niet meer. Ik zag mezelf eerder nog dan ijshockeycoach Laycoe de hand aan mezelf slaan. Jaren later ging Unitas me weer achtervolgen, toen ik als docent journalistiek dagelijks langs Gorinchem kwam naar Tilburg toe en terug. Moest eens zeven keer en tot bijna huilens toe een artikel herschrijven. Totdat ze zeiden dat ze bij me thuis de aardappelen op het gas konden zetten. Maar dan wel één voor één die aardappelen. Artikel ging als ik me nog goed herinner over Telstar. Daar keepte de plaatselijke kapper en een ballerina van de tv liep er als linksbuiten. Midvoor was een tank die er beter uitzag dan het gehele wagenpark van Defensie. Die tank van Telstar schoot nog wel eens raak. Door de charmant strenge Cees van Nieuwenhuizen begon ik steeds meer Wilde Havana’s te roken. Zo’n heel blikken doosje per dag. En lag ik ‘s nachts in mijn slaap te tandenknarsen. Het kostte me mijn ondergebit. Aan Van Nieuwenhuizen gaf ik meer uit dan dat ik bij hem verdiende. De wankele eerste stappen in de journalistiek bij een landelijke krant. Een krant waar je op de redactie Simon Carmiggelt kon aanraken en Jeanne Roos en Paul van ‘t Veer en Henri Knap en Eef Peereboom en ga zo maar door. Steinmetz! De adjunct Bob Steinmetz. Ze liepen er op de redactie allemaal in het wild. Zat in die begintijd eens samen met Cees van Nieuwenhuizen bij PSV. Een speler haalde zijn broek open. Van Nieuwenhuizen pakte zijn pen en schreef ‘kleerscheuren’ in zijn schriftje. Alleen dat ene woord. Meer niet. Kleerscheuren. Oh, dacht ik, zo werkt dat dus. De volgende dag begon zijn verhaal met dat PSV ondanks de zege niet zonder kleerscheuren uit de strijd met Bastia tevoorschijn gekomen was. Heerlijk, dacht ik, heerlijk als je zo kunt schrijven, en dat ook nog eens in die leuke opvallende gratis jasjes van de TROS-televisie! Avonddiensten voor Parool Sport werden bij mij aanvankelijk ook automatisch nachtdiensten. Was als de dood iets over het hoofd te zien en een fout te maken. De zon kwam al weer op toen ik bijna thuis in IJsselstein bedacht dat ik van de Tour de France vergeten was het bolletjesklassement door te geven. Ojee! Stiekem terug naar de Wibautstraat. Het was ‘s ochtends vijf uur. Ik geloof niet dat Sandberg er al was. Hij zal niet achter die griezelige zwarte deur hebben gezeten ‘s morgens om vijf uur. In de prullenbak naar de telex gezocht met het klassement van de bolletjestrui. Van Impe kwam tevoorschijn met heel veel restant automaatkoffie en die gore plastic bekertjes die je altijd fijn kneep. Hier en daar ook sinaasappelschillen en iets dat ooit een kroket moest zijn geweest. Alsnog via de buizenpost het klassement van de bolletjestrui doorgegeven. Die buizenpost zoog dikwijls slechter dan een allang gepensioneerde en uitgeputte prostituee. Volgende dag. Geen bolletjestrui in de krant. Hoezo niet Bert v.d. Does? Geen ruimte en niet interessant. Niet interessant? Schaamde me te veel om hem te vertellen dat ik daarvoor speciaal ‘s nachts van huis naar de redactie was teruggereden. Ja die begintijd, hopeloos. Ik leer het nooit, dacht ik. Gaf me een steen, ik zou hem om mijn nek gebonden hebben en in de Amstel zijn gesprongen. Reed in Utrecht met een bordje PRESS op het dashboard van mijn Honda Civic. In Amsterdam liet ik dat wel wijselijk uit mijn hoofd. Met verhalen zoals deze trok ik jaren later als docent journalistiek volle collegezalen op de Erasmus Universiteit en aan de Academie in Tilburg. Een docent moet weten waarover hij praat. En hij moet meer: hij moet zichzelf niet al te serieus nemen, de studenten trouwens ook niet, en hij moet van