Bij het afscheid van Ellen. Het is de tegenwind die de vlieger doet stijgen. (Moni)

In het verpleeghuis aten we dikwijls samen met mevrouw Van Kethel. De freule Van Kethel. Vrolijk dement, dat was ze, vrolijk dement. Vroeg ze eens: ‘Hoe komt u toch aan die mooie vrouw?’ Verbaasd: ‘U stelt de verkeerde vraag. Die moet zijn: hoe komt die vrouw aan u?’ ‘Dat interesseert me niet.’ ‘Hoezo niet? En ik heb nog wel een nieuw T-shirt aan. Vandaag gekocht.’ ‘Waar vandaan?’ ‘Van hier vlak om de hoek, van Zeeman.’ ‘Dat bedoel ik nou.’

Genodigden voor de uitvaart van Ellen: haal je gezicht uit de plooi. Er mag een glimlach op. Er mag een lach opklinken. We zijn hier niet in de verdrietige onpersoonlijke aula van het bedompte crematorium. Die atmosfeer past ons niet. We zijn thuis. Wie zoveel blessuretijd werd vergund mag omzien in dankbaarheid. Laat alle onnodige plichtplegingen vallen. Ellen zou niet anders hebben gewild. Met elkaar hebben we van een loodzware tijd ook een bijzondere tijd mogen (en kunnen) maken.

Lieve mensen.

Het overkwam ons. De apocalips. Het was een rot streek. Spaak en wiel. Ze kreeg parkinson, er volgde nog Lewy Body. We legden ons er niet bij neer. We besloten te vechten voor elke meter grond die nog binnen ons bereik lag. Ik zou het een volgende keer, die er helaas niet is, weer net zo doen. Met dit verschil: ik zou mijn grote levensgeluk Ellen nóg eerder uit het verpleeghuis terug naar huis halen. Misschien wel helemaal geen verpleeghuis. Het verpleeghuis paste niet bij ons. Ik hier, Ellen elders, buiten onweer en windstoten, het was onverdraaglijk. Hier al mijn eerste loftuiting naar het zorgteam rond de lieve Ellen. De zorg voor Ellen was hoogwaardig. De bovenste plank.

Eigenlijk is Ellen hier nooit weggeweest. Ook niet in de periode van het verpleeghuis. Ze was elke dag vele uren hier thuis, zoveel uren zelfs dat de directrice van het verpleeghuis mij eens vroeg of ik de kamer niet wilde opzeggen, dan kon een ander daarvan gebruik maken. De wijze waarop dit afscheid plaatsheeft past het beste bij de manier waarop mijn liefste en ik met de twee aan elkaar gelieerde ziektes zijn omgegaan. De wereld werd kleiner, het bestaan niet. Oh nee, zeker niet. De regie over dat nieuwe bestaan kwam geleidelijk. Met vallen en opstaan, en weer vallen en weer opstaan. Het leven kreeg een extra dimensie. We vonden een weg naar De Panne, naar Zuid-Limburg, naar de Veluwe, naar Vlissingen, naar De Kim in Noordwijk aan Zee, we vonden een weg naar zorghotels. We maakten op de hotelkamer in Kerkrade een maaltijd van de Jumbo minder koud met jouw föhn. We haalden alles uit het andere leven. En dat alles in die ene auto van waaruit boeken ontstonden. Die sexy veelvuldig bezongen duivelin, straks de enige volgwagen. Onze auto. Nu die van Diana. Jarenlang pen en papier op het dashboard om meteen vaak guitige opmerkingen van Ellen te noteren. Want ik zou ze eens kwijt zijn. Die plek in de Fabia vanwaar Ellen overal naar toe werd gereden, die plek is straks de mijne. Ja, je kunt van blik, of wat het ook is, gaan houden. We gebruikten deze tuin voor etentjes en gezelligheid en vulden ons leven net zo in als vroeger, en toch anders. De structuur veranderde. Maar de beleving bleef.  Als meer dan een pleister, veel meer dan dat op een wond.

‘Ben ik dood?’

‘Nee, natuurlijk niet, want anders kon je me dat toch niet vragen Ellen?’

‘Ja dat is waar. Ben jij dan dood?’

Nee, want anders kwam onze Fabia geen meter vooruit. Je ziet toch dat we rijden, stapvoets in de file weliswaar.’

