Voor Ellen een middagje blues in Houten

20191007_112929_resized

Je voelde de energie het lichaam binnenstromen. Als het op drift geraakte water dat de uiterwaarden overspoelde en verzwolg. Geweldige zondag 6 oktober. Een memorabele. Het zat in alles mee. En zie de foto’s. Ook de maandag erop bleef Ellen bij de pinken. Op haar manier dan, maar ze was en bleef alert. We blijven boekstaven. We blijven de chroniqueur. Ellen als het vrolijke middelpunt ’s middags om één uur bij de aftrap in Houten van het jaarlijkse ‘Gluren bij de Buren’. Verzorgende Trudy en haar man Norbert die voor het zesde achtereenvolgende jaar hun huis hadden opengesteld. Met in de woonkamer steeds voor drie kwartier en voor nieuwe bezoekers (aanwaaiers) een bluesband. Een band die een sfeer opriep die deed denken aan het favoriete tv-programma Veronica Inside en zijn muzikale omlijsting. Back to the sixties en seventies. Alles kon en alles mocht. Zou het te doen zijn met Ellen in een overvolle huiskamer, met veel geroezemoes, en op een geïmproviseerd podium vijf muzikanten die zo leken weggelopen uit de zestiger jaren? Ellen trommelde heel voorzichtig mee met de muziek. Ze was relaxed. Buiten regende het. En niet zo zuinig ook. Van die regen waar je zeiknat van wordt. Buiten zorgde die regen op de zondagmiddag voor negentig kilometer file in ons land. Aanrijdingen en omleidingen, meldde de radio. De nieuwslezer voegde eraan toe dat veel automobilisten hun dag niet hadden. Buiten droop later Feyenoord als een onbeholpen drenkeling zonder zwemdiploma af na tweemaal drie kwartier in Geleen onder een koude douche te hebben gestaan. Het was een feest met die bluesband. Ellen zat het eerste optreden van de hippies uit en maakte zich gereed voor het tweede. Waarom ook niet! Een zondag om in de annalen bij te schrijven, met een kroontjespen nog wel! ‘Blijf, blijf toch alsjeblieft, Ellen is in haar element’, moedigde Trudy aan. ‘Nou nog even dan.’ Altijd denk je op zulke momenten aan prikkels én een teveel aan prikkels én de gevolgen. Maar nee. Nog maar een kop koffie, en welja, nog maar een broodje kaas. De Javaan met het kunstige sikje aan de gitaar leek zo weggelopen uit een reclamefolder voor een sprookjesboek. We dachten aan Bandoeng, trassi en tuinvuurtjes van sprokkelhout. Hij zou ook het boegbeeld kunnen zijn voor de zware shag van Javaanse Jongens. Alles aan hem en de rest van het stel kwam overeen met Derksen en Gijp op de maandag- en vrijdagavond. Veronica Inside: het favoriete programma van ook een fijnproever als Joop v.d. Ende. Die slaat veel op de tv over maar Gijp en Derksen zelden of nooit, zoals hij in een interview vertelde. Het is een hele kunst om wildvreemden voor je deur van hun elektrische fiets te zien stappen, naar binnen te zien komen, soms zonder gedag te zeggen, doorweekte poncho’s eigener beweging aan je kapstok te zien hangen en op je meubilair te zien neerploffen. Goeie god nog aan toe zeg. Ik doe het Trudy en Norbert niet na. De middag in Houten gaf een stroomstoot. Later in de middag in ons eigen huis bezoek van Wil voor een borrel. En later ook Charles die binnenliep. Hij had de NRC uit. Hoopte maar niet dat ze naar de wc hoefden met die onlangs zo fraai wit geschilderde trap. Zouden we met deelname aan ‘Gluren bij de Buren’ na krap een week de trap opnieuw hebben moeten schilderen? Opnieuw door die invasie van wildvreemde passanten? Het idee al. Wil kwam ditmaal in feite therapeutisch borrelen. Een glas rode wijn als medicijn. Wijn als antidepressiva. Een daarna nog een glas. Vooruit, nog een bodempje wit om het af te leren. Na tien maanden wachten kwamen ze in haar nieuwe appartement eindelijk na veel soesa het zonnescherm ophangen. Wil legde Charles uit wat er allemaal was misgegaan. Toen Charles aan zijn derde glas Argentijnse chardonnay begon was Wil nog lang niet aan het einde van haar griezelverhaal. ‘Moet je horen Charles!’ Ze hadden bij Wil voor het ophangen van het zonnescherm verkeerd geboord en de schat had de boor dwars door haar jaloezieën de woonkamer zien binnenkomen. Ze had zich bij de KNO-arts gewaand met vlak langs haar oor een boor. Waar behang had gezeten zat nu geen behang meer. Het zonnescherm lag ook zondag 6 oktober doorweekt te verpieteren op het balkon waar het al een eeuwigheid had liggen wachten op een vakman. Waarschijnlijk is het zonnescherm naar de haaien. Op z’n minst ziet het eruit als een beschimmeld stokbrood. Als er toch eens géén rode wijn bestond en een brandende kaars voor haar pijnlijke ziel, zag je Wil denken. Onze macaroni sloeg ze af. In haar appartement wachtten de twee katten en iets van een prutje dat uit de vriezer was gehaald. Mooie zondag 6 oktober. En het bleef maar regenen. Teveel prikkels voor Ellen? Want ook Elly Wolf schoof nog even aan. Maar nee, Ellen leek zich te amuseren. Las zo-even een interview met de vrouw van Rob de Nijs. Een verhaal over de ziekte van Parkinson die bij de zanger is geconstateerd. Eigenlijk was het al een jaar mis met de zanger maar ze kregen er de vinger niet achter. En misschien wilden ze het diep in hun hart ook niet. Hoe herkenbaar. Je denkt ook niet meteen aan het ergste. Mevrouw De Nijs zei dat ze er maar het beste van hoopte. Ze had geen idee hoe de ziekte zich bij haar man zou gaan ontwikkelen. Gewoon proberen door te leven. Maar het trillen werd erger. Niet alleen meer de handen. Ook de benen inmiddels. Het hoofd schuins. Het lopen ging moeizamer. Hoe herkenbaar allemaal. In het nieuws mevrouw Krikke. Onder haar bezielende bestuurlijke leiding was Scheveningen er bijna niet meer geweest. Dat is ook saneren. Met de brandstapel. Wat nu met mevrouw Krikke? Werkloos thuis, de zoveelste VVD’er die steun trekt, of straks burgemeester in een Limburgse gemeente waar het één groot vreugdevuur zónder vergunningen maar mét de harmonie is het hele jaar door – wat nu? ‘Gluren bij de Buren’ gaf nieuwe energie. Nooit verwacht dat Ellen zich zo goed zou manifesteren. Getwijfeld of het wel verstandig was haar mee te nemen naar die bluesband. Daar kun je ’s nachts even over liggen piekeren. Doen of niet doen? Zo zie je maar weer. Met dank aan Trudy, Norbert, hun zoon Max, die drie vooral, maar ook met dank aan Wil, Charles, Elly en bovendien onze nieuwe jonge buurman Niels. Hij hield door zijn luxaflex de Skoda in de gaten en assisteerde bij de terugkeer thuis op straat, zodat Ellen niet onverhoeds in een plas zou geraken, maar veilig vanuit de auto in de rolstoel landde. Twee uur blues in Houten: voor ons net zo’n oppepper als de rode wijn voor Wil met haar hoofdpijndossier ‘Zonnescherm’. De energie die het vermoeide lijf binnenstroomde! Die energie kon worden vergeleken met het kolkende water dat in razend tempo over de uitgestrekte uiterwaarden meanderde en die deed onderlopen. Een middag die onwillekeurig ook deed terugdenken aan de jaren negentig. De Betuwe. Tiel en nog verder richting de Waal. Herwijnen en hoe heet het daar allemaal. Op reportage voor de krant. Noodweer. Bomen die al snel tot aan hun kruin in het wassende water geraakten. Boerderijen die werden ontruimd. Evacuaties. Kerktorens als vage staketsels en muisstille getuigen tegen een sinister decor van samengepakte pikzwarte dreigende wolken. Waar kwam al die energie, die we natuurgeweld noemen, toch zo plots vandaan? En zelf nog net op tijd naar huis kunnen komen via een paar landweggetjes over de dijk. En me voortdurend klem rijden. Mobieltjes bestonden toen nog niet. Aardedonker was het. Onheilspellend. Als een inferno. Apocalyptisch. Alfred Hitchcock. Het ging maar net goed. Een angstige echtgenote rond middernacht aan de voordeur. Het zijn beelden die terugkeren in een weekend waarin het geen moment droog werd. Het is de herinnering. Het is in retrospectief. Thuiskomen en daar de warmte. Een mens is geen solist. Het kwam weer boven in het kletsnatte weekend met de bluesband. Wat delen we toch een hoop belevenissen Ellen! En nu ook die van zondag 6 oktober in Houten!   

****

Reactie Ronnie van Diemen:

Hoi Johan, wat leuk dat je in Houten was. Mét Ellen bovendien. Ook bij ons was het ‘gluren bij de buren’ met een prachtig optreden van twee dames met een andere culturele achtergrond die op een indringende wijze een beeld gaven van ‘anders zijn’. Wat ziet Ellen er op de foto goed uit!’  

20191007_112935_resized

Na wat drukte hier nu even een moment om jullie een berichtje te sturen!

Wat was het gezellig vorige week zondag: lekkere Afghaanse “ flapjes “ die Diana had gemaakt , een rustig slapende Ellen, een zeer zorgzame Diana en een 
ontspannen Johan!! 
Wij vonden het buitengewoon aangenaam!! Alle mooie verhalen van Johan. Over het keukenkastje en zo, hilarisch.
Maar wel met een diepere boodschap, zo van: laat mij mijn eigen boontjes doppen, ik weet het wel, en als ik het niet meer weet dan vraag ik het pas! 
Prachtig en prima!
Ook jouw antwoordmail Johan met alle mooie verhalen hebben mij doen lachen. En soms ook was het zó afschuwelijk triest om de reactie van sommige 
mensen te lezen! 
Maar de humor regeert altijd.
De lieve groeten voor jullie en ook veel groeten voor Diana, wat een pareltje is dat!

Tot gauw weer. Wietske. Omhelzing ook van John. 


2019_10_06__6977-2

'Gluren bij de Buren'. Dat deed Ellen bij Trudy soms met haar ogen dicht. 
Na een uur sloeg de vermoeidheid toe. 

2019_10_06__7000-2
Alsof we in de studio waren van Veronica Inside.

De geschminkte kleinzoon. Mag dat nog wel vandaag de dag? 
Als de grote kindervriend. Of is dat tegenwoordig een gewaagde opmerking? 
Nee hopelijk. Zie foto hieronder. 
Het boek van Ievon uit de contreien van Breda nadert zijn voltooiing. 
In retrospectief. 
De voormalige directiesecretaresse van de Hogeschool voor Journalistiek kijkt 
daarin terug op haar arbeidzaam leven.
Om de zoveel weken met Ievon een hapje eten. Steeds ergens anders. 
Deze week in Gorinchem.
Als meelezer bij het schrijven voortdurend de arme Ievon bestookt met speldenprikken. 
Sprak laatst nog een oud-studente die vertelde dat ze destijds, alvorens het document 
met mijn commentaar op haar verhaal te openen, steevast eerst naar de slijter liep voor 
een fles goedkope witte wijn. 
Vertelde het Ievon ter geruststelling.
 'Maar ik ben maar een amateurtje.'
'Dan moet je niet aan een boek beginnen.'
Het was in de jaren van de FHJ in Tilburg op 5 december altijd een klein feestje als Ievon 
haar kleinzoon meebracht.
Die speelde ontwapenend leuk voor zwarte piet. Ik was vaak de eerste in het gebouw 
van de academie. 
Ik liep er al ver voor achten rond. Ik was de files voor. 
Niet alleen op 5 december. Kende de schoonmaaksters beter dan veel collega's. 
Zelf ook eens de stofzuiger gehanteerd toen de groep schoonmaaksters een zieke had.
Niet dat ik veel conversatie met ze had, want de meesten spraken geen woord 
Nederlands.
Het contact hield op bij naar elkaar zwaaien en elkaar toe glimlachen. De gebarentaal 
zorgde voor een band.
Het viel me op dat veel schoonmaaksters een gouden boventand hadden.
Soms trok één van de schoonmakers ongevraagd een bekertje koffie voor me uit de 
automaat.
Ze liepen ervoor naar de docentenkamer. Dat was een lief gebaar.
Ik had voor half negen meestal al vijf van die koffiebekertjes op waarvan ik er één 
als stille getuige op de foto zie staan.
Ik zie daar ook een agenda. Een vuistdikke. Voor elke dag een bladzijde.
Zoek die agenda met zwart kaft thuis in mijn verzameling op. De foto is van 2013.
Handig dat bewaren van oude agenda's. 
Mijn favoriete plek was de mediatheek. 
Daar werden in alle vroegte de verse kranten afgeleverd. De eerste lessen stonden 
voor half tien op het schema.
Voor veel studenten was dat nog midden in de nacht. 
In 2013 woonde Ellen niet thuis maar in een verpleeginstelling. 
Dat moet verpleeghuis De Ingelanden zijn geweest.
Of was het nog Nederhorst den Berg? 
Ik zou het in die oude agenda kunnen opzoeken, maar doe het niet. 
Had meermaals in het verpleeghuis met de dementerenden mee geslapen 
als ik voor colleges of een mediatraining in Tilburg kwam.
Soms hielp ik een bewoonster terug in bed als ze op deuren liep te bonzen.
Die 'goeie ouwe tijd'. Nou ja... 
Prijs me gelukkig met het feit dat die hele verpleeghuisepisode al drie jaar verleden 
tijd is.
Krijg steeds meer zin in vrijwilligerswerk. Me opgegeven voor het aanharken
van het Maximapark, de groene long tussen Utrecht, Vleuten en De Meern.
Binnen een paar uur aangenomen als tuinknecht.
Het park behoeft meer onderhoud dan de gemeente aankan.
Volgende week beginnen in het Taalcafé van Leidsche Rijn voor mensen 
met een migrantenachtergrond. Taal vormt vaak de barrière naar werk 
of beter werk. Migranten helpen in hun uitdrukkingsvaardigheid, en 
heel misschien zelfs wel ze helpen in het denken in het Nederlands. 
Enkele jaren geleden dacht de directrice van verpleeghuis De Ingelanden
aan workshops Nederlandse taal voor verzorgenden met een
migrantenachtergrond. Ze achtte het belangrijk voor de communicatie
met de bewoners en voor de overdracht van de diensten aan collegae.
Het is er nooit van gekomen, van die workshops. De bezuinigingen
sloegen toe. 
Die bezuinigingen leverden een verward verpleeghuis op. En er was al
zoveel verwarring. 
Vanmiddag trouwens naar Tilburg. Niet alleen Cees uit Rotterdam was bij de 
mediatrainingen mijn vaste geluidstechnicus, ook Jan van den Heuvel. 
Die gaan we thuis opzoeken nu hij zijn vrouw is verloren aan een onverbiddelijke 
longziekte. En later deze week dus Gorinchem. 
Dan hoor ik van Ievon of ze nog de puf heeft mijn laatste gepruttel op te volgen. 
Ze is nu foto's en verdere illustraties aan het selecteren. 
Misschien gebruikt ze ook wel de foto van het zwarte pietje en die kindervriend.
Zou ze het durven in de tijd dat iedereen wel ergens tegen te protesteren heeft?
 
