Hoe een zinderend en overweldigend goed boek je de adem beneemt

Er al zoveel over gelezen en het idee er ook al zoveel van af te weten. Maar nee, dat blijkt schijn, en schijn bedriegt. Het duizelingwekkende en zo gevoelsmatige verhaal van schrijfster Roxane van Iperen over de Joodse zusjes en verzetsheldinnen Janny en Lien Brilleslijper in Auschwitz-Birkenau en Bergen-Belsen kan niet in één adem worden uitgelezen. Niet door mij in elk geval. Geregeld moest ik het even wegleggen. Niet voor het strekken van de benen, wel om het hoofd weer even tot rust te laten komen. Het boek beneemt je de adem. Daarvoor is het veel te indringend en meeslepend geschreven. Mooi geschreven trouwens ook, zonder ook maar ergens hoogdravend te worden. Roxane van Iperen, nu bewoonster van de villa ‘t Hooge Nest op de Naardense hei dat destijds een vermaard Joods onderduikadres was dat verraden werd, leverde een wereldprestatie met haar reconstructie waarin ook Anne en Margot Frank in heel hun doodstrijd levensecht, of wat er nog van leven over was, niets bijna immers, voorkomen. Zou Van Iperen tijdens haar research en onder het schrijven met haar hoofdpersonen hebben mee geleden? Vast en zeker. Deze lezer deed dat in elk geval wel. De auteur voelde met haar pen, en tastte af, en leefde zich voor duizend procent in het gehele oorlogsgebeuren in. Het sterven van ook Anne Frank in Bergen-Belsen door uitputting, en door nog veel meer, door het opgeven van de strijd – de naoorlogse Roxane van Iperen beschrijft het alsof ze er zelf bij is geweest, en eigenlijk is ze dat ook zo.

Het doet me in veel denken aan Babi Jar van de schrijver Anatoli Koeznetsov dat uit het Russisch werd vertaald door Marko Fondse. Twee jaar lang heb ik, schrijft Anatoli Koeznetsov, dag in dag uit onophoudelijk mitrailleursalvo’s gehoord en vandaag hoor ik het nóg knetteren. Babi Jar speelt in Oekraïne tijdens de Duitse bezetting. Ellen bracht het boek mee toen we gingen samenwonen. Het was van haar vader geweest. Ik moest het lezen, drong ze aan. En ik las. ‘Er steeg een zware, vettige walm op boven het ravijn. Een week of drie hield het walmen aan.’ Ik las. Ik las door mijn tranen heen tot de regels wazig werden en mijn hoofd tolde. Babi Jar en ‘t Hooge Nest, ze raken je beide volledig.

‘t Hooge Nest is misschien wel het indrukwekkendste boek over de Jodenvervolging dat hij heeft gelezen, met een uitmuntend staaltje onderzoeksjournalistiek, schrijft Bas Haan. Ik sluit me erbij aan. Maar noem ook Babi Jar van Anatoli Koeznetsov. ‘t Hooge Nest is een onvoorstelbare leeservaring die veel toevoegt aan wat je al over de gruwelijkheden en ontmenselijking van de Holocaust dacht te weten. Opdat wij weten en nimmer zullen vergeten. Ja inderdaad. Roxane van Iperen IS haar hoofdpersonen. Misschien zou ik zelf in deze tragische en droef stemmende familiegeschiedenis als romancier de chronologie een beetje hebben losgelaten, zodat het boek vanaf de allereerste bladzijdes iets meer leessnelheid zou krijgen, en het je al meteen bij de strot zou nemen, maar dat is het enige puntje van wat ik niet eens kritiek zou willen noemen – ik zou niet durven. Beschouw het als slechts een voorzichtige terzijde. Vooral nadat de zussen Jannie en Lien, hun echtgenoten, hun kinderen, hun ouders, hun broer Jaap en alle andere onderduikers in ‘t Hooge Nest op de hei van Naarden verraden zijn, bouwen de scènes zich in hoog tempo op.

