We durfden er al bijna niet meer op te hopen

foto_klein
Een foto vertelt soms meer dan duizend woorden. Voor dit beeld geldt dat maar al te zeer. Het is de symboliek. Het is de symboliek in heel zijn eenvoud. Het is de warmte van thuis vanuit de waterkoude gure buitenwereld met sneeuw in aantocht na een gezellig decemberavondje uit bij de buren. Het is het verhaal achter de geborgenheid. De geborgenheid van het weer SAMEN fulltime onder één dak wonen, ondanks de waaier aan opgelegde beperkingen door ziekte. Bij Pavarotti en Puccini en de meeslepende vertolking van Nessun Dorma gaat binnen de volumewijzer als vanzelf een paar streepjes meer naar rechts. Muziek die de mahatma meer doet dan welke gebedsgenezer ook, of waarvoor zulke personages zich zo graag uitgeven. De balsem. Oh zeker, muziek als balsem. Ellen gaat niet vooruit, eerder achteruit. Het proces voltrekt zich zoals in alle handleidingen valt terug te lezen. Ellen slaapt veel en steeds vaker staan de radertjes in het hoofd stil. Soms hangt ze als een slappe pop in mijn armen. Dan zwabberen de benen. Soms jaagt ze me schrik aan en heb ik het klamme zweet op mijn voorhoofd staan: dan lijkt ze wel comateus. Maar dan ineens zendt het brein weer signalen uit en is ze terug vanuit een ver onderbewustzijn. Drie keer per week fysiotherapie redt haar van een foetushouding. Dit is onze kerstplaat van 2017. De kerstverlichting rukt op in de dreven en op de pleinen van de winkelcentra: we mogen er nog steeds SAMEN van genieten. De oliebollenkraam hier middenin het dorp wordt alweer druk bezocht. Om alle cadeautjes gaat een extra strik. De wokpan van de Jumbo is vervangen door een steviger van de Vomar en ook die maakt vlieguren. De combinatie van parkinson en Lewy Body is een onverbiddelijke. Maar het onverbrekelijke blijft. Als 35 jaar geleden SAMEN begonnen en elkaar toen eeuwige trouw beloofd op een Amstelveens flatje zo petieterig als een luciferdoosje en met sinaasappelkistjes die een bescheiden kwastje verf kregen. Het was een niet altijd even gemakkelijk begin vanwege twee totaal verschillend gelopen levens tot dan toe. Ze leken met elkaar onverenigbaar. Een enkeling zei dat ook. Sommige anderen moeten het hebben gedacht. Maar nee. Ik beloofde haar dat ik haar nooit van mijn leven in de steek zou laten. Zij beloofde mij hetzelfde. Eeuwige trouw als nog eens extra jegens elkaar benadrukt en bevestigd bij ons huwelijk onder een driemans hoge kerstboom op kasteel Haarzuilens, deze dagen precies dertig jaar geleden. Het vieren waard. Twee jaar geleden allang de hoop opgegeven dat we die dertig jaar nog zouden halen. We vieren die dertig helemaal alleen, met z’n tweetjes.
Kan ziekte een liefdesrelatie nog meer verdiepen? Na afloop van mijn spreekbeurt op Wereld Alzheimer Dag kwam in De Bilt een collega-mantelzorger op me af. ‘Meneer’, zei de vriendelijke man en hij schudde aan de mouw van mijn overhemd: ‘Meneer, mijn vrouw betekende vijftig jaar lang werkelijk alles voor me, zonder haar voelde ik me verloren, zij was mijn zuurstof, en toen werd ze ziek, ze ging dementeren, ons bestaan kantelde, het was soms verschrikkelijk, onberedeneerbare onlogica deed zijn intrede, woedend kon ik worden en werd ik ook, aan u hoef ik die boosheid niet uit te leggen, en het gekke is.. Meneer het gekke is dat mijn vrouw in heel haar afhankelijkheid een nog grotere betekenis voor mij kreeg dan al het geval was, er kwam een nieuwe laag verdieping bij in onze relatie.’ Of ik dat begreep? Oh ja, zeker wel, zo herkenbaar, en dat heb ik deze pensionaris uit De Bilt ook geantwoord.