  
IMG_1495

Burgemeester huldigt Diana voor haar werk bij Ellen

IMG-20190918-WA0001_resized

Door haar zoon Abdullah naar huis gelokt met een smoesje. ‘Kan ik woensdag even een uurtje weg bij Ellen, Johan? Je weet, Abdullah trouwt in november, en nu wil de trouwambtenaar een voorgesprekje met ons. Ze vragen of ik er ook bij wil zijn. Om over de jeugd van Abdullah iets te vertellen. Hoe hij vroeger was. Wel spannend hè. Gaat dat altijd zo in Nederland?’
‘Zo gaat dat heel vaak in Nederland, Diana. Bedenk van te voren maar goed of je geen leuke anekdotes weet voor de speech van die trouwambtenaar. Zorg maar dat de trouwgasten van Abdullah en Erna wat te lachen hebben in november.’
‘O ja zeker. Ik ga zeker denken. Dan ga ik woensdag even weg bij Ellen en kom ik zo snel mogelijk weer terug.’
Niks trouwambtenaar. Niks Abdullah. Maar de burgemeester. En Diana zelf. CDA-burgemeester Koos Janssen van Zeist neemt twee dagen later zijn hoed af op zeven hoog in huize Sharifi en zet Diana met dankbaarheid in de bloemen. Een dik verdiende huldeblijk van het gemeentebestuur en het gemeentesecretariaat in het kader van Wereld Alzheimer Dag aan het adres van een vrouw die in aanwezigheid van haar familie ‘een heel bijzondere inwoonster van Zeist’ wordt genoemd. Iemand ‘op wie Zeist met recht trots mag zijn’. Bewonderd vanwege haar ‘toewijding en geweldige arbeidsmoraal’. Het voelt als platina. Het is goddomme platina. De burgemeester van Zeist noemt Diana Sharifi een toonbeeld van ‘sublieme en hartveroverende zorg in de nijpende thuissituatie’. Ze brengt geluk. Een gids voor al die duizenden mbo- en hbo-studenten Verpleegkunde in Nederland. Hij hoopt dat die jongere generaties haar voorbeeld zullen volgen. Nederland schreeuwt om handen aan het bed. Ook in de thuiszorg. Ook in de verpleeghuizen. Niet alleen in de ziekenhuizen. Maar daar zeker ook. Waar niet in de zorg?! Het is weer bijna Wereld Alzheimer Dag.
Wederom mondiaal Alzheimer Dag. Wereldwijd. Ook Zeist staat stil bij dit feit. De burgemeester voorop. In de aanloop naar Wereld Alzheimer Dag zoekt hij Diana speciaal op. Nota bene een vrouw die vroeger al zo graag in de zorg wilde werken maar een paar keer werd afgewezen. Hoe is het mogelijk! Afgewezen! Tot eind zomer 2016. Toen riep het bureau Home Instead haar op. Voor Ellen. De Meern was voor Home Instead een soort appendix, iets ver weg als de Oeral. In die Oeral mocht Diana zich bewijzen. Tegelijkertijd: onervaren in de zorg of niet, de Afghaanse zou wel eens bij uitstek kunnen passen bij mevrouw en meneer Carbo. Onze consulent Albert Schuurmans had directrice Marion Rombout van Home Instead al het één en ander ingefluisterd en haar gewaarschuwd: die man is geen gemakkelijke, naar dat adres kun je beslist niet iedereen toesturen, het moet wel iemand zijn met stijl. Marion zette zes dames voor Ellen op het rooster. Diana voor nagenoeg alle avonduren. Ellen werd haar eerste cliënte. De meeste verzorgenden bevielen niet. Er zat een voormalige bibliothecaresse tussen die dit zware werk als bijverdienste wel dacht te kunnen doen omdat ze immers twee kinderen had gebaard en grootgebracht. Ze had ‘verstand van verschonen en zo.’ Niet dus. Er was er ook één die met werken in de thuiszorg over haar eigen depressie en bipolaire stoornis hoopte heen te komen. Er was er één die zei niet te mogen bukken en duwen. Want anders zou haar oog kunnen loslaten en op de grond kunnen vallen. OLV bracht ons vreemde kostgangers. Maar niet Diana. Ze werkt intussen rond de honderd uur per maand voor Ellen. En behalve Ellen heeft ze nog twee andere cliënten.
Die eerste avond, die kennismakingsavond! Bloednerveus stond ze aan de voordeur met haar handtas, een beige, onder de arm. Het hoofd een beetje schuins. De nek in de opgetrokken schouders. ‘Ben ik hier bij de familie Carbo?’ Toen vertelde ze nog niet dat ze het in haar broek deed van de zenuwen. Dat kwam later. Na een paar maanden, of waren het weken?, boekten we voor een lang weekend Cajou in De Panne. Er moest natuurlijk een verzorgende mee. Marion Rombout deed een oproep onder haar medewerkers. Dat had voor ons niet gehoeven maar ze deed het. Wie wilde met mevrouw en meneer Carbo mee naar de Belgische kust? Er reageerden drie dames. ‘Kies jij of kies ik’, informeerde Rombout. Wij natuurlijk. Kom op zeg. ‘Ik denk allang te weten wie jullie mee willen hebben’, reageerde de directrice van Home Instead. ‘Marion, bij Cajou is het voortreffelijk tafelen. In een stemmige ambiance. Daar zal niet elke medewerkster van jou zich even senang voelen. Wij eten er kikkerbilletjes of slakken of mosselen of gebakken kalfszwezerik. We drinken witte of rode wijn al naar gelang er aan eten op tafel komt. Wij waren het altijd goed gewend en wij willen dat ondanks ziekte ook graag zo houden. Wij nemen iemand voor een heel weekend mee en willen niet het gevoel krijgen onze heilige privacy te verliezen. We willen allure en bescheidenheid. We willen ook niet iemand met wie we bij Gorichem al zijn uitgepraat, terwijl we nog helemaal naar Gent en nog verder moeten. Dus je begrijpt op wie de keuze valt.’ Dat had Marion Rombout al hoog en breed begrepen ja.
Ettelijke bezoeken aan Cajou volgden na die eerste keer. Wij kamer 303, Diana 301. Ze regelde met hotelbaas Bruno het verjaardagdiner van Ellen. Ineens werd het licht gedoofd en kwam er taart op tafel met brandende kaarsjes. De verzorgende glunderde. Het voltallige personeel van Cajou schaarde zich rond de rolstoel van Ellen. De Belgen aan de andere tafels zongen het ‘Lang Zal Ze Leven’ dat net zo klonk als in Nederland. Een warm bad. Een jaar later weer een verjaardag van Ellen in De Panne, twee keer gevierd. De ene dag bij Cajou, de andere dag bij de Afghanen van restaurant Pammier. Haar landgenoten pakten uit met Afghaanse gerechten die helemaal niet op de kaart stonden. Aan andere tafeltjes keek men nieuwsgierig toe. Met regelmaat gedrieën naar de stranduitspanning Albert I met zijn manshoge Boeddha. Samen met Diana Ellen tijdens een hittegolf tot aan de vloedlijn getild. Met de reddingsbrigade van De Panne in een speciale rolstoel op rupsbanden voor een wandeling van een kilometer (en meer) vlak langs het zeewater. Flaneren en paraderen. Poepie bruin. De winkelstraat van De Panne. Daar de meeste foto’s geschoten voor het boek ‘Geef ons ook morgen’. Diana die er voor zichzelf een paar boetiekjes vond. Ze leerde de gerant van het restaurant Cajou een speciaal drankje mixen. Op de Markt op de foto met Ellen en de plaatselijke paashaas. Met haar cliënte van het eerste uur die haar vriendin geworden was naar de bloemenmarkt op zaterdag in De Panne. Mee ook naar Zuid-Limburg voor een concert waar ze onze bergen voor molshopen aanzag. Mee naar stranduitspanning De Branding in Noordwijk aan Zee. En bij ons thuis met de achterkant van de auto tegen het gloednieuwe brievenbusje van de buren. Je had een vergrootglas nodig om een paar krasjes te zien. ‘Niet over lullen Diana, die buren liggen toch nog op hun bed en ze zwemmen in de poen.’ ‘Nee, ik ga het toch maar liever even melden zodra ze wakker zijn’. ‘Voor mij ben je gek, zelf heb je wel schade, er is weinig meer over van je ene achterlicht.’ ‘Ik heb die buren even gesproken, ik ben ze gelukkig geen geld schuldig, morgen zal ik ze een bloemetje gaan brengen.’ 
Wereld Alzheimer Dag: een bijzondere dag voor eenieder die al dan niet zelf of anders wel in zijn of haar directe omgeving met een hersenziekte te maken heeft. Een dag kortom met een zeer speciale betekenis, ook voor ons. Wereld Alzheimer Dag. Valt samen met Market Garden, de herdenking van de slag om Arnhem, 75 jaar geleden. Wereld Alzheimer Dag en Market Garden: beide maatschappelijk van enorme impact. Naastenliefde en opofferingsgezindheid. De vlag aan ons balkon gaat wederom uit.  
We streven in Nederland naar het langer thuishouden van ouderen en ernstig zieken. We zullen daarvoor in Nederland onze mentaliteit moeten aanpassen, veranderen zelfs. Het zal in Nederland allemaal minder jachtig moeten en we zullen de ogen wijd open moeten doen (en houden) voor belangrijker zaken dan louter economische groei en de vanzelfsprekendheid van een goede gezondheid. Die vanzelfsprekendheid die lang zo vanzelfsprekend niet is. We praten in telegramstijl. We zullen ook van meer medemenselijkheid moeten gaan getuigen. Meer oog voor landen en culturen waarop wij nog wel eens willen neerkijken. Maar die in familiezin duidelijk veel verder zijn dan wij. We zullen af moeten van de gedachte dat bij tegenslag de overheid ons uit de brand moet helpen. De familie voor de leuke jaren en de overheid zodra het leven kantelt? Waanzin! Volslagen onberedeneerde waanzin. De overheid faciliteert. Maar we mogen zelf ook een inspanning leveren.
Goede verpleegkundigen en verzorgenden zijn onmisbaar en we komen er in Nederland momenteel 75.000 tekort. Dat is anderhalf keer een barstensvol Feyenoord-stadion in Rotterdam. Zet het beeld maar eens op scherp. We komen er meer tekort dan 75.000 als we ook naar kwaliteit kijken. De psychische klachten onder het zorgpersoneel zijn de laatste paar jaar met 40 procent toegenomen. Laat dat even tot ons doordringen. Meer dan 140.000 Nederlanders – je schrikt je dood, drie keer een uitverkochte Feyenoord-Kuip – zouden vanwege dementie direct vandaag nog in een verpleeghuis moeten worden opgenomen. Maar er is geen plek. Dus blijven ze thuis waar zich de meest schrijnende taferelen achter de voordeur afspelen. Ze kunnen niet meer voor zichzelf zorgen en er is te weinig zorgpersoneel om de helpende hand te bieden. Hoorde ondertussen op de autoradio dat er verzorgde vakantiereisjes naar de Noordpool worden aangeboden waar de vakantiegangers in een verwarmde iglo kunnen slapen met een dak van glas om heel decadent naar de sterren te koekeloeren. Het reisje kost 95.000 euro per persoon. De vakantietripjes gaan als zoete broodjes over de toonbank. We zijn ziek. We smijten met geld, maar de zorg crepeert ondertussen. Want 75.000 vacatures en ruim 140.000 mensen die allang niet meer thuis zouden mogen wonen. 
In de week naar Wereld Alzheimer Dag mag daar van gemeentewege best wel eens met toneellampen de schijnwerper op worden gezet. En in die week mogen de dames en heren in de thuiszorg, het zijn meestal dames, best wel eens een schouderklopje krijgen. Liever nog een ovatie. Een staande ovatie. Dat doet Zeist dan ook.  
Het is, vindt de burgemeester, een hele prestatie (Diana) om drie jaar lang bijna dagelijks Ellen te verzorgen met alle verantwoordelijkheid van dien. Het is geen sinecure. Eén fout kan levensbedreigend zijn. Het werk eist geduld. Het eist concentratie. Het eist consistentie. Zonder verzorgenden als Diana – en dat geldt zeker ook voor Trudy, Elly, Esmé en Zulay –  zouden wij ons huwelijk eigenlijk allang niet meer hebben kunnen voorzetten. We zouden doorleven, noodgedwongen fysiek gescheiden van elkaar. Doorleven? Ellen zou wellicht zonder haar zorgteam – behalve Diana hebben we nog vier kanjers, het zij herhaald! – al het loodje hebben gelegd. Haar mantelzorger misschien ook wel. Die wordt door Diana in de gelegenheid gesteld om maandelijks een weekend nieuwe energie op te doen aan de Belgische kust in De Panne, zelf blijft ze dan bij Ellen logeren. Ze leest dan ‘s avonds Adriaan van Dis voor haar taal. Logeren bij Ellen. Of ze gaat als chaperonne met Ellen mee naar zee.  Naar Cajou waar ze ons steeds weer in de watten leggen.
Ellen met Diana op hun vaste dag en hun vaste tijd naar Dorothy voor de fysiotherapie. Ze komen deze week terug met een zak bonbons en zaad van de papaverplant en bovendien knoppen waar het zaad nog uitgeknepen moet worden. ‘Elke keer als ik met Ellen langs die meneer zijn huis loop zwaaien we naar elkaar. Nu stond hij Ellen en mij al op te wachten. Hij weet dat jullie ook een tuin vol bloemen hebben.’ Eigenlijk lopen de verzorgenden achter de rolstoel voortdurend naar Jan en alleman hun hand op te steken of terug te zwaaien. En ze maken ook voortdurend met omwonenden een praatje. Het kwintet hoort gewoon bij het straatbeeld. Niet de tandartsassistente zelf maar Diana verleent de tandartsassistentie bij gebitscontrole van Ellen. Als de kapper met vakantie is knipt ze het haar van Ellen bij. Ze vijlt nagels en lakt ze. Ze heeft het masseren van de vaste staf aan fysiotherapeuten, Leroy en Dorothy, afgekeken en neemt geregeld de stijve ledematen van Ellen onder handen. Burgemeester Koos Janssen wordt er stil van, van het getuigschrift van zijn inwoonster. Zijn assistentes op het secretariaat eveneens. Zo ook de ambtenaar die alles regelt rond een ode aan bijzondere Zeistenaren als stille getuigen van grote prestaties achter de schermen zoals liefdevolle zorg aan derden. In 2017 werd Diana Sharifi al eens op een zomernamiddag op het schild gehesen door het ministerie in de persoon van de hoogste ambtenaar bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg.
De Afghaanse oorlogsvluchtelinge heeft het migratievraagstuk voor ons een gezicht gegeven. Met duidelijke contouren. Het is tastbaar geworden. Voor materiële welstand hoef je niet in de zorg te gaan. En we ervaren hetzelfde als wat we vorige week op de autoradio hoorden: de verschillen in bestedingsmogelijkheden nemen in Nederland hand over hand toe. Het wordt zorgwekkend genoemd, en terecht. Net als in de VS begint ook bij ons de middenklasse te verdwijnen. Het wordt steeds lastiger van een dubbeltje een kwartje te worden. Mensen als Diana Sharifi zullen vaker in de schijnwerpers geplaatst moeten worden om jongere generaties ervan bewust te maken waar het in essentie in het leven OOK om draait. Niet een vakantie-iglo op de Noordpool. Niet alleen maar ik-ik-ik en het najagen van het materialistische eigenbelang. Maar medemenselijkheid met compassie en empathie en compromissen. Personen als Diana (en onze andere vier!) sluiten ragfijn aan op wat het kabinet voorstaat bij de toenemende vergrijzing en de almaar oplopende zorgkosten. We proberen de chronisch zieken als gezegd langer in de thuissituatie te houden. Maar hoe? Een verschrikkelijk dilemma. Daarvoor geen televisiegenieke BN’ers, geen zelfingenomen ijdeltuiten, geen pluimstrijkers, geen Gordons en Humberto Tans met hun koninklijke onderscheiding, welke Bekende Nederlander heeft nog geen lintje trouwens voor al zijn of haar liefdadigheid?, maar bescheiden en opofferingsgezinde verzorgenden die zich veelal in grote anonimiteit om de ander bekommeren. Het betere werk zo gezegd. Voorbeeldmensen die de huidige studenten hbo en mbo Verpleegkunde aantonen dat de ambitie heus niet alleen hoeft te liggen bij een baan in een ziekenhuis. Het kan niet vaak genoeg worden gezegd en geschreven: duizenden en nog eens duizenden ouderen en chronisch zieken liggen thuis in verwaarloosde en kommervolle omstandigheden te vegeteren en weg te kwijnen omdat de zorg de vergrijzing niet aankan. Nederland vertilt zich aan de zorg.  
Erkenning kortom. Mede namens Ellen schrijf ik dit bij deze Wereld Alzheimer Dag. We zijn rijk, ondanks onze pech en ons verdriet. Dankzij… Het is gezegd. Het is met bloemen onderstreept. 
****
Reacties volgden al snel. Dezelfde dag meteen. Druk telefoon- en mailverkeer. Familie van overal in de wereld stuurde felicitaties naar Diana. Uit Duitsland, uit Tunesië, uit Canada. Uit ons eigen land ook uiteraard. Ook het ministerie van Gezondheidszorg liet zich in indringende bewoordingen niet onbetuigd.  
Diana: ‘Ik wist niet beter dan dat er een trouwambtenaar zou komen. Ik had onderweg van Ellen naar huis nog gauw even wat lekkere koekjes gekocht en zo. Toen kwamen Abdullah en Erna. Ik zei nog tegen Erna: “Waar zijn jóuw ouders?’ Die konden ineens niet. Vond ik heel raar. Toen stapte mijn oudste zuster Maria binnen. Maria? Die is echt een maatje van me maar wat moest zij bij die trouwambtenaar? Toen ging weer de bel. “Een leuke man voor jou”, plaagde Maria. Stond daar de burgemeester. Zou hij, de burgemeester, Abdullah en Erna in november op Slot Zeist trouwen? Zou hijzelf de trouwambtenaar zijn? “Ik kom voor jou Diana”, zei de burgemeester meteen en hij deed zijn ketting om. Ik moest maar even gaan zitten en naar hem luisteren. Wat er daarna gezegd werd, weet ik niet allemaal meer. Nu even niet. Ik was zó beduusd. De burgemeester had het over mij, en over Ellen, en over nog veel meer. Het leek wel of hij alles van me wist. En ook van Ellen. Ellen dit en Ellen dat, en ik zus en ik zo. Allemaal uit zijn hoofd. Ik moest niet zo hard werken, zei de burgemeester tegen mij en mijn zus. Aan Maria vroeg hij of ze mij een beetje tegen het harde werken in bescherming wilde nemen. Maar Maria werkt als arts bijna nog harder dan ik. We hebben er erg veel lol om gehad. De burgemeester is wel een uur gebleven. O zeker wel. Dit blijft onvergetelijk. Een eer. Het duurde niet lang of mijn moeder belde vanuit Hamburg. “Is het werkelijk Diana, de burgemeester met bloemen? Wat zou je vader trots zijn!” En daarna een nicht en daarna weer een andere nicht. Dirk van Maria had ook graag willen komen maar thuis was zijn gootsteen verstopt, begreep ik. Ik weet het allemaal niet meer. En als ik op mijn telefoon kijk heb ik weer nieuwe berichtjes.’ 
Burgemeester Koos Janssen van Zeist in zijn vaste wekelijkse column voor de Nieuwsbode Zeist & Heuvelrug: ‘Diana Sharifi heb ik thuis opgezocht. Zij is professioneel zorgverlener bij iemand die ernstig ziek is. Ik bracht haar – als inspirerend voorbeeld voor zoveel anderen – een boeket bloemen met dank aan alle zorgverleners en helpers in de zorg. Ik deed dit omdat we in de aanloop verkeerden naar Wereld Alzheimer Dag op 21 september. Waardering en trots blijven uiten is belangrijk.’
20190919_103713
Trudy vanaf haar vakantieadres op Bali: ‘Ik weet niét wat ik lees! Wat fantastisch en o zo verdiend voor Diana.’
****

Beste Johan,

Wat geweldig dat Diana zo in het zonnetje is gezet. Met al haar oprechte aandacht en inspanning voor Ellen en jou is haar dat zeer gegund. Een geweldige en unieke vrouw! Ik heb haar ondertussen al gefeliciteerd.

We houden contact, Ronnie van Diemen.

****

Beste meneer Carbo,

Wij hebben als redactie zojuist overlegd en contact gezocht met het secretariaat van de burgemeester van Zeist. Ik heb uw mail voor de volledigheid ook aan het secretariaat gestuurd. We gaan dit oppakken voor een stukje (met foto). 

 

Ik hoop u zo voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Gisela Middelkoop, redactie Nieuwsbode Zeist & Heuvelrug. 

 

****

Hai Johan!

Ik heb zojuist jouw ‘persbericht’ aan de vrienden en kennissen gelezen, en ook meteen je blog over vandaag. Wat een verhaal! Grandioos zeg, dat bezoek van de burgemeester van Zeist aan Diana. Wat een eerbetoon en helemaal terecht. Ik heb al een felicitatie naar Diana gestuurd. Wat vind ik dít leuk voor haar.  Mooi stuk geschreven Johan. Ook jij chapeau. Ik wip weer gauw aan bij jullie. 

Albert

****

Ha Johan en Ellen natuurlijk!

Dank voor je geweldige bericht over de huldiging van Diana!! Zooooo verdiend!!! Heb haar gefeliciteerd!!
Hoe gaat het met jullie beiden? We hebben veel over jullie gepraat, de blogs steeds trouw gelezen, iedere keer gezegd: we gaan weer gauw naar Ellen, en dan was er weer wat. Klinkt raar maar zo ging het. We zouden het heel fijn vinden om jullie een bezoekje te brengen wanneer het jullie past. Liefst in het weekend toch Johan? We kunnen ook wel in de week. Jullie mogen het bepalen, de enige vraag die ik heb is dat het leuk zou zijn als we ook Diana ontmoeten, kunnen we haar nog een keer persoonlijk feliciteren!
Denk er maar rustig over na, we horen het wel! 

Lieve groeten van ons vanuit Leeuwarden en een kus voor jullie beiden van Wietske. XX  Natuurlijk ook de lieve groeten van John. 

****
Kippenvel! Wat is dit een ongelofelijk mooi gebaar van de gemeente Zeist naar Diana. Wat een hulde voor iemand die ik bijna dagelijks met Ellen in touw zie. Fantastisch!
Lieve groet van de overkant, Cinta
****

Erg mooi Johan,

Echt een zeer verdiende verrassing na drie jaar Ellen voor Diana!

Tot later deze week. Met vriendelijke groet, 

Zulay Puerta Torres
 ****
Slik, wat een prachtige hulde aan Diana, terecht.  

 

Chris & Bruno. Met veel groeten uit De Panne. 

****

Reacties op de bloemenhulde voor Diana ook van Wil, Charles, Agnes, Jeannette, Elly, Jan, Leroy, Ievon, Dorothy. 

Jeannette: ‘Wat een mooi en meer dan welverdiend eerbetoon aan Diana! Driewerf hulde voor haar en ook voor wie dit organiseerden en uitvoerden.’
 Leroy: ‘Prachtig verhaal over Diana en geweldig zoals dat door een klein clubje voor haar is opgezet. Wat was ze opgetogen.’ 
 Ievon: ‘Een terechte onderscheiding voor een heel lieve, zorgzame vrouw. Jullie mogen met recht trots op haar zijn, Johan & Ellen. Feliciteren jullie haar namens mij?’
Jan: Hoe fantastisch en terecht! Hierbij gefeliciteerd lieve Diana! Ook Johan en Ellen van harte, die gegeven het feit dat gezondheid nu eenmaal komt zoals het is, gezegend zijn met jou  en de collega-mantelzorgers/verzorgenden  (inclusief Johan). Het DREAMTEAM DIANA!

Dorothy: ‘Leuke foto van Diana! De burgemeester uit onze woonplaats in  Zeist!! Magnifiek. Ik zal je dinsdag persoonlijk feliciteren als je weer met Ellen naar de fysiotherapie komt.’

****

20190825_152700_HDR_resized
 
 Met Ellen achterin de tuin op de dag van de Indiëherdenking dit jaar. Bronbeek 2019 onder tropische omstandigheden. 
20170311_113106_resized
 Met Ellen op de bloemenmarkt op zaterdag in De Panne. 
blijdschap
 
Uit handen van inspecteur-generaal gezondheidszorg dr. Ronnie van Diemen het eerste exemplaar ontvangen van ‘Geef ons ook morgen’.  En onder: met Pasen met Ellen in De Panne op een terras bezoek van de plaatselijke paashaas. 
 20170416_130329_resized
Verzonden vanaf mijn Samsung-apparaat

Pluk de dag, hop biertje hop!