‘Geloof jij?’

‘Jij Ellen?

‘Nee, ik denk het niet, nee.’

‘Je hebt er anders vroeger heel veel over gezongen bij het Leger des Heils, met tamboerijn nog wel.’

‘Dat was toen.’

Dromerig kijkt ze voor zich uit. En ondertussen worstelt de Fabia zich over de Hoge Brug bij de Douwe Egberts Utrecht binnen en ploegen de ruitenwissers zich naar een vroegtijdige slijtage.

Als de Fabia eens kon vertellen. De Fabia vertelde. Die klapte zelfs uit de school. Boeken vol anekdotes. Pen en papier altijd paraat op het dashboard.

Ik zag haar staan aan de rand van het honkbalveld waar ik een team stond te trainen. Een hinde. Wapperende manen. Een vrouw met make up en op pumps. Begerige blikken op de club in haar richting. Ik leerde haar kennen. Ik was bang voor haar, werkelijk bang. Want terwijl ik me van weinig mensen iets aantrok, hechtte ik ongelofelijk veel aan haar oordeel. Dat oordeel was maar al te vaak een gesel. Ze woonde toen nog met Frits. Een paar jaar was ik hun huisvriend. Keurige mensen, ik was dat niet. In die zin: ik rookte sigaren, dronk whisky, schoor me als ik zin had, en vaak had ik geen zin, had laarzen die ik hooguit poetste onder mijn broekspijpen. Wat je niet zag dat was er niet. Zo ongeveer. Ik had geen wasmachine. Ik zat één keer in de veertien dagen in Oog-in-Al, Beethovenplein als ik me niet vergis, in een broeierige wasserette tegenover zo’n opgewonden ronddraaiende schreeuwlelijk. En ik las daar de Story, Privé en andere loslippige pulpjes. Wat Het Parool destijds op het idee bracht mij misschien te lanceren als de equivalent van Henk van der Meijden uit De Telegraaf. Cees van Nieuwenhuizen begon erover. U moet weten: Het Parool begon noodlijdend te worden, De Telegraaf was Amsterdam geheel aan het veroveren.

Ellen bood aan mijn honkbalkleren te gaan wassen na elke verloren wedstrijd. Want we verloren veel in die tijd. En als we wonnen mocht ik ook een overhemd bij haar inleveren. Ellen kocht cadeautjes voor me toen we alleen nog maar bevriend waren. Een pan en een koffiepot van hotelporselein uit De Bijenkorf, hun waarde is voor mij nog groter geworden dan tot voor kort, en toen betekenden ze al heel veel voor mij. Successievelijk bracht Ellen accenten in mijn leven aan. We waren nog slechts vrienden, maar wel dikke vrienden. Ik ging verhuizen naar een flatje aan de Amstel in Amstelveen. Want dat moest als politieverslaggever voor Het Parool. Samen sausden we op een woensdagmiddag een muur in mijn nieuwe appartementje. Ik werd zo zenuwachtig van die spetter dat ik bij het afdalen van het keukentrapje met mijn blote voet, ik weet nog welke, in de emmer met verf stapte. Of ik niet beter even kon douchen. Was dat de hint? Ik wilde een vrouw zoals zij, nooit wetende dat het die vrouw zélf zou worden. Dat was moeilijk. Want we wilden Frits geen pijn doen. In Parma in Italië, we werden samen benoemd tot erelid van de Europa Cup-houder, was het raak. Naar buiten toe was ik de bravoure. Ik zocht Bach en Beethoven, vóór dat ik jou kende Ellen, tevergeefs in de opstelling van Feyenoord. Onze beste vrienden wisten hoe het werkelijk zat. Ik de bravoure – maar jij Ellen had de broek aan, de broek waarmee ik overigens niet naar de wasserette in Oog-in-Al hoefde. Je leerde mij wat belangrijk is in het leven. Je leerde mij consideratie te hebben met mijn manisch-depressieve moeder. Het zijn veertig geweldige jaren geweest. Ook de jaren van ziekte. Mede door dit huis, door deze tuin die weer tot wasdom komt. Daarom nergens anders dan hier het afscheid, tussen het eigen gebladerte, in het ons zo vertrouwde decor.

