
Of de Syrische vluchteling zo vriendelijk zou willen zijn een stap opzij te doen, vraagt de zonnebadende Britse vrouw hem op het strand van Zuid-Engeland. De Syrische vluchteling staat in HAAR licht …
De vluchteling gehoorzaamt gedwee. Later die dag gaat hij met een brief naar de huisartsprakrijk in de Engelse badplaats. Hij gaat er heen voor zijn vrouw, blind geworden bij een bombardement in Aleppo. Het wordt erger en erger met haar. Geestelijk vooral. Apathie. Als hij eindelijk na heel lang wachten aan de beurt is, krijgt hij te horen dat het adres van zijn tijdelijk pensioen in de brief ontbreekt. ‘Maar dat adres kan ik u zo wel geven.’ ‘Nee’, zegt het secreet aan de balie’, ‘dat is tegen ons beleid, u zult met een nieuwe brief moeten terugkomen.’ De Syriër is voor even buiten westen. Zijn vrouw, hij, afgescheept door de bureaucratie die geen genade en mededogen kent. Zo maar een paar zinnen uit een indrukwekkend roman. Voor menigeen in Nederland een mooi geschenk in eigen kring met Valentijnsdag.
Het is maar een heel dun laagje dat wij beschaving noemen.
Geen enkel boek bracht me tot dusver zó dicht bij de Ellen van de afgelopen jaren als ‘De bijenhouder van Aleppo’. In de ruim 330 pagina’s tellende paperback schetst de Britse schrijfster Christy Lefteri, in 2016 en 2017 als vrijwilliger bij de vluchtelingenopvang in Athene, op meesterlijke wijze de hartverscheurende sprong van een getraumatiseerd echtpaar in het duister. Een sprong vanuit de hel op aarde; van de smeulende puinresten van de door genocide getroffen Syrische stad Aleppo naar het veilige Groot-Brittannië. Een sprong in de spreekwoordelijke afgrond in feite vol verlies, maar ook vol liefde, veerkracht en hoop. Afra is blind en volledig afhankelijk, maar dan ook volledig afhankelijk in alles, van haar man, de imker Nuri. Beiden dragen een onverteerbaar groot verdriet met zich mee. Hun enige zoontje Sami is omgekomen bij één van de vele bombardementen met drones in het voorheen zo trotse Aleppo, het economische hart van weleer van Syrië. Natuurlijk zijn de omstandigheden niet met elkaar te vergelijken, natuurlijk niet, maar toch. Het is de onverbrekelijke trouw aan elkaar, de levensovertuiging.
Ik voel de hartslag van Nuri. Ik voel hem op elke bladzijde. Ik voel de warme hand van Afra die langs het gezicht van Nuri strijkt. Het is de afhankelijkheid, de volledige overgave van Afra aan Nuri, het vertrouwen in hem, de berusting dat slechts verder leven nog kan met vertrouwen in de partner, en dat alles ongewis blijft. Zelden stond ik in mijn bibliotheek voor de rij boeken die ik schreef over het, sámen met Ellen, sámen met haar, omgaan met haar ziekte die onvermijdelijk zou lijden tot haar dood. Met ‘De bijenhouder van Aleppo’ in de ene hand streel ik met de andere hand de titels van mijn boeken over mijn laatste tien jaar met Ellen en druk ik een kus op ‘Dankjewel voor je liefde’ welke de zieke Ellen tegen mij haast bedremmeld uitsprak. En met welke woorden de op de vlucht uit Syrië aan de hand meegevoerde blinde Afra haar man Nuri eveneens de facto decoreerde. Nuri brak en kreeg tegelijkertijd een stroomstoot aan nieuwe energie. Zoals dat ook voor mij gold bij dat ‘Dankjewel’ van Ellen, en ik wist dat ik over elke toren zou kunnen blijven springen. Voor haar, ja voor haar, al was het de Dom in Utrecht.
Vluchten, de verhalen erover benemen je de adem. Dat was al zo in 1989 als reporter voor Het Parool in Zanka aan het Ballatonmeer in Hongarije waar vluchtelingen uit het op zijn laatste benen lopende DDR verzameld waren. Het had iets sinisters. Maar naar het heden. Ik ken een vrouw die jaren geleden uit vrees voor de Taliban in boerka met twee hummeltjes aan de hand Afghanistan ontvluchtte en die via allerlei omwegen en slingerwegen en op millimeters langs ravijnen in Oezbekistan en Tadjikistan dwars door het zomerse bloedhete Rusland moest met voor alle drie één flesje lauw water. De kinderen kregen ieder een flesje. Het derde werd bewaard voor later, voor de twee peuters, een meisje en een jongentje. Moeder bewaarde haar flesje water voor de kinderen. Had deze vrouw het verdiend om tenslotte in de val te lopen en op te botsen tegen een VVD-hek aan de randen van de Europese Unie?! We hebben het in Buitenhof een doorgewinterde VVD’er overduidelijk horen zeggen. Is het leven van die vrouw en haar kinderen niet even waardevol als het leven van die neoliberaal wiens gladde praatjes door correspondente Step Vaessen gelukkig werden doorgeprikt met argumenten en onderbouwing van die argumenten resulterend in conclusies over de tentenkampen in Griekenland van een ooggetuige? Ik ken een Afghaanse, een arts, die op haar vlucht werd gesnapt en werd teruggebracht naar waar ze vandaan kwam. Kon ze weer gaan sparen voor een mensensmokkelaar en kon ze het allemaal opnieuw proberen. Ze kwam uiteindelijk uitgeput, berooid en op blote voeten aan de poort van Ter Apel. Had ze vooraf op een hek van de EU moeten stuiten, zoals de VVD’er ijspegelig bij Buitenhof uit misselijk makend electoraal belang zat te oreren? Als de rollen nu eens omgedraaid waren?