Onze vriendenkring had het in 2017 niet altijd even gemakkelijk, verre van dat zelfs. Ze werd getroffen ook: een hersenbloeding, een reeks bestralingen, pacemaker, chemo, de fatale gevolgen van leukemie, een broer die zelfmoord pleegde en de onbeantwoord gebleven vraag naar het waarom en of dat niet verhinderd had kunnen (nee: moeten) worden, een moeder die veel en veel te jong overleed. Het is slechts een greep. Zij allen veel sterkte. Zeker strakjes als we met al dan niet veel oorverdovend geknal uit donderbussen het nieuwe jaar in rollen. Gelukkig – oh ja gelukkig fietste ook de lol veelvuldig op de bagagedrager mee in 2017. Er viel ook veel te lachen. En dat deden we dan ook. Zeker ook om Fred Teeven die nu op de bus rijdt en om Ivo Opstelten die op zijn scooter taarten rondbrengt naar nieuwe VVD-leden. Heerlijk span die twee. Echt jongens van het gewone volk, en zelf zo gewoon gebleven, heerlijk. Toch – je zal zo’n Opstelten maar aan je voordeur krijgen. Zou hij bij aflevering van die taarten om een ontvangstbewijs vragen? Het mooiste nieuws van de afgelopen dagen kwam uit het Limburgse mijnwerkersstadje Brunssum. De enige burgemeester die dat ratjetoe aan plaatselijke politici onder de duim hield, was een oud-luchtmachtofficier met een wapen (waarvoor hij volgens insiders geen vergunning had). Zodra het al te baldadig werd in de raad greep hij naar zijn binnenzak. Ik heb er nog eens een paar dagen mediatraining gegeven aan B & W. Cees Muit was daar als geluidstechnicus bij. Memorabele visite aan Brunssum werd het. ’s Avonds zaten we bij een whisky uit te hijgen in een groot hotel dat aan een golfbaan lag. 
‘Geef ons ook morgen’ bleef gedurende het afgelopen jaar ons leitmotiv. 2017 tikt in de feestelijk verlichte straten en overvolle winkelcentra langzaam weg. We mogen er gelukkig nog steeds SAMEN deel van uitmaken. We zullen het ook in het nieuwe jaar dagelijks blijven herhalen: ‘Geef ons ook morgen’. We onderstrepen het. We zijn zielsgelukkig mét en intens dankbaar vóór alle hartverwarmende steun die wij mochten ondervangen van onze trouwe vrienden en vriendinnen en van de professionals om ons heen. Het is de solidariteit mét en loyaliteit ààn. We kijken terug op een paar fraaie uitstapjes dit jaar naar De Panne aan de Belgische zuidkust om er te flaneren en er te dineren bij kaarsen waarvan het licht niet uit een vreugdeloos stopcontact kwam. Kikkerbilletjes ook, een delicatesse! Dwalen en nog eens dwalen langs de inspirerende schepping in de duinen van de legendarische architect Dumont. We waren voor de zomervakantie op Lückerheide en in de rustieke hotelabdij van Rolduc, om de hoek in Kerkrade.
We zullen het jaar strakjes SAMEN en in ons eigen domein met champagne afsluiten. Ik maak er Ellen om twaalf uur ‘s nachts met tranen van geluk voor wakker. Ik maak haar wakker voor champagne. Ik hef twee glazen en laat ze klinken, en ik help haar drinken. En ik denk dan ook heel even aan mijn collega-mantelzorger uit De Bilt. Zijn woorden daar, woorden waarachter passie en een groot gevoel voor medemenselijkheid schuilging. En ik denk aan de nog jonge burgemeester van De Bilt, mijn gastheer op Wereld Alzheimer Dag die me op mijn schouder tikte voor een praatje. Hij had voor de microfoon gesproken over de Alzheimer van zijn vader, maar niet verteld dat hij al vele jaren eerder zijn vrouw verloor. Te heftig. Verlies en verdriet, de ziel en de krater, ze zijn niet aan leeftijd gebonden. Wat is missen? Het is het lege gevoel dat deels bestreden kan worden met vechtlust en positivisme.  