lesgeven ook een beetje theater maken. Afgekeken van de hoogleraar prof. dr. Visser op de Erasmus van wie ik toen niet begreep dat iemand met zo’n eenvoudige doorsnee achternaam professor doctor kon worden. De studenten boeien dus. De studenten moesten met een plezierig vooruitzicht ontwaken halverwege de ochtend. Van Nieuwenhuizen schilderde ik af als een beul van wie ik het vak had geleerd en van wie ik gaandeweg was gaan houden. Wekenlang liet hij mij niets anders doen dan de rubriek Sport Kort vullen. Zó leerzaam! Schrijven op de vierkante millimeter nauwkeurig, ik maakte er voor de studenten die écht wilden een circusnummer van. Kon met tranen in mijn ogen in de collegezaal over voormalig Feyenoord-trainer Vaclav Jezek vertellen die ik als door een wonder ontdekte tussen de één miljoen demonstranten in Praag. Het was november 1989 en als chef buitenlandredactie ging ik na de val van de Berlijnse Muur verder Oost-Europa af. Jezek als demonstrant, dat was wel even een heel ander gezicht. Hij nodigde me uit bij hem thuis. Een onbeduidend straatje. Een piepklein voortuintje. Daar bij hem thuis deed Jezek open in een marineblauwe slobbertrui en op gewatteerde ruitjes pantoffels. Het werd een wonderschone zaterdagavond bij een potkachel in een buitenwijk van Praag. De volgende dag interviewden wij samen Vaclav Havel. Eén keer ben ik stiekem weggebleven bij een wedstrijd die ik voor Parool Sport moest verslaan. Het was de wedstrijd tussen het Haarlem van de zingende trainer Barry Hughes met rolfluit en FC Utrecht op een zaterdagavond. Was te dronken om ook maar te weten in welke richting ik de auto moest zetten om naar Haarlem te rijden. We hadden ‘s middags kampioen kunnen worden met het honkbal van HMS, maar werden in een beslissingswedstrijd in Zwijndrecht tegen de Twins uit Oosterhout finaal van het gravel gespeeld. Waar het ANP al niet goed voor was. Schrijven over iets dat je niet gezien had bleek nog een hele kunst. Ze hebben het nooit geweten bij Het Parool, en misschien ook wel maar zeiden ze er maar niets van. Ik was intussen al wat opgeklommen in de hiërarchie van de sportredactie. Het was net als in militaire dienst waar je bed van lieverlee opschoof naar het raam. Dan was je een oude stomp met veel privileges. Sliep je in zo’n dubbeldekker ook niet meer boven maar beneden. In Zwijndrecht werden we voor veel publiek volledig in ons hemd gezet en na afloop namen we maar een pilsje en daarna nog één en nog één. Het gaf ons het gevoel toch een beetje te zijn gepromoverd. Naar het luchtledige, dat dan weer wel. Werkten we toen nog met schrijfmachines? Waarschijnlijk wel. Ja natuurlijk, we werkten nog met ouderwetse schrijfmachines met lint dat soms versleten was. Op de bureau’s stonden nog Remmingtons. We hadden nog kopijpapier en koppenbriefjes in verschillende kleuren die correspondeerden met de verschillende edities. De breedte van de koppen rekende je uit aan de hand van een speciaal boek met tabellen. Schrijven is ook het kunstje afkijken en dus veel lezen. Goeie schrijvers lezen. Ineens had ik het te pakken en oogde de glinstering van het water van de Amstel meteen anders. Opmerkelijk dat die dingen je na bijna een halve eeuw nog zo goed voor de geest staan. Voor een artikel over het bankroet van de voetbalprofclub Amersfoort floepten de woorden in razend tempo op het kopijpapier. Ik gooide er op die ouwe Remmington een metafoor tegenaan en zo meer. Ik ga het hier redden, dacht ik, ik weet het nog goed. Bij het geliquideerde SC Amersfoort speelde mijn drogist en bijna achternaamgenoot Marco Cabo. Stond Nico van Zoghel