Het boek is buitengewoon filmisch geschreven. Er zou van ‘t Hooge Nest ook een film gemaakt moeten worden, voor zover daar nog geen plannen en voorbereidingen voor zijn. IJzingwekkend, ze blijven ijzingwekkend, de beelden die van Mengele worden opgeroepen, de engel des doods van Auschwitz, die met een onverschillig armgebaar, links of rechts, het lot van zijn uitgemergelde gevangenen bepaalde, de gaskamer of nog even niet. Uitstel van executie. Ook uit de biografie van Mengele en zijn naoorlogse jaren in Paraguay en Argentinië komt een verschrikkelijk sujet naar voren. Mengele een mens? Nee. Een dier dan? Ook niet. Ook zeker geen dier. Hooguit een voorwerp. Een gewetenloos gebruiksvoorwerp binnen het hellevuur van het nationaalsocialisme. Niet eens een onderontwikkeld gevoelsleven, helemaal geen gevoelsleven, nog geen bananenschil, net als alle misdadige , intrinsiek verdorven trawanten om hem heen. Iets van een gewetenloze narcistische sadistische persoonlijkheidsstoornis, al is dat misschien nog wel te vriendelijk. Ze lieten hun Joodse slachtoffers, de zigeuners en politieke gevangenen dagen- en nachtenlang naakt in de vrieskou staan. De geschoren hoofdhuid die ritmisch bewoog vanwege het ongedierte dat zich onder de huid had genesteld en zich er vermenigvuldigde. Jeuk, gekmakende jeuk. Honger en de hand zand die met de uitgeteerde arm als een staak niet eens meer naar de mond gebracht kon worden. Angst, vóór alles angst, angst die verlamde en de mens volledig buiten zichzelf deed treden. Levende geraamtes die gaandeweg elk vermogen tot denken verloren. Lijken die nog warm aanvoelden, ze werden hoog opgestapeld. Joodse kinderen die levend in een kuil met brandende benzine werden gegooid. En ondertussen de wilskracht van met name Jannie Brilleslijper. ‘Je kunt jezelf niet ontrouw worden. Wanneer er gevochten moet worden dan moet er ook maar gevochten worden.’ Het klinkt zo simpel, het klinkt zo eenvoudig, het klinkt zo logisch, maar is het dat ook? Welke bijzondere krachten komen in oorlogstijd naar boven? Non-fictie in barbaarse omstandigheden. ‘t Hooge Nest werd één van de grootste joodse onderduikadressen van Nederland onder de neus van NSB-buren en met heel dichtbij hoge pieten van de nazi’s. Geen Auschwitz-Birkenau die talrijke jappenkampen op Java, ook al verbleef je óok in de jappenkampen om er uiteindelijk aan alle ontberingen en vernederingen dood te gaan. Maar er waren geen gaskamers. Ik kon ‘t Hooge Nest van Roxane van Iperen niet lezen zonder ook geregeld een blik op de vredig slapende Ellen te werpen, mijn vrouw en onmisbare soulmate in alles wat ze voor mij heeft betekend en is blijven betekenen.

Ik herinner me van anderhalf jaar geleden dat ik een aantal vrienden en goeie bekenden vroeg een paar regeltjes te schrijven voor Ellen in verband met haar verjaardag. Zo ook gevraagd aan de voormalige directiesecretaresse van de hogeschool waar ik veertien jaar werkte. De vrouw deed graag mee maar waarom liet ik mijn verzoek vergezeld gaan van een paar regels over het jappenkamp van Ambarawa waar Ellen vermoedelijk haar strijdbare karakter aan overgehouden had. Ellen die al peuter ratten at. Daar had ik toch al eens eerder over geschreven en dat wist iedereen toch al? Ik moest zogezegd toch eens ophouden over het verleden. O ja? Hoezo? Waarom? Het krenkte. Vervolgens pochte de onbenul over het tweede lintje dat ze van de koning, de wie?, had ontvangen voor haar zegenende vrijwilligerswerk aan de luister- of fluisterlijn bij de politie van Breda, en zwetste ze over het bontjassenreservaat Knokke waar het aan een soufflé zo gezellig toeven was, en over een andere favoriete mondaine vakantiebestemming: Cannes met zijn rode fluwelen artiestenlopers aan de Middellandse Zee in Zuid-Frankrijk. Louter klatergoud. Bij Ellen thuis werd niet over de oorlog gesproken. In Nederland was het vele malen erger geweest, kregen ze te horen. In Indië hadden ze nog zon bij de oorlog. Dat scheelde een heel stuk. Misschien zou ik dit Brabantse lintjesschepsel vooral ook op ‘t Hooge Nest en Roxane van Iperen moeten wijzen. Omwille van meer inlevingsvermogen. Moeten wijzen op de Kristallnacht die we terecht elk jaar begin november herdenken, 1400 synagogen werden in de as gelegd, Joodse winkels geplunderd. De prelude op nog veel erger. Nu zou ik de voormalige directiesecretaresse van de hogeschool bovendien hebben gewezen op de geringe interesse die koningin Wilhelmina toonde voor de Jodenvervolging, naderhand weer goed gepraat door koningshuisadepten maar zonder enige overtuiging.