‘Doe iets goeds met je periodieke boosheid en gebruik haar om liefdevolle en oprechte oplossingen te vinden’, leerde Mahatma Gandhi me als ik weer eens tegen alle onmogelijke en onberedeneerbare regelfetisjisme in de zorg aanliep. Of verdwaalde in het labyrint aan instanties. Of, in retrospectief, tegen de kennelijke rechtens vanzelfsprekendheid van een goede gezondheid. ‘Met zo’n vrouw ga je toch niet meer op een terras zitten?’ (Gelukkig hing op het terras geen apartheidspolitiek verbodsbord voor Ellen). Of aanliep tegen die onhebbelijke beunhazende managers en bestuurslui die zich als graaiende sektarische regenten volstrekt onwenselijk in de gezondheidszorg hebben gewurmd. Of tegen ongevraagde bemoeizucht. Zoals van die bejaarde non bij de ingang van de Dirkson in Vleuten die ons met een hemelse blik van Genesis tot ver voorbij het Tweede Testament stond op te wachten en vroeg of ik Ellen niet te koud gekleed had voor eind november. ‘Meneer, daar moet u toch mee uitkijken hoor’. Maar er zaten twee wollen truien onder de grijze vilten stola van Italiaanse snit! Ik voelde me door haar aangerand. Ze begreep me niet. ‘Boosheid is voor mensen wat benzine is voor een auto: brandstof om in beweging te komen en naar een mooiere plek te gaan. Zonder woede op zijn tijd zouden we niet gemotiveerd worden om uitdagingen aan te gaan. Het is een energie die ons dwingt te definiëren wat goed is en wat fout.’ Aldus Gandhi in het boek dat zijn kleinzoon Arun over hem schreef. Weet wat je waard bent en wees niet bang je mond open te doen, schrijft Arun Gandhi ook in het autobiografische verhaal over zijn mythische en wereldwijd vereerde opa Mahatma, de Grote Ziel. Ach, met een beetje moed bij het grondpersoneel waren nooit plascontracten in verpleeghuizen tot uitvoering gebracht. En zo is er meer. Het is de ontmenselijking in heel zijn ontluistering. Het is de schending van een fundamenteel mensenrecht. Sprak deze week een mevrouw van het gewraakte zorgfabriekje Careyn. Het zou met die plascontracten genuanceerder liggen dan ik dacht, zo probeerde ze me aan te praten. ‘Nee mevrouw, klets niet, daar trap ik niet in. Genuanceerder ja, ik ken die dooddoener. Ze bestaan die plascontracten, in welke vorm dan ook. Of ze bestaan niet. Het is van tweeën één. Ze zijn er op de één of andere manier en dat op zich is al een gotspe. En wie eraan meewerkt die collaboreert ruggengraatloos met een misdadig systeem. Die verdient de rechter.’ 
Wees niet bang je mond open te doen. Tsja. De marktwerking in de zorg? Welke markt en welke zorg? Het is de onttovering van ideeën die vooraf bestonden. Soms lijkt het leven wel één grote valse reclameboodschap van de STER.
Enorme waardering voor die dertigjarige kleinzoon van de Indiëganger Evert-Jan die als vrijwilliger na de oorlog op Java en Sumatra het Nederlandse gezag probeerde mee te helpen herstellen. Waardering voor de doorwrochte research die de kleinzoon deed, zijn zitvlees, en zeker ook de ongekunstelde liefde waarmee hij de zwarte bladzijden uit de Nederlandse geschiedenis in ‘Tabee Java, tabee Indië’ op papier kreeg. Bladzijden waarvan ook zijn opa tribaal deel uitmaakte. Nee, die opa werd als negentienjarige beslist niet in Indië als een soort Canadese bevrijder feestelijk binnengehaald. Wat hijzelf had verwacht. Wat hem ook door Kerk en Staat was voorgespiegeld. De geschiedenis had er allang zijn eigen dynamiek. Het boek ontroert omdat op overtuigende wijze een in bloed gedrenkte periode wordt nageplozen waarin naar harte lust manipulerende Haagse politieke pyromanen er blijkt van gaven zowel persoonlijk als geopolitiek maar weinig van de Duitse bezetting geleerd te hebben. De kleinzoon deed iets goeds met zijn aan boosheid grenzende metersdiepe verontwaardiging over zoveel bestuurlijk misbruik van dorpsnaïveteit: hij schreef een boek. Een boek dat fascineerde. Hij eerde daarin zijn opa, maar nam hem niet in bescherming. Heel knap. Razend knap!
