Sjakie van de hoek – Ellen wat deed ik je aan

Soms denk ik wel eens: waar heb ik Ellen in onze eerste jaren wel niet allemaal naartoe gesleept. Ze vond het prachtig, maar was dat echt zo? Vond ze het echt zo leuk om hele dwaze middagen en halve onwezenlijke avonden door te brengen bij een halfgare drukker en zijn chick die stoned leek en voor zijn vrouw en moeder van zijn snottebel van drie moest doorgaan? Die halfgare drukker heette Sjakie en was een exegetisch persoon. Al twijfel ik of hij wel werkelijk zo Bijbelvast was.  Hij leefde er eigenlijk maar een beetje op los. Hij was een Zeeuw met, hoe kon het ook anders, een strenge Godvrezende achtergrond. Maar eenmaal in Amsterdam dook hij op zijn vlucht voor het calvinisme en het Oude & Nieuwe Testament alle kroegen in en draaide hij de ene hasjsigaret na de andere. Sjakie hield van hallucineren en Mappie, de naam alleen al, die zijn levensgezellin was hallucineerde mee in hun woonschuit met een gedeeltelijk open dak omdat de pijp van de geïmproviseerde open haard erdoorheen moest. Bij regen zaten Ajakie en Mappie onder hun paraplu aan de hasj of wiet in hun woonschuit. Die lag in een uitloper van een van de Amsterdamse grachten. Moest aan hem terugdenken toen ik met wandelmaatje Annelies laatst door de Sparendammerbuurt van Amsterdam kuierde. Daar ergens vlakbij woonde Sjakie beginjaren tachtig van de vorige eeuw. Daar werkte Sjakie ook als hij fit genoeg was. Vaak was hij aan de dunne en lag hij op een baal stro in zijn garage. Was dat niet in de Zeeheldenbuurt? Of in de Staatsliedenbuurt? Enfin, daar ergens in Amsterdam moet het geweest zijn. De koninklijke bond van honkballers en softballsters – softballende heren werden toen nog voor mietjes en erger gehouden, ten onrechte, ik haast me dat nu te schrijven, ik toon me een spijtoptant – de KNBSB ging bezuinigen. En ook het maandblad Inside moest eraan geloven. De vaste drukker uit de Jordaan werd ingeruild voor een nieuwe en veel goedkoperer: Sjakie. De vaste drukker in de jaren zeventig kan ik me met geen mogelijkheid meer voor de geest halen, Sjakie daarentegen wel, zo gaat dat met zwevers en types die op z’n minst apartelingen genoemd kunnen worden, je vergeet ze nooit meer. Sjakie als nieuwe drukker. Dat hebben we geweten. Het was wennen. En we wenden er nooit aan. Eigenlijk was hij vreselijk goed. Ongelofelijk creatief ook. Sjakie wilde wel creatief zijn, maar op momenten dat lichaam en geest daar rijp voor waren, goed of niet goed vond hij totaal onbelangrijk. Het mag nog steeds een wonder heten dat Inside de knotsgekke periode Sjakie heeft overleefd, en andersom hetzelfde verhaal. Hoe vaak we niet op het punt stonden Sjakie de hersens in te slaan. Maar altijd weer vielen we voor zijn charmes. Zoals het ook, maar net even anders, voor Mappie moet hebben gegolden. Mappie werkte ergens op een afdeling van de gemeente Amsterdam. Daar begrepen we niets van. Nu begrijp ik het wel, daar moet je eerst mantelzorger voor worden. Of een nieuwe kliko nodig hebben waarbij het bij de eerste vier afspraken van de kant van de gemeente Utrecht om de meest onbenullige redenen (de oude kliko komen ophalen maar een nieuwe vergeten mee te nemen) misgaat. We hadden Sjakie graag een paar keer uit woedende onmacht de gracht in geflikkerd. Riep hij dat hij niet kon zwemmen. Werden we nog bozer. Ook dat al niet. Zwemmen kon hij ook al niet. En dat kwam uit Zeeland. Sas van Gent of iets dergelijks. Maar dan werd de verwarde Zeeuw ineens heel toegeeflijk en lief. Ging hij hele belangrijke Franse schrijvers en dichters citeren. Zachte stem. Tien minuten adempauze tussen twee zinnen. Onderwijl hadden we hem bij zijn strot. Of hij ons in al die jaren ooit gezien heeft, waag ik te betwijfelen. Zijn dikke brillenglazen waren zo vet als een heel potje vaseline. Van het oppoetsen van die brillenglazen had hij nog nooit gehoord. Zijn drukpers stond in een oude en vochtige garage. Daar stond ook de auto van Sjakie en Mappie, een of andere roestige bak van vlak na de oorlog en uit de tijd dat we nog vrome stramme politici hadden als Colijn en Tilanus en de tijd dat bij de KVP van Romme al helemaal niemand deugde. De garage van Sjakie, je wilde er nog niet dood gevonden worden. Hoe heb ik daar Ellen in onze begintijd ooit mee naartoe kunnen nemen. We gingen er de nieuwe editie van Inside ophalen die helemaal gevuld was met voorbeschouwingen op een Haarlemse Honkbalweek. Het was krap aan maar we waren nog net binnen de uiterste deadline gebleven. De hoofdredacteur was met zijn gein op vakantie in Italië. Op Ellen en mij rustte derhalve de zeer verantwoordelijke taak Sjakie achter zijn vodden te zitten en te zorgen dat Inside bij de start van de Haarlemse Honkbalweek in de stands van het Pim Mulierstadion lag. Naar Sjakie dus voor de nieuwe Insides die volgens afspraak net van zijn pers zouden zijn gerold en in overzichtelijke pakketten