Met enige aarzeling tik ik nu op dat ik het welvaartsgelamenteer over die twee stomme kerstdagen al weer op ons af zie komen, net als vorig jaar. Kunnen wij, vrije naoorlogse rijkeluiskinderen, vanwege die corona wel met de kerstdagen met z’n vele honderden, zo niet duizenden, tegelijk naar IKEA en de woonboulevards? Kunnen we met de kerstdagen wel vrij reizen? Of eerder dan die zwaar overdreven ver-idiotiseerde kerstdagen: wordt ons recht op privacy met het verplicht tonen van een vaccinatiebewijs tot op het werk toe, ja zelfs in de zorg, niet geschonden omdat de veiligheid en gezondheid belangrijker worden gevonden? En weer denk ik aan ‘t Hooge Nest, en knuffel ik Ellen, met een schuin en verdrietig oog naar de stuntelige lintjesverzamelaarster bij de Bredase politie. Het geweeklaag over pasjes, QR-codes, mondkapjes, anderhalve meter, handen wassen, de noodzaak tot aanpassen, het laten varen van een beetje hebzucht, en wat al niet meer, kan weer losbranden. ‘t Hooge Nest kan niet gelezen worden zonder voortdurend de vraag aan jezelf waar de hoofdrolspeelsters alle moed vandaan haalden, het doorzettingsvermogen ook, de trouw aan elkaar en aan zichzelf, het geloof dat het misschien ooit nog eens goed met ze zou aflopen, en ondertussen draait hier beneden het stemmige Morning has broken van Cat Stevens, zo-even voorafgegaan door Angel of the morning en From the underworld en A whiter shade of pale.

Het lezers oog valt op een weer eens finaal uit de hand gelopen ontgroening, in België ditmaal. De feuten moesten dierenvoedsel eten en in een bad met bloed liggen. Eén van de feuten bezweek aan de toch zo overheerlijk lijkende cocktail van drank, veel drank, nog meer drank, het gif voor een lastige cavia en een bad met bloed van een dolle stier uit het abattoir. Wanneer komt er nu eens een wettelijk verbod op deze naar fascisme en nazisme neigende ontgroeningspraktijken. De studentenverenigingen zouden verplicht boeken moeten lezen als die over Jaap Meijer, de vader van Ischa, en de overleving door Jaap Meijer van Bergen-Belsen. En over kampcommandant Josef Kramer, het Beest van Bergen-Belsen, een vóór de oorlog matig presterende en vreugdeloze boekhouder in München, die valse honden losliet op weerloze Joden en hele groepen uitgeteerden liet neerknielen aan de rand van massagraven voor hun executie. En ‘t Hooge Nest met Janny en Lien, en met Anne Frank en haar zus Margot, en al die anderen in de geschiedschrijving van Roxane van Iperen.