Meer dan eens voelde ik me dit jaar als afnemer van zorg zeer ongemakkelijk bij wat de sector me te bieden had. En van alle soesa ook. Wondspecialisten die niet meer naar zieke mensen met een PGB willen gaan omdat zo’n persoonsgebonden budget te veel extra administratie met zich mee zou brengen. Het stemvolume van de wondverpleegkundige van Careyn (daar heb je het zorgfabriekje weer) ging een paar octaven naar beneden, het leek waarachtig wel op een samenzwering, toen ze ons meedeelde: ‘U heeft geluk, meneer, dat u al in ons bestand zit. In januari wordt het een ander verhaal. Te veel papierwerk, meneer, we zijn driekwart van onze tijd met computeren bezig vanwege alle administratieve rompslomp. En veel patiënten van ons raken helemaal de weg kwijt met al die formulieren van de sociale verzekeringsbank’. Met stomheid geslagen: ‘Maar mevrouw de wondverpleegkundige, als u die mensen eens naar de Graadt van Roggenweg in Utrecht stuurde, waar de sociale verzekeringsbank een balie heeft ingericht met medewerkers die patiënten en hun mantelzorgers kunnen helpen als ze met de handen in het haar zitten. U poeiert toch geen mensen met pijnlijke doorligplekken af?’
En neem zo’n neuroloog in het Antonius Ziekenhuis. Ach lees maar. Verdere uitleg overbodig. 
Het is maandagochtend 4 december. Een telefoontje over de medicatie van Ellen naar haar vaste neuroloog in het Antonius.
‘Mevrouw ik heb een vraagje aan de neuroloog van mijn echtgenote. Het gaat om de levo dopa. Om de dosering. Het gaat om een herbevestiging van een al eerder verstuurd receptje naar de apotheek. Het kan in een telefoontje van drie minuten met de neuroloog geregeld worden.’
‘U wilt hem even raadplegen, begrijp ik u goed?’
‘U begrijpt me goed, mevrouw, hij moet een nieuw receptje uitschrijven. Zonder dat kan de apotheek niks.’
‘Eens even kijken. De eerstvolgende mogelijkheid om u even te woord te staan in zijn telefonisch spreekuur is eind januari. Zou dat u schikken?’
‘De neuroloog misschien wel mevrouw, maar mij niet. Dan zijn we bijna acht weken verder. Dat is toch gekkenwerk! Hoe zou u het vinden als u voor uw aan parkinson lijdende echtgenoot belde en ik liet u aan de balie bij het Antonius doodleuk weten dat u nog acht weken geduld moest hebben met uw vraag van drie minuten. Zou u schouderophalend akkoord gaan? Zou u denken: zo gaat dat nu eenmaal in de welvaartsstaat Nederland anno 2017? Zou u zo slordig omgaan met uw zieke echtgenoot dat u met een wachttijd van acht weken genoegen nam?’
‘Nee, nee , nee. U heeft gelijk, ik zou ook mijn oren laten uitspuiten omdat ik met eind januari meende de receptionist, u dus, verkeerd verstaan te hebben. Ik zou not amused zijn. Maar die neurologen zijn alleen maar drukdrukdruk. We krijgen ze zelf al zo moeilijk te pakken. Maar we regelen iets, en wel zo snel mogelijk. Heeft u nog een vraag?’
‘Ja, die roept u bij me op, mevrouw. Zou het niet verstandig zijn als het Antonius zijn zo gelauwerde neuroloog wat minder hard liet werken? Idee om er nog een in parkinson en Lewy Body gespecialiseerde neuroloog bij te nemen? Kan dat er af in het Antonius? Mevrouw, parkinson en Lewy Body maken afhankelijk en de tijd ván en vóor ons kostbaar.’
En ondertussen kom ik met mijn woorden alweer gemakkelijk dicht in de buurt van die duizend. Wat zeg ik? Ik ben de tweeduizend al voorbij. 
Wij wensen onze vrienden en vriendinnen en onze zorgrelaties een warme, stemmig verlichte decembermaand toe.