Zoals ook zijn dooddoener van opvang in de eigen regio? Zie die regio thans na een paar aardbevingen en hoe de Syriërs zich uit die nieuwe ellende moeten zien te redden. Op een God hoeven we niet te vertrouwen, dat zijn sprookjes, ouderwetse drugs voor domme wezens, we zullen het zelf moeten doen. Niet ‘ze’ maar ‘zij en wij’. Humanitair kan het er niet erger. De duvel schijt altijd waar niks is. Wat wordt er zondag door de dominee vanaf de kansel geroepen? Hopelijk dit: “Onverbeterlijk naïeve gelovigen ga terug naar huis, u verdoet uw tijd hier in de kerk.” Ik geef les in de Nederlandse taal aan iemand van wie de tante bij een oversteek te water ging zonder te kunnen zwemmen. Het moést, commandeerde de smokkelaar. Haar eigen kinderen spartelden zich naar de overkant met een volgende tussenstop in de vluchtpoging. Maar hun moeder verdronk. Voor de ogen van haar kinderen. Welk recht hebben wij als lidstaten van de EU om een hek of een betonnen muur om ons territorium te plaatsen? Daar komen alle mensenrechtenorganisaties terecht tegen in het geweer. Het verhaal Mais, de peuter van drie die op de vlucht uit Koerdisch Syrië haar ouders verloor, en gelukkig in haar broekzak een briefje had met naam en adres van haar opa en oma op de Veluwe, ze werd er als het ware door Post.nl middenin de nacht als een levend pakketje afgeleverd. Drie jaar nog maar en alleen naar Nederland. Kippenvel. Dát zijn de verhalen die het woord hek een misdadige connotatie geven. Een menswaardig bestaan in vrijheid behoort eenieder toe te komen, niet alleen onszelf. Kunnen we het vluchtelingenvraagstuk niet aan dan zetten we nog maar een tandje bij. Elke gemeente in Nederland een behoorlijk aandeel in de opvang, een groot aandeel zelfs, en wel meteen, zonder verder gezever, op straffe van flinke sancties. Desnoods gijzeling van een compleet gemeentebestuur. We zijn mede schuldig aan bijvoorbeeld de beelden die Thomas Erdbrink deze weken vanuit Afghanistan laat zien in de bloedstollende serie ‘Onze man bij de Taliban’. We liepen braaf en lafhartig achter Biden aan. We gaven Afghanistan terug aan bandieten die we daarvoor bestreden. We zijn medeplichtig aan wat vrouwen en meisjes in Afghanistan nu wordt aangedaan.
Het is maar een heel dun laagje dat wij beschaving noemen.
De zwaar getraumatiseerde imker van Aleppo, hij ziet meeuwen voor gevechtsvliegtuigen aan, duikt ook buiten Syrië voor bombardementen weg die er niet zijn, heeft nog maar één doel voor ogen: zijn neef en zakenpartner Mustafa terugvinden die Groot-Brittannië wist te bereiken en die daar weer is begonnen met het houden van bijen. Want waar bijen zijn, zijn bloemen. En waar bloemen zijn, is nieuw leven. En waar nieuw leven is, is hoop. En hoop vergroot de weerstand. De Britse krant The Guardian vergeleek het boek ‘De bijenhouder van Aleppo’ met ‘De vliegeraar’ over de Hazara in Afghanistan en met ‘De tatoeëerder van Auschwitz’. Dit boek verdient het in lovende woorden te zijn ontvangen. Ook zo’n juweeltje al is dit in dit verband een ongelukkig gekozen woord. The Guardian recenseerde het boek van Lefteri als een vurig pleidooi voor medemenselijkheid dat mogelijk zelfs de lezer inspireert. Medemenselijkheid met de zwaarst getroffenen in deze wereld. Niet weten of je over een kwartier nog leeft, laat staan over een uur, volledig overgeleverd zijn aan…, aan wat eigenlijk?, een tocht naar de vrijheid, een leven zonder angst en tralies, die op de meest indringende wijze door Christy Lefteri in ‘De bijenhouder van Aleppo’ over het voetlicht wordt gebracht. In de duisternis vat Nuri moed. ‘Deze roman opent je de ogen’, recenseert Heather Morris, auteur van ‘De tatoeëerder van Auschwitz’. Inderdaad: bewustwording, en deze voortreffelijke roman zou eigenlijk op het nachtkastje moeten liggen van elke VVD’er en eenieder nog rechtser van die partij. Je kunt je ogen wel sluiten, je kunt wel over muren en hekken beginnen, maar mensen die niets meer te verliezen hebben, die zich in de apocalyps Aleppo bevinden met vele duizenden en nog eens duizenden doden op het wegdek en de trottoirs in de straten, lijken in ontbinding die er blijven liggen vanwege de sluipschutters, die overlevenden van de hel lopen met de wanhoop in hun ogen als het moet dwars door het beton van een muur of dwars door prikkeldraad om aan gene zijde in het Beloofde Land desnoods dood te bloeden.
