Parool-Sport was inderdaad die goeie ouwe tijd en excuses zijn hier wel op zijn plaats

Kijk met veel genoegen, maar toch ook wel met een tikkeltje schaamte terug op de reünie van de vroegere roemruchte sportredactie van Het Parool. Het moet minstens 45 jaar geleden zijn geweest dat de meesten elkaar voor het laatst aan de Wibautstraat hadden gezien. Sommigen herkende ik aanvankelijk niet eens meer. Hoe de tand des tijds als een uitgehongerde en opgewonden veldmuis aan het mensdom knagen kan! Moet ook voor mij gelden. Laat ik dat ruiterlijk toegeven. Niet meteen al de lezer van je vervreemden. En hoe de buik kan opzwellen alsof de plaatselijke rijwielhandelaar zijn fietspomp heeft gebruikt. Die luchttoevoer of wat het ook is blijft mij nog steeds bespaard gelukkig. Ja en dan die schaamte, schaamte voel ik tegenover oud-collega Henk van der Sluis, de initiatiefnemer van de reünie. Bij binnenkomst stond een man in vrolijk zomers colbertje mij op te wachten en wenste me een plezierige bijeenkomst in het zaaltje meteen links van de ingang. Ik dacht nog bij die man die niet kalende was maar gewoon nagenoeg geheel kaal…

Hij zag er welvarend uit. Man van het goede leven. Ik dacht nog: die moet thuis zo’n beetje de grootste zonnebank van Nederland hebben staan en hij heeft hem ook nog eens voortdurend op de hoogste stand. Ik veronderstelde dat deze voorkomende man tot het personeel van het etablissement De Generaal te Baarn behoorde. De portier of zo. Of iets hogers. Misschien was de galante man wel de uitbater van De Generaal, zo niet de generaal zelve wellicht. Zo weggelopen uit de horeca, die vriendelijke baas. Ik moest vroegtijdig weg van het kostelijk weerzien van dierbaren uit lang vervlogen tijden toen sportjournalistiek nog bedreven werd op een oude gammele Remmington met lint en niet zelden leidde tot echtscheidingen, alcoholisme en kettingroken. Eerder weg: het lot van een mantelzorger, zullen we maar zeggen. Mij werd door dezelfde persoon aan de deur weer uitgeleide gedaan, hij kwam op een drafje aanlopen die vriendelijke en goed gemanierde meneer in zijn lichte zomerse colbertje van C & A en dat roodbruine zonnebankhoofd. En in heel mijn onschuld bedankte ik hem enigszins opgelaten voor het feit dat hij de deur naar de parkeerplaats voor me openhield, mij lachend toeknikte en uitzwaaide, en me nog een plezierige verdere dag toewenste. Stond even te twijfelen of het de bedoeling was dat ik de portier een fooi zou geven in de vorm van een eenvoudig muntstuk. Maar daarover had ik in de uitnodiging niets gelezen.

Pas later, nog niet eens achter het stuur van mijn Ferrari, nee pas veel later thuis ging mij een lichtje op. Die portier van De Generaal was waarschijnlijk dezelfde man geweest als die mij binnen in dat zaaltje op koffie en appelgebak had getrakteerd en aan wie ik 40 euro had betaald (voor Thaise kippensoep en luxe verrassingsbroodjes die me door een te lange speech, nou ja speech, door de neus werden geboord) om met oud-collega’s van Parool-Sport al dan niet zwaar aangedikte verhalen over die goeie ouwe tijd op te dissen. Maar hoe kon ik toch zo in de bonen zijn geweest! Kwam dat soms omdat Henk van der Sluis bij de voordeur wél zijn colbertje aanhad en in het zaaltje niet? Begint dementie ongeveer zo? Ik vrees van wel. Ben ik op weg een dwaallicht te worden? God bewaar me! Te veel indrukken tegelijk hetgeen een leeftijd van 70 jaar niet meer aankan? In elk geval moet ik enigszins verward overgekomen zijn. Geen buik, nog altijd geen buik, appetijtelijk getailleerd lichaampje zullen we maar zeggen, en onder mijn boordje net zo bruin als het hoofd van Van der Sluis, maar wel klutskwijterig. Met hem, die Henk van der Sluis in elk geval. Het enige wat ik nu nog kan doen is hem openlijk mijn excuses maken voor het ongelukkige feit dat ik hem bij de deur bezijden dat bordesje aanzag voor de inboedel van de horecaonderneming naast het stationnetje van de gemeente Baarn. Ik krijg het er weer warm van.

