Virtuoos honkballende kippenboer uit San Nicolas knock-out

Hij was kippenboer geworden op de Antillen. Ik probeerde me het voor te stellen: hij met honderden kippen op een tropisch eiland. Dat tropisch eiland zag ik wel voor me, Ruben Lo Choy met die kippen niet. Al ligt nu een grap over de womanizer voor de hand. Ik maak hem niet. Een vette knipoog slechts. Niet zo heel erg lang geleden nog vader geworden van een dochter, vernam ik. Hij zat in Colombia, in Medellin, en zijn partner was een Colombiaanse, is het laatste dat ik over hem hoorde. Je kunt hem koppelen aan Ajax, maar liever en eerder nog aan UVV. Het zijn deze twee clubs geweest waarin Ruben Leysner excelleerde van 1960 tot halverwege de jaren ’70. Bij UVV brak hij als landelijk bekende honkballer door, vanuit Utrecht ook werd hij international. De eerste A-international van UVV in 1960 vóór Kees Hiele (later in 1960, EK in Barcelona) en Rickey Kersout (1961/ eerste Haarlemse Honkbalweek op het Badmintonpad van HCK). Ruben Leysner: een legendarische gravelvreter. Voor mij jeugdsentiment. En niets zo mooi als dat, dat jeugdsentiment, in combinatie met de pen. Dat is schrijven net aquarelleren.

Ruben Leysner begon bij Donar in Hilversum, als ik me niet vergis. Daar in Hilversum werkte hij ook ergens op kantoor. Ik kan het me nog steeds niet voorstellen. Hij had niets van een klerk of iets dergelijks. Geen mens om een uur stil te zitten achter een levenloos bureau met hier en daar een paperclip. Hij was een paar jaar profbokser. Bokste hij ook niet in Hotel Krasnapolsky in Amsterdam? Hij werd voor zijn komst naar Nederland uitgeroepen tot de beste allround sportatleet van de Antillen. Hij keepte ondanks zijn geringe lengte niet onverdienstelijk bij voetbalclub ‘s Graveland. Blonk ook uit in tafeltennis. Een man van vele levens. Hij achter een bureau? Hij schijnt ook nog gestudeerd te hebben. Geen flauw idee waarin. Deed hij heel vroeger niet iets met telefonie? Ik dacht het wel. Ik heb het geweten, ik ben het vergeten.

Philips Telecommunicatie was het, Philips ja. Ik ben zo vrij: één van de allerbeste honkballers uit de clubgeschiedenis van Ajax en UVV. De volgorde draai ik vanuit enig chauvinisme om. Zijn dood valt samen met die van één van ‘s werelds beste voetballers ooit: Francisco ‘Paco’ Gento (88 geworden) van het sterrenteam van hagelwit Real Madrid met ook Di Stéfano, Puskás en Kopa. Maar mister Ruben Leysner. Over hém deze terugblik. Ik zag de Arubaan uit San Nicolas – want dat was het toch? San Nicolas? – voor het eerst bij UVV spelen in juni 1963. Een eeuwigheid geleden alweer. Het was tegen het als landskampioen onttroonde Schoten uit Haarlem op een zondagmiddag en Ruben stond korte stop. Razendsnel in zijn bewegingen. Aalvlug. Rende op alles af dat bewoog. Naast hem op het tweede honk zijn broer Vincent. Aan de andere kant, het derde honk, ook een Antilliaan, Gerald de Vries. De opstelling van UVV in die wedstrijd, die met 15-2 of 15-3 gewonnen werd, kan ik nu nog steeds opdreunen. Niet zo moeilijk eigenlijk ook. Want die platina zondagmiddag in juni 1963 deed me verslaafd raken aan honkbal. Met heroïne had ik het niet overleefd, zo hoog werd de dosis van deze honkbaljunk opgevoerd. De Amerikaanse luchtmachmilitairen uit die tijd bij UVV? Als ze een bal gooiden dan kwam de dranklucht van de vorige avond mee. De jaren dat ik de dope weghaalde op de Hoge Weide.