20190914_145953_HDR_resized

De kale hopstruiken als stille getuigen. En het is maar goed dat de ouders van Ellen niet meer leven. Er werd bij haar thuis niet gedronken. Maar zie de twee foto’s, vooral de eerste, het lijkt waarachtig Zuid-Europa wel. In werkelijkheid is het nog geen kwartier lopen van ons huis.  
Tachtig tot negentig vrijwilligers voor het jaarlijkse hopplukken bij de plaatselijke bierbrouwerij Maximus. Een hele oogst. Dat kan al niet meer mis met het bier. Hovenier Ben van Zuilen, bij ons in de tuin bezig met het scheren van enkele coniferen waar we zelf niet bij kunnen, geeft voor alle zekerheid handschoenen mee. Daar had de organisatie al op aangedrongen. Die hop zou ongelofelijk kleverig zijn. Het is zaterdag 14 september. Wil houdt Ellen gezelschap. Zelf naar de ‘dagbesteding’. Zo heet dat toch in de verpleegzorg? De start van het hopplukken al vroeg in de ochtend, om tien uur. Er hoeft weinig te worden uitgelegd. Je neemt een struik en je roetsjt de knoppen eraf. Hoe eenvoudig kan het zijn! Groene plastic kratten in overvloed. Struiken ook. Het doet aan vroeger denken, aan vroeger thuis. Zo ging het ook met de doperwten. Je drukte ergens op zo’n neusvleugel, vork in de aanslag, de losse pols en de erwtjes sprongen enthousiast in de pan. Of op het vloerkleed, zo’n Perzisch vierkant tapijt hadden we. Met kwastjes. Witte franje. Zo’n Perzich tapijt ging bijna wekelijks op vrijdag naar buiten voor een onderonsje met de mattenklopper. Jaffastraat 16 dat bij een nieuwe nummering Jaffastraat 50 werd. Bij de gemeente gingen ‘bis’ en ‘bis A’ er op een verdwaald ambtelijk moment uit.
De Jaffastraat, het adres van die seringenboom. Recht tegenover ons de schoenmakerij van De Kleuver. Iedereen kwam er om zijn schoenen te laten verzolen. Daarnaast het onderkomen van een duivenmelkersvereniging. Elke zaterdag een grote vrachtwagen om de manden met duiven te komen ophalen. Die duiven werden vervolgens buiten de stad losgelaten. Op zaterdagmorgen ging je toen nog naar school. Wie een auto bezat, waste die auto op zaterdag voor de deur. Herinneringen. Ik kan me zelfs nog die emaillen steelpan voor de geest halen waar die doperwtjes na het roetsjen in neerdaalden. Waren het geen doperwten dan waren het wel sperziebonen. Aardappelen, vlees en groente. Dat schafte de pot. Tot lang. Aan rijst deden we pas veel later. Macaroni met ham en kaas was aanvankelijk al heel wat. Het was van mijn moeder een gewaagde culinaire operette. Net als Brussels lof met ham en gesmolten kaas. Wat de boer niet kende dat at hij niet, mijn vader was geen boer maar hij gedroeg zich er wel naar. Hij incasseerde ook de huur in het Spinozakwartier in Utrecht. Aan de overkant van de Douwe Egberts. Daar woonden veel Indiëgangers. Mijn vader had het liefst een knijper op zijn neus. Die Indische mensen hadden hun keuken aan de galerij. Weer thuis van een exotisch uitstapje tegen zijn zin gingen al zijn kleren naar buiten om te luchten. Dat Indische eten dat stonk hem te veel. 
Mantelzorgverlof met hopplukken als dagbesteding. Zoals een paar jaar geleden olijven plukken in Toscane. Dat was een stuk zwaarder, dat plukken van olijven, en het gebeurde met netten en een ladder. Wacht nog altijd op de fles olijfolie die me was toegezegd. Ik zou er zelfs wel meer dan één ontvangen. Zaterdag 14 september. Het is schitterend weer. Volop nazomer. Zon, strak blauwe hemel. Vrolijke mensen. Er is koffie, thee en voor later in de middag wordt er bier beloofd. Mooi vooruitzicht. Bier uit eigen brouwerij natuurlijk. De keuze uit drie soorten. Elke vrijwillige hopplukker krijgt drie muntjes voor het bier van later op de zaterdag. De beloning. Hoe laat de pomp opengaat? We zullen wel zien. Hangt van het werktempo af. Ik zit te punniken aan een struik, tegenover mij ene Martien. Aardige kerel. Hij zal van dezelfde leeftijd zijn. Hij komt van de Alendorperweg bij Intratuin. Hij moet later op de dag met de harmonie naar de Uitmarkt in Utrecht. Spelen aan de voet van het stadhuis op de Oudegracht. Hij is dus van de harmonie en natuurlijk, het kan niet missen, hij komt uit Limburg. Uit Heerlen om precies te zijn. ‘Vind jij dat een interessante stad? Nou dan ben je één van de heel weinigen.’ Toch doet het hem goed, iemand die Heerlen nu eens niet afbrandt. We praten over het Glaspaleis van Heerlen. Over mannen op straat die je vanwege hun verweerde kop meteen herkend als ex-mijnwerker. We praten over het station van Heerlen met destijds al die overlast van drugs en junks. Heerlen als roversnest. Dat kreeg je van al dat grensverkeer. Of ik het nieuwe station van Heerlen al eens gezien heb? Zeker wel. ‘Het lugubere tunneltje is verdwenen.’ Ik vertel hem hoeveel voetstappen ik met Ellen wel niet in Limburg heb liggen. Epen, Mechelen, Slenaken, Margraten, Eys, Trintelen, Voerendaal. Kasteel Ter Worm tussen Heerlen en Voerendaal in.
Vertel hem dat het echte mijnwerkers-Limburg me meer trekt dan Maastricht en André Rieu. Daar gaat mijn vriend eens goed voor zitten. Zijn dag kan niet meer stuk. Kent hij het boek ‘Het geluk van Limburg’? Nee? Het gaat over die mijnwerkersenclaves. In Kerkrade vooral rond dat vroegere voetbalstadion van Roda JC, Kaalheide. Ik ging met het boek in de hand de straten en adressen langs om te zien of de naambordjes nog klopten. dat was drie jaar geleden. Hij weet er alles van, Martien, van het mijnwerkersleven van destijds. In Heerlen had je de mijn de Nassau. In Brunssum de Emma. Inderdaad, al die mijnwerkers deden in hun vrije tijd aan de duivensport. Iedereen zat bij de harmonie. Iedereen stemde op de KVP. Alles draaide om de pastoor. De Limburgers van toen hielden allemaal duiven en hadden ook siervogeltjes. Martien is alweer heel wat jaren geleden naar de Randstad geëmigreerd. Zo noemt hij het: ‘geëmigreerd’.
Rolduc? Wat zeg ik daar nou? Het roomkatholieke riool Rolduc? Nu een hotel? Dat wist Martien niet. ‘Een besmette plek’, mompelt hij. Over Rolduc in Kerkrade praat hij eigenlijk liever niet. Slechte naam door monseigneur Jo Gijsen als grootste viespeuk. Door de paus verbannen naar IJsland om af te koelen. Zou het geholpen hebben? Martien doet dit hopplukken voor het vierde achtereenvolgende jaar. Zelf drinkt hij zelden bier net als ik. Ook hij doet dat hopplukken ter ontspanning. Nog geen moment kleverige handen van die hop. Hier en daar een praatje, een kop koffie, een beetje lachen en ondertussen een struik leegplukken. De harmonie van Vleuten? Hebben we die dan Martien? ‘Zeker wel! Moet je horen: die heeft momenteel meer aanmeldingen dan heel wat harmonieën in Limburg. En we worden overal uitgenodigd.’ En hoe komt dat zo met al die aanmeldingen? ‘Een goeie voorzitter. Een goed bestuur.’
Martien woonde eerst op de Titus Brandsmalaan in Vleuten. Weer iets gemeenschappelijks. Want dan kent hij ook de Odenveltlaan. Daar woonden we eerst. Op nummer 9. Naast de onvergetelijke pillenprofessor van Philips Duphar, Andries Koekendorp. We komen te praten over de drukkerij van Van Rooijen. Ook Odenveltlaan. Of ik de plaatselijke slijter ook ken naast de notaris. Natuurlijk. Ik ken háár van de slijterij, heet ze niet Truus? En de notaris die ken ik ook. Zij van de slijterij is familie van Martien. Ze stopt, die vrouw van de slijterij. Hij had graag de hele handel overgenomen, gekocht. Maar aan acht ton kan Martien niet komen. Acht ton? Inclusief de voorraad aan flessen? ‘Het goeie mens weet alles van wijn en heeft in haar hele leven nog nooit een druppel gedronken, toch knap hè.’
Ineens zit er een bekende van Martien bij ons met een struik hop. Hij is van de plaatselijke zangclub, zo begrijp ik uit de conversatie die hij met Martien heeft. Ook hij moet deze zaterdag nog naar de Uitmarkt. Na de harmonie treedt het zangkoor op. Dat wist Martien nog niet. Met aanhangwagens worden nieuwe struiken met hop van het naburige Maximapark naar de brouwerij aangevoerd. Daar worden ze verdeeld onder de plukkers. De meesten werken in deeltijd. Sommigen kienen het zo uit dat ze vlak voor de lunch komen en al snel na de lunch weer de benen nemen. De hopplanten schijnen te groeien in de buurt van de vlindertuin van het Maximapark. Daar wordt door de jeugd veel gerotzooid, weet Martien die aan de rand van het park woont. Hij klaagt over de politie die niks doet. Het is speciale politie die het Maximapark in de gaten houdt. Hij heeft er een woord voor. Dat ben ik vergeten. Hij overweegt een proefproces tegen de gemeente. Want een oude vrouw op de fiets zonder licht bekeuren ze wel maar jongelui durven ze niet aan. Zo hoor je nog eens wat. ‘Vernielen en gillen’. De zingende hopplukker die erbij is gekomen weet daar ook alles van. De anekdotes vliegen over tafel.
‘s Middags komen Diana en Ellen ook een handje helpen. Beiden voorzien van een grote zonnebril en van handcrème. Want ja, prikken die hopstuiken? Zitten er naalden aan? Of stekeltjes? Tot hun tevredenheid is het werk dan praktisch nagenoeg geheel gedaan. Ze hoeven niks te doen maar lusten wel een biertje. De hele meute zit aan lange tafels alreeds aan het bier. Of Ellen ook zin in bier heeft. Tuurlijk! Dat liet ze toch al merken! En graag een schuimkraag. Is ze gek op. Het glijdt vanzelf naar binnen. Beter dan een glas karnemelk. Nog maar zo’n Pipa. Want zo blijkt dat bier te heten, met bovendien de nodige varianten op dat woord.
Besef nu dat je bij ons in de supermarkt het bier van Maximus (sinds 2011 operationeel) kunt kopen. Tijdens de hittegolf deze zomer wel eens met zo’n flesje in mijn handen gestaan. Met het merk Brutus is ooit een prijs gewonnen. Of we voor de barbecue blijven? Fantastische zaterdag. Voor een afzakkertje met Ellen en Diana ook nog naar Charles. Ook bij hem zou tuinman Ben eerst nog even een paar klusjes doen. Charles had zijn gazon zo goed geverticuteerd dat hij geen gras meer overhield. Dat was nu ook weer niet de bedoeling. Of Charles aan Ben zijn grasmaaier eens wilde laten zien. Of Charles die messen van zijn grasmaaier in alle vijfentwintig jaar ooit wel eens had laten slijpen? Nee? Nee dus. De hovenier Ben van Zuilen heeft een hele speciale manier van grinniken. Ook Charles weet dat nu. 
Het belooft ook verder een mooie week te zullen worden. Van de trap naar boven gaat de bekleding af. Die trap willen we geschilderd hebben, wit. Veel ruimtelijker. De hal gaat dan op een expositieruimte lijken. Er hangt al wat abstracts aan de muur. Alles wit en kleur aan de muur van Picasso voor mensen de echte Picasso niet kunnen betalen. De nieuwe buurman van tien heeft een adresje voor de trap. Want het ergste van het verwijderen van de bekleding zijn de lijmresten. Daar waren we in het vorige huis aan de Odenveltlaan weken zoet mee. Er staat verder iets heel bijzonders te gebeuren. Gebeld over ‘iets’ met ‘Mondje dicht’. Het is inderdaad ook iets geweldigs. Maar of we alsjeblieft nog even ons mond dicht willen houden. Het moet een verrassing blijven. Nooit een geheimpje kunnen bewaren maar nu moet het toch echt.