Kan overigens niet ontkennen dat ik meermaals heel goed moest kijken om te zien wie wie nou ook alweer was. En de herkenning kwam in sommige gevallen meer door de stem dan door het gezicht. Bij onze staffotograaf George Verberne bijvoorbeeld. Er waren er meer. De illustere maestro van de centrale desk destijds Jan de Vries. En Joop Holthausen die altijd schreef alsof de duvel hem op een brommer achterna zat en die met wielrennen hele behangrollen aan kopij afscheidde als was hij aan de diarree. Maar ja, mag een mens in 45 jaar een beetje veranderen qua uiterlijk? Het was jammer dat ik maar kort kon blijven, vijf kwartier tot anderhalf uur, en daar viel nog een wat lang uitgevallen speech in, een soort egodocument, maar aan de andere kant: Ellen was alleen gistermiddag toen ik thuiskwam en helder/ klaar wakker – en er zijn nog steeds van die weliswaar spaarzame momenten dat ze een paar woordjes toevoegt aan haar lieve innemende glimlach en dat was toen ik nog met mijn autosleutels in de hand voor haar bed stond, terug van de Baarnse Generaal. Ik had de reactie van Ellen direct uit Baarn niet graag willen missen. Het zijn van die te koesteren geluksmomenten die we nog hebben. Jazeker, we hebben ze nog. Geduld is een schone zaak, wordt ons alom voorgehouden. Voor de mantelzorg klopt dat wel. Zeker bij de begeleiding van een parkinsonpatiënte die in alles reageert als in slow motion komt het aan op geduld. Maar bij Parool-Sport gold geduld als weerzinwekkend. Met geduld, en rustig aan, zo van: komt tijd komt raad, werd je op staande voet ontslagen. Daar viel geen krant mee te maken. Je werd betaald voor je hyperventilatie. Parool-Sport was het startschot van een boeiende carrière in de journalistiek. Met ups en downs. Maar goddank vooral ook veel ups.

Steeds meer het besef van wat Parool-Sport voor een bijzondere tijd wel niet is geweest. Het was een harde leerschool. Maar de beste leerschool die ik me kan voorstellen. Ongelofelijk lang nog geworsteld met de eerste alinea’s van een stuk en al helemaal met de beginzin. Daar zou ik later vanuit de hogeschool voor journalistiek een cursus over gaan geven. Die cursus over de eerste zin voor onder meer Wegener duurde drie dagen. Kun je nagaan. Het was meer boetseren nog dat schrijven met een kroontjespen. De eerste zin dus. Daar verstookte ik als debutant aanvankelijk minstens acht Wilde Havana’s op. En het kopijpapier viel niet aan te slepen. Schrijven deed je ook met je longen. Of ten koste van je longen. Werken in de journalistiek was een dure liefhebberij. Zeker voor een beginneling. En één met gezondheidsrisico’s. En was het nou echt zo moeilijk? Nee, er was eigenlijk geen reet aan. In mijn stroeve aanloopperiode, brak in mijn proeftijd op wintersport ook nog eens zo’n beetje alles wat een mens breken kan, maar omzeilde bij een seinhuisje op mijn ski’s wel een oud vrouwtje, een oud vrouwtje dat een peuter les stond te geven, doch dit terzijde, in mijn stroeve aanloopperiode nam chef Cees van Nieuwenhuizen me mee naar een Europese wedstrijd van PSV in Eindhoven. Om aan het edele vak te ruiken, zo heette dat. Het was het PSV uit 1978 of daaromtrent. Ik geloof dat Kees Rijvers nog coach was. Tegenstander een Franse club met Johnny Rep in de gelederen. Het moet Bastia zijn geweest of anders St. Etienne. Cees liet me sfeerproeven. En kennismaken met het schrijven onder tijdsdruk en pal tegen de deadline aan. De bloeddruk en de hartslag in de sportjournalistiek zullen we maar zeggen. Het was een spannende wedstrijd onder de gloeilampen van Philips, dat weet ik nog wel. Waarom ik dat nog weet, vertel ik da’lijk.