Wat een geweldige ambiance destijds met een paar duizend opgewonden toeschouwers in het gaas van de back-stop; wat een fantastische sfeer op sportpark Hoge Weide even voorbij de koffiebranders van Douwe Egberts de Hoge Brug over. Veel publiek, een speaker, muziek tussen de innings door, we luisterden naar Anneke Grönloh en Cliff Richard en Chubby Checker, Willeke Alberti zong al over Spiegelbeeld, het Engels als voertaal, steenkolen Engels vaak maar dat maakte niet uit, kauwgom, gympies, spijkerboeken, Cola, de naoorlogse jaren en Amerikaanse invloeden. De vliegbasis van Soesterberg was dichtbij. Daar kwamen onder meer de werpers Matthew Campbell en Haywood Meredith vandaan. Kenny Tynan ook. En de centrale outfielder Don Campbell, de witte Campbell, een boerenzoon uit Arizona of zo die in het buitenveld wel erg vaak op zijn snuit viel. Speelde op afgetrapte gympjes. Gleed er voortdurend mee onderuit. Met al die Campbells raak ik de draad een beetje kwijt. Het zijn er, geloof ik, vier geweest. De vliegbasis, een instituut voor UVV. Vaak beschreven en bezongen. Kees Hiele was er kind aan huis, net als de Canadese coach Les Myers. Die laatste was na de capitulatie van de Duitsers als bevrijder op een tank de gemeente Zeist binnengereden, en had er een meisje van de stoep geplukt, om er niet veel later mee te trouwen. Les Myers – schitterend vrijstaand huis aan de Kersbergenlaan 28 in Zeist – handelde in sigaretten en rookte als een schoorsteen, en Ruben Leysner was volgens mij één van de heel weinigen die dit voorbeeld van zijn coach niet volgde.


Trouwens, Leysner volgde wel meer voorbeelden niet, want hij was eigenwijs. Ruben Leysner was een publiekslieveling. Hij was gezichtsbepalend. Hij was gedreven en blonk overal in uit, ongeacht welke sport. Een uitstekende bokser ook, Curly K.O. Ook met dicht getimmerde ogen nog een bovengemiddeld goeie honkballer. Als hij bij dichte mist met een zonnebril op honkbalde, wist je precies hoe laat het was. Had hij op zijn flikker gekregen. Maar meestal won hij. In het lichtgewicht of wat het geweest mag zijn. Hij speelde in die tijd ook voor het Nederlands honkbalteam onder leiding van onder meer de Amerikanen Ron Fraser en Bill Arce. Bij Oranje was hij buitenvelder. Net als catcher Wim Crouwel van OVVO stond hij daar vooral opgesteld vanwege zijn slagkracht. Ze stonden links en rechts van wie anders dan Hamilton Richardson. Herinner me van een rechtstreekse televisie-uitzending een onnavolgbaar mooie vangbal van Ruben Leysner in het Nederlands team in het Pim Mulierstadion. Het zal in 1966 zijn geweest. Ruim achtduizend toeschouwers gingen uit hun dak. Aan die vangbal ging een spurt over tientallen meters vooraf. En Leysner kukelde met de bal in zijn handschoen nog bijna over het hek in het verlengde van het eerste honk. Een vol stadion gaf hem een staande ovatie. Zijn naam werd gescandeerd. De tv nog in zwart-wit. Ook toen nog zonder doventolk en zo. Vanaf 1964 speelde Ruben Leysner een aantal seizoenen voor Ajax aan de Kruislaan in de Watergraafsmeer. Het was het Ajax van de journalist Martin Bremer, ook bondssecretaris in die tijd. Het was het Ajax van Herre Kok, de broers Van Wijk, Boy Balinge, Ben Richardson, Dazzy Rasmijn, de tuinslang Rinchinsin, nooit in mijn leven zo’n magere kerel gezien, een zekere Isenia, en heel even neef Roley Wout die iets meer dan een maand geleden vlak voor zijn tachtigste overleed. Nu dus Ruben Leysner overleden, 87 geworden, een man die ik onherroepelijk als één van de eersten zou opnoemen voor mijn favoriete UVV-opstelling over een halve eeuw clubgeschiedenis. Ruben in mijn dreamteam. Net als Rickey Kersout, die andere catcher Bill Nardi, Roley Wout, Tom Stamer, Aldrick Victoria en Guillaume Campagnard. En Henk Heinen, symbool van clubliefde en humor. En ook Jos Kervers, wellicht, die later Ruben zou evenaren en die ook een vol Pim Mulier op de banken kreeg, maar dan met een beslissende stootslag uit het boekje tegen Japan.