20190914_150015_HDR_resized

Ze bleef toch mijn moeder

 
‘Maar moeder, die mevrouw van twee huizenblokken verderop is toch ook haar man verloren en anders dan jij probeert die toch altijd nog wat van haar leven te maken? Waarom jij niet?’
Hoezo?’
‘Je zit de hele dag op een stoel voor je uit te kijken. Als we geluk hebben tenminste. Want het liefst blijf je in bed. Neem nou eens een voorbeeld aan die mevrouw van verderop.’
‘Dat kun je niet vergelijken. Dat is een heel ander geval. Dat begrijp jij niet?’
‘Hoezo zou ik dat niet begrijpen? Die vrouw heeft ook nog twee kinderen thuis en neemt haar verantwoordelijkheid. Die lééft.’
‘Inderdaad, die vrouw heeft ook nog twee kinderen thuis, maar dat zijn wel dochters.’
‘Wat bedoel je daar nou weer mee?’
‘Daar bedoel ik mee dat een moeder in haar rouwproces meer aan dochters heeft dan aan zoons. Dochters nemen hun moeder mee om te gaan wandelen, zoons niet. Dochters, dat voelt anders.’
‘Je praat onzin.’
‘Nee, dat is geen onzin. Een dochter is anders.’
‘Ik kan er moeilijk één voor je gaan breien.’
‘Nu praat jij onzin.’
 ‘Maar je kent ook die vrouw die boven ons woonde en die helemaal geen kinderen had en die haar man plots aan een hartstilstand verloor. Is die toen opgehouden nog iets van haar leven te maken? Nee dus! Jij wel.’
‘Je vergeet dat die vrouw, ik weet wie je bedoelt, een autootje had.’
‘Dus als jij geen kinderen had gehad maar wel een autootje dan had jij je er wél doorheen geslagen. Daar geloof ik geen ene fluit van.’
Het leven liep niet op rolletjes. Het ging met moeder allemaal niet van een leien dakje. Het ging van kwaad naar erger. Iedereen had het beter dan zij. Ze was op een schemerige vrijdagavond in het vroege voorjaar begin jaren zeventig haar man aan een longembolie verloren en zonk weg in volslagen lethargie. Ze liet zichzelf in de steek en daarmee ook haar twee zoons. De militaire dienst in ‘t Harde was voor mij een uitkomst. Cafés waren heel lang in de ogen van mijn moeder verdervelijke zondige plekken waar je met een wijde boog omheen moest lopen. Dus haalde ik in militaire dienst aan de bierpomp de schade in. Ook kaarten was zondig. God was tegen klaverjassen. God was tegen brood en spelen. Hoe ze dat zo zeker wist? Ze wist het. Dus had ik in militaire dienst elke avond spelkaarten in mijn handen. We deden er niet aan klaverjassen maar wel aan toepen. Om geld. Ook dat nog. Toen ze het hoorde was ze van dit soort flauwekul al aardig genezen trouwens. De militaire dienst: de hele week weg van die vrouw die zwolg in haar bedompte rol van weduwe.
Twintig was ik. Amper twintig. Geen seconde, nee nooit van haar een arm om mijn schouder omdat ik al zo jong mijn vader kwijt was. Mijn broer, vijf jaar jonger, dito met een sterretje, ook over het hoofd gezien, hij ging zijn eigen gang. Geen mens wist wat hij doordeweeks uitspookte. Mijn broer begon nooit aan een discussie met zijn moeder. Hij was geen prater. Waarom zou hij ook? Dochters of een autootje, het kon hem geen bal schelen. Hij maakte een meisje zwanger en we hadden er nog een probleem bij.
Een grote hekel aan het pamperen van de hedendaagse jeugd. Dat stamt uit die tijd. Zie om mij heen waar alle verwennerij en het naar de ogen kijken van de jeugd toe leidt. Ze kunnen niet tegen een stootje. Op de hogeschool in Tilburg ergerde ik me groen en geel aan de voorzichtige aanpak van de studenten in het hbo-onderwijs. Bij Het Parool slaagde ik. Dat was niet iedereen gegeven. Ik pareerde de Amsterdamse harde humor. Werd zelf een halve Amsterdammer. Ik kon van lieverlee in persoonlijke interviews met de besten mee. Ik kreeg iedereen aan het praten. Ik wroette zogezegd in de darmen van mijn gesprekspartners. Het kwam door mijn achtergrond. Door wat ik zoal had meegemaakt. Ik heb mensen bij Het Parool zien sneuvelen die meer talent hadden dan ik. Aanmerkelijk meer zelfs. De sportredactie en daarna de algemene verslaggeverij voor politie en justitie – het ging op karakter, op doorzettingsvermogen, op de juiste mentaliteit. Als je met nog slechts twee andere geluksvogels mee mocht naar Het Parool in Amsterdam vanuit de failliete inboedel van het Nieuw Utrechts Dagblad dan moest je dubbel zo hard presteren. Dat deed ik dan ook.   
Heb ik ooit van mijn moeder gehouden? Toen ik nog heel jong was wel, toen hield ik van mijn moeder. Dat weet ik zeker. Maar later? Later werd dat steeds minder. Ze legde veel te veel beslag op anderen. Allereerst op haar twee zoons. Ze was vrijgevig en zorgzaam. Ze kon ook geestig zijn. Onrecht verdroeg ze niet. Dat wel. Maar ook lijdzaam, amechtig en jaloers. Ze was weinig zelfstandig. Ze stuurde in 1968 aan op een verhuizing van de Jaffastraat naar honderd meter verderop het Majellapark. Van gewone mensen naar ambtenaren. Om ons heen ambtenaren in alle soorten en maten en oud-Indiëgangers. Nog geen drie weken later had ze spijt en kreeg mijn vader de schuld. Spijt als haren op haar hoofd. Ze ging in een slaapkamer voor het raam de hele dag naar onze vroegere tuin zitten staren. Naar de seringenboom vooral. Haar seringenboom. Een witte. Een rare verering ineens voor die seringenboom. In de Jaffastraat had ze een tuin, op het Majellapark alleen een balkon. ‘Maar je woont nu wel op stand, dat wilde je toch?’ Op het Majellapark zijn we als gezin wel een keer of zes onderling van kamer geswitcht om mijn moeder maar oogcontact met die stomme seringenboom op de Jaffastraat te laten houden. Hoe dichter bij die boom hoe beter. Het werd er niet beter op. De nieuwe bewoners van Jaffastraat 50 brachten haar als troost wekelijks een vers bosje seringen. Niet opgewassen tegen het leven toen het er op aan kwam. Totaal geen vechtlust. Geen enkele weerstand. Een ander had het altijd beter. Dat was niet zo, maar zo werd het wel. Door haar gelamenteer.
Na een dag van onafgebroken regen hangt er buiten een grondlucht. Een aangename grondlucht. Die doet aan Loosdrecht denken. Aan de Kalversraat naar de Stille Plas toe van Loosdrecht. De oudste broer van mijn vader had er op een eilandje een huisje. We kwamen er nog wel eens. Opmerkelijk die associaties. Na alle regen van woensdag 11 september hangt er nu een soort wasem buiten. Het ruikt naar de Loosdrechtse Plassen. Mijn moeder liet na de dood van mijn vader ook Loosdrecht voor wat het was. Ze zou toch eens genieten, dachten we vaak. Was het ook aandachttrekkerij? 
Ze was graag met een onderwijzer getrouwd in plaats van met een fabrieksarbeider die ooit nog eens een winkel in vogelbenodigdheden bezat en timmerman was geweest. Maar die onderwijzer, een zekere Rutger, had een horrelvoet, zoals ze meer dan eens vertelde, en dus ging het feest niet door. Ze wilde niet met een horrelvoet gezien worden. ‘Nou, stop er dan over, ma.’ Graag een onderwijzer maar dan wel één met twee gezonde voeten. Een moeder met pretenties. Vrouw van overdreven ver doorgevoerde omgangsvormen. Tafelmanieren bijvoorbeeld. En de volgorde van traplopen voor man en vrouw. Wie eerst naar boven, en wie als eerste naar beneden. Maar we hadden thuis helemaal geen trap.
Mijn moeder, ze was er één van Beenen. Die Beenens hadden het allemaal veel te hoog in hun bol. Behalve Beenen zelf, mijn opa, een sigarenmaker ooit. Hij pruimde en spuugde in een conservenblik waar eerder de doperwtjes in gezeten hadden. Mijn moeder had een bloedhekel aan die pruimtabak. Het werd oogluikend bij ons thuis toegestaan. Maar het spul uitspugen in het conservenblikje, dat moest hij vooral uit het zicht op zijn eigen kamer doen. Opa was mijn vriend en ik de zijne. Samen kochten wij zijn sigaren van Elisabeth Bas in de Hasebroekstraat. We wandelden door de Busken Huetstraat naar het Schimmelpenninckplein. We liepen over de Cartesiusweg langs het rangeerterrein van de spoorwegen naar familie op de Amsterdamsestraatweg. Die twee tunnels van nu waren er toen nog niet. Op de Cartesiusweg had een broer van mijn moeder gewoond. Broer Arie. Die werd door de calvinistische farizeeërs dood gezwegen. Arie was weg bij zijn vrouw en hokte in Zandvoort met een zekere Grada. Arie zou branden in de hel. Opa was in die opvatting het meest gematigd. Zijn kletszieke dochters niet. Opa nam ons mee met de bus. Naar dat prachtige station van Utrecht met dat bordes en die indrukwekkende standbeelden. Met bulldozers moest het station later wijken voor die betonnen wansmaak van Hoog Catharijne. Die hele stationsbuurt ging plat. Inclusief de cafetaria op de hoek bij het streekvervoer waar opa na tandartsbezoek trakteerde op patat met mayonaise. Utrecht takelde zich toe om er nooit meer van te herstellen. 
Lijn 4. Mijn hele jeugd was de lichtblauwe bus 4 onlosmakelijk verbonden met Utrecht-West. Een fantastische man, mijn opa. Zachtmoedig. Maar zijn vijf dochters, die plakte je het liefst stuk voor stuk achter het behang. Onuitstaanbare wezens. Mijn vader moet het niet gemakkelijk hebben gehad. Hij zuchtte en stak maar weer een North State op. Sta je op een trap met een emmer muurverf en denk je plots aan het Majellapark. Ik zal haar nooit vergeven dat ze zich na de dood van mijn vader volledig overgaf aan zelfmedelijden. En dat ze er nooit bij heeft stilgestaan wat het verlies van een vader voor haar twee zoons op hun nog jonge leeftijd wel niet betekende. Moeder ging in een stoel zitten met heel haar verdriet en dat was het dan. Ze kwam er niet meer uit, uit die stoel.
Later was het nog heel wat als ze de stoel haalde. Ze zag er het nut niet meer van in uit bed te komen. Bezorgde naburige ambtenaren die zich ermee gingen bemoeien zonder dat het iets opschoot. Depressies. De huisarts. Weer een andere dokter. Nog eens één. Pillen die niets voorstelden. De injectiespuit. Ze had geen rijbewijs want anders hadden we een autootje voor haar gekocht. Aan dochters kwamen we niet zo gauw. Een oudste zoon die haar een paar keer gedwongen moest laten opnemen in de inrichting Zon & Schild bij Amersfoort. Dan weer ineens een opleving. Met proefverlof naar huis. Waar alles weer begon van voren af aan. Weer een gedwongen opname. Weer zo’n KZ-verklaring. Een verdeelde familie Beenen. Iedereen wist precies te vertellen hoe het moest maar zonder enige afstemming en overeenstemming. En zonder benul. De Babylonische spraakverwarring. Kippen zonder kop. Hoe kon het ooit zover komen. De isoleercel. Zusters die alleen maar met hun gebazel rotzooi maakten en zodra de vuiligheid tegen de plinten klotste mochten de twee zoons van Fietje de boel opruimen. Daar waren ze zoons voor. Ze werd manisch. Ze werd manisch-depressief. En de artsen maar pillen blijven voorschrijven. 
Misschien ben ik toch wel van mijn moeder blijven houden door de jaren heen. Op mijn manier dan. Met het bewaren van enige afstand. Met een zekere gereserveerdheid ook. Maar nooit heb ik haar in de steek gelaten. Als ze me weer eens tot hier zat, de vlakke hand ter hoogte van de bovenkant van mijn voorhoofd, dan dacht ik terug aan hoe ze me met eindeloos geduld overhoorde bij mijn huiswerk van het Christelijk Lyceum. Ze sprak weliswaar geen woord Frans maar ze hielp me wel bij de Franse werkwoordvormen: j’ai, tu as, il a, nous avons, enzovoorts. Ze glom als ik de familie vertelde dat ik het mooie cijfer voor Frans toch maar mooi mede aan haar te danken had. Dat was lichtelijk overdreven, beslist lichtelijk overdreven, maar wat kon mij dat schelen. Niets leukers dan de tantetjes Beenen in de maling nemen. Zeker de oudste met haar migrainemanie en haar op niets gestoelde kapsones. De tantetjes Beenen stemden ARP, en de oudste liever nog CHU. Hoe zwaarder hoe interessanter voor haar dure kennissen. Hoe vaak moesten we niet horen dat daartoe ook de dominee behoorde en de huisarts. Ik heb het mens nooit geloofd. Graag vertelde die oudste zus hoeveel operaties ze wel niet achter de rug had, het waren er 22. Vandaar natuurlijk die dominee binnen handbereik. Bij ons thuis ging er naar de verkiezingen toe een grote affiche van de PvdA voor het raam met uitbundig de naam van de verlosser Willem Drees. Ook opa ging daarin mee. Opgeschoven van CHU naar ARP en zo verder naar Drees. Vanwege zijn AOW.  
Sommigen blijven moederskindjes. Mijn moeder bleef een vaderskind. Mijn ouders trouwden en mijn opa, al betrekkelijk jong weduwnaar, trok bij ze in. Dat bleef zo tot zijn dood in 1964. Hij werd 84. Opa beschermde zijn favoriete dochter Fietje. En Fietje liet dat maar al te graag gebeuren. Mijn vader was er ook, maar soms vroeg ik me af waar hij precies was. In de pikorde, bedoel ik. Na de dood van opa moesten vader en moeder samen door en dat was niet altijd even gemakkelijk. Er was altijd een derde in hun huwelijk aanwezig geweest. Ze kochten allebei een solex en vonden zichzelf opnieuw uit. Mijn vader had inmiddels een nieuwe baan gevonden na de massaontslagen bij Werkspoor op Zuilen. Zijn zwager, chef Volkshuisvesting in Utrecht, hielp hem aan die nieuwe baan. Hij werd gemeenteambtenaar. Huurincasseerder. Met zijn zwakke hart liep hij dagelijks in verschillende Utrechtse wijken trap op trap af. Kortademig. Hij maakte al gauw een uitgebluste indruk. En bleef doorroken. Hoestte slijm op bij het opstaan. Hij bleef het gevoel houden dat zijn vrouw en haar familie hem te min vonden. Ooit fabrieksarbeider altijd fabrieksarbeider. Trok steeds meer naar zijn eigen familie. Zijn oudste zoon puberde zich op de hbs naar een Beenen. Ook dat nog.
‘Ik maak mij grote zorgen over je vader.’ Ze zat tegenover me in een Utrechts knijpje. Beiden aan een kop koffie, mijn moeder en ik. ‘Wat moet ik nu?’ Ja, wat moest ze nu? Was zojuist in het militair hospitaal geweest. Niet in Oog-en-Al maar ergens in de binnenstad. Zou het niet meer weten te vinden. Ik zou ook niet meer weten waarvoor. Zal wel iets met voetballen zijn geweest. Het kan ook mijn gebit zijn geweest. Niet veel later werd ik op de kazerne van de kamer gehaald omdat er beneden telefoon voor me was. Mijn moeder. Mijn vader was in het ziekenhuis Oudenrijn opgenomen. Met spoed. Zijn longen. Een embolie. Aan het einde van die week bezocht ik mijn vader. Op vrijdag in de vooravond. Voor het eerst voelde ik iets van een warme verwantschap tussen ons, van contact, zoals hij daar aangeslagen in dat ziekenhuisbed lag. Beloofde hem de volgende dag te zullen komen scheren. Met zijn elektrische Philishave. Wij naar huis, mijn broer en ik. Keken naar Johnny en Rijk op de tv. Vermaak uit de beginjaren zeventig. Grappen die we nu melig zouden noemen, toen niet. Mijn moeder liet lang op zich wachten. Die zou een lift krijgen van haar zuster die met de chef Volkshuisvesting was getrouwd. Toen nog wel althans. Ze stapte uit de auto van haar zwager. We zagen het al. We zagen het meteen. De manier waarop dat uitstappen gebeurde, alles in slow motions, dat beeld maakte meteen duidelijk dat het foute boel was. Dat was ook zo. We hadden geen vader meer. Maar daar draaide het niet om. Toen niet en nooit niet. Aan ons werd niet gedacht. Aan ons werd ook geen aandacht besteed. De dood was iets van volwassenen. Zij was haar man kwijt. Het begin van droeve jaren waarin wij onze jeugd verloren, wij die onze jeugd wisten afgepakt. Niet moedwillig, maar toch: afgepakt. Achteraf iets vaags van schaamte over ons gelach die vrijdagavond om Johnny Kraaykamp en Rijk de Gooyer.
Mijn moeder wist niets van de financiën. Ze keek na de begrafenis naar de papieren met de handen in het haar. Ze keek naar brieven van instanties gelijk een aapje in een horloge. Haar ogen draaiden alle kanten op. Van de begrafenis in maart van dat jaar ‘72 tot aan de Kerst ging het nog wel. We deden met de kerstdagen mee aan de eerste shift in restaurant De Biltse Hoek. Moeder amuseerde zich. Maar niet lang daarna ging het mis. Inmiddels uit militaire dienst en een baan op de afdeling zwangerschapsuitkeringen van het ministerie van onderwijs. Op kamers aan de Frans Halsstraat 32 in Utrecht. De verhuurder was van een winkelketen in bruidsjurken. ‘Verhuis naar de Frans Halsstraat stiekem als je moeder slaapt’, adviseerde de dokter. ‘Voorkom heisa en huilpartijen.’ Zo gedaan. Iets dat bij de gedachte eraan nog altijd schuurt en pijn doet. Een stiekeme vlucht voor mijn eigen behoud om daarvan nooit echt te genieten. Bij bezoeken aan thuis op het Majellapark steeds vaker een lege koelkast. Of eten waar de schimmel op stond. Eerst haar vader kwijt, zeven jaar later haar man. Dood in hetzelfde ziekenhuis, niet op dezelfde kamer maar wel op dezelfde gang. Het was te veel. Een moeder die het niet meer zag zitten. De vicieuze cirkel. Thuis, opname, thuis, opname. Vervelende tantes. Calvinisme. De Heer is mijn herder. We moesten maar op God vertrouwen. ‘Jullie zijn uitverkoren, jullie zijn uitverkorenen.’ ‘Ma, doe even normaal, hou daar mee op.’
Niet God maar honkbalclub UVV was tot op zekere hoogte de redding. Niet in alles maar wel in veel. UVV werd voor ons het Heilige Sacrament van de gehele jaren zeventig. Ook voor mijn moeder in ‘77. De Japanse speler Yoshi Shirai, die voor zijn studie in de komkommerteelt stage liep in Harmelen, had met spoed een logeeradres nodig. Voor een paar maanden. Het werd al gauw Majellapark 4. Of hij huur betaalde weet ik niet meer. Het zal hooguit een kleine bijdrage in de kosten zijn geweest. Mijn moeder klaarde op. Ze had weer iemand om voor te zorgen. Ze kookte dagelijks drie gangen maaltijden voor haar Japanner. Soep, hoofdgerecht en dessert. De vraag van UVV of het wat minder kon, want die jongen kwam te veel kilo’s aan. Van ons de vraag aan Yoshi Shirai of hij minder voor onze moeder wilde buigen, want ze maakte elke keer houterige buigingen terug en kreeg last van haar rug. Niet weer een dokter. Het was wel amusant om te zien. De Japanner rookte heel bijzondere sigaretten. Daarvan begon onze moeder er af en toe ook één op te steken. Die vrouw had een doel gevonden. Op manische wijze. Dat doel was haar Japanse honkballer die voor komkommers naar Nederland was gekomen. Veel communicatie hadden ze niet. En ook weer wel. Yoshi sprak nauwelijks Nederlands. En onze moeder geen Japans. En ook geen Engels. Veel gebarentaal. En lachen. Elkaar toelachen. Yoshi met die ene gouden tand. En buigen. Ze liep er krom van. Ben ik van mijn moeder blijven houden? Eigenlijk denk ik van wel.
Nooit vergeten hoe ze aan de telefoon thuis die malle kapitein Aspers in ’t Harde aanpakte. Ze rukte de telefoon uit mijn hand. Die telefoon hing toen nog aan de muur met zo’n draaischrijf waarvoor je niet al te dikke vingers moest hebben. Ze was nog maar kort weduwe. ‘Wilt U niet zo schelden tegen mijn zoon, meneer. Met wie hebben wij de eer? Mijn zoon een deserteur? Dat is hij helemaal niet. En er wordt in mijn huis niet geschreeuwd, ook niet door de telefoon. Mijn zoon is vannacht thuis gebleven ja. Ik had hem nodig. Hij komt nu naar de kazerne en daar maakt U excuus voor Uw geschreeuw.’ Zo kon ze ook zijn. Niet vaak, heel soms. Zo ook eens op de lagere school de meester aangepakt. ‘Durf ooit nog eens aan zijn oorlel te zitten.’ Het maakte indruk. Ook op Aspers. ‘Ik was van plan je van soldaat eerste klas te degraderen naar gewoon soldaat. Ik zie ervan af. Er volgt geen straf. Ingerukt mars.’ Straf volgde later wel toen ik na middernacht terugkeerde van een avond UVV. De opperwachtmeester trof een leeg bed. Ik zou de volgende dag afzwaaien maar dat werd met een maand uitgesteld. In die maand mocht ik op de kazerne de gang en enkele kamers wit kalken. Want schilderen kon je het niet noemen. Kalken met een kwast die nauwelijks groter was dan een tandenborstel.   
UVV bracht ons in de jaren zeventig veel goeds. Toen mijn moeder nog pendelde tussen thuis en Zon & Schild kon de hond, een nerveuze tackel, onmogelijk op het Majellapark blijven. UVV-werper en –coach Peter Terstall en zijn echtgenote Ria haalden het dier liefdevol naar Deil. Daar aan de Linge werd de tackel stokoud. Daarna dook Yoshi op. UVV hield mijn broer in de weekenden van de straat. Voor mij gold hetzelfde. Ikzelf liet me door het honkbal zelfs volledig opslokken. UVV was ons sociale vangnet. Het honkbal, werk op Rechtspositie aan de universiteit van Utrecht, een studie sociale academie aan de vuurrode Horst in Driebergen, de voogdij over mijn broer en het curatorschap van mijn wankelmoedige moeder, want dat bleef ze. Liet een oog vallen op Astrid die in de Frans Halsstraat om de hoek woonde. Ze was de blonde dochter van een collega op de universiteit. Net gemalen poppenstront die gereformeerde collega. Zijn vrouw was nog erger. Het echtpaar Tijsseling zag niets in een verkering van hun dochter met die atheïstische eigenheimer op ongepoetste cowboylaarzen en idioot lange bakkenbaarden. Kocht een auto. Meteen maar een sportwagen van Fiat. Een oud kreng overigens dat meer niet reed dan wel. Altijd malheur met de accu en zo. Met Astrid op een zaterdagavond in die sportauto naar Amsterdam. Vertelde ze later aan haar ouders dat we op de Zeedijk waren geweest en in de Warmoesstraat. Jammer dat ik daar niet bij ben geweest. Had het hele gereformeerde tafereel graag gade geslagen. Tijsseling en zijn vrouw grepen meteen naar de bijbel en besloten Astrid daaruit voor te lezen. Met de woede van Tijsseling is me veel bespaard gebleven. Soms verveelde ik me. Maar meer dan soms was het niet. Mijn moeder had dagen dat ze wel tien keer belde. Werd je er boos om dan belde ze meteen weer op om het goed te maken. En als je niet meer boos was dan belde ze even later met de opmerking dat ze voortaan niet meer zo vaak zou bellen. En dan werd ik weer kwaad en begon alles van voren af aan. Ze irriteerde en vertederde. Je kon nooit lang boos op haar blijven. Ze leed aan dwangmatigheid, aan dwangneuroses.
Sytze van der Zee brengt me op dit onderwerp met zijn boek ‘Potgieterlaan 7’. Openhartig boek. Schitterend boek. Geen opsmuk. Ergens stelt hij zich de vraag of hij ooit van zijn moeder gehouden heeft. Hij moet het antwoord schuldig blijven. Van zijn vader heeft hij zeker wél gehouden. Ondanks alles. Dat proef je. Dat merk je aan alles. Sublieme flashbacks. De chronologie al meteen losgelaten. Hij bedankt zijn vrouw, Maria. Haar ooit eens gesproken op een feestje van Het Parool. Ze klaagde toen dat workaholic Sytze op vakanties altijd wilde afvallen en zij het er dan  juist van wilde gaan nemen. Ellen stelde ik aan mijn moeder voor toen ze al een poos van Zon & Schild verlost was en toen de gedachten aan die isoleercel achter de horizon leken te zijn verdwenen. Al kwam het nooit écht zover. Daarvoor was deze gebeurtenis die zich twee keer voordeed maar al te schokkend. Het hart was er nog net tegen bestand, de ziel niet.
Op de kamer van de naar Japan teruggekeerde Yoshi woonde alweer enige tijd een meisje. Die is er ooit met de gehele pannenset vandoor gegaan. En het restje, zei mijn moeder naderhand schouderophalend. Mijn moeder had van kamerverhuur de smaak te pakken gekregen. Bovendien kwam Karel van de overkant van de Vleutenseweg steeds vaker voor langere tijd langs. Hij was weduwnaar. Samen betrokken ze een kamer met keukentje in een verzorgingstehuis. Op Overvecht. Ook daar stond het binnen een mum van tijd stijf van de sigarenrook. La Paz, twintig stuks in een bruin blikken doosje. Mijn moeder had nog steeds geen dochters. En evenmin een autootje. Op de solex durfde ze allang niet meer. Waar hij gebleven was? Joost mag het weten. Hij verdween zoals de meeste spullen van Majellapark 4 verdwenen. Mijn moeder was grenzeloos vrijgevig. En er liepen onderhand heel wat inhalige figuren bij haar in en uit. Een vaas en twee dekschalen heb ik voor mezelf kunnen redden. Dat was alles. Had me in die tijd ook met Ellen meer en meer teruggetrokken. Niet omdat Ellen dat wilde maar omdat ik er moe van was. Zeker van het gepreek van mijn moeder op het balkon aan het Majellapark. Als ze manisch was leed ze ook aan godsdienstwaan. Dan waren we de uitverkorenen. Waar ik in die jaren overigens nooit iets van heb gemerkt. Voelde me eerder het lam Gods dat naar de slachtbank was geleid. Zoiets.
Ineens was ze dood. Karel was haar enkele jaren eerder voorgegaan. Mijn moeder dood. We hoorden het pas enkele dagen later. We waren van vrijdag tot en met zondag in Epen in Limburg om te vieren dat we tien jaar waren getrouwd, Ellen en ik. Het liep tegen de Kerst. Het was waardeloos weer. Koud en guur. We besloten al op zondagmiddag terug naar huis te rijden. Onderweg stelde Ellen voor langs mijn moeder te gaan in het verzorgingstehuis. De winkels waren open en er werden bonbons voor mijn moeder gekocht. Het kunnen ook kerstkransjes zijn geweest. In elk geval iets van chocolade. In het verzorgingstehuis op Overvecht vonden we de deur van moeder open. Zelf was ze er niet. De deur stond open. Dat was niets voor haar. In het appartement zocht Ellen naar een schaaltje voor de bonbons, of kerstkransjes, of wat het ook aan chocolade was. We hadden ook een kerststukje bij een kraampje gekocht. Wij wachten op moeder. We konden wachten tot we een ons wogen. De gang op naar een overbuurvrouw. Een vrouw met in haar appartement alleen maar boeken en nog eens boeken. Nooit geweten hoe ze heette, we noemden haar de boekenvrouw.
‘Maar weet jij dat dan niet?’ Wat zou ik moeten weten? ‘Je moeder is al een paar dagen dood. Was je niet thuis? Ben je vandaag tien jaar getrouwd en waren jullie in Limburg? Thuis staat je antwoordapparaat vol boodschappen van hier. Ze hebben je koortsachtig gezocht. Fietje is dood. Ze kreeg vrijdag een hersenbloeding onder de douche.’
Het werd surrealistisch. Het plafond, de muren, alles draaide voor mijn ogen. Heimelijk had ik haar wel eens dood gewenst maar nu het zover was voelde ik een behoorlijke leegte van binnen. We brachten het kerststukje en de chocolaatjes naar de boekenvrouw. We liepen doelloos door het appartementje van moeder. Nog maar veertien dagen geleden was ik begonnen aan een nieuwe baan, als chef nieuwsdienst bij het NOS-Journaal. Meer dan dertig sollicitanten. Het waren er 37, als ik me niet vergis. Ik werd het. Nog het meest tot mijn schrik. Een baan die veel druk op mij legde en nu dit.
Enkele uren voor de Kerst werd mijn moeder op Daelwijck gecremeerd. We waren de laatsten. De schoonmakers stonden al klaar met hun dweil en emmertje sop. Ellen en ik waren de enigen op het crematorium. We liepen de eerste meters vanuit het verzorgingstehuis achter de rouwauto aan. Een stoet van twee mensen. Hand in hand. Ik hoopte maar geen bekenden te zullen tegenkomen. Want dit, het lopen achter de rouwauto, vond ik maar niks. De twee tantetjes die nog leefden wensten met een aparte rouwwagen, heel berekenend, ik kende ze niet anders, van huis te worden opgehaald. Op mijn moeders kosten. En passant kon die rouwwagen, vonden ze, ook wel even vanuit de directe omgeving van het stadion heel Utrecht oversteken om een nicht met gezonde benen een lift te geven. Op mijn moeders kosten. Want had die familie Beenen niet altijd heel veel voor ons gedaan? Het bazelen nooit verleerd die tantetjes. Daar komt niets van in, liet ik ze weten. Ze weigerden zelf een taxi te nemen. Laat staan dat ze er zelf voor wilden betalen. Ik kon me geen gemakkelijker en mooier resoluut afscheid van de zusters van mijn moeder wensen.
Op 24 december 1997 om half vijf ‘s middags ging het crematorium achter ons dicht. Het kerstverlof was begonnen. We hadden afscheid van mijn moeder genomen, Ellen en ik, zonder de familie Beenen, zonder de familie Carbo waarmee we toch al niet of nauwelijks contact hadden, maar mét Bach. Er werd niet gesproken. Twee mensen van wie de één de ander vanachter een microfoon toespreekt… nee. Er werd wel geluisterd. Naar ‘Jesu Joy Of Man’s Desiring’ van Johann Sebastian Bach. Dat werd ook gespeeld toen mijn moeder in de Vredeskerk op de hoek van de Kanaalstraat en de Billitonkade mijn broer ten doop hield. Dat lied droeg mijn moeder in haar hart. Er werd teruggedacht. Teruggedacht aan zware jaren. Zware jaren waren het geweest met een moeder die niet sterk in haar schoenen stond en al helemaal niet in het leven.
‘Maar die heeft tenminste dochters’.
‘En die dan?
‘Die heeft geen dochters, inderdaad, en ook geen zoons, maar wel een autootje’.
Ik was gelukkig altijd van haar blijven houden. Ze bleef tóch mijn moeder.  
 