er niet in het doel alvorens naar een aanleunflat te gaan? Er is geen woord van gelogen maar aanvankelijk vreesde ik dat ik het nooit zou leren dat schrijven. Maar niet zonder kleerscheuren wist ik mijn fantasie en creativiteit an te boren. Het gaf een bevrijd gevoel. Speelde het eerste jaar bij Parool Sport serieus met de gedachte weer terug te gaan de ambtenarij in, terug naar de zwangere schooljuffen. Met alles wat ik nu schets kon ik me later verschrikkelijk ergeren aan het idiote competentiegerichte onderwijsmodel voor journalistiek op de hogeschool. Dat had alles met de tekentafel te maken en niets met de praktijk. Wat dat betreft hadden ze het op de Erasmus beter begrepen. Als je als student op de hogeschool een beetje aanvaardbaar stukje had geschreven, kreeg je meteen te horen dat je competent was. Bij Parool Sport werden de professionals, niet één kon een lekke autoband verwisselen zo bleek eens, steevast afgerekend op hun laatste artikel. Jammer dat de hbo-studenten pas op hun tweede stage bij een landelijke krant in de gaten kregen hoe de journalistieke wereld er in werkelijkheid uitzag. Die was niet zoetsappig. Bij Parool Sport heb ik ook in het openbaar leren praten. Zo’n beetje één keer in de maand moest je met een bal onder je arm naar een feestavond in een barstensvolle kantine met visnetten en ballonnen van een Amsterdamse amateurvereniging. Dan ging de oude verzetsheld Jaap ten Dam voor de uitreiking van de Parool Bal met je mee. Jaap was een belangrijke en populaire apostel in het Amsterdamse amateurvoetbalgebeuren. Afschuwelijk woord trouwens. Herinner me DCG. Uitbundige begroeting aan de voordeur. Ze waren net bezig de bingo af te ronden. Armen om je nek en knuffels van wildvreemde mensen. Voelde me hogelijk opgelaten. En dan moest ik nog in een microfoon blazen dat de band tussen DCG en Het Parool onverbrekelijk was. Daar heb ik geleerd in het openbaar te praten, want dacht ik: toon geen zenuwen want dan krijgen die mensen het ook automatisch warm, en dat kan nooit de bedoeling zijn, oefen maar alvast voor bruiloften en begrafenissen. Hoe ik in vredesnaam ooit de sportjournalistiek vaarwel had kunnen zeggen, kreeg Ellen naderhand vaak te horen. De sportjournalistiek uit eigen vrije wil opgeven voor het verslaan van ontvoeringszaken en een gaslek in de Rijnstraat met evacuatie van de bewoners? Ellen antwoordde dan dat ik met die ontvoeringszaken opnieuw de tijd van mijn leven had, wat al helemaal niet op verjaardagen werd begrepen. Hoe kon je nou met ontvoeringszaken de tijd van je leven hebben? Buitenstaanders wilden het leven van een sportjournalist nog wel eens idealiseren. Het had z’n mooie kanten, zeker, maar het was toch vooral hard werken en zweten in het gevecht de deadlines te halen. Je liep en rookte de longen uit je lijf. Op winteravonden zat je in twee dikke truien en jassen te klappertanden op de perstribune. Eenmaal rond middernacht weer thuis uit Maastricht of Enschede greep je vanzelf naar de whisky. Ach, hooligens en zo boeiden me gaandeweg meer dan een schot op de paal of in de kruising. Dat was het gewoon. Maar bloeddruk verhogend en onvergetelijk bijvoorbeeld de Europese triomftocht van de basketballers van Nashua Den Bosch met in 1979 als absoluut magistraal klapstuk de zenuwslopende wedstrijden tegen Bologna. Parool Sport heeft me liefde voor het vak bijgebracht. Liefde voor het journalistieke handwerk. Liefde voor de kunst van uitdrukkingsvaardigheid op papier. Want dat is het: het is liefde voor het beroep van journalist. Er toch met niet al te veel kleerscheuren gekomen.

Johan