Ach ja, de jaren ’60 en ’70 zijn in het koppie nog steeds niet voorbij. Kan me nog goed heugen dat nooit eerder en nooit erna een bij UVV vertrokken speler zo door het publiek is gejend en uitgescholden als Ruben Leysner in 1968. Ja, dat moet in 1968 zijn geweest, het jaar dat Ajax kampioen werd en terugkeerde in de hoofdklasse. UVV wist zich in 1968 ternauwernood in de eerste klasse te handhaven. Het was trouwens het jaar van de revolte, 1968. Studenten- en arbeidersprotesten, de Sorbonne in Parijs, rooie Danny Cohn-Bendit uit de Elzas die de opstand leidde, en in de muziek Homburg van Procal Harum als opvolger van A whiter shade of pale. Leysner was bij Ajax playing-coach. We mogen het best op één van de gekste wedstrijden uit de bewogen historie houden. Dát predicaat verdient het circus vol slaggeweld van toen. Ik overdrijf graag maar nu niet. Eigenlijk was het de wedstrijd van de Antilliaanse nachtmerrie Boy Balinge. Die zou nog heel lang als een spookrijder in mijn slaap verschijnen. Alle ballen die Balinge als overrijpe meloenen van Peter van der Ster, Harold Wout, Henk Heinen en alle andere wanhopige werpers van UVV kreeg toegegooid, verdwenen met een meedogenloze zwiep midden in de stad tegen de Domtoren aan. Of tegen die schoorsteenpijp van de Pegus waar een jaar eerder een kruitschip de lucht in vloog. Boy zou geen boy zijn geweest als hij niet alleen al in zijn uppie tien, twaalf punten binnensloeg die zondagmiddag. Ik geloof dat Ajax met 17-15 won. Zulke krankzinnige cijfers waren het. Het was om tureluurs van te worden. Maar ook Ajax worstelde met zijn werpers. Ene Hendriks, geloof ik, Peter Hendriks en Ben Richardson als kinderspeelgoed voor Stamer cum suis. Iedereen die nog niet was voorzien van een pijnlijke boosterarm kwam op de heuvel. Uiteindelijk moest Ruben Leysner er zelf aan geloven. We misdroegen ons verbaal langs de kant als nooit tevoren. We jouwden onze vroegere idool uit. Schorre kelen. Daar was geen bier voor nodig. En wat waren we dom. Want hoe meer vuiligheid wij als hooligans naar het hoofd van onze ex slingerden, maar ja 1968 en de universiteiten in de fik, universiteitsbestuurders die voor hun leven renden, Leuven ook, hoe meer shit naar hem uitgekraamd hoe meer Ruben Leysner in zijn element raakte. De man die heel ver ook wel iets Aziatisch in zich had , en lees nu zijn volledige voornaam op de rouwadvertentie , bleef stoïcijns, bleef als een oester, en was niet voor niets een goeie bekende van Johan Cruijff, Johan Neeskens en Sjakie Swart. Hij was even professioneel. En al even een topsporter.