 
 
  
 
 
 
  
 
 
 
 
 
 
   

Zorginfanterist filmt boven, nieuwsgierig kijkt de sfinx beneden mee

20190830_101246

‘Waanzinnig gewoon’, klinkt het opgetogen uit de mond van de verzorgende. Even eerder was een opgetogen Trudy speciaal voor Ellen het schilderen met een brede kwast van de werkkamer boven wezen filmen en fotograferen. Ellen is er sinds haar gebroken heup zes jaar geleden niet meer geweest. Geen traplopen sindsdien. Nu kijkt ze samen met haar verzorgende naar wat zich zoal boven haar hoofd afspeelt. Is het nou blokkwast of blockkwast? Van Dale geeft geen antwoord. Het beduimelde pocketwoordenboek van Prisma evenmin. Geen geschilder met een roller want dan spat de verf alle kanten op. Vrijdag 30 augustus. De maand eindigt tropisch. Met een hittegolf. Net als met ‘Kijkje achter de schermen’ (2015) bezig aan een nieuw dagboek. Geen gespat met verf, maar daarentegen wel gaan de gedachten alle kanten op. Heeft dit leven voor Ellen nog wel zin? Laatst weer eens door iemand gevraagd. Wat moet je met zo’n vraag! Een vermoeid schouderophalen. Zelf zal ik een ander nooit zo’n vraag stellen. Bij ziekte speelt gevoel een belangrijke rol en het zich vastklampen aan… Met hart en ziel. Zich vastklampen aan wat? Aan het leven!
Afgezien van alle perikelen rond parkinson en Lewy Body (met geregeld wolkenpartijen die in haar hoofd de zon verduisteren) is Ellen nog verschrikkelijk goed. Nooit verkouden, geen griep, wondjes genezen in een handomdraai. Niets van doorliggen. Geen nachtbraken. Een geweldige eetlust. ’s Ochtends een kopje koffie van LavAzza. Met melk en suiker. Ze is een zoetekauw geworden. Elke dag aan het eind van de middag haar glaasje chardonnay. Eén op één verzorging. Structuur. De duidelijke dagindeling en planning. Ze wil leven, LEVEN, uitroeptekens. Ze hecht aan het leven – dat merk je aan alles. Aan de wandel door het Maximapark. Bijna elke dag aan de rolstoelwandel. Lange siësta’s met pianomuziek en de schuifpui open. Wuivende roomwitte overgordijnen. Een meter daarvandaan het tuinmeubilair onder een grote parasol. Klaar voor de bijna dagelijkse borrel en barbecue. Maar ook veel slapen. Beperkte energie. De schemertoestand. Zo nu en dan comateus zowat. Het van parkinson zo kenmerkende masker. Het gezicht dat strak staat en weinig tot bijna geen mimiek vertoont. Waar zijn dan de emoties? Dat ongrijpbare en ondoorgrondelijke, ze maken machteloos en dikwijls moedeloos. Lichtpuntjes zoeken als mantra. Bezig blijven en zorgen dat het huis mooi blijft. Onderhoud plegen. De schilderkwast. 
‘Johan waanzinnig gewoon’. En toen het relaas. Trudy, een van onze daadkrachtige zorginfanteristen, was naar beneden gegaan, naar Ellen, en had het filmpje en de twee foto’s van het schilderen laten zien. En toen? Trudy: ‘Ik wist niet wat ik meemaakte. Ellen hield haar blik op de foto’s gevestigd. Haar wenkbrauwen gingen omhoog. Ze keek aandachtig naar het filmpje en luisterde met gespitste oren. Ze mompelde iets onverstaanbaars. Het kwam van ver en daarna van steeds dichterbij. Ze volgde al je bewegingen met die kwast en ging ook heel duidelijk op je stem af. “Dat is boven”, zei ik. “Herken je het Ellen?” “Ja”, hoorde ik en ze werd helemaal blij. En maar luisteren naar wat jij op dat filmpje te zeggen had. Ik vroeg of ze vond dat jij goed kon schilderen. “Ja goed”, antwoordde ze en maar kijken en kijken naar het filmpje. Schitterend, in één woord schitterend.’
Inderdaad, schitterend, en niets is tijdelijk. Wie zei dat ook alweer? Tsjechov? Deze Russische arts en schrijver? 
Dit gaan we vaker doen. We filmen gebeurtenissen in huis op plekken waar Ellen helaas niet meer komen kan en laten die haar dan naderhand zien. En we voorzien de beelden uiteraard van tekst. Vrolijke tekst. Kijken hoe ze reageert. Het huis is groter dan alleen de benedenverdieping. Is dit ook een deel van ons geheim? Dat we proberen zo normaal mogelijk met de omstandigheden om te gaan en dat we als ‘Team-Ellen’ steeds op zoek blijven naar nieuwe vindingen? We houden het licht. Niet alleen de muren houden we licht maar ook ons gemoed. Er wordt door ons verdriet heen veel gelachen. Er dwars doorheen! Dat schilderen vereist grote porties geduld. En het schilderen van wit op wit is zo gemakkelijk nog niet. In een mum van tijd is de schilder sneeuwblind. Samen in al die 36 jaar met Ellen meerdere keren ons huis van boven tot onder geschilderd. En ook dat van vrienden in Amsterdam en Blaricum. Geduld ja, dat had onze vriend in Blaricum niet. Het toenmalige hoofd amusement van de NCRV hing zijn schilderijen alweer op toen zijn muren nog nat waren en moesten uitwasemen. De volgende dag had hij schimmel. En we hadden hem nog zo gewaarschuwd. Wel lekker gegeten daar in Blaricum. In een Japans restaurant, als ik me nog goed herinner. Het was november en hartje Blaricum was al helemaal in kerstverlichting. Een ansichtkaart gewoon! Daar staken ze ons aan, daar in Blaricum. Van de weeromstuit kochten we ook een doos lampjes voor in de takken van een struik. We hebben ook eens de complete woning van mijn moeder aan het Majellapark 4 in Utrecht staan sauzen, Ellen en ik. Dat huis was volledig doorrookt vanwege de vele sigaren die mijn moeders vriend Karel rookte. Wat rookte hij ook alweer, La Paz? Die twee maakten er ook vaak een kerkse toestand van brandende kaarsen en waxinelichtjes van. Van het schilderen op Majellapark 4 werd je zeker niet sneeuwblind. Daar bleef je de afscheiding heel goed zien.
Het belooft onstuimig en herfstig te worden volgende week. Het weer slaat om. Een te groot uitgevallen klapperkunstgebit van de weergoden zal ons gaan toegrijnzen. De stekker gaat gewoon weer ’s avonds in het stopcontact voor de kerstverlichting in een boom van de voortuin. Waarom ook niet?! Het is nooit te vroeg om op de zaken vooruit te lopen. Wie zei dat ook alweer? Nee, niet Tsjechov. Een ander. Heb ik ooit van mijn moeder gehouden?, vraag ik me op de ladder af. Toen ik nog heel jong was wel, toen hield ik van mijn moeder. Maar later? Later werd dat steeds minder. Ze was vrijgevig en zorgzaam. Maar ook lijdzaam, amechtig en jaloers. Ze was weinig zelfstandig. Ze stimuleerde een verhuizing van de Jaffastraat naar honderd meter verderop aan het Majellapark. Van gewone mensen naar ambtenaren. Nog geen drie weken later had ze spijt en kreeg mijn vader de schuld. Ze ging in een slaapkamer voor het raam zitten en de hele dag naar onze oude tuin staren. Naar de seringenboom vooral. Haar seringenboom. Een witte. Op het Majellapark zijn we als gezin wel een keer of zes onderling van kamer geswitcht om mijn moeder maar oogcontact met die seringenboom op de Jaffastraat te laten houden. Hoe dichter bij die boom hoe beter. Het werd er niet beter op. Niet opgewassen tegen het leven toen het er op aan kwam. Totaal geen vechtlust. Geen enkele weerstand. Lamenteren. Ze was graag met een onderwijzer getrouwd in plaats van met een timmerman die ooit nog eens een winkel in vogelbenodigdheden bezeten had. Maar die onderwijzer, een zekere Rutger, had een horrelvoet, zoals ze meer dan eens vertelde, en dus ging het feest niet door. Ze wilde niet met een horrelvoet gezien worden. Graag een onderwijzer maar dan wel één met twee gezonde voeten. Een moeder met pretenties. Mijn moeder, ze was er één van Beenen. Die Beenens hadden het allemaal veel te hoog in hun bol. Behalve Beenen zelf, mijn opa, een sigarenmaker ooit. Maar zijn dochters, die plakte je het liefst stuk voor stuk achter het behang. Onuitstaanbare wezens. Mijn vader moet het niet gemakkelijk hebben gehad. Hij zuchtte en stak maar weer een North State op. Sta je op een trap met een emmer muurverf en denk je plots aan het Majellapark. Ik zal haar nooit vergeven dat ze zich na de dood van mijn vader volledig overgaf aan zelfmedelijden. En dat ze er nooit bij heeft stilgestaan wat het verlies van een vader voor haar twee zoons op hun nog jonge leeftijd betekende. Moeder ging in een stoel zitten met heel haar verdriet en dat was het dan. Ze kwam er niet meer uit, uit die stoel.    
Hoe in vredesnaam kan het bestaan dat het welvarende Nederland van 2019 nog steeds niet is overgegaan tot differentiatie en specialisatie in dementie of verschijnselen die daar tegenaan leunen? Ook zo’n gedachte op de trap. Waarom besloot verpleeghuis De Ingelanden een paar jaar geleden niet om de bewoners met parkinson en Lewy Body bij elkaar te huisvesten in plaats van ze te laten opgaan in de grote stroom op een gesloten afdeling? Ze hadden er met de herinrichting (en reorganisatie) alle kans toe. Maar nee. Ze gingen zich meer toeleggen op dementie en hielden alles bij het oude. Slechts met de mond beleden progressie. Bedriegerij. Wat gaat hierachter schuil? Verkeerde zuinigheid? Een kruideniersmentaliteit? Zal ik ze achteraf toch bij de overheid verantwoordelijk houden voor inschattingsfouten en nalatigheid? Mensen zoals Ellen horen niet in een verpleeghuis op een gesloten afdeling thuis. Dat is vrijheidsberoving. Het staat op gespannen voet met de mensenrechten. Wat ben ik blij dat ik haar enkele jaren achtereen elke dag uit het verpleeghuis weghaalde en voor uren en uren mee naar huis nam. De streng-orthodoxe farizeeërs in de verpleegzorg in hun gezicht uitgelachen. Ik moest niet zo slepen met mijn vrouw. Ik moest Ellen laten verstakkeren tussen de andere bewoners. Het bontst maakte de directrice in Nederhorst den Berg het. En als die figuren zelf eens…? Wat ben ik blij dat we nu alweer bijna drie jaar geleden het boek verpleeghuis niet eens meer uitlazen, maar dichtklapten, en zo ver mogelijk wegslingerden. Kan je in geval van Ellen blijven spreken van Lewy Body dementie of moeten we met elkaar spreken van het Lewy Body syndroom? Voor het hechte en met elkaar bevriende ‘Team Ellen’ is het duidelijk. We schrappen het woord dementie. We achten onszelf ervaringsdeskundigen bij uitstek. We zijn de boekenwijsheid ruimschoots voorbij. Waanzinnig gewoon.
Over boeken gesproken. Naast Ellen beneden op de bijzettafel ‘De kunst van het veldspel’ van Chad Harbach uit Wisconsin die aan Harvard studeerde. ‘De kunst van het veldspel’ is het gedroomde romandebuut van een groot literair talent. Een roman over honkbal, ambitie, perfectionisme, karakters, familie, vriendschap en liefde. Dit alles binnen een honkbalploeg op de universiteit van Westish aan de oever van Lake Michigan. Eén verkeerde worp van de uitblinkende korte stop Henry (op weg naar eeuwige roem) doet de levens van vijf mensen op slag veranderen. Hemzelf incluis. De rector wordt iemand om van de te gaan houden. Ook als lezer. Ook de lezer gaat vanzelf van Guert Affenlight houden. Zijn hart brak, zijn ziel bleef. Boek met een adembenemende apotheose. Verfijnd slotakkoord. Een ziel is (anders dan een hart) niet iets waarmee de mens geboren wordt. Maar is iets wat moet worden opgebouwd. Met vallen en opstaan. Met studie en toewijding. Zoals die rector. Zoals die andere hoofdpersonages gaandeweg het boek. Pagina 517 dreunt door. Ook onder het schilderen met een blokkast of een blockkwast. Zielsveel van elkaar houden. Dames die vanuit toewijding met hart en ziel dagelijks voor ons klaarstaan. Hun betekenis wordt groter en groter. Meanderende gedachten. Schildergedachten. De herkenning. ‘De kunst van het veldspel’ zou op elke school in het middelbaar onderwijs verplichte lesstof moeten zijn. De noodzaak van perfectionisme en tegelijkertijd  (o wee) de valkuil ervan.
Ik haal een nieuw oud boek uit de kast om te herlezen. ‘Potgieterlaan 7’ van Sytze van der Zee. Over zijn jeugd en over zijn ouders die bij de NSB zaten. Als onschuldig kind werd hij tot ver na de oorlog met de nek aangekeken. Ik zie het voor me: door een vader van een vriendje ten overstaan van leeftijdgenootjes weggestuurd worden van een kinderfeestje met een poppenkast omdat zijn ouders fout waren in de oorlog. ‘Potgieterlaan 7’. Ergens in het boek stelt ook hij zich de vraag of hij ooit van zijn moeder gehouden heeft. Dat staat me nog steeds voor de geest. Sla het boek open, en ja, zie! Een hartje met rode ballpoint, en daarachter: ‘Valentijnsdag 1997. Voor mijn allerliefste vriendje. Van Ellen’. Ik huil aan het bureau in een fris geschilderde spierwitte werkkamer. Kale muren want ze moeten drogen. Het klinkt er hol zonder gordijnen. Die moeten nog terug. Boven m’n hoofd hoor ik gestommel. Met de buren laten we de schoorsteen preventief nakijken. Nergens met schilderen over de randjes gegaan. Geen strepen ook. Wat verfklodders op een oud T-shirt. ‘Voor mijn allerliefste vriendje’. Ik huil zonder er geluid bij te maken. Zonder tranen ook. Want tranen, die zijn er allang niet meer. Vergoten. Een hele tijd geleden alweer. Konden we de tijd maar stilzetten. Maar laten we het licht houden. Zoals de muren. En zoals ook de kast. Ook die is opgekalefaterd. Net zo wit weer als de muren. Het is trouwens gewoon blokkwast. Met alleen maar een k. 

20190830_091750

Bijzonder weer de reactie van Ellen! Geeft moed en bevestigt nog eens de juiste keuzes destijds. Ga morgen wandelen bij Amerongen. Als ik op tijd terug ben kom ik graag even langs voor een afzakkertje. Succes met schilderen! Charles. 
****
Hahaha, geweldig dat filmpje! Moest er ook erg om lachen. Er gaat meer in Ellen om dan we denken. Morgenochtend zet ik Ellen weer onder de douche en daarna een uurtje ochtendzon. Diana.
****
Je bent een klein stukkie vergeten beneden. Bij de deur links. Dat moet nog een likkie verf krijgen hoor. Wat willen meneer en mevrouw Carbo eigenlijk eten volgende week? Ik heb de bestelling nog niet ontvangen. Die kast met boeken is ook heel mooi wit geworden. Als je nog verf overhebt zou ik doorgaan naar de badkamer. In Praag hadden we veel plezier met dat schilderfilmpje dat Trudy ons via de app toestuurde. Zou Ellen wel eens terugdenken aan de rest van haar huis waar ze niet meer kan komen? Het blijft raadselachtig. Raadselziekte. Elly
****
Heeft Ellen al die warmte van de afgelopen week weer goed doorstaan? Ik heb jullie laatste blogs gelezen, ik ben weer helemaal bij. Prachtig! Komt zondag uit voor een glaasje? Wil. 
 

raadselziekte

Does Insulin Resistance Contribute to Parkinson’s Disease?
 
Ha Johan en Ellen,
Deze kwam ik zojuist tegen dus ik dacht stuur m door.
Fijn dag!
Niels.
 
https://blog.designsforhealth.com/node/855
****
 

 

Een tastbaar stukje verleden dat onder geen beding mag worden aangeraakt

20190825_152700_HDR_resized

‘Nee nee, niet aanraken! Niet aanraken, mevrouw! Wilt U dat alsjeblieft niet aanraken?!’
De Indisch man krijgt het op zijn zenuwen en fluit een paar hoge ijle astmatische toonladders in de tent waar het kwik naar boven de veertig graden is opgelopen.
Het zweet staat eenieder op de rug. Er is koffie en cake in overvloed. Natuurlijk, waar Indische mensen bij elkaar zijn moet er gegeten worden. Straks de rijsttafel. In elk geval rijst met boontjes en saté. 
De totok, daar houd ik haar in elk geval voor, geschrokken van de vermaning, ‘Niet aankomen’, brengt haar rechter hand vliegensvlug naar haar linker met cake. Ze kan een klein verlegen giechellachje niet echt onderdrukken.
Maar vanwaar al die drukte van die Indisch man om een lap gore, half vergane stof uit zijn poetsdoekenmandje thuis?  
Nu willen ook enkele andere bezoekers van de jaarlijkse herdenking van de jappenkampen voor vrouwen en meisjes graag weten welke geheimen de gedrongen Indisch man deze bloedhete zondag van 25 augustus heeft meegenomen naar zijn stand op het landgoed Bronbeek.
‘Nee, nee, niet te koop, dit hier is één van de pronkstukken uit mijn collectie.’
Niet aanraken dus, en de beker met koffie op veilige afstand houden. Maar de Indisch man vertelt graag. Heldere opgewekte stem.
‘Dit is een schort zoals U ziet.’ Inderdaad, dat zien we allemaal. ‘Dit schort heeft één van de vrouwen destijds meegenomen het jappenkamp van Ambarawa in. Ambarawa 6. Kijk, daar staat het: Ambarawa 6. Kennelijk konden ze in het kamp nog borduren. Ze hadden er naald en draad. Dit schort is in het jappenkamp van Ambarawa helemaal met borduurwerk verfraaid voor de Kerst van 1943. Leest U maar.’
Mogen we er niet heel even met onze vingertoppen overheen? Geen sprake van, gebiedt de Indisch man. Hij moet bij het KNIL gezeten hebben. 
Zou? Nee, waarschijnlijk niet. Zou dit schort van de moeder van Ellen kunnen zijn geweest? Zij borduurde graag, weet ik uit de overlevering. Sta gefascineerd de tekst te lezen op het schort van Kerst 1943. En ik vergeet de Indisch man te vragen naar hoe hij aan het relikwie gekomen is, en of hij ook weet van wie het borduurwerk afkomstig was.
Evenzo interessant is een vuistdik boek met kartonnen kaft vol foto’s over Ambarawa van destijds. Het rijk geïllustreerde boek ligt op een halve meter van het schort. Het boek mogen we wél aanraken. We mogen er van de Indisch man zelfs doorheen bladeren. Foto’s van het kampleven. Je ziet kinderen. Zou één van die kinderen Ellen zijn? Je ziet kampbewoners gehurkt met stokjes in de aarde schrapen. Op zoek naar iets? Maar op zoek naar wat? Naar mieren en zo. Om hun van leegte samengekrompen maag te vullen. Je ziet op de foto’s de onhygiënische toestand. Je ruikt de racekak. Het kamp werd steeds voller. Steeds meer mensen. Ieder een steeds kleinere ruimte. En maar inschikken. Privacy ho maar. Steeds minder eten. Hongeroedeem. Maar ook hier en daar een lach op de gezichten van de bewoners die de mensonterende omstandigheden probeerden te trotseren. Ik probeer me voor te stellen anno nu zo een uur te moeten leven. Het lukt me niet. Het schort was niet te koop, maar dit boek misschien wel? Na zijn dood, bast de Indisch man. Het is moeilijk in te schatten hoelang dat nog gaat duren. Hij oogt fit.
Vlakbij in de broeierige tent – de EHBO is gelukkig om de hoek – een kraam met kleding en de meest uiteenlopende snuisterijen. Daar geen strenge Indisch man maar een totok zoals hij vertelt. Hij is in Indië geboren uit Europese ouders, net als Ellen. De man draagt een karakteristiek Indisch zijden hemd. Dat lijkt me ook iets voor Ellen die met Diana thuis is achtergebleven. Ik mis Ellen hier op Bronbeek. Ik mis haar voortdurend. Kon een mens de tijd maar stilzetten. Maar Ellen mee naar Arnhem is geen doen, zeker niet met die hoge temperaturen. Buiten is het al 35 graden. Ik ga voor groen. Een groene zijden blouse. En samen met Diana moet ze daarin natuurlijk later op de dag op de foto. We gaan 25 augustus thuis in de tuin vieren met een barbecue en een klein gezelschap om ons heen.
Bronbeek 2019: 74 jaar na de bevrijding van de jappenkampen voor vrouwen en kinderen. Op hun tiende werden de jongens door de jap als volwassen beschouwd en weggerukt bij hun moeder. De beelden ken ik. Nu nog was er een aparte herdenking van de jongens in de kampen in de Archipel. Zoals broer Wiebe van Ellen. Niet volwassen geworden maar volwassen geschopt. Hij stierf in een inrichting in Haarsteeg bij Den Bosch. Geen aparte herdenking dus langer. Vanaf volgend jaar niet meer. Dan komt de herdenking al helemaal in het teken te staan van moeder en kind tijdens de Tweede Wereldoorlog in voormalig Nederlands-Indië. Gelijk het beeld in de grote tuin van Bronbeek. Moeder en geborgenheid. Moeder en veiligheid. Moeder en ook ontreddering. 
Het is deze zondag 25 augustus 2019 drukker dan ooit tevoren op Bronbeek. De organisatie heeft duizend klapstoelen op het gazon klaar gezet en die duizend zijn zo’n beetje allemaal bezet. Mooie zang, als altijd. Een geweldige toespraak ook van de presentator van het tv-programma ‘Andere Tijden’ wiens opa bij het KNIL zat. De spreker vertelt hoe hij zijn opa naar diens verleden vroeg. Handelingen van opa die tegenwoordig al niet meer zo vanzelfsprekend zijn als ze vroeger waren. De derde generatie die informeert naar de geschiedenis, de eerste (wat daarvan nog over is) die alle herinneringen naar boven haalt. Voor de één herinnering, voor de ander geschiedenis. En de tweede generatie die er in veel gevallen nooit over had durven beginnen. Eerste en tweede generatie deden er het zwijgen toe. Je zweeg over de oorlog. Je zweeg over de ontberingen. Je zweeg over het kolonialisme. Je zweeg. Je zweeg over alles. Je verdrong. Maar dat verandert. Er wordt steeds minder gezwegen. Er wordt ook steeds minder verzwegen. Ook niet meer over het slechte visitekaartje dat Nederland na de Tweede Wereldoorlog met de politionele acties afgaf. Wilhelmina werd door veel slippendragers en slaafse Oranjegezinde biografen de hemel in geprezen, maar bleek in feite dom en star. Ongeletterd zowat. Een koningin op klompen. Lees de historicus Gerard Aalders. Hij is niet van de verdoezeling. Wilhelmina had geen enkele notie van de veranderde verhoudingen in de wereld na de oorlog. Ze rebbelde en bazelde als een kip zonder kop vroom christelijk over Indië zonder er zelf ook maar één dag te zijn geweest. Haar ministers waren geen spat beter. Ieder een dreumes op het wereldtoneel. Dwergen. Uitgelachen kabouters. KVP-minister Joseph Luns van buitenlandse zaken niet uitgezonderd. De blinddoek. En dat verandert in het huidige tijdsgewricht in snel tempo. Er wordt niet meer uitsluitend geloofd in het eigen imperialistische gelijk. Herinnering en geschiedenis, ze vinden elkaar over een generatie heen.
Opa en oma – kleinkind. Ze waren er op Bronbeek in 2019 in groten getale, de kleinkinderen. Een stapje verder. Ook de kleinzoon van zes van Diana begint steeds meer te vragen. Over Afghanistan. Over het land waar zijn baba geboren is. Het land waar oma met twee kinderen uit wegvluchtte, kinderen in de leeftijd van haar kleinzoon nu. De deur ging achter hun dicht en er viel weinig tot niets mee te nemen. Bijna geen foto’s van vroeger. Bijna niet. Net als Ellen. Nauwelijks tastbare herinneringen aan de geschiedenis. Hun geschiedenis. De herinnering in het hoofd. Met lege handen aan de poort van Nederland. Zoals ook Ellen met bijna niets met Holland kennismaakte destijds.
Op Bronbeek klonk weer het Wilhelmus. Onderwijl, zo triest om dat te zien, vielen enkele bezoekers flauw van de tropische omstandigheden. Flesjes water kwamen te laat. Een ambulance kwam stapvoets het gazon op rijden. Het contrasteerde. En ook weer niet. Op Bronbeek ging andermaal een heel bijzondere driekleur in top. Een vlag van meer dan driekwart eeuw oud. De vlag was in drie banen geknipt en diep weggestopt geweest in een barak van één van de jappenkampen voor vrouwen en meisjes. Ambarawa 6 misschien? Net als dat schort? En…?  
In de namiddag van zondag 25 augustus genieten we in de achtertuin van de stilte om ons heen. Het doet Diana aan Afghanistan denken. Het Afghanistan van vóór de Mudjahedien. Het Afghanistan van vóór de Taliban. De tuin van het ouderlijk huis in Afghanistan met dat grote grasveld, met aan één kant allemaal uitbundig rood bloeiende tuinplanten, met die vijver en dat gastenverblijf met meerdere kamers. De onbezorgde jeugd in een milieu van apothekers. Ineens werd alles anders. Ineens vervaagde het geluk. Ze verloor niet alleen haar vader maar ook voor een hele tijd het geloof in een betere wereld. Ze vertelt van haar overbuurman die door een granaatinslag getroffen werd. Uiteengereten, die buurman. Delen van zijn lichaam kwamen bij Diana op het balkon terecht. In bloed gedrenkt onrecht en verdriet. Niemand die het balkon voor Diana opruimde, dat moest ze zelf doen. Traumatisch.
Even eerder had ze buurman Charles een foto van haar ouders laten zien. Die had ze nog wel kunnen meenemen op haar ongewisse vlucht naar Europa. Een foto ook van vorige week van haar kleinzoon die met zijn baba en diens aanstaande bruid op vakantie/ familiebezoek was in Bosnië. Je ziet op de achtergrond in Mostar nog enkele huizen die door de Balkanoorlog van de oorlogshitsers Milosevic en Karazic in geraamtes werden veranderd en er nog net zo bijstonden. 
Ach, het geborduurde schort uit Ambarawa. Kerst 1943 op Java. Met wel een schort maar geen eten. Het fotoboek met alle verschrikkingen in de jappenkampen. De lange rij onschuldigen op de gedenkborden van Bronbeek die de Japanse bezetting niét overleefden. De bombardementen op Afghanistan, de ledematen van de overbuurman, het uiteengeslagen Joegoslavië en de huizenskeletten van Mostar – niets vergeleken natuurlijk, werkelijk niets, vergeleken goddomme bij het leed dat de Denen Donald Trump met Groenland aandeden. De brutaliteit een verwend kind de aankoop van Groenland te weigeren. De kras over de ziel van die lul van Trump. 
‘Niet aanraken Trump! Blijf er met je gore inhalige narcistische vingers vanaf Trump, verwend welvaartskind!’ Ik hoor het de Indisch man van Bronbeek vol walging zeggen met zijn ijle stemgeluid.
****
Stichting Japanse Vrouwenkampen,
Ik begin ermee U andermaal te complimenteren met de herdenkingsbijeenkomst van afgelopen zondag 25 augustus op Bronbeek. Dank.
Ik vertegenwoordigde er mijn vrouw Ellen Carbo-Palstra, overlevende van kamp Ambarawa. Ik doe dit alweer enkele jaren. Voorheen gingen we altijd samen naar Bronbeek.
Mijn vrouw is van 1942, geboren te Bandoeng, jongste dochter van twee zendelingen in Nederlands-Indië namens het Leger des Heils. Zij krijgt jaarlijks van U een speciale invitatie.
In 2010 werd Ellen getroffen door parkinson. Niet veel later werd bovendien het aan parkinson gelieerde syndroom van Lewy Body gediagnostiseerd.
De ceremonie van afgelopen zondag bracht mij tot twee punten die ik graag aan U voorleg.
1. Was het, net als vorig jaar, en ook al vaker eerder, met 32 graden niet veel en veel te warm voor een herdenking van dik een uur op een open gazon indachtig de leeftijd van veel bezoekers? Zou daar niet iets op gevonden moeten worden? Eerder in de ochtend beginnen bijvoorbeeld? Of ’s avonds? Of binnen, in een zaal die ruimhartig is voorzien van airco? Het was een pijnlijk gezicht om iemand onder het Wilhelmus gestrekt in het gras te zien gaan die even later per ambulance naar het ziekenhuis werd afgevoerd. Enkele anderen zag ik vroegtijdig vertrekken. De oorzaak was duidelijk: de tropische omstandigheden zonder enige bescherming van bomengebladerte of iets dergelijks.
2. Is het nou zó belangrijk om als eerste(n) instituties c.q. een minister of staatssecretaris een krans te laten leggen? Dat is toch allang niet meer van deze tijd? Waarom begint U vanaf volgend jaar niet met de mensen voor wie zo’n kranslegging de meeste betekenis heeft en die zulks ook het meest verdienen? Ik doel natuurlijk op de mensen die de gruwelijke kampen hebben overleefd en op hun nageslacht. De eerste, tweede en derde generatie Indische Nederlanders voor wie Indië als een rode draad door hun leven loopt. Uw bezoekers komen niet voor een minister, staatssecretaris en burgemeester. Voor deze personen is de kranslegging ook vaak niet meer dan een formaliteit. Ze staan thuis voor de spiegel en roepen wellicht: ‘Daar gaat weer een vrije zondag.’ Hoe anders wordt dit door overlevenden en hun familie beleefd! Daar komt bij dat het koningshuis en de kabinetten van destijds niet bepaald een fraai visitekaartje aangaande Nederlands-Indië afgaven. De ten onrechte bejubelde Wilhelmina voorop. Lees hieromtrent maar de biografen die onafhankelijk bleven van de Oranjes, Aalders bijvoorbeeld, en die geen zoete broodjes bakten. 
Bezoeker Johan Carbo. 
 