Eerst Cees van Nieuwenhuizen. Voor de perstribune scheurde een speler van PSV zijn voetbalbroekje bij een sliding. Het leek me een te verwaarlozen incidentje. Naast mij pakte Cees doodgemoedereerd zijn ballpoint en klapte op een haast professorale manier zijn notieboekje open. Nou moet ik toch eens kijken wat hij opschrijft, dacht ik, en boog me in de richting van zijn pen. Mijn chef noteerde: voetbalbroekje gescheurd. Twee woorden, niet meer dan die twee woorden. Het notitieboekje ging weer dicht. Cees stak nog maar weer eens de brand in een sigaar. Hij kon er ook heel aardig mee overweg, met die Wilde Havana’s. Ik snapte er aanvankelijk niets van. Voetbalbroekje gescheurd. Pas de volgende dag werd het me duidelijk bij het openslaan van de krant. Het wedstrijdverslag van Cees van Nieuwenhuizen begon met de zin dat PSV niet zonder kleerscheuren door de confrontatie met zijn Franse tegenstander was gekomen. Zo werkte dat dus in de sportjournalistiek. Hoe een winkelhaak al niet van pas kwam. Die verloste je van twintig minuten piekeren, of langer nog, over je eerste zin.

Het was een spannende wedstrijd van PSV tegen de Fransen. Zo zou ik dat bij Parool-Sport al gauw niet meer verwoorden. De wedstrijd benam je de adem en kon onmogelijk zonder een ervaren cardioloog dichtbij worden uitgekeken. Lekker ronkend dus. Maar enfin, een spannende match. Dat weet ik nog hierdoor. Aan de andere kant naast me op de perstribune zat ene Hans Woudstra van De Telegraaf. Tegen het einde van de wedstrijd greep hij in de binnenzak van zijn regenjas en haalde daar zijn portemonnee uit te voorschijn. En in die portemonnee zaten drie briefjes opgevouwen. Woudstra legde de briefjes van thuis keurig leesbaar neer op het plankje dat als lessenaar diende op de perstribune. Toen de wedstrijd even later voorbij was, en uiteindelijk bekend was wie er won, gooide hij twee van de drie briefjes weg, pakte zijn veldtelefoon en belde aan de steno van De Telegraaf de inhoud door van het briefje dat hij wél kon gebruiken. Het was kortom een zeer leerzame avond in Eindhoven. Zo heel ingewikkeld bleek het nu ook weer allemaal niet te zijn. Dat van Hans Woudstra heb ik trouwens nooit op de lesdagen Eerste Zin verteld. Dat zou de hogeschool voor journalistiek een lucratieve cursus van drie dagen hebben gekost. Silence is Golden. Wie zongen dat lang geleden ook alweer?