Niemand heeft mij ooit op valse bescheidenheid kunnen betrappen. Vandaar maar schaamteloos dat ik een stevige rol heb gespeeld bij de terugkeer van Ruben naar UVV na een kleine tien jaar Ajax. In het bestuur van UVV een aantal mensen met een overduidelijke hang naar het verleden. Pa Jenken bijvoorbeeld. En de materiaalman Jan de Groot hield eveneens van nostalgie. Jan Kars ook. Mannen die in hun zakdoekje snoten bij de herinnering aan vroeger. Schatbewaarders van de geschiedenis. Niet alleen ikzelf dus, ook anderen. We wilden Ruben Leysner terug op de Hoge Weide. Zo bleven we ook het sportpark noemen, ook al was het intussen omgedoopt in Verthoren. Beter: J.C. Verthoren. Hoe moesten we het met Ruben Leysner aanpakken? Roley Wout erop afsturen had geen zin. Zijn broer Harold nog minder. Geen bevlogen praters die Ruben over UVV aan het huilen konden brengen. En wat had UVV zijn verloren zoon na al die tijd nog te bieden? We zouden hem coach maken en omdat hij nog steeds zo goed kon honkballen, zou hij zichzelf mogen inzetten als pinchhitter. Welja toch. Hij zou ook als reliefpitcher mogen fungeren. We maakten een aanvalsplan en hadden razendsnel zijn woonadres in Hilversum te pakken. In de wijk Kerkelanden naar Loosdrecht toe. Een hofje, Ruben woonde in een hofje, op nummer 12. Het was iets van Jasonhof, zo ongeveer. Janseniushof? Kan ook. Een doorzonwoning met tuintje voor en tuintje achter. Hoe ik dat zo goed weet? Omdat er iemand hondsbrutaal naar de familie Leysner in Hilversum moest om hem te ronselen. En de keus viel in het bestuur meteen op mij. Want ik deinsde in die tijd nergens voor terug. Ik ging vaker op strooptocht en spelersjacht en het binnenhalen van Ruben Leysner kan achteraf als één van de makkelijkste missies worden gezien.

Ruben had een heel sympathieke en charmante vrouw. Mooie vrouw ook. Daar mogen we niet onverschillig in zijn. Een Nederlandse. En ik herinner me één of twee kleine kinderen. Leefde Martin Bremer toen nog? Dat weet ik niet meer. Wel weet ik dat Ruben uitgekeken was op Ajax dat langzaam maar zeker nog maar één team over had. Hij raakte ook snel enthousiast als er namen vielen: die van Kees Hiele en Jan Kars, en van nog heel veel anderen. Ik noemde Ruben een bedrag waarvoor hij bij zijn oude liefde UVV kon komen coachen. Ik geloof dat het om 2500 gulden op jaarbasis ging. Wie moest hij opvolgen? Piet de Nieuwe, Wim van Sorge, Jan Janszen, Jan Dalmeyer? Behalve die laatste, Jan Dalmeyer, één van mijn favorieten door de jaren heen, geen van allen pottenbrekers. Herinner me de donderdagavond in 1973 (het kan ook 1972 zijn geweest) dat Ruben zijn handtekening in de bestuurskamer van het ronde futuristische UVV-paviljoen op de Hoge Weide kwam zetten. Op die donderdagavond was het altijd erg druk bij de tap en de bitterballen (Judith Santifort, Bram Brevet). De donderdagavonden waren dé clubavonden. Ruben kwam binnen en Line Klein, die aanvankelijk nog niet zo heel erg veel met Ruben had, geloofde haar eigen ogen niet. De lieve vrouw zag hoe de verloren zoon, ik herhaal dat maar even, de verloren zoon, met open armen en klapzoenen door de ouwe UVV-clan werd binnengehaald. Niemand die hem had verwacht, behalve dan het honkbalbestuur. Meer nog dan de honkballers waren het de voetballeden die Leysner in hun supportersarmen sloten. Stond er zelf ook van te kijken. Zó had ik het nou ook weer niet verwacht. Als gezegd, honkbalvoorzitster Line Klein wist niet wat haar overkwam en deed alsof Ruben een persoonlijk cadeau van haar aan de totale vereniging was. We gunden dit haar, net als wij haar de mentholsigaretten en knipperbollen met steeds meer sherry gunden. Er hing allure om Ruben Leysner. Daar stond een soort filmster. Klein snorretje, Sicilië, Fellini. De favoriete neef van een peetvader in een strak colbertje en op lak schoenen. Een man van de wereld. Een iconische figuur in een periode dat honkbal er nog toe deed. Kippenboer moest hij nog worden. Hij reed in een prachtige Citroën DS, een topmodel in die tijd. Alles hydroliek geregeld. Zal die auto’s van hem nooit meer vergeten. De ene DS volgde de andere op. De vergadering met Leysner liep bijna een uur vertraging op.