‘Ellen die de zwartkijkers voor lul laat staan’

Lieve Johan en Ellen,
Je schreef het al eens weken geleden, het mailtje over Scheveningen met Ellens vraag of jij weg was. Ik mag hopen dat het sprongetje dat je hart geheel terecht maakte nog steeds niet is geland. Het maakt misschien geen wereld van verschil, maar het geeft wel aan dat Ellen om de dooie dood niet steeds afwezig is en met die onbekende tussenpozen steeds weer alle zwartkijkers voor lul laat staan. Dat is hartverwarmend – al weer dat hart – en al maakt het jullie tegenwoordige leven niet meteen  gemakkelijker, het lijkt me wel van wezenlijk belang voor jouw houding jegens je dierbare geliefde. Hoort thuis in het rijtje van ‘Jopie wast wel’ die van formulering nog net even mooier en pittiger is!
Dat Trudy meteen het mailtje naar jou op het strand van Scheveningen stuurde is natuurlijk ook fantastisch en geeft aan wat een goede mensen zich om Ellen bekommeren.
Ik neem aan dat Diana inmiddels terug is van haar vakantie. Hoop dat die haar goed heeft gedaan en dat haar evenwichtsstoornissen – waarvoor ze mijns inziens nog veel te jong is! – nu echt verdwenen zijn. Die vervloekte Talibaan en überhaupt die vreselijke geschiedenis van het arme land Afghanistan die maakt dat zulke idiote bewegingen nog een poot aan de grond krijgen ook na alle inmenging van Britten, Amerikanen en niet te vergeten de Sovjetrussen die er wel voor rechtvaardigheid zouden zorgen. Gek genoeg wees net vanmorgen een aardige dorpsgenoot, gepensioneerd leraar Frans en filosofie, mij op een uit het Engels vertaald boek van een mij onbekende Bannel: ‘L’homme de Kaboul’, dat hij erg goed vond. Ik wil het thuis in het Engels bestellen en houd je wel op de hoogte.
We zitten dus nog in Homs, weliswaar niet dankzij jouw advies ons hier nog maar even te verpozen in plaats van naar Rutte-land terug te keren, maar geheel op eigen initiatief. Er is genoeg te doen, ook nu onze laatste gasten zijn vertrokken. We vertrekken bij goed weer komende zondag naar de Alpen om daar nog te wandelen en zijn dan volgens plan op 2 september thuis. Het dorpsleven is nu een niet onbelangrijk deel van ons bestaan hier en ik moet zeggen dat het een aangenaam deel is. Aardige mensen, van wie de meesten wat te vertellen hebben of een deel van de maatschappij vertegenwoordigen waar ik in de Utrechtsedwarsstraat niet tegenaan loop. Ik had negen jaar geleden, toen Marcs broer stierf en het huis ons eigendom werd, niet gedacht dat ik nog eens vrij gemakkelijk in het Frans zou kunnen communiceren en daarmee een actief dorpsgenoot zou worden.En dan te bedenken dat ik met een 5 voor Frans mijn eindexamen haalde en nooit en te immer die vervloekte werkwoorden heb leren beheersen. Jij wel? Toch legde dat oude schoolsysteem kennelijk een aardige basis. De kinderen leren hier tegenwoordig vanaf hun achtste ook Engels, maar het duurt nog even voor de vruchten daarvan ook voor ons te plukken zijn. Een leuk joch van 10, kleinzoon van de leraar electricité, kwam bij ons langs en hoorde van Marc dat ik nog aan ‘le jogging’ was, keerde terug naar opa en vertelde hem dat ik bij de ‘shopping’ was. Opa stomverbaasd want er is hier in de wijde omtrek slecht één klein épicerietje. Kleine dingen die ik erg leuk vind. Niet alleen die taal-misverstanden maar ook die kinderen die hier vrijuit rond lopen en die gekke ouwe buitenlanders wel leuk vinden.
Donald Trump komen we slechts op de Franse radio tegen en af en toe op internetnieuwsberichten van NOS, BBC of FAZ. Ik heb geloof ik nog nooit zo slecht het nieuws gevolgd en heb tegelijk het idee dat ik de akelige ontwikkelingen in grote lijnen helaas heel goed voor me zie. Over een paar dagen komt onze Britse dorpsgenote terug van een maand in haar vaderland, ze is faliekant anti Boris J. en zal wel vol verhalen zitten over haar conservatieve familie.
Ondertussen  schuren en lakken wij de luiken, wroeten in de stenige tuin, boenen de vloeren – dat doet Marc, want de kop naar beneden bekomt mij slecht – maken af en toe een tekening, lezen, verwaarlozen het thuisfront enigszins en iedere ochtend de rituele shopping oftewel jogging. Soms naar het piepkleine ‘privéplekje’ aan de oever van de Dourbie dat door  verrassend weinig mensen is ontdekt en waar je echt even aan het bestaan van een klein paradijsje denkt. Na afloop een pilsje drinken bij de slome Maurice die geen genoegen neemt met zijn klamme handje in de mijne maar staat op het rituele zweterige zoenen – donner des bises – terwijl zijn fantastische Roemeense vrouw de tent draaiende houdt. Ja, de migratie waar naar mijn schatting slechts een heel klein deel van de rijke wereld het grote belang van weet in te zien. Prachtig verhaal uit Scheveningen van jou over dat gemengde Nederlands-Marokkaanse gezin! Voor de deelstaatverkiezingen in het oosten van Duitsland houd ik trouwens mijn hart vast – je snapt de samenhang van deze mededelingen.
Van een vriendin in A’dam met Indische achtergrond hoorde ik van een lange documentaire, Sultan Agoeng, in bioscoop Rialto vol met Indonesiërs en Indische mensen, wat me helaas niets zei. Heb jij erover gehoord? Ik neem aan dat jullie naar de 15 augustus bijeenkomst zijn geweest of zou dat nu te zwaar zijn voor Ellen?
Johan, het is hier in ons gehucht al nacht, ik ga naar bed om fris te zijn voor een dinsdag regendag!
Ik hoop dat er geen nare ontwikkelingen zijn, noch medische noch bureaucratische, en dat jouw veerkracht het niet begeeft, we zien elkaar weer in september en praten dan zeker verder.
Alle goeds gewenst met veel groeten en liefs voor jullie beiden, ook van Marc,
Jeannette
****
Lieve Jeannette, beste Marc.
Bedankt voor de mooie beeldende bijpraatmail uit het even als hier van fikse plensbuien doordrenkte en verzadigde Zuid-Frankrijk. Een welkome mail van jullie waarmee ik deze dag begon. Ook wij verzopen de afgelopen anderhalve week. De zomer keert terug. Alle regen heeft er op de Veluwe voor gezorgd dat de hei weer volop paars in bloei staat. Die hei trekt momenteel veel bekijks. Die bloeiende hei levert schitterende plaatjes op. De plensbuien van afgelopen weekend heb ik maar aangegrepen om hier de vloer weer ‘ns in de was te zetten. De bups glom als een spiegel. Jullie hoor ik ook over huisvlijt. Over lakken, schuren, boenen en wroeten. Mooie mail las ik zo-even. Ik was alweer vroeg uit de veren. Rond half zes. Het vaste ritme. Als een pendule. Ja, ook hier is het harde wereldnieuws inmiddels vaak heel ver weg en tegelijkertijd ook weer niet. De tv is weinig aan. Eigenlijk nog hooguit voor Het Journaal en een voetbalwedstrijd. Al word je van Feyenoord niet vrolijk. Van Het Journaal evenmin. Meestal vallen we hier in reclameboodschappen als we die tv aandoen. Met een opgewonden stemmetje dat bij de Lidl het pleepapier maar vier euro 99 kost. Op = op. Rennen natuurlijk, rennen geblazen naar de Lidl. Trieste beelden weer van Kabul en een aanslag op een verlovingsfeest van puur onschuldige burgers. Diana schokschouderde toen ik het haar vertelde. Ze hoorde niet anders van haar tante daar. Moedeloosheid. De Taliban heeft vijftien procent van Afghanistan in handen. De officiële regering 55 procent. Wat overblijft is van alles en nog wat. Het verloren moederland. Voor Diana, haar kinderen, haar gehele familie, maar ook voor het vriendelijke Afghaanse hoogopgeleide echtpaar dat in De Panne het mosselrestaurant Pammier drijft. Hoe belangrijk is en blijft de geboortegrond niet. Zie het ook aan Zulay die beklemtoont dat Colombia meer is dan Medellin en wijlen schuifkoning Pablo Escobar. En de voetballer die werd doodgeschoten omdat hij op een WK zo ongelukkig was in eigen doel te mikken. Heette toevalligerwijs ook Escobar. Ken je dat boek? ‘Eigen doelpunt’, heet het. Over voetbal en de drugsmaffia. Colombia is meer. Meer ook dan de Farc van die mevrouw ergens uit de Achterhoek of Twente die aanzat bij de vredesonderhandelingen met Bogota op Cuba. Hoor Zulay over haar geboortestad Cartagena met al zijn eeuwenoude historie en eeuwenoude beschaving.  
Jullie schetsen een Frans dorps bestaan dat ons heel erg aanspreekt. Het is prachtig om te lezen allemaal. Inderdaad dat kind met ‘Le jogging’. Dat paradijsje helemaal voor jullie alleen en dat pilsje na afloop. Die slome knuffelkastelein. Geen zweterig klam handje maar een volmaakte spontane kameraadschappelijke provincieomhelzing. Dorpser dan dorps. Het is de gereserveerdheid voorbij. Het is de eenvoud die op het platteland vanachter de horizon tevoorschijn komt. Ja toch? Om die reden genoten wij ook zo van ons boshuisje in Drenthe. Het is de ongecompliceerdheid. De overtreffende trap van de tijd aan jezelf hebben. Zo leven wij nu en hier in feite ook. Noodgedwongen weliswaar. Maar het bevalt. Ik moet ineens aan Surinamers denken. Je ziet op straat welke Surinamer vergroeid is met de hectiek van West-Europa en welke altijd in Paramaribo gebleven is. De voetstappen en het tempo. Ik heb me bij een brouwerij als vrijwilliger opgegeven voor het hopplukken. Ergens in september een heel weekend hopplukken in de velden. Naar zulke avonturen ga ik meer op zoek. Er is hier in deze puist van Utrecht genoeg te doen. Het bruist echt van de activiteiten. Ondertussen probeer ik de diensten van de zorgzusters van Ellen weer iets uit te breiden. Als PGB-boekhouder ben ik aan het knobbelen. Ik kan het niet vaak genoeg zeggen: het orkest van Ellen is van onschatbare waarde. Zó zuiver! In geen enkel opzicht voelt het als een inbreuk op onze privacy. 
Je vroeg naar de evenwichtsstoornis bij Diana en zo’n beetje dezelfde klachten als jij. Ik heb Diana er niet meer over gehoord.   
Lezen ja. Ik kreeg van overburen cadeau de dikke pil Nelson Mandela, in gesprek met mijzelf’. Indrukwekkend. En maar weer eens van de plank gehaald: ‘De kunst van het veldspel’. Kochten jullie een paar jaar geleden voor mij. Ik ben ‘t aan het herlezen. Trump, Boris J., die praatjesmaker in Italië van de Lega in zijn zwembroek en Baudet zijn hooguit exponenten van een zorgelijk tijdsgewricht met een weinig rooskleurig toekomstperspectief. Ze zijn beter in campagne voeren dan in politiek bedrijven. Die boreale mafkees bij ons heeft zijn eerste afsplitsing al te pakken. Hebben jullie dat nieuws al meegekregen in Holms? De LPF in zijn hoogste versnelling. IJdelheid der ijdeltuiten. Opmerkelijk dat een paar geïnterviewde partijpaladijnen ook na die quasi intellectuele boreale noordelijke kletskoek volslagen idolaat van Baudet bleven zónder, zoals ze toegaven, ook maar één woord van die dronkenmanspraat als speech begrepen te hebben. Ze kenden geen van die dure woorden die hun studeerkamer Messias gebruikte. Thierry Boreaal had onnavolgbaar gesproken… Dood- en doodeng gedrag natuurlijk, ook van die kwijlende applausmachine.
Inderdaad, het was geweldig dat Ellen tijdens één van die snikhete dagen in juli aan Trudy vroeg waar ik eigenlijk uithing. En even geweldig was het dat de attente Trudy mij dat meteen op het strand van Scheveningen met per sms liet weten. Ik wil niet pathetisch klinken maar zulke momenten onderstrepen de zin van mijn mantelzorgbestaan. Zoals dat ook voor afgelopen donderdag 15 augustus gold. Weer die vraag: ‘Waar ben je?’ Ik moet er maar niet te veel en uitvoerig aan denken dat ze die vraag ook gesteld had kunnen hebben vanuit het bed in het verpleeghuis. En ik dan een paar kilometer bij haar vandaan thuis. Leuke reactie was het inderdaad van die Marokkaanse schone op het strand van Scheveningen, zoals je opmerkt. We hebben niet zo heel veel nodig om happy te zijn. Vrolijk gezelschap, dat wél. Geen gezever. En een goed medicijn voor Ellen is het bijkans dagelijks buiten zijn. Elle dag buitenlucht. Zuurstof! Goeie voeding. Verse groente. Elly die wekelijks kookt. Vitamine en een paracetamol op z’n tijd. Bij die volkstuintjes vlakbij ons halen we niet alleen verse dahlia’s weg maar ook al courgettes. Voor september zitten er weer een paar badplaatsvakantiedagen voor Ellen in de planning. Een aantal pietlutten zet Ellen hiermee voor lul. Zoals ook met haar verbale interventies. Je schreef het al. En terecht. We doen inspiratie op met nieuwe mensen in ons midden. Jonge mensen ook. En ze leggen een belangstelling voor Ellen en haar conditie aan de dag die ons versteld doet staan. ‘Hebben Ellen en Johan nog geluksmomentjes?’ Het was een zekere Renda die dat vroeg aan Trudy. Renda is uit de generatie Leroy, Abdullah, Erna, Annelies. Ze moeten allemaal nog dertig worden. Maar zó sociaal intelligent! Renda is de nieuwe kapster ‘van om de hoek’. Een frêle Hisdoestaanse vol flair met Surinaams bloed die als adoptiebaby van zeven maanden vanuit een voorstad van New Delhi in India naar Nederland kwam. ‘Jazeker’, had Trudy geantwoord, ‘ze hebben nog heel wat geluksmomenten. Daar zorgen ze vooral ook zelf voor, en wij doen de rest.’   
Fijne vakantieapotheose naar de Alpen toegewenst en een goede reis daarna naar Amsterdam. We spreken elkaar in september weer in Mokum, ergens aan de Amsterdamse grachten. Met liefs en een Surinaamse brasa. Ook uiteraard van Ellen.

Opdat wij ook kijken naar de wereld van nú

20190815_103332_HDR_resized

Met Ellen sta ik met gebogen en daarna opgeheven hoofd stil bij wederom de herdenking en viering van 15 en 25 augustus. (En eigenlijk zou dat vanuit het recht op zelfbestuur ook op 17 augustus en 27 december moeten gebeuren). 

Van Ellen voor de mensen die momenteel het dichtst bij haar (en mij) staan. Ze ontvangen een roos. Sinds zeven uur vanochtend bij zonsopgang wappert de vlag weer vanaf het balkon. Straks samen kijken naar de Indië-herdenking vanuit een Den Haag in de stromende regen. Opdat wij nooit vergeten. Ook 74 jaar later niet. Opdat wij ook kijken naar de wereld waarin we nú leven. Opdat wij blijven vechten tegen vreemdelingenhaat. Straks samen kijken naar de Indië-herdenking met ongetwijfeld ook het gezongen Onze Vader. En een kranslegging door drie generaties Indische mensen. Opdat wij nooit vergeten.