‘De smokkelaar wuifde ons naderbij en we schuifelden naar de vloedlijn. Eén voor één klommen we met zwemvest in het deinende rubber bootje. Het jongetje Mohammed, dat alleen de vluchtpoging ondernam, waar waren zijn ouders?, kroop dicht tegen me aan. Hij zei dat we misschien wel dood gingen, ik beaamde dat. Afra had nog altijd geen woord gezegd, geen lettergreep was over haar lippen gerold, maar ik voelde haar angst. Haar ziel was nu even donker als de hemel, even rusteloos als de zee. De smokkelaar beval ons de telefoons en zaklantaarns uit te doen. De buitenboordmotor werd gestart, het rubber kreunde op de golven. Het valt mee, hoorde ik een kind zeggen. Er klonk triomf in het stemmetje van het kleine meisje. “Ssst!”, siste haar moeder. Een man begon een koranvers te reciteren. Ik stak een hand in het water en hield hem daar. Ik voelde het ruisen van de zee, ik voelde levenskracht, en ook de toenemende kou naarmate we verder van de kust verwijderd raakten. Mijn andere hand legde ik op de arm van Afra, maar zij reageerde niet. Het jongetje Mohammed, zeven nog maar, begon te klappertanden. Hij mompelde dat we nog steeds niet in het water waren gevallen. Mohammed klaagde over natte voeten, ikzelf ook. Ik staarde de donkerte in. Was dit wat Afra elke dag zag, de afwezigheid van contouren en vormen? Het meisje begon te huilen. Sttt!, commandeerde haar moeder. Plots was het een moment volslagen donker. De snijdende kou voelden we al niet eens meer. Ineens was Mohammed weg. Ik speurde het wateroppervlak af, de zwarte golven, zo ver mijn oog reikte, en toen, zonder erbij na te denken, sprong ik erin. Ik zwom rond, deed mijn zaklantaarn aan, schreeuwde om Mohammed. Ik bleef onder water zolang ik kon. Toen ik geen zuurstof meer in mijn longen had, toen de dood aan me begon te trekken, worstelde ik me naar de oppervlakte. En in een vlaag zag ik dat een man Mohammed vasthield en in het bootje hees. We naderden de Griekse kust. Ik hoorde mijn naam roepen. En weer, en weer, en steeds maar weer mijn naam. Ik zag sterren boven me en Afra’s gezicht. “Oom Nuri, oom Nuri, een schip, er komt een schip aan.” Mijn zwemvest was langzaam leeggelopen, maar ik trapte met mijn benen om mijn hoofd boven water te houden. In de verte naderde een helder licht en ik huilde diep van binnen met een blik op Afra.’
‘De bijenhouder van Aleppo’ is prachtig geschreven, meeslepend, een pageturner. Geen chronologie maar flashbacks. De opzet van de bundel is schitterend gekozen. Indringende dialogen en observaties. Uiteengereten families in de tentenkampen. Drugshandel in de kampen op Lesbos waar het naar urine ruikt en naar stinkende ontreddering, verontmenselijking, en de prostitutie welig tiert. Nog een stap verder: orgaanhandel. De verleiding is groot veel van de inhoud te verklappen, ik doe het niet. Maar toch nog dit: Nuri vraagt Afra of ze mee gaat een wandelingetje maken naar het stand in Zuid-Engeland. Ze reageert niet. Dat verlies van communicatie, het breekt hem telkenmale. Dan maar alleen. Hij ziet de attracties verderop op de pier. Hij beseft dat de muziek hier op de boulevard vierentwintig uur per dag klinkt. “Pardon”, hoor ik iemand achter me zeggen. Ik draai me om en zie een vrouw in een strandstoel fronsen. Haar huid is zo bruin dat het lijkt alsof ze op de zandvlaktes van Syrië heeft liggen bakken. “Zou u zo vriendelijk willen zijn niet in mijn licht te gaan staan? Dank u wel!” Ze bedankt me nog vóór ik een stap heb verzet.’
Het is maar een heel dun laagje dat wij beschaving noemen.