De volgende dag stond al in de Utrechtse kranten dat Ruben Leysner weer bij UVV was gesignaleerd en dat hij er vermoedelijk een functie had aangeboden gekregen. Bij Ajax viel dat verkeerd. Want omstreeks die tijd speelden beide clubs promotie-degradatie wedstrijden tegen elkaar. Ajax vertrouwde Ruben Leysner niet meer en stuurde hem met verlof. Hij werd zowaar geschorst. In die twee beslissende duels stond hij niet opgesteld. UVV had inmiddels inderdaad al een contract met hem. Veel van de rest kan worden nagelezen in de archieven. Ajax bleef met Marco Nagelkerken hoofdklasser. Tom Stamer vergooide de terugkeer naar de hoofdklasser met een slechte worp naar het eerste honk. De bal verdween in de grond om nooit teruggevonden te worden. Het gebeurde aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam. Ze lopen er nóg naar die onmogelijke bal van Stamer te zoeken. Die zondagavond spoelde ik met Ton Camue, Henny Jenken, Jos Kervers, Peter van der Ster en nog wat anderen de ellende van me af in onze basketballploeg. We speelden in honkbaloutfit. Het kon, het mocht. Ruben dus in 1973 terug bij UVV dat toen bestond uit Tom Stamer, Jan Dalmeyer, de broers Wout, Lem Briessen, Henk Heinen, Joop Maalsté en de luitjes van ons basketball-gezelligheidsteam in hesjes met Red Lions erop. Zo’n beetje de spelers die Leysner later weg wilden hebben. En wie daar vooral een stokje voor stak? Line Klein. Razend was ze. Ze was van de VVD en De Telegraaf  en Je kop houden jullie. Ze bleef ongelofelijk trouw aan Ruben Leysner. En toen hij na een aantal jaren toch aan vervanging toe was, zorgde ze er hoogst persoonlijk voor dat hij de softbaldames ging coachen. Mijn waardering voor Line heb ik nooit onder stoelen of banken gestoken. Ze had principes en beschaving. Al kon ze vloeken als een ketter. Of rook je als een ketter? Nou ze deed beide.

Na UVV keerde Ruben Leysner terug naar waar het allemaal begonnen was. Naar Hilversum, naar Donar dat volgens mij toen naar zijn sponsor Cuir 2000 of zoiets heette. Hij was kleurrijk. Zijn kwaliteiten als coach hebben we toentertijd wellicht een beetje overschat. Net als Arie Hagen en Roley Wout, zij als voorbeeld, honkbalde Ruben Leysner vooral op instinct. Hij kon het onvoldoende goed overbrengen. Maar tegelijkertijd was hij ook een strateeg. Boerenslimheid. Met wisselspelers communiceerde hij moeizaam. Daarentegen kon hij dat wel heel goed met secretaris Pa Jenken die hij ooit eens heel geheimzinnig een briefje in de hand stopte. Op dat briefje een telefoonnummer van een discotheek in Rotterdam – laat ik het maar op een discotheek houden – waar onze coach op vrijdagavond en zaterdagavond uitsmijter was. Voormalig bokser immers, Curly K.O. Pa Jenken kreeg het telefoonnummer, dat hij alleen met mij als wedstrijdsecretaris mocht delen, voor het geval er tijdens zijn diensten ergens op de stoep in Rotterdam snel honkbaloverleg noodzakelijk was. Over plotseling zieke spelers of zo. Volgens mij nooit, nooit hebben we Ruben van de stoep in Rotterdam hoeven plukken ‘s nachts. De degelijke Pa Jenken begon altijd te gniffelen als hij het briefje uit zijn broekzak haalde. Moet ook ineens terugdenken aan de wedstrijden der gladiatoren toentertijd tegen Dorlas Quick. Zowel in Utrecht als in Amersfoort drommen publiek tot achter de hekken van het buitenveld.