Ze werd geboren toen de bommen vielen op Bandoeng, in het huidige Indonesië. Het was 10 maart 1942. Om niet door de bommen en de granaatscherven geraakt te worden, zaten de mensen met een pan omgekeerd op hun hoofd en met ingetrokken schouders onder de tafel. Tezelfdertijd capituleerde het voormalige Nederlands-Indië officieel voor Japan. Een tijd van ongekende wreedheid brak aan. Misschien overtroffen de Japanners de Duitsers in Europa daarin nog wel, in die barbaarse gewetenloosheid. Moeder Beatrice waakte in de jappenkampen als een kloek over het nakomertje Ellen en loodste de baby en peuter manmoedig – nee, vrouwmoedig natuurlijk – door alle verschrikkingen. Beatrice vond troost in het geloof. De Nederlandse vlag had ze ergens in haar barak verstopt. Die vlag, daar ging voor Beatrice een magische kracht vanuit.

Ellen naderhand in het boek ‘Mam kijk nar de sterren’: ‘Weet je dat je ratten eet als je maag doorlopend rammelt van de honger?’ Eten weggooien, griezelen van eten, misprijzende gebaren maken, nooit doen waar Ellen bij is, ze ervaart het als een vijandelijke dolkstoot. Ze was vel over been. Die benen, het waren stokjes. Voortdurend aan de diarree. De racekak. Luizen. Pas op 15 augustus 1945 kwam er een einde aan de oorlog in de Archipel. Er kwam een andere oorlog voor in de plaats. De Bersiap. Soekarno (1901-1970), Mohammed Hatta en Soetan Sjahrir en hun strijd tégen het kolonialisme en het imperialisme en vóór de onafhankelijkheid (baas in eigen land) der Indonesiërs. De jap werd van vijand beschermer van de Europeanen. Chaotische taferelen. Het gistingsproces. Veel bloedvergieten. Opnieuw veel tragedie. Onbeschrijfelijk. En toch een poging. De jap was verslagen. De Tweede Wereld Oorlog was voorbij. Niettemin bleef Ellen met haar moeder om veiligheidsredenen achter bamboevlechtwerk in het kamp van Ambarawa. Er buiten liepen de Europeanen het risico op klaarlichte dag op straat zonder enig mededogen en met een door blinde haat ingegeven fanatisme met een kris onthoofd te worden. Lees het boek ‘De tolk van Java’. Een vuistdikke pageturner. (Op 27 december dit jaar is het zeventig jaar geleden dat Nederland officieel zijn claim op Indië opgaf met de soevereiniteitsoverdracht. Maar Soekarno en Hatta hadden de onafhankelijkheid al veel eerder uitgeroepen: met de Merdeka van 17 augustus 1945. Tussen die datum en 27 december 1949 liggen twee politionele acties).

Gevangenschap en verlatingsangst. Het tekent de eerste zes tot zeven levensjaren van Ellen. De altijd onbarmhartig brandende zon als de ergste vijand in de kampen. Bij het minste of het geringste voor straf een etmaal (en vaak langer nog) moeten staan in de genadeloze verzengende zon zonder enige bescherming. Laat staan zonnebrand en een hoedje. En durfde maar eens door de knikkende knieën te gaan! Dat betekende slaag met een riem. Bebloede geraamtes waar de botten uitstaken en de vliegen en muggen wellustig op af kwamen. Java. Oogverblindend mooi. Maar van 1942 tot zeker 1948 – zeg maar gerust december 1949 – was dat slechts een masker. Achter dat verraderlijke masker gingen een oorlog en een opstand schuil waarin honderdduizenden en nog eens honderdduizenden – nee miljoenen – het leven lieten. De lijken lagen hoog opgestapeld op straat. Onschuldige mensen. Ze crepeerden ook bij de aanleg van de intens gehate Birma-spoorlijn. De haven van Soerabaja veranderd in een slachthuis. Mannen, vrouwen, kinderen – geen enkel mensenleven telde meer. Rechteloosheid. De beschaving oneindig ver voorbij. Opdat wij nooit vergeten. 

Geweld en nog eens geweld. Uiteindelijk de repatriëring. Naar Nederland met de boot. Via Port Said. Daar een vrolijk orkestje en het uitdelen door het Rode Kruis van jaegeronderbroeken en wanten tegen de kou in Nederland. Het onbekende natte en gure Nederland. Indië het moederland, Nederland het vaderland. Naar Holland. Ellen was toen zes. Bijna zeven. De kennismaking in Nederland met water dat ijs werd en waarop je zowaar kon schaatsen. Schaatsen? Friese doorlopers met touwtjes. Veters die zich onmogelijk lieten strikken. Tintelende vingers van de vrieskou. Kastanjes die je kon poffen. Amsterdam en kraampjes langs de grachten. Het Leger des Heils waarin vader en moeder prominente posities innamen. Ook Ellen die nog een poos lang vrolijk halleluja zong bij bijbel-teksten waarvan ze net als zoveel anderen geen snars begreep. Want zo lieflijk was God voor haar en de wereld tot dan niet geweest. Ellen die haar moeder Breatrice al op haar twaalfde verloor. Beatrice, de moedige Beatrice die vermoedelijk in een opstandige bui door de jap ook eens voor een paar dagen was opgesloten achter ijzeren roestspijlen in een hondenhok op een pleintje – de Engelse lady Beatrice eindigde in de psychiatrie. Ellen die zichzelf daarna opvoedde. Nu zou je zeggen dat haar vader een Bekende Nederlander was. Bestond dat begrip toen al? Hij had veel aan zijn hoofd. Een hoge maatschappelijke positie. Twee eigenlijk. Het Leger des Heils en omroepvoorzitter. Een vrouw in een inrichting. En thuis het nakomertje. Ellen jaren later: ‘Als mijn vader ons tweetjes op zaterdag wilde verwennen dan stuurde hij me naar de kruidenier voor een blik nasi. Nasi uit blik en daar een gebakken ei over. Een hele traktatie!’

Indië en de tienerjaren in Amsterdam. Het verhaal dat moést worden opgetekend. En doorverteld. Vooral aan de beide kleindochters. Zeker nadat Ellen januari 2010 van de artsen te horen had gekregen dat ze aan parkinson leed. De toekomst was immers ongewis. Samen tastten we met een gevoelige pen de geschiedenis van Ellen af. En ons huis vulde zich met de geur van trasi. Het verhaal over Nederlands-Indië werd in boekvorm uitgegeven onder de titel ‘Mam, kijk naar de sterren’. De oplage was in een mum van tijd uitverkocht. Ook een tweede druk vond in 2014 zijn weg naar de lezer, toen we erbij stilstonden én vierden dat het zeventig jaar geleden was dat de jap zich inclusief zijn goddelijk gewaande keizer tot in al zijn vezels gedemoraliseerd, vernederd en bijkans deemoedig overgaf. Vandaag, donderdag 15 augustus 2019, ging bij ons al heel vroeg de balkondeur open en even later wapperde de driekleur in herfstige omstandigheden. ‘Mam, kijk naar de sterren’. Dat citaat uit een kindermondje werd opgetekend door een mevrouw die na de oorlog publiceerde in een Britse krant. Het cherubijntje was van Elleke Ellen geworden. 

Ik ken Ellen zo goed dat ik weet dat ze dit jaar op 15 augustus wil stilstaan bij de betekenis die de verzorgenden voor haar, en voor mij, hebben. Ze zijn van onschatbare waarde om ondanks ziekte en verdriet te kunnen blijven leven zoals we metterdaad doen. Nog steeds samen onder één dak. En zonder het gevoel dat we onze privacy kwijt zijn. Zó belangrijk! De prijs voor ziekte is een hoge. Een verschrikkelijk hoge. Materieel en immaterieel. Maar die prijs kunnen we nog steeds betalen. Dankzij Diana, Trudy, Elly, Esmé en Zulay. Maar ook dankzij Wil. Dankzij Charles, en Ceciel. Dankzij Dorothy en Leroy. Dankzij Erik. Dankzij Jan. Vergeet ik nog iemand? Albert natuurlijk. Ja, ik vergeet Cajou in De Panne. Bruno, Chris, Peter, Bianca, Ivan, Danny, Nancy en al die anderen uit de hotelbrigade. Jo in het restaurant van Rolduc in Kerkrade. Zoon Abdullah van Diana die ons samen met zijn aanstaande bruid Erna uit Bosnië heeft uitgenodigd voor hun trouwen later dit jaar in een feeëriek kerkdorp. Afghanistan de eeuwig durende brandhaard. Abdullah vluchtte er uit weg en mee met zijn moeder en zusje. Erna uit Bosnië uit het voormalige Joegoslavië dat door de onbeheersbare Balkan-burgeroorlog geheel en al aan flarden werd geschoten en aan gruzelementen ging. Abdullah en Erna, gave mensen die ook weten wat oorlog is. De betekenis van al deze personen is groot. Ik vergeet er meer. Het is me hopelijk vergeven. Ondertussen regent het weer gestaag en wappert de doorweekte driekleur vanaf het balkon. De vlag die verstopt in de barak in het jappenkamp van Ambarawa op Java voor overlevingsdrang zorgde. Op zondag 25 augustus Bronbeek. Het Wilhelmus klinkt er, net als op de Dam op 4 mei, en net als bij het Indië-monument in Den Haag, anders dan overal elders de rest van het jaar. Opdat wij nooit vergeten. 

Voor ‘Mam, kijk naar de sterren’ richtte oma Ellen zich ín 2010 in het voorwoord rechtstreeks tot de kleindochters. Het begin van haar verhaal ging als volgt:

‘Van een totok, zoals een in Indië geboren kind uit Europese ouders destijds ook wel werd genoemd, voor mijn dierbare kleindochters May en Zanna. Ter gelegenheid van Kerst 2010. Het idee, mijn leven van geboorte tot pakweg mijn achttiende door opa te laten opschrijven, en wel heel speciaal voor jullie tweetjes, dat idee kreeg vaste vorm op 25 augustus 2010 op Bronbeek bij Arnhem. Dat was tijdens de jaarlijkse herdenking van de Japanse vrouwenkampen van Java. Die dag tuurde ik vele minuten lang, net als andere jaren, naar de plattegronden van de ettelijke gevangenenkampen in het voormalige Nederlands-Indië – uiterst nauwkeurige pentekeningen zoals die aan een muur van de ontvangstruimte waren opgehangen. En bij een andere wand liet ik mijn ogen dwalen over de onafzienbare lijst met namen van personen die tussen 1942 en eind 1945 in de kampen gevangen hadden gezeten. Ook die van mij kwam ik tegen. En het deed me veel, ik kan dat niet ontkennen. Ook woensdag 25 augustus 2010 waren we weer met een paar honderd lotgenoten en hun familie op dat grasveld van Bronbeek in saamhorigheid bij elkaar – allemaal met hetzelfde verhaal, en ieder toch weer net even anders. Mijn verhaal wil ik doorgeven. Aan mijn beide kleindochters van 11 en bijna 9 in wie ik zoveel terugzie van mezelf op die leeftijd. De bevestiging dat ik er goed aan doe jullie, May en Zanna, te vertellen van vooral mijn allereerste kinderjaren – die bevestiging kreeg ik de zaterdagavond toen we ze saampjes meenamen naar een musical in Houten. Voor ons uit liepen jullie te darren, muffins te schransen, en sloegen jullie eensgezind een arm over elkaars schouders. ‘Lieverds, kijk naar de sterren’, flitste het door mij heen, en ik geloof dat ik het nog gezegd heb ook. Ik moet het gefluisterd hebben. Ik houd van jullie. Liefs. Oma.’

Aldus Ellen in het voorwoord bij de eerste druk van het boek over haar vroegste jeugd. Prachtige en toepasselijke mail van Trudy vanochtend. Ellen die cadeautjes uitdeelt met steeds weer wat meer praten. Ze betaalt cognitief de continuïteit en stabiliteit in zorg terug en doet ons versteld staan. Ons allemaal. Mooie mail vanochtend ook van Jan in verband met 15 en 25 augustus. ‘Ik ben in gevangenschap geboren en ik ga ook in gevangenschap dood’, zei Ellen eens mistroostig in het verpleeghuis. Iets dat voor een trieste glimlach moest doorgaan trok over haar gezicht. Dood in gevangenschap? Nee, dat gaat ze niet. Mede dankzij de mensen die hier boven al werden genoemd. En die op 15 augustus nog maar eens speciaal worden genoemd. Speciaal ja. Ellen zou het zo graag zelf willen zeggen en schrijven. Maar ook hier is mantelzorg voor. Voor Bronbeek heeft ze een speciale uitnodiging. Ze wordt er vertegenwoordigd. net als vorig jaar. En het jaar daarvoor. Door haar mantelzorger. Thuis zal ze gepast Ambarawa gedenken. Haar moeder en Ambarawa. De hereniging met de rest van het gezin na elkaar door de oorlog een paar jaar niet meer te hebben gezien. Haar vader die zich Ellen alleen nog als baby herinnerde en ineens een meisje van zes voor zich zag. Thuis gedenken, samen met Diana. Met spekkoek. Dringt het nog tot haar door? Het antwoord is ja. 

Geloof het of niet, ‘Waar ben je?’, klinkt het van beneden. Ik hoor een diepe gaap. Ze ontwaakt. In vrijheid en geborgenheid ontwaken. Ik stop. Mooier kan ik niet afsluiten. ‘Waar ben je?’

 

 

 

 

                                                                            

Chanel brengt Ellen op de versiertoer

20190812_115215_resized

 

Na een wandeling van dik een uur weer thuis. En op de foto. Maandag 12 augustus. Kijk die ogen. Ze leven. Ze staan uitdrukkingsvol. Een impressie van een expressie die ons doet juichen. Aan die ogen zien we of ze een betere dag heeft of een mindere. De colour rouge. Knalrood T-shirt, zwarte stretch trainingsbroek. Van Nike. Steekt af. Felle kleuren. Ze fleuren. Jammer dat de parfum van Coco Chanel niet dwars door het beeldscherm de neusgaten vertroetelt. Jammer. Niet zo maar parfum. Maar Coco Chanel. Cadeautje van Diana. Noemen ze dat in de parfumwereld niet monstertjes? Ici Paris en Douglas. Pure verwennerij. Ze is zeer enthousiast over de natuurschoon in Beieren en Oostenrijk teruggekeerd van vakantie. Ze zag weer bergen als in Afghanistan. Anders dan die molshopen van Zuid-Limburg. Stoeptegels, noemde ze het ooit eens, die hoogteverschillen bij Vaals. Elke vakantiedag in de Alpen moest ze toch wel even aan Ellen denken. We geloven haar op haar woord. De draad weer opgepakt. Ook met wandelen. Het is warm en droog. Stilte voor de storm met code geel. Er wordt regen verwacht, heel veel regen. Dreun onweer erbij. Mogelijk wat hagel ook. Daar gaat de tuin! De vlinderstruiken worden alvast gekortwiekt. Er is anders geen doorkomen aan naar de voordeur. Nederland leeft van codes naar codes inmiddels. Onderweg zijn de dames even bij de schooltuintjes aan de rand van de voetbalvelden wezen kijken. Ze mochten er van de beheerder dahlia’s plukken. Die staan er in overvloed. De dahlia’s zijn voor de mantelzorger. Ellen oogt ontspannen. De ogen, de ogen zeggen alles en vertellen het verhaal.

In De Panne twee dagen eerder, zaterdag 10 augustus, aan een tafeltje naast het onze een mevrouw van de Belgische grens met Frankrijk. Niet Moeskroen, maar daar vlakbij. Haar vader ook parkinson. En bovendien eveneens Lewy Body. Ze vertelde al een hele tijd geen contact meer met haar vader te hebben. Bij hem had de Lewy Body dementie gezorgd voor veel agressie. Werd ze stapelgek van. Mevrouw, geschatte leeftijd 45, had haar vader al een paar jaar niet meer gezien en ook niet meer gesproken. Ze had er afstand van genomen. Maar beter zo. Tsja. Voor wie? Deed denken aan een meneer in ons vroegere verpleeghuis. Ook parkinson en Lewy Body. De man lanceerde zich dagelijks achter een levensgevaarlijke rollator die met ‘m op de loop ging. Of liever: aan de haal. Veel valpartijen. Bont en blauw. Van een omgekeerd remsysteem hadden ze in ons vroegere verpleeghuis kennelijk nog nooit gehoord. Een lieve man? We moesten maar goed oppassen, adviseerde zijn kleindochter eens in de lift. We moesten maar op onze hoede blijven. Kon die medebewoner niet vrijelijk in de woonkamer bij de messen en vorken van de keukenhoek? We waren door het verpleeghuis niet voor hem gewaarschuwd. Waarom eigenlijk niet? Privacy meneer! De verzorgende schokschouderde erbij. Privacy ging boven veiligheid. Niet uit te leggen natuurlijk, ook niet door het verpleeghuispersoneel, maar de veiligheid was secundair. De wet. Had die man anderen wat aangedaan dan was dat natuurlijk heel vervelend geweest, maar zijn privacy was gewaarborgd gebleven. Tot aan de bloedspatten toe. Privacy gewaarborgd en daar ging het tenslotte om. De wet schreef strenge regels ten aanzien van de privacy voor.

Feliciteerde ondertussen de mevrouw met boze vader vanwege haar verjaardag. Want dat vertelde ze: jarig en haar verjaardag werd gevierd aan de kust met zo te zien de nodige bombarie. En Ellen? Niets van dat agressieve. Ingetogen. Volkomen ingetogen. Gelijkmatig. Hooguit kun je stellen dat Ellen snurkt, wat ze vroeger nooit deed. De sirene van de BB op de eerste maandag van de maand is er niks bij. Ellen snurkt een complete symfonie van Gustav Mahler bij elkaar. Nog even en we hebben de politie aan de deur. Eigenlijk gaat het nog steeds hartstikke goed. Eigen haard. Goud waard. ‘s Nachts alleen een kopje water. Om het snurken geen schade aan de keel te laten aanrichten. Nooit nachtbraken. Ze is de extreme hitte met veertig graden voortreffelijk doorgekomen. Ze is weer klaar voor de viering donderdag 15 augustus van de Japanse capitulatie en het einde van de Tweede Wereldoorlog in voormalig Nederlands-Indië. De vlag weer uit. Na 15 augustus volgt 25 augustus op Bronbeek. Waar in de ochtenduren wordt stilgestaan bij alle verschrikkingen, alle leed en alle angst in de jappenkampen en aan de Birma-spoorlijn. Op Bronbeek hebben we de zondvloed meegemaakt, maar ook tropische temperaturen die ons tijdens de ceremonie onder de bomen bracht. Ergens tussen 15 en 25 augustus krijgt het Ellen-kwintet een roos met een speciale tekst in de geest van hoe Ellen het zou hebben opgeschreven als het haar allemaal nog gelukt zou zijn.

Diana, Trudy, Elly, Esmé en Zulay – ze doen hun werk niet alleen maar voor het geld. In tegendeel. Ze getuigen van toewijding. Ze houden van Ellen. Ze laten hun hart spreken. Ze zijn op tijd en praten niet op een kleutertoontje tegen Ellen. Geen infantilisering. Geen betutteling. Werk is voor het kwintet een deel van hun identiteit, net als dat voor ons vroeger gold. Je wás onderwijskracht, je wás journalist. De identiteit. Het is een voordeel met een klein zorgteam te werken. Een dagelijkse in- en uitloop van een heel peloton dames is iets voor de kippen en hun haan van Barneveld maar niet voor de zorg. Je bouwt met springerige passanten geen band op en juist om vertrouwen en vertrouwdheid draait het. ‘Ellen in topvorm. Ze spreekt de woorden uit die we allemaal dagelijks tegen haar zeggen. En dan plots: “Joopje, waar is Joopje?” Wat mooi hè en wat leuk! Het zijn cadeautjes die ze ons geeft. Ik heb onze app-groep gevraagd alvast te kijken naar wie wanneer kan werken met de feestdagen. Kun jij tijdig met het verdere rooster aan de gang.’ Trudy regelt het app-verkeer. Ze is ook van de huisapotheek. ‘Het badschuim raakt op en ook de tandpasta’. Diana is ook pedicure en schoonheidsspecialiste. Elly kookt, elke maandag voor een hele week. De Thaise kippensoep is momenteel in trek. Ook bij de buren. De nieuwe van nummer 10 die momenteel zijn keuken eruit sloopt met veel gebonk en gehamer probeert de pindasoep van Elly uit. 

Ach ja, we spraken als gezegd in De Panne de grensstreekmevrouw van het tafeltje naast ons. En naderhand nog een mevrouw. Ergens anders was dat, aan zee, waar we gezandstraald werden. Mevrouw was Belgische. Net als die andere. Maar deze woonde in Engeland. Met haar Britse man. Op de parkeerplaats stond hun sportwagen. Verstappen zou er jaloers op zijn geweest. Wat een bolide! Alleen al die uitlaat kostte zo te zien een godsvermogen. Er was ook nog zoiets als een klein hondje. Dat vierpotige dingetje moest in elk geval een hondje voorstellen. Nerveus gevalletje aan een rood riempje. Strikjes in wat als oortjes moest worden verondersteld. De echtgenoot was vooral met dat hijgerige speelgoed bezig. Raar gezicht voor een man. Zij was even over voor haar ouders die Belgische. Niet eens zulke oude ouders nog. De één nog goed, de ander niet meer, Alzheimer. Ze woonden nog samen thuis, haar ouders, maar eigenlijk ging dat niet meer. Ze ploeterden zich de dag door. Beetje thuiszorg, maar veel was het niet. Lieve oude ouders waren het. Hadden altijd voor hun kinderen klaar gestaan. Had mevrouw, geschatte leeftijd 55, ook broers en zusters? Zeker wel, een jongere broer. Die woonde zelfs bij zijn ouders in de buurt. Maar ze zagen hem nooit. Broerlief kon niet tegen ziekte. Dus stond hij er met zijn rug naartoe. Wat lastig voor die broer dat hij er niet tegen kon, concludeerden we, en we nipten nog maar eens aan onze inmiddels lauwe koffie. Afgehaakt, die broer. Zou hij kinderen hebben? En zou hij zich nooit eens afvragen hoe het hemzelf later zou kunnen vergaan? Misschien wel net zo. Hoe moet dat later als de zorg helemaal niet meer te betalen is? Langer thuis wonen? Maar hoe? In een zwaar vervuild huis vol ongedierte?

