Toeval bestaat niet, ‘Ethel’ is het bewijs

Dag meneer Carbo,

Deze ochtend heb ik een kijkje genomen op uw website. Ik moet zeggen dat ik geïntrigeerd ben door uw schrijfstijl en bewondering heb voor de zorg en onvoorwaardelijke liefde die u uw vrouw geeft. Mocht u een (of meerdere) van uw boeken willen sturen dan zal ik deze daarom zeker lezen. We houden contact.

Met vriendelijke groet,

Niels Bax
Student-onderzoeker Liesbreukcentrum.

****

Beste Niels,

Ik ben je erkentelijk voor je vriendelijke woorden. Hoe onvoorwaardelijk is onvoorwaardelijk, daarover zo dadelijk meer. Die onvoorwaardelijkheid kan ook bij mij onder druk komen te staan. Mantelzorg is emotioneel en fysiek slopend. Dat voorafgaande aan de MRI laatst een ongeïnteresseerde baliemedewerkster van het Diaconessenhuis te beroerd was om even bij mij het kettinkje met de trouwring van Ellen te helpen afdoen, was voor mij een klap in het gezicht. Een botte weigering, de kettingdrager niet eens een blik waardig gunnen, hem niet even helpen door achter zijn rug te gaan staan, omdat de ziekenhuisregels, die helemaal niet bleken te bestaan, het mens verzon het ter plekke, zoiets als het helpen afdoen van een kettinkje verboden. Later deed een laborante het en die was in twee seconden klaar. Als iemand de trouwring van zijn vrouw om zijn nek draagt dan zou toch elke fatsoenlijke ziekenhuismedewerker moeten beseffen dat het hier om een zeer bijzondere situatie gaat. Maar nee. Op zulke dingen knap ik af. Eigenlijk gun ik iedereen een weekje mantelzorg zoals ik die nu al vierduizend dagen verricht. Een weekje maar, niet langer. Het zou ze leren. Naar jou onderweg is het boek waarmee de serie over het als kroniekschrijver boekstaven van het omgaan door ons met parkinson en Lewy Body begon. Namelijk de bundel ‘Dankjewel voor je liefde’ uit 2014. Ik was juli dat jaar in mijn uppie op vakantie, het moest in elk geval op vakantie lijken. Maar ik was in Fuengirola het liefst van twaalf hoog van mijn hotelbalkon gesprongen. Sommigen noemden het de voorzichtige tekenen van een burn-out. De eerste verschijnselen of zoiets. Ik weet dat niet. Ik wist me volledig teruggeworpen op mezelf daar in het vrolijke hoogseizoen aan de zonovergoten Spaanse zuidkust. Alles aan mijn lijf deed zeer. Mijn beenspieren lieten het afweten. Liggen, staan, lopen, weer liggen – voortdurend die verkrampte beenspieren. Het was om gek van te worden. Tot overmaat van ramp zat ik ook nog eens in een hotel met van hun kruin tot aan hun tenen zwaar en goedkoop getatoeëerde gepensioneerde Britten die van happy hour naar happy hour kachelden. De herinnering aan die lui maakten me later tot een voorstander van de Brexit. Het was een wanstaltig tafereel met die Britten die onder de plakplaatjes zaten. Ze hadden het geld beter kunnen uitgeven aan een goed gebit. Eerder vanuit Fuengirola terug naar huis. Waar de dokter als beste therapie het schrijven van een boek adviseerde. Zat vanaf dat moment met mijn gedachten anders bij mijn gevoelens dan eerst en stond er soms al om vier uur ‘s morgens met positieve adrenaline voor op. Onvoorwaardelijke liefde, schrijf je. Dat klopt. Maar soms zie ik het niet meer zitten hoor. Dat zit dan vooral in mijn hoofd. Afgelopen vrijdag was dat bijvoorbeeld zo. Ik zat doelloos voor me uit te kijken in mijn tuinstoel met een Marlboro tussen mijn vingers. En eigenlijk rook ik al jaren niet meer. Ik had het boek ‘Op het geniale af’ van Benedict Wells uit en zocht in de kast naar een boek dat ik vele jaren geleden gelezen had en waarvan ik me de inhoud wellicht niet meer zo goed zou kunnen herinneren. Ik deed in feite een willekeurige greep. Ik pakte ‘Ethel’ van Tema Nason. Ethel Rosenberg belandde op 29 juni 1953 samen met haar man op de elektrische stoel omdat toenmalig president Eisenhower van de VS in weerwil van wereldwijde protesten weigerde deze joods-Russische vrouw gratie te verlenen. Ze zou atoomgeheimen aan de Russen hebben doorgespeeld. Echt goed bewezen is dat nooit. Ik pakte in een moedeloze bui ‘Ethel’ uit de kast. Ik zat er die vrijdagavond echt doorheen en dacht aan stoppen met de mantelzorg op de wijze zoals ik die nu alweer een fiks aantal jaren verricht. Ik kon niet meer, ik was op, geestelijk vooral. Ik opende het boek ‘Ethel’ en dan vraagt een mens zich af of toeval bestaat. Op de eerste bladzijde las ik:

21 juli – 11 augustus 1990. Ter herinnering aan de heerlijke vakantie van drie weken in de Dordogne met mijn allerliefste Johan, een hele dikke zoen van Ellen.

Haar mantelzorger las de tekst nog eens, en daarna nog eens. Hij proefde elk woord op zijn tong. Hij klakte met zijn tong tegen zijn verhemelte. Nagenoeg exact dertig jaar geleden. Op slechts een paar dagen na dertig jaar geleden. Ik zag Sarlat voor me. Ik herinnerde me alles van die vakantie in de Dordogne. Het nieuws dat Irak Koeweit was binnengevallen. Dat zou later leiden tot de 1e Golfoorlog, die van de oude Bush. Met Ellen in de Dordogne dwalen en stadjes bezoeken en ganzenlever eten in fantastische restaurants. Het was er overigens snikheet in de Dordogne. Het leek er wel een bakoven. Je kon er een ei op het asfalt bakken. Naar het kasteel van de danseres in bananenrokje Josephine Baker en haar twaalf geadopteerde kinderen. Alles kwam weer boven. Het was er in de Dordogne zo warm dat we buiten sliepen op het terras van het landhuis dat we via een advertentie in de krant hadden gehuurd. ‘s Nachts honderd keer wakker van geritsel. Ach ja, stadsmensen. We douchten buiten met een tuinslang. Daar in dat landhuis zaten we op een gegeven moment zonder water. Het huis stond bovenop een berg. Gingen we via een steil grindweggetje beneden emmertjes water halen. Old memories op een verstilde vrijdagavond. Een nieuwe Marlboro tussen de vingers. Die tekst in ‘Ethel’ deed me weer beseffen waarom zelfs het schier onmogelijke voor Ellen wilde blijven geven. Daar deed ik het allemaal voor, realiseerde ik me. Het onvoorwaardelijke was op de proef gesteld, maar het had de test goed doorstaan. Ik kon er weer even tegen. Ik zou nog zo graag met Ellen gesprekken willen voeren. Ik zou willen converseren. Ik zou door haar gecorrigeerd willen worden. Maar dat heeft die rot parkinson ons afgenomen. Het is vandaag 25 augustus. We herdenken het einde van de jappenkampen voor vrouwen en jonge kinderen in voormalig Nederlands-Indië. Ellen bracht er haar vroegste jeugd in door, in zo’n jappenkamp. Ambarawa 6. Haar vechtlust heb ik tot ook de mijne gemaakt. De blik omhoog. Net als op de foto van Ellen. Dat ik nu uitgerekend een van de boeken moest pakken met lieve woordjes van mijn Ellen. Toeval? Dan ben ik heel blij met toeval.

25 augustus 2020. De bloedhitte is op zijn retour. Ellen slaakt een zucht van verlichting.

25 augustus 2019 met Diana achterin de tuin bij zeer hoge temperaturen. Er heerste toen nog geen corona. De jaarlijkse herdenking van de vrouwen- en kinderkampen in voormalig Nederlands-Indië ging nog gewoon door. De bezoekers verdrongen zich op het grasveld voor de kraampjes met eten en Indische kleding, snuisterijen en boeken. Voor Ellen een groene zijden creatie mee naar huis. Want ja, zelf mee naar Bronbeek ging al niet meer. Op het grasveld voor het Monument raakten een paar bezoekers bevangen door de bloedhitte als waren ze terug op Java. Twee keer reed een ambulance het terrein op. Eén dezer dagen zullen we het Monument weer bezoeken. En op Bronbeek de kumpulan aandoen! Een kleine rijsttafel of een nasi rames bij 75 jaar bevrijding na de capitulatie van de wrede en onvoorspelbare jap.

Johan