Latere generaties kunnen zich waarschijnlijk geen enkele voorstelling maken van het honkbal van toen. Voor boodschappen ging je naar winkels van UVV’ers. De kapper, meneer Van Amerongen, Vleutenseweg/ hoek Billitonkade, was van UVV. Onze verzekeringen liepen via Henk Konings van UVV. Het zit allemaal in mijn kalebas en soms moet het eruit. Zoals nu bij de dood van Ruben Leysner. Schrijven over jeugdsentiment is een geweldige bezigheid. Dat mag, nee dat moét, met adjectieven en superlatieven. Sport verlangt bombastiek. Ik kreeg het bij Het Parool met de paplepel ingegoten. Sport is beleving en verfijning. Aan Nico Scheepmaker kun je het niet meer vragen. Wel aan Henk Spaan, Mart Smeets, Hugo Borst, en zo kan ik nog tot het voorjaar doorgaan. Hugo Borst werd door zijn vader meegenomen naar Het Kasteel in Rotterdam en werd verliefd op Sparta en de pen. Alleen al zijn beschrijving van vijf minuten waarneming – klasse! Geen bic maar een kroontjespen. De oude, nooit vergeten, rots Tinus Bosselaar die was gaan dementeren en die door zijn zorgzame vrouw voor een plasje voetje voor voetje van de tribune van Sparta werd geholpen uit het zicht van de mensenmassa. Hij zou het eens in zijn broek doen. En dat dan ook nog eens op Spangen waar jarenlang zijn sportmacht had gelegen! Schitterend en met een knap staaltje sereniteit beschreven, elk stapje van Tinus die zijn dementie probeerde te camoufleren, en elke handbeweging van diens vrouw die aan zijn waardigheid dacht. Schrijven over jeugdsentiment. Ad van Liempt en Hans van Echteld over het vroegere DOS met Tonny van der Linden en Frans de Munck. Uit die tijd ook de herinneringen aan Ruben Leysner en de Hoge Weide.

Als de berichten juist zijn dan was Ruben al dik over de zeventig toen hij opnieuw, en bij god voor de hoeveelste keer, vader werd. Ruben verkende graag. Een IM over hem als nieuw blog tik je in een halfuur op. Het zegt veel over hem. Het is een compliment. Met Ruben Leysner, tijdens zijn tweede leven bij UVV gaandeweg een soort vriend, hoefde je je nooit te vervelen. Ik denk graag terug aan onze stapavonden. Het waren er niet heel veel, maar ze waren wel leuk. Nee, roddelnicht Albert Verlinde, hier hoef jij je neus niet in te steken. Het waren wat je noemt onschuldige stapavonden en bovendien zou het nog zeker acht jaar duren voordat ik Ellen leerde kennen. De laatste berichten waren dat Ruben Leysner in Colombia woonde. In Medellin. Die naam doet aan iemand anders denken, maar die deed in poeder, niet in kippen. Medellin. Gold eens een negatief reisadvies vanuit de VS voor. Levensgevaarlijke stad toen. Pablo Escobar. Verdere duiding overbodig. En zijn naamgenoot, de voetballer Escobar, die op een WK in eigen doel schoot, tegen Amerika, Colombia uitgeschakeld, en die bij terugkeer thuis in Medellin door een heethoofd op straat werd doodgeschoten. Een prachtig boek daarover verscheen een paar jaar geleden. Colombia waar deze dagen Ingrid Betancourt (voor enkele jaren ontvoerd door de Farc) zich weer meldde aan het politieke front. Leysner woonde er. En daarvoor zou hij terug zijn geweest op Aruba. Hij had vier kinderen van wie een dochter hier in Nederland een trimsalon voor honden heeft. Geen twijfel mogelijk: één van de allerbeste honkballers uit de clubgeschiedenis van UVV. En dat wil wat zeggen. Memorabel. Want UVV heeft sinds 1948 heel wat goeie honkballers op het gravel gebracht. Maar hij, Ruben Leysner, behoort zonder tegenspraak tot de negen besten. Met nog slechts een zeer vette knipoog Ruben!