Wat is ons perspectief? Maar later? Wat is later? Over dat toekomstperspectief dat er voor de rijke westerse wereld misschien wel helemaal niet is zei een vriendin uit Velsen later op maandag van 12 augustus 2019: ‘Een jonge collega van mij zit sinds haar vakantie in juni ziek thuis te wachten op een burn-out. Want die is volgens mijn collega in aantocht. Vlak voor de vakantie stierf haar schoonvader onder behoeftige omstandigheden met wie ze jaren geen contact meer had gehad en de vakantie zelf liep enigszins anders dan ze had verwacht. Door een overboeking. Daar kan geen verdronken bootvluchteling tegenop natuurlijk. De dokter kan niets vinden, maar mijn collega is zwanger van een burn-out. Weet ze heel zeker. En ze wacht die burn-out thuis af. Wat ze thuis zoal uitspookt? In de stad op een terras kan ze het verlies van haar schoonvader met wie ze járen geen contact had en die vreselijke overboeking een plekje geven, hopelijk. Dat kwebbelt de kwebbel tenminste.’

Nog geen burn-out maar wel alvast ziek thuis. Als dít geen humor is! Wellicht een idee om dit landelijk in te voeren en er beleid van te maken. Met betaald ziekteverlof om niet ziek te worden. Arm Nederland. Arm België. We leven in de ik-maatschappij, zo kreeg ik bijna twintig jaar geleden al eens letterlijk van een intimus te horen. Ik dacht dat-ie een grapje maakte. De ik-maatschappij? Jazeker, de ik-maatschappij. Het was ieder voor zich en God voor ons allen. En voor God mocht ik de overheid invullen. Of ongeacht welke instantie ook. Eigenlijk was ik toen al gewaarschuwd. Verwacht niets. Leven vanuit de gedachte: wat levert het mij op. En levert het mijzelf niets op, of onvoldoende, dan draai ik me om.

Moest aan die twee Belgische vrouwen van circa 45 en 55 terugdenken toen ik Ellen zag terugkomen in de rolstoel met op haar schoot de dahlia’s van de schooltuintjes. De hele Zonzijde rook naar Chanel. Coco Chanel maakt onweerstaanbaar. ‘Jullie verdienen respect’, merkte onze goeie kennis Carli uit Brabant deze ochtend op. Carli is directeur van een paar zorginstellingen. Respect? Welnee Carli! Het is anders. Heel anders. Maak het klein. En houd het klein. Houd het licht, zou Youp van ’t Hek zeggen. Genieten van het handen schudden op straat in De Panne. Van een babbeltje links en rechts. Het raam van de hotelkamer in De Panne wagenwijd open richting de duinen en het gezicht naar de zon. Hoofd in de kussens. De stilte van de zomerse zaterdagavond in augustus. Een soort eucharistieviering. Laat elkaar niet in de steek. En zeker niet op het moment dat de één de ander het hardst nodig heeft. Doe recht aan het woord liefde. Facebook, getwitter, dure apparatuur – het kan me allemaal gestolen worden. Er is teveel oppervlakkigheid. Ik ben een romanticus. 

‘Ellen wat ruik je lekker.’ ‘Jaaaa.’ Parkinson. Lewy Body. Parkinson én Lewy Body. Moeilijk kunnen praten. Maar nog altijd wel in staat tot een heel kort verleidelijk antwoord met die lang aangehouden metersdiepe erotische a. Ze was even op de versiertoer. Op tafel een boek. ‘De kunst van het veldspel’.      

In fotovlucht de dag dat het warmterecord uit 1944 gebroken werd

‘Een lieve groet van Ellen en mij’, schrijft Trudy naar stranduitspanning Patagonia bezijden het Carlton in Scheveningen waar de plastic bekers met kraanwater en ijsblokjes intussen hebben plaatsgemaakt voor een tussenmaatje tapbier. Vrijdagmiddag 26 juli. Het jaar 2019 na Christus. De dagen dat alles lijkt te verschroeien. Maar niemand heeft het over de warmte van 40+ in Scheveningen. Iedereen praat over waar hij zijn auto in godsnaam kwijt kan. Bij de ijssalon naast het Kurhaus smelt het ijs en de slagroom het trottoir op. Visrestaurant Simonis verstrekt graag een broodje haring. ‘Maar let op de meeuwen buiten’. In de meeslepende en onthutsende biografie over haar wordt de aan alcohol en drugs verslaafde wereldberoemde zwarte zangeres, pianiste en voorvechtster voor gelijke burgerrechten Nina Simone met de pagina gewelddadiger. Ze zwaait intussen al paranoïde en bipolair met messen en pistolen. Ze schiet twee jongens in hun benen die haar voor de grap imiteerden. Nina Simone is mataglap. De Amerikaanse woont inmiddels in Nijmegen. Vroeg oud en verzwakt.

Maar die mail onder het pilsje bij Patagonia in kolkend Scheveningen!

‘Ellen vroeg zo-even: ”Is Johan weg?” Ik zei: ‘Ja, die is pootje baden in Scheveningen. Is dat goed?’ Ja, knikte Ellen. En zei: “Vind ik goed”. Onvoorstelbaar steeds weer hè?! Zo zegt ze niks, soms wel een hele dag, zo vraagt ze waar je bent. Geniet van Scheveningen. Vanmiddag zet ik Ellen onder de douche. Lieve groeten van haar en mij uit de Sahara.’

Tegenover mij bij Patagonia een jong (zo te zien) Nederlands-Marokkaans gezinnetje met een geweldig leuk kindje van een jaar of twee. De vrouw (midden twintig?) kan gemakkelijk doorgaan voor een fotomodel. Is zo weggelopen uit een dure glossy. Ze ziet me naar het schermpje kijken van mijn mobiel. ‘U krijgt zo te zien een geweldig berichtje.’ Ik knik haar toe. ‘Van thuis’, zeg ik verheugd. ‘En?’ Zó spontaan, zo gemeend. Ze heeft mooie tanden. ‘Mijn vrouw, mijn lieve vrouw. Vroeg waar ik was. Nou hier, hier in Scheveningen. Ik hoef nog niet thuis te komen.’

Een sms van ‘Is Johan weg?’ Die voor eeuwig blijft opgeslagen in mijn prehistorische telefoon. Vijf intens gelukkige minuten op het gloeiendhete zand tegenover de Noordzee. Hier lever ik al die dagelijkse zware inspanningen van mantelzorg voor. En al dat geregel, van diensten ook en van het samenstellen van zorgroosters. Eigenlijk zou ik de verzorgenden van Ellen artiesten moeten nomen. Want dat zijn het, het zijn artiesten. En artiesten draaien geen diensten, er moet een fraaier woord te bedenken zijn. Voortaan ga ik ze boeken. Zo ga ik het noemen: boekingen. Ze zijn met Ellen op tournee. Vraag me overigens wel geregeld af hoe lang ik het nog volhoud. Geestelijk vooral. Het hoofd raakt leeg. Of vol. Ik voel het verschil niet. Maar LBD is geen Alzheimer. Ik merk aan mezelf dat ik steeds vaker de afkorting gebruik. Kan het woord al bijna niet meer horen. Nee, geen Alzheimer is het in de strikte betekenis. LBD is anders. Hoe zou ik Ellen nog kunnen achterlaten in een verpleeghuis? Ik kon het al niet. Nooit niet. Ellen weet na ruim 36 jaar samen nog altijd wie ik ben. En hoe ik heet. Een troost. Al blijft de leegte. Patagonia I love it. Maar daarover had ik het niet met die prachtige moeder van dat kleine leuke meisje van twee. Slechts een terloops complimentje voor haar voorzichtig rondstappende dochtertje met donkere krullen. De Nederlandse bevolking wordt er bepaald niet lelijker op. Weinig rood verbrande biggetjes op Scheveningen. En haar man met een tatoeage over de volle lengte van zijn linker arm? Die negeerde ik even. 

****

En zo werden we weer eens hardhandig geconfronteerd met de gevolgen van de aardopwarming. Eigenlijk was het onbegonnen werk, het sproeien van de voor- en achtertuin. En toch begonnen we de dag ermee. In alle vroegte. In fotovlucht de dag dat het warmterecord uit 1944 gebroken werd. Dat gebeurde op woensdag 24 juli 2019 in het Brabantse Gilze-Rijen. Rond de klok van ’s middags drie uur. Daarna maakte Eindhoven het nog bonter: 39,1 graden. Voor donderdag 25 juli worden nog hogere temperaturen verwacht. Welhaast veertig en mogelijk zelfs daar overheen. (Het zou in Gelderland 41,7 worden, maar daar bleek de meetapparatuur niet te deugen. Het werd toch weer Gilze-Rijen). Leven als in de tropen. Behoorlijk vroeg naar bed, met de kippen op stok. En ’s morgens al om een uur of vijf op. Het rooster voor de verzorging van Ellen daarop aangepast. Eten praktisch geheel en al op z’n Surinaams. Kip met dunne bami of andersom. Foto’s gemaakt door verzorgende Trudy bij temperaturen in de vroege ochtend van al dik 25 graden. Bij onze veel bezochte super begaf ’s nachts de koelinstallatie het. Ook het alarm ging niet af. Alles onverkoopbaar en afgevoerd in containers. Zuivelproducten, het vlees, het ijs, de salades – alles en alles weg. ‘Een drama’, zegt het winkelmeisje. ‘En gisteren ook al in een ander filiaal.’

20190724_093101

‘Jaag de kosten voor het water niet zo op’, zou Ellen vroeger geroepen hebben. Maar die planten dan! Je hoorde ze zuchten en verzuchten. De fysiotherapeuten komen later in de ochtend aan huis met die tropische omstandigheden. Het wegknippen van de uitgebloeide bloemen van de vlinderstruiken gebeurt op eigen risico. Het risico op een zonnesteek. Het gaat dwars door de honkbalpet heen met daarop in koeienletters Nicaragua. Ach ja Nicaragua; mijn grootste blunder in de journalistiek ooit. Het WK-honkbal in Italië in de badplaats Rimini. Nederland won nooit van Nicaragua en toen in Rimini werden de mannen uit Midden-Amerika opgerold. Een ronkend artikel de volgende dag in Het Parool. Een superprestatie van het team van coach Ernie Myers. Flagrante onzin. Had er geen seconde bij stil gestaan dat die dag in Managua een burgeroorlog was uitgebroken. De Sandinisten. Het moet in 1978 zijn geweest of 1979. ’s Avonds laat de artikelen schrijven in een reisbureau aan de boulevard van Rimini. Naast dat reisbureau een restaurant waarvan het personeel een pizza kwam brengen rond één uur ’s nachts. Eigenlijk vond het armlastige Parool drie weken honkbal in Italië te duur. Daarom gooiden we het op een akkoordje. Het vliegtuig betaalde ik zelf. In Rimini een dag met ongekend veel wateroverlast. Middenin de nacht moesten alle hotelgasten zich bij de balie melden. Of ze nog in leven waren. Eén gast ontbrak. Een Nederlandse honkbalsupporter uit Amsterdam. Die sliep door alles heen. Het water stond tot aan zijn matras. Die fan heette Rinus Onderwater, en niemand zal me nu geloven. Maar het is toch echt zo. We zijn alweer veertig jaar verder. Nog even en Ellen is alweer drie jaar fulltime thuis vanuit het verpleeghuis. Eigenlijk is het een mirakel. Te meer daar de nachten zonder problemen blijven verlopen. Uit de VS duiken nieuwe cijfers op. Cijfers dat daar zes miljoen Amerikanen aan Alzheimer lijden en wereldwijd vijftig miljoen mensen. In Amerika heeft één miljoen mensen de ziekte van Parkinson. Over de gehele wereld is dat tien miljoen personen. Het zijn indrukwekkende cijfers. Vooral het aantal gevallen van parkinson neemt hand over hand toe. 

20190724_093132

De trekvaart in onze wijk. De idylle. De gebruikelijke route ondanks alle warmte voor een klein blokje om. Daarna een mail naar Bruno en Chris van Cajou in De Panne waarin Ellen beiden een schitterende lucratieve hoogzomer toewenst met hun hotel en hotelpersoneel. Altijd weer doet Cajou aan haar de groeten. Nu Ellen aan Cajou. Waar doen de huidige omstandigheden ons het meest aan denken? Niet aan de Côte d’Azur en evenmin aan Toscane of Malaga. Hooguit een beetje. Eerder aan de gortdroge Povlakte. En aan de Dordogne. Daaraan vooral. We weten ons na pakweg 25 jaar terug in de Dordogne. De restaurants van Sarlat. Ganzenlever. Het huis dat we er voor een maand huurden op een bergtop. Soms kwam er geen water uit de kraan. Een andere keer was er geen elektriciteit. De krant die belde dat we Saddam Hoessein in de gaten moesten houden, want die was met Irak binnengevallen in Koeweit. Dat kon wel eens op oorlog uitdraaien. Dat bleek later ook wel. De eerste Golfoorlof, Bush senior. Generaal Schwarzkopf. De oude geslepen krijgsheer Norman Schwarzkopf die het liefst Saddam in Bagdad was gaan ophalen maar werd tegengehouden vanuit het Pentagon. Misschien wel dé mooiste tijd als chef buitenland. Met hoofdredacteur Max Snijders, met de adjuncts Hans Goessens en Reinier v.d. Loo. Met Kees van Dam. En al die anderen. En met Ellen die voor de oorlogsredacteuren de nachtelijke maaltijden verzorgde. Belegde broodjes met melk. We woonden op de redactie. De Dordogne een paar maanden eerder. ’s Nachts sliepen we buiten, op het terras voor de deur van het gehuurde huis. Douchen buiten onder een tuinslang. Bezoek aan het kasteeltje waar ooit Josephine Baker met haar weeskinderen woonde. Een rondleiding door het huis van de vrouw die het bananenrokje herintroduceerde. Alles was intact gebleven. De hele inrichting was gebleven zoals die was. Vrienden uit het honkbal waren voor een paar dagen over. En mee op de rondleiding. Die vriend toen hij de slaapkamer van Josephine Baker betrad: ‘Dat ik dit nog in mijn leven mag meemaken.’ Van de Franse mevrouw die de rondleiding gaf, mocht onze vriend ook even twee minuten op het bed van Josephine liggen. Niet langer, er waren grenzen. Josephine zelf was daar anders in. 

20190724_095656

We kozen er vroeger vrijwillig voor en gaven er ook nog eens heel veel geld voor uit. De bloedhitte. Week 30 van 2019. De Dordogne thuis. Later op de historische dag van het warmterecord het glaasje wijn dat fysiotherapeute Dorothy als cadeautje meebracht uit Toscane in Italië. Volterra inderdaad. Dat overweldigende panorama. De cipressen. De lavendel. De velden met papaver wat vroeger in het zomerseizoen. Onuitwisbaar allemaal. Italië. Het land van Dante Alighieri. Dante uit Ravenna. De goddelijke komedie. Italië. De schatbewaarder van Europa. De vakanties in Cecina Mare en Marina di Bibbona. De provincie Livorno. Onvergetelijk als gezegd. Gelukkig altijd genoten. Nooit gezegd: ‘Dat komt later wel.’

20190724_095826

Na het weekend van 20 en 21 juli werd het warmer en warmer. Op zondagmorgen 21 juli was de stola nog geen overbodige luxe. Maar dat veranderde snel. Razendsnel zelfs. Er was geen houden aan. Dat werd genieten. Het wordt mooier en mooier in de uitlopers van Leidsche Rijn. Het wordt er ook steeds cultureler. Wandelend met de rolstoel geven we onze ogen goed de kost. Van Utrecht via De Meern naar Harmelen. Een mens vergaapt zich aan de huizen en de natuurschoon. Van Josephine Baker naar Riek Bakker is qua achternaam een kleine stap. Slechts 1 K. De reuzesigaren rokende Riek Bakker in colbert ontwierp de nieuwe westkant van Utrecht en dat het zo fraai zou uitpakken, nee, dat had niemand durven dromen. De sceptici de mond gesnoerd. Daar behoren we zelf toe. 

20190731_183522

Alsof ze een cruise maakt op de Middellandse Zee. Straks natuurlijk naar het casino. Knokke? Cannes? Dit doet denken aan Saint-Tropez. Maar ook dit is de thuishaven. De avondzon om half acht en het bed voor een kleine drie kwartier zowat ín de tuin net over de drempel van de schuifpui. Ze luistert naar muziek van Norah Jones. Zo-even een vol bord met nasi en roti op. Het rommelt in de verte. Delen van Nederland hebben al met stevige onweersbuien te maken. Het is broeierig. We lezen op Teletekst over hagel. Het glaasje Ponche Kuba wordt ingeschonken. Met ijsblokjes. We halen de Cariben in huis. Bezoek gebracht aan onze alleenstaande vriend op de gesloten afdeling van het verpleeghuis Vreugdehof. Je vermoedt in eerste instantie dat achter de ronkende naam Vreugdehof een vakantiepretpark van Landal schuilgaat. Degene die deze naam cynisch en sarcastisch heeft bedacht, wie zou dat in hemelsnaam zijn?, die kaffer zou gestraft moeten worden. Gestraft met een vakantie die begint met een lang weekend Vreugdehof waarvan hij naar zijn familie een ansichtkaart mag sturen. Misschien is de bedenker van de naam Vreugdehof wel de zwaarst dementerende van de gehele Zuidas in Amsterdam. In elk geval niet goed snik. In zo’n verpleeginstelling keert het besef terug dat we ondanks alles vervarend zijn. Mooie foto’s getuigen ervan. Ze getuigen van een rijkeluisleven in vergelijking tot hoe het met parkinson en LBD ook had kunnen zijn. Verpleeghuizen houden iets naargeestigs. Onze vriend in Vreugdehof vertelde een verhaal van heel vroeger dat tamelijk onwaarschijnlijk leek. Op zijn nachtkastje lag een boek. Daar was-ie in bezig. Hij zou toch niet… Dat boek kenden we. Ergens moest bij ons thuis een exemplaar in de boekenkast staan. Het boek fragmentarisch herlezen. Identificatie? Onze vriend die in zijn hoofd de hoofdpersoon was geworden van het boek dat hij onderhanden had? Confabuleren? Onze lieve vriend die hardnekkig gelooft in zijn eigen verzinsels? ‘Wat fijn dat je hem blijft steunen en hem blijft opzoeken’, schreven zijn kinderen. Vanzelfsprekend. Al geeft het een gevoel van opluchting Vreugdehof weer vrijelijk te kunnen verlaten. 

Prachtige foto Johan! Ik ben vandaag bij jullie geweest, het ging goed met Ellen. Ben benieuwd hoe jij het had bij onze vriend met spoedopname in het verpleeghuis, hopelijk heb je het gezellig gehad, ook voor zijn gemoedstoestand. Groet. Leroy.

20190719_112057

Juli 2019. Een maand met extreme warmte. Droogte en klagende boeren. Maïsvelden die waardeloos geworden zijn. Er valt wat regen maar dat zet geen zoden aan de dijk. Geleidelijk zijn we terug bij de stola. Ongeveer 22 graden voelt plots frisjes aan. Tijdens de tropenweek in juli 2019 overleden in Nederland vierhonderd personen meer dan het ‘gebruikelijke’ cijfer in een zomerweek. Het aantal sterfgevallen kwam overeen met 2006 toen Nederland ook tweemaal met een hittegolf te maken kreeg. 

Dag Johan en Ellen,
Ik ben zelf altijd geïnteresseerd in sport, voeding en gezondheid en
ik kwam onderstaande artikel tegen. Ik kan mij voorstellen dat jullie
niet zitten te wachten op ‘goed bedoeld’ advies en dat is ook zeker
niet mijn bedoeling hierbij. Ik dacht dat jullie dit misschien
interessant zouden vinden. 
Fijne dag!
Niels
https://www.psychologytoday.com/us/blog/diagnosis-diet/201906/parkinsons-alzheimers-and-the-new-science-hope

IMG_9992

Een gezonde eetlust. Nog steeds. Betere en mindere dagen wisselen elkaar af. Als die parkinson toch eens aan ons voorbij was gegaan. Ja dan! Of als die parkinson anders nog eens een aantal jaren was weggebleven. Het is soms moeilijk te verkroppen. Maar heel voorzichtig durft de mantelzorger al aan de feestdagen in december te denken. Weggaan betekent tijdig reserveren. De tip van een prachtig zorghotel op een schitterende locatie, niet eens zo ver van huis, ergens op de Heuvelrug voorbij Doorn. Of anders in de buurt van Zwolle. We moeten er maar eens gaan kijken en eventueel een optie overwegen voor december. Hard genoeg gewerkt vroeger. Ellen verbaast. Ze blijft verbazen. Ze reageert op de ene persoon heel sterk en op anderen maar nauwelijks of totaal niet. Ze reageerde op Zulay Puerta Torres uit Cartegena die haar deze week kwam bezoeken. En meestal reageert ze ook heel sterk op Trudy. Die douchte Ellen vandaag. ‘Zo is het wel genoeg hoor.’ Nou vooruit Ellen, de kraam dicht. En nog een paar dagen dan is ook gouvernante Diana weer van vakantie terug en van de partij. Ze was jodelen in Oostenrijk. Ze blijft logeren en ondertussen vult Elly de vriezer weer.