Of zoals de Nederlandse strijdster van de Colombiaanse guerrillabeweging FARC, Tanja Nijmeijer, dezer dagen in een interview opmerkt: ‘Onze slachtoffers in Colombia werden pas naderhand mensen voor mij.’ Zodra het te laat was. Nijmeijer zegt nu, na vele jaren in de jungle, zich te realiseren hoe oorlog ook de levens dramatisch verwoest van de mensen die de oorlog wél overleven. Er komt volgende week een boek van haar uit, ‘Van guerrilla naar vredesproces’. Kopen die memoires. Oorlog doet veel met een mens. Over een paar dagen met Diana mee naar het Zeister kamp voor vluchtelingen uit Afghanistan om die vijfhonderd van huis en haard verdreven mensen namens de Stichting Afghanistan een feestelijke maaltijd voor te zetten. Of ik tevoren iets in die immense ruimte zou willen zeggen. Men zou een vertaalster regelen. Zit ‘t Hooge Nest daarvoor niet al te veel in mijn hoofd? Zal ik het boek even heel terloops en zijdelings aanhalen, aanstippen liever, of maak ik de middag en avond dan te ernstig? Hoe vind ik tekstueel de bruggetjes? Moeilijk. Wat zeg je tegen opgejaagde mensen met het beeld nog steeds haarscherp voor ogen van de luchthaven van Kabul, dat vliegtuig, dat ene vliegtuig naar de menselijke vrijheid, en die radeloze Afghanen die zich vastklampten aan de romp. Hoe pak ik mijn opdracht de komende weken aan op het ROC in Utrecht waar een groepje leerlingen speciaal begeleid moet worden in de Nederlandse taal met vaker lezen en dan vooral ook het lezen van zinvolle dingen? Zal ik het erop wagen tegen de kerst, zeker niet eerder, met die leerlingen van velerlei pluimage een paar bladzijden te bespreken van ‘t Hooge Nest? Of moet alles leuk zijn en is er geen ruimte voor bezinning en diepgang? Het is onvoorstelbaar hoeveel kracht mensen kunnen opbrengen als ze in Auschwitz en Bergen-Belsen dagelijks de dood diep in de ogen kijken. Mensen die nog maar 28 kilo wegen.

‘t Hooge Nest is wellicht ook voor mij het indrukwekkendste boek van alle indrukwekkende boeken die ik over het Amsterdam van vlak voor de oorlog, de Jodenvervolging, het verzet, de gemene en lafhartige collaborateurs, de NSB, Westerbork, Auschwitz en Bergen-Belsen gelezen heb. Geregeld even het boek van bijna vierhonderd pagina’s moeten wegleggen. Maar daarna steeds weer teruggepakt. Zelfs vannacht om drie uur even het licht aangeknipt om weer verder te lezen. Als het naziregiem aan stuiptrekken begonnen is en de geallieerden oprukken stapelen zich in Bergen-Belsen de lijken op, elke ochtend driehonderd nieuwe. In het heidelandschap van de Lüneburgerheide verschijnen kuilen zo groot als zwembaden. Er viel niet meer tegenop te stoken. Anonieme graven. Maar een nalatenschap van duizenden, duizenden en nog eens duizenden doden voor eeuwig verbonden met het Lüneburger natuurgebied, zoals Van Iperen zo ontroerend mooi schrijft. Ze gebruikt geen pen maar een penseel en ze schildert de woorden op een doek. Bij de bevrijding van Bergen-Belsen troffen de geallieerden zestigduizend levende skeletten aan onder wie Janny en Lien en dertienduizend doden in al dan niet verregaande staat van ontbinding. Wist ik dit alles in 1970 en 1971 toen ik een paar keer op de Lüneburgerheide was voor mijn militaire dienstplicht? Seedorf en Hohne. En Celle. We speelden er oorlogje. Tegen het communisme. Dat was met de DDR van Walter Ulbricht niet eens zo ver weg. We dronken er de slechtste rum en liefst nog iets sterkers tegen de -16 graden ‘s nachts. We sliepen er met 25 dienstplichtigen in een tent zonder kachel. Want de schaarse kachels waren voor de eenpersoons tenten van de officieren. Onze commandant Aspers probeerde er in een dronken bui een boom in de houding te zetten. De boom reageerde niet. We staken allemaal ons hoofd buiten de tent om het kolderieke schouwspel voor nooit meer te vergeten. Was ik me er destijds van bewust wat zich hier in de oorlog allemaal had afgespeeld? Nee. Voor nog geen fractie. Daar ging het in de lessen geschiedenis op de middelbare school niet over. Ik wist niet van Bergen-Belsen. En de vraag resteert: was dat maar beter ook of juist niet? Nee, het was niet beter, dat was het niet.