UVV zette graag een trend. Zeker met Kees Hiele aan het roer. Het bracht een team in stelling met Antillianen, Amerikanen en Nederlanders. Plus een Canadese coach. Geen enkele club zo internationaal rond 1960 als UVV. Op de foto tussen de Leysner-broers de Amerikaan Don Campbell. Naast Vincent Leysner de pitcher Matthew Campbell, net als zijn achternaamgenoot van de vliegbasis Soesterberg. Voorste rij: Les Myers, Kees Hiele, Jan van Ewijk, Arie Hagen en Wim van der Ster. Matthew Campbell trainde in de achtertuin van zijn Canadese coach aan de Kersbergenlaan in Zeist. Lekker dichtbij Camp New Amsterdam in Huis ter Heide. Groot zat die tuin van de sigarettenboer.

****

Ha die Johan,

Bedankt vanuit Bali voor het in memoriam over Ruben Leysner. Ik kan me na dat ene jaar Ajax niet meer zoveel van hem en het team herinneren, wat heb jij toch een ijzersterk geheugen, maar wel dat hij een geweldige honkballer, en überhaupt sportman, was. Ik had al snel door dat ik mezelf niet voor de gek moest houden. Maurice, Roley en nu Ruben. We zijn op een leeftijd, ben inmiddels 70, dat we er hoe dan ook mee te maken krijgen. Ik heb alle Ajacieden de 1ste versie van je verhaal al toegestuurd, maar zal ze te kennen geven dat ze de update op je blog kunnen lezen. Ik lees hier ver weg je interessante verhalen en zal je advies opvolgen.

Groetjes aan jullie beide en een kusje voor je lieve Ellen.

Tot schrijfs. Hans Walraven.

****

Hallo Johan!

Weer een musketier uit de UVV-brigade die er niet meer is. Ruim een maand na het overlijden van Roley Wout nu zijn neef Ruben Leysner. Je hebt het prachtig verwoord. Fabelachtig geheugen ook. Bepaalde informatie kon ik checken met stukken in mijn plakboek. Op basis van honkbalvaardigheden zou Ruben ook in mijn top negen belanden. Aanvallend (slagman en honkloper) beter dan verdedigend. Ik was een broekie toen ik samen met hem speelde. Maar het leeftijdsverschil tussen hem en mij (meer dan tien jaar) gold natuurlijk ook naar Kees Hiele en Jan Kars. En een paar anderen. Was nooit een probleem. Ruben deed in het veld al aan coaching jegens mij. Hij als korte stop schreeuwde altijd naar welk honk ik als buitenvelder een bal moest gooien. Maar dat was feitelijk overbodig. Jan Kars had in zijn klasjes een en ander er al ingeramd.