Het tekenen van een pagina? De lay-out zogezegd? Dat werd nog met de hand op een groot vel papier gedaan met een potlood en een gummetje en een cicerolat. Daarvoor moest je bij Arie Verhoef uit Maarssenbroek zijn. De eeuwig treuzelende keeper en verdediging van het Feyenoord van de laatste jaren zouden veel van Arie Verhoef hebben  kunnen leren. Arie was niet van tikkie terug. Arie was niet van dat onbeholpen trage gedoe van die Australische keeper die bij Feyenoord de veel betere Vermeer op de bank hield. Arie was van de lange bal. Die sloeg verdediging en middenveld over. En als het niet helemaal klopte? Of zelfs helemaal niet? Dan waren er altijd nog hele korte berichtjes ook wel Sport Kort genoemd. Voor de legendarische en meestal stoïcijnse Arie hielden we er altijd zo’n twintig tot dertig achter de hand. Daar werden dan aan steen en met die plakstroken de gaten mee gevuld. Voor alles was een oplossing. Het kwam ook voor dat Arie te zuinig was geweest met intekenen. Dan bleken de melodramatische sportartikelen aan steen in werkelijkheid veel langer te zijn. Geen redacteur die bereid was het aardappelschilmesje in zijn bloedeigen stuk te zetten. Oh nee om de donder niet. Dus ging er een reepje van de foto af. Eerst heel voorzichtig, later steeds minder. Tenslotte roetsj. Eerst tot aan de enkel, dan de knie, en zo verder omhoog, ook de jonge heer ging er aan. Van mening sporter kende de abonnee vaak niet meer dan de kruin. Later zouden foto’s met alleen ogen en een voorhoofd voor een poosje heel modernistisch en trendy worden. Door Arie Verhoef was Het Parool ook in dit opzicht zijn tijd ver vooruit.

Arie hielp ook eens op een feestje voor honderd redactieleden de catering (zus Wim Kieft) een handje bij de broodjes zuurkool en beenham. Na tien redacteuren was bij Arie de beenham op. Op de sociale academie in Driebergen had ik navelstaren geleerd, wereldverbeteraar onder de wereldverbeteraars, bij Het Parool leerde ik vooral ook relativeren. Mezelf relativeren. Geen gewichtigdoenerij. En de wereld moest vooral blijven als die was. Liefde ook voor je werk dat bijdroeg aan je identiteit. Je ging niet alleen met je vrouw naar bed maar ook met je werk. Na mijn sportjaren ging ik als politieverslaggever vooral met Gerrit-Jan Ludding naar bed. Of beter: leerde ik uit bed te blijven. Las zo-even dat de HEMA nu ook tompoucen voor honden gaat verkopen. Ludding, van de cracker en komijnekaas, zou je er vroeger ‘s nachts voor wakker bellen. Reportage Johan, reportage! Maar de HEMA is ‘s nachts dicht Gerrit-Jan. Ga er maar vast voor de deur zitten Johan!

Je leerde liefde voor het vak. En behalve dat: knokken. Incasseren. Niet piepen. De stijlbloempjes uit de schrijfmachine plukken. Hupsakee. Met drie winterjassen over elkaar op een kouwe zaterdagavond bij MVV in Maastricht op een tochtige en doorgeroeste perstribune. Dan bleef het tot het einde 0-0. En dan smaakte de whisky weer eenmaal thuis ‘s nachts dubbel zo lekker. Voor het ontwikkelen van de smaakpapillen gingen we voor een 0-0 wedstrijd! Parool-Sport was teamgeest en knokken.  Inderdaad: die goeie ouwe tijd. Niemand een spat veranderd. Zeker uiterlijk niet.  Kom daar maar eens om bij gemeenteambtenaren.  

Nog niet eens over de drempel bij De Generaal in Baarn en al een blunder van jewelste: de organisator van de reünie van Parool-Sport aangezien voor de portier van het etablissement bezijden het station. Maar het ging ook zo verdomde snel. Henk van der Sluis ter begroeting aan de deur in een colbertje dat op een huwelijksfeestje niet zou misstaan, meteen daarop fotograaf van alle museumstukken uit het roemruchte verleden van Parool-Sport, en nog geen paar seconden later in de bediening voor koffie met appelgebak en ogenblikkelijk daarop ook nog eens kassier voor de 40 euro aan Thaise kippensoep. Ik begreep dat oud-collega Van der Sluis mijn excuses heeft aanvaard. Hij stuurde me deze foto voor het geval ik ook niet meer zou weten hoe ik er zelf na zeventig jaar uitzag.

Johan