Vanaf januari 1945 stierven in Bergen-Belsen meer dan tweeduizend mensen per week. Het is duizelingwekkend. Niet te bevatten. Het verhaal van Ellen en haar moeder in Ambarawa kan niet vaak genoeg verteld en doorgegeven worden. Zo natuurlijk ook Auschwitz, Bergen-Belsen en al die andere nazikampen. Zeker in de tijd waarin we momenteel leven met haat en nijd, met verlies aan respect voor menselijke waardigheid en grenzeloze vernielzucht. De agressie en het redeloze belagen van nota bene hulpverleners. De weinig verheffende, onprofessionele, onparlementaire debat-erupties in de Tweede Kamer van schreeuwers die zelf nog nooit enige verantwoordelijkheid voor beleidsuitvoering hebben hoeven nemen. Het is maar goed ook. Al evenzeer lafhartige rechters in de Toeslagenaffaire die hun oren lieten hangen naar de zittende macht en de belastingdienst ten koste van ten onrechte tot fraudeurs bestempelde kansloze medeburgers. Het recht dat niet mocht zegevieren, het Nederland van nu. Alsof de tijd heeft stilgestaan. Tunnelvisie noemen we dat tegenwoordig. Het gaat misschien wat ver maar toch zeg ik het: wie ‘t Hooge Nest leest zal zich nog meer dan anders verbazen over het feit dat er nog mensen zijn die vandaag de dag nog steeds een vaccinatie als bescherming tegen Covid-19 weigeren. In de Duitse vernietigingskampen, maar ook die in de Archipel, deden de uitgehongerde slachtoffers er alles aan om onder de hygiënisch meest afschuwelijke omstandigheden te overleven. Uiteindelijk was het maar voor heel weinigen weggelegd.    

Janny en Lien overleefden de verschrikkingen. De zussen wisten dat ze in de vernietigingskampen dicht bij elkaar moesten blijven. Zou er één dood neervallen dan zou de ander spoedig volgen. Ze klampten zich aan elkaar vast. Het leven was er bij ze uit maar het hart tikte nog even door, heel zachtjes, onregelmatig. Lien vestigde zich in 1952 in de boeren- en arbeidersstaat DDR. Ze verloor er het Nederlanderschap mee. Toen ze in 1964 voor het huwelijk van haar nichtje naar Nederland kwam werd ze opgepakt door de vreemdelingenpolitie. Ze kwam wederom vast te zitten. Haar zus Janny was razend en trok alle registers open om Lien vrij te krijgen en te zorgen dat de verzetsheldin en Auschwitzoverlevende haar paspoort als Nederlandse terugkreeg. Wat na heel veel soebatten uiteindelijk lukte. Je leest zulke dingen met verbijstering. De Tweede Wereldoorlog was overgegaan in de Koude Oorlog, maar toch. Met leden van de voormalige NSB sprong Nederland zachtzinniger om. Janny bleef tot op hoge leeftijd betrokken bij het Auschwitz Comité , de Anne Frank Stichting en de Stichting 40-45.

Roxane van Iperen begint en eindigt haar boek met Dirk Witte (1885-1932). Dirk is gewoon een bediende in een houthandel in Zaandam. Maar hij is ook een muzikaal wonderkind. Buiten werktijd werkt Dirk aan Nederlandstalige liedjes. Hij trekt de stoute schoenen aan en klopt in het Concertgebouw in Amsterdam aan bij de kleedkamer van de beroemde Nederlandse conferencier en liedjeszanger Jean-Louis Pisuisse. Dirk Witte biedt met de pet in zijn hand de pionier van het cabaret, Pisuisse, zijn liedjes aan. Over een jongen en zijn liefde voor een meisje van de zangvereniging, onder andere. Het zet het leven van Dirk Witte finaal op zijn kop. Het komt zelfs zover dat Dirk op een sprookjesachtige plek in ‘t Gooi een eigen huis laat bouwen: ‘t Hooge Nest. Voor haar boek gaat Roxane van Iperen op zoek naar het graf van Dirk Witte en ze vindt het als het al begint te schemeren. Ze vertelt aan een verweerde en nagenoeg kale grafsteen over Janny en Lien en hun ouders en de familiegeschiedenis. Het boek eindigt zoals het begon bij Dirk Witte van wie het lied, ja door hem geschreven, en kan het toepasselijker?, ‘Mensch durf te leven’.

Johan