De door jou genoemde wedstrijden waren inderdaad absurd. Korfbaluitslagen. Schoten (toen nog met playing-coach Henk Keulemans) en ex-landskampioen werd ingemaakt met 15-2. Gek genoeg had Ruben die wedstrijd geen honkslag. En in de bizarre nederlaag (18-15) tegen Ajax kwam Ruben bij Ajax als reliever op de heuvel. Toen UVV met 13-6 achterstond zette playing-coach Curly K.O. zichzelf in, als opvolger van Ben Richardson. Diezelfde Balinge (ik schreef toen voor Het Centrum, wist zijn voornaam niet en voorzag hem maar van de naam ‘Pancho’) redde in de laatste inning Ajax door over het verreveldhek een ‘zekere’ homerun van Wim van der Ster te verijdelen. Bij de stand 18-14 waren alle honken bezet. UVV bleef onderaan hangen en kon degradatie voorkomen door later zelf van HCTIW te winnen (na een grand slam homerun van Henk Heinen) én door de winst van ADO op Thamen.

Ik heb Ruben eenmaal met de door jou genoemde zonnebril zien spelen. Na een nederlaag als bokser. Het was een oefenwedstrijd tegen PSV in Eindhoven. April 1962. Op het door Philips betaalde ‘Amerikaanse’ honkbalveld met werpheuvel. En, verdraaid: met een dichtgeslagen oog sloeg Ruben de bal tweemaal over het verreveldhek.

Ik vraag me af of Ruben niet door Martin Bremer is weggekocht. Of ging hij weg omdat er truttige muziek van Anneke Grönloh en Willeke Alberti werd gespeeld? Een kleurrijk honkballer en persoon (of omgekeerd) is niet meer onder ons.

Beste groet, Jan van Ewijk.

****

Beste Johan:

Mooi artikel. Ik heb het met belangstelling gelezen. Ruben overleden, ik schrok wel even. Hij 87 geworden, ik ben nu 86, gisteren geworden. Samen met Ruben in het Nederlands team gespeeld, diverse wedstrijden. Barcelona bijvoorbeeld. Hij was toen van UVV. Ik speelde voor EDO (Ton Terneuzen, Doby Peters, Dolf de Zwart, Piet de Nieuwe, Teun van den Berg, mijn broer Jan, Henk Schijvenaar, Joop Odenthal) en later voor fusieclub Haarlem Nicols. Bij Nicols nog een jaar met Rickey Kersout. Wonnen we de Europa Cup. Je doet het verleden voor me herleven. Met EDO speelden we belangrijke wedstrijden voor 4000 toeschouwers. Dat kun je je tegenwoordig niet meer voorstellen. Ik kom niet meer bij het honkbal. Ik ga nog niet voor mijn verdriet op een tribune zitten tussen nog tien kijkers. Armoe. Ruben was een stille jongen in Oranje, maar als honkballer een enorme slimmerik. Fantastische speler. Ik las dat hij in de kippenbranche zat. Ik wreef mijn ogen uit. Moest daar wel een beetje om lachen. En ja, UVV in 1961 en 1963 toen wij in de hoofdklasse tegen ze speelden. Ik heb het opgezocht. Die jaren waren het. Gezellig was het in Utrecht, een heel gezellig veld, een echt Amerikaans veld met gravel, hadden wij nog niet, en wat een sfeer met fanatiek publiek. Wie die jaren heeft meegemaakt vindt zijn draai niet meer in het honkbal van nu. We hadden altijd de grootste moeite met UVV. Door mensen als Ruben. En die Amerikanen. Rickey Kersout is alweer jaren dood. Met zijn Ankie hebben mijn vrouw en ik nog altijd contact. Ik stuur jouw artikel over Ruben naar haar in Canada. Doe ik meteen. Bedankt voor je prachtige verhaal, hier houdt de oude garde van,

Leo Kops.

****

Hi Johan,

Schitterend verhaal weer. Mooi zoals je Ruben neerzet. Ik heb trouwens al je blogs over honkbal van de afgelopen vijf jaar geleden. Een feest! En heel aangrijpend vaak de blogs over je zieke Ellen. Ze laten me niet onberoerd. Ik geniet van je toegankelijke schrijfstijl. Veel groeten uit Amersfoort,

Rijk v.d. Bunt.

****

Johan