Wie Het Einde Der eenzaamheid van Benedict Wells gelezen heeft, kent de pagina waarop de twee kleine drommels van de hoofdpersoon nog één keer bij hun moeder in bed kruipen voor een laatste warmtegloed. Hier, lieve mensen, kwam na twintig jaar onze verloren schoondochter Geeta op blote voeten binnen en kroop binnen enkele seconden bij Ellen in bed, verborg haar gezicht in de oksel van Ellen, en huilde het hoofdkussen nat. Hier is altijd sprake geweest van liefde en werden stormen doorstaan die ook aan ons niet voorbij zijn gegaan. Ik heb zo ongelofelijk veel van Ellen gehouden. Zo ongelofelijk veel. Onbaatzuchtig veel.  En zonder ook maar iemand tekort te willen doen, richt ik me thans tot Diana. Wie anders. En tot haar familie. En weer tot Diana. Als zij er de voorbije jaren eens niet was geweest. Het was dan zonder meer heel anders gelopen. Diana was ons een zegen. Dat ons dit heeft mogen overkomen, fantastisch, werkelijk fantastisch.

Ellen en ik woonden een jaar samen in ons luciferdoosje aan de Amstel in Amstelveen. Ze wilde nog één keer moeder worden, Ellen, van een kind van mij, van een dochter die al een naam had. Het proces om mij wat beschaafder te maken was immers voltooid. Maar Ellen kon niet meer zwanger worden. De vernielzuchtige jaren ’70 van B2-blokken en Bredero waren ook daarin te rigoureus. Wil je me nog wel, vroeg ze, met naast zich de arts van het Diaconessenhuis. Wat een vraag. Ellen kreeg 35 jaar later toch een dochter. Op 1 november 2016. Haar naam: Diana. Samen tilden we Ellen gister nog één keer op, Diana en ik. Samen legden we haar in de kist. Samen sloten we de kist. En van buiten het vogelgekwetter. Een weergaloos goede verzorgende ben je, Diana. Zonder diploma’s. Maar weet, ook Cruijff had er geen. Goede wijn behoeft niet de krans van een diploma. Je bent naturel cum laude. Nu tijd om naar je biologische moeder in Hamburg te gaan. Mede door de coronacrisis heb je haar de afgelopen jaren veel te weinig gezien. En ook vanwege jouw tomeloze toewijding aan Ellen en mij. Ga nu naar Hamburg. Maar niet alleen in de auto alsjeblieft. Beloofd? Ik regel een vliegticket. Nu draaien we de rollen om en zorg ik voor jou.

Ik heb veel geschreven, 400 blogs in de afgelopen 6 jaar. Een paar boeken ook. Ze legden een heel flinterdun laagje vernis over mijn pijnlijke onmacht de strijd tegen parkinson niet te rekken maar te winnen. Ze hadden eigenlijk maar één heimelijk doel. Hopelijk zullen onze twee kleindochters ooit beseffen wat een geweldige oma ze hadden, prachtig mooi in alles. En misschien zullen ze ooit ook zeggen: ‘Dank je wel opa voor wat je allemaal voor oma deed. Je was haar veiligheid en geborgenheid, ook voordat ze ziek werd. Ze kon niet zonder je.’ Ik zou het trouwens allemaal zo weer willen doen.

Ellen mijn muze, mijn soulmate. Ellen, ineens stond je met je koffertje bij me aan de Amstel, op een vrijdagavond, begin mei, veertig jaar geleden. Ik schrok me rot van al die potjes nagellak die je bij je had. Je stierf in mijn armen, met mijn oor tegen je mond hoorde ik je wegglijden, we gaven elkaar nog één, nog één allerlaatste onvergetelijke kus. Het was eigenlijk een geluksmoment. We moesten elkaar loslaten. Liefde is ook loslaten als je uit gestreden bent. En we waren dat. Allebei. We konden beiden niet meer. Vanuit de tuin de stilte met enkele vogelgeluiden. Serene rust. Zachtjes ruisende boomtoppen. Dank voor de glans die je mijn leven gaf, en ook aan het leven van zoveel anderen als hier om je heen. Je was mijn kompas. Je zult dat blijven. Voor eeuwig. We waren elkaars anker.

Dankjewel voor je liefde Ellen, Johan, je Jopie.

Johan