gereed moesten staan. Het was weer het oude liedje met Sjakie. Het blad was nog niet eens opgemaakt. De plakstroken slingerden door zijn garage. En al had Sjakie Inside wel opgemaakt dan nog had hij niet kunnen drukken. Want voor de pers stond zijn auto of wat dat nog te betekenen had. Het was meer een geraamte. Sjakie had wat pech gehad met zijn auto en had besloten het kreng maar eens helemaal uit elkaar te halen. Toen hij zijn auto vervolgens weer in elkaar wilde zetten, lukte dat niet en hield hij niet-onbelangrijke onderdelen over. Dus had hij zijn auto maar wéér uit elkaar gehaald. En de onderdelen blokkeerden de gang naar zijn drukpers. Op zulke momenten steeg het bloed naar je hoofd en stroomde de energie uit je lichaam. Je knieën leken het te begeven. De veters sprongen vanzelf uit je schoenen. Minder dan een dag nog en het Pim Mulierstadion zou met achtduizend honkballiefhebbers barstensvol zitten. Maar geen Inside. En de hoofdredacteur lag niets vermoedend in zijn lange broek op het strand van Rimini, want hij kon niet tegen de zon, zijn vrouw wel. Hemel en aarde bewogen om die lakse Sjakie tot het opmaken en drukken van de speciale editie van Inside te bewegen. Gedreigd met boetes en zelfs de politie. Gedreigd zijn garage in brand te steken. ‘Lieve Johan, nou nou nou, doe me dat niet aan alsjeblieft.’ Ellen die niet wist in wat voor een clowneske wereld ze terecht was gekomen. ‘Meneer, kijk nou eens wat u mijn vriendje aandoet.’ ‘Val mij niet te hard lief mensje.’ Eerst het kadaver van een auto weg bij de pers. Mappie die moest meehelpen. Ze kamde haar wilde haren. ‘Ik heb al een hele werkdag achter de rug op het stadhuis, moet dit écht?’ Sjakie die met beide armen stond te molenwieken want waar moest hij in deze chaos beginnen. En hij was aan de diarree van slecht eten en angst voor de KNBSB en de politie. Ellen kreeg het kind op schoot voor de fles maar liet weten dat zo’n kind toch echt minstens één keer per dag een schone luier behoefde. De volgende dag zou met achtduizend toeschouwers een nieuwe aflevering van de prestigieuze Haarlemse Honkbalweek geopend worden. Hoe in godsnaam kregen we Inside daar. Sjakie wilde er toch wel eerst even overleg over. Konden we er niet maar niet beter bij gaan zitten met z’n allen? Tot mijn ontsteltenis zag ik een plakstrook aan de zool van de schoen van Sjakie kleven. Het bleek het gezaghebbende commentaar van de hoofdredacteur dat hij vlak voor zijn vakantie had achtergelaten. Pagina 3. Pagina 3 zat vastgekleefd aan de schoen van de drukker. We weekten het commentaar los. Ellen, denk ik nu, het Leger des Heils van jou was een gestroomlijnde organisatie vergeleken bij al deze onzin en ongein. Nu ik dit allemaal optik, word ik weer nerveus van die vrijdagmiddag en -avond in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt of Zeeheldenbuurt. En we hadden Sjakie eigenlijk maar beter in de gracht kunnen gooien. Het is toen allemaal met veel kunst- en vliegwerk toch nog gelukt met Inside. Bij de opening van de Honkbalweek lagen de exemplaren te gloriëren (lees: Sjakie) in de stands, Ellen en ik lagen onder de paracetamols thuis in Amstelveen op bed. Daarvandaan kwam ook mijn verslag voor Het Parool. Een live honkbalverslag maar wel vanuit bed. Dit soort ellende maakten we voortdurend met Sjakie mee. Nog een andere keer verving ik de hoofdredacteur van Inside. En weer was Sjakie niet op tijd. Weer regende het smoesjes. En weer smeekte hij ons om het honkbal te relativeren zoals hij het gehele leven relativeerde. En weer citeerde (en declameerde) hij Victor Hugo en anderen. Op vrijdagavond kwam hij veel te laat met Inside naar mijn training met de jeugdploeg van HMS in Utrecht, na uit Amsterdam onderweg drie keer panne te hebben gehad. Tenminste, dat zei hij. We waren net met de slagtraining bezig. De volkomen a-sportieve en wereldvreemde drukker bestond het om met een dik pak verse maandbladen onder zijn arm als schietschijf dwars het honkbalveld over te steken. Mijn spelers vroegen wie dat was die thuis- en dakloze in de vuurlinie. Een vriend uit Amsterdam. De ballen vlogen hem als kogels om de oren. Hij slenterde dwars door de vuurlinie met het maandblad van de KNBSB. Ik vond het veld van HMS wel een mooie plek voor de dood van Sjakie. Het kwam er niet van. Net als een kat bleek ook hij diverse levens te hebben. Op een gegeven moment brulde hij met Inside onder zijn arm of hij zich nu op het tweede of derde honk bevond. We lieten de drukker weten dat als hij nog even doorliep hij Daalwijk bereikte, het crematorium van de stad Utrecht. Het was nog waar ook. Maar Sjakie beschouwde het als een geweldige grap en besloot vervolgens naast de dug-out te gaan staan pissen. Ellen, wat heb ik je toen in onze beginjaren met die honkballerij allemaal aangedaan! Vergeef me. Vergeef me mijn honkbalzonden en onbezonnenheid. Niet Sjakie maar ik van een junkie.

Johan