Lieve kerstgroet van ons SAMEN.

Goudvissen als hartigheidje aan de tap in Gouda

Hallo Johan! Zo te zien wordt je artikel ook in de a.s. editie niet geplaatst: De Oud-Utrechter opent deze keer met een verhaal van Peter Velo over de omgeving van het Zandpad in Utrecht. Verder in deze krant onder andere: Koos van Schaik die vertelt over Utrechts carnaval van vroeger een interview van Jan Jansen met Mies Kroese over één van de chicste huizen van Utrecht dat ooit door de armste weesjongens werd bewoond, een grappig verhaal over etalagepoppen, een bijdrage van Bep Sturkenboom over uitgaan in Utrecht, een prachtverhaal van Rob van den Hurk over een dode goudvis aan de Vecht en weer een leuke aflevering van ‘Geluksvogels’ over de kantoorbelevenissen van Clasien Calboo-Heide. Kortom: weer een nummer dat de moeite van het lezen meer dan waard is! Halen maar weer die krant! Donderdag a.s. om 16.00 uur bij jullie? Is reserveren bij v.d. Valk nodig? Groet, ook aan Ellen. Jan van Ewijk.

Ha Jan. Bij het eerste kopje koffie deze ochtend even een korte reactie:

Clasien Calboo-Heide, ik lig hier bulderend van de lach over mijn bureau! Dat is Koot & Bie. En de dag moet nog beginnen. Hoe bedenk je dit! Ben je niet in de war? Keek gister naar een programma dat meldde dat het bij één op de vier Nederlanders in de bovenkamer niet meer klopt. Je levert me bouwstenen voor een nieuw blog. Alleen al daarvoor veel dank. Maar wel slordig van die redacteur, die Peter, natuurlijk. Als het klopt tenminste. Eerst eind oktober, toen 14 november, toen 28 november. Beloven en niet zijn toezegging nakomen. Daarna nog een keer beloven en weer niet doen wat hij toezegt. Ik zal hem eens vragen of ik ook zonder publicatie die beloofde drieduizend euro tegemoet kan zien. Want je kent het tarief toch? Drie euro per woord. Maar je merkt terecht op: de onderwerpen van deze week zijn stuk voor stuk duizelingwekkend goed. Scoops. Daar leggen wij het natuurlijk weer tegen af. Maar misschien is er voor ons toch nog een klein gaatje gevonden. Ik was zo-even al naar de Jumbo voor een krantje, maar die Jumbo bleek om half zeven nog gesloten. Niettemin al een lange rij ongeduldige lezers daar voor de deur bij die winkel. Ik heb al mijn hele leven iets met goudvissen. Onbedwingbaar is dat. Tast dan altijd meteen naar mijn gulp. Ik zal niet verder gaan met deze ontboezeming. Want het zou me gemakkelijk bij een equivalent van #metoo kunnen brengen. Clasien Calboo-Heide. Denk er het permanentje bij. Spruitjeslucht. Plissérok. Mephisto’s met extra steunzolen en verhoogde hak. Het werkt nu al op mijn lachspieren. Het is karikaturaal. Moet je er maar geen Koot & Bie act van maken op de vroege morgen Jan! Misschien moeten wij ons interview actualiseren. Zeker als onze negentigjarige Henk de Kerst niet haalt. Dan lijkt mij een dubbelinterview met Clasien Calboo-Heide en jou een schitterende opening krant. Ik weet nog niet waar het over moet gaan, beetje kerstgedachte, maar op voorhand belooft het een kaskraker te zullen worden. Jij kunt waarschijnlijk ook het één en ander vertellen over het kantoorleven eertijds. Misschien heeft Clasien Calboo-Heide wel ooit een blauwe maandag gesoftbald. Of er stiekem naar gekeken. Weet jij dat toevallig? Clasien Calboo-Heide: heerlijke naam. Gaat veel gezag vanuit. Geluksvogels en kantoorleven, dat lijkt me overigens toch vooral de onvervalste tegenstrijdigheid. Die goudvissen waar de Oud-Utrechter op inzoomt. Je haalt veel bij me naar boven. Ik ben ooit voor een paar maanden interim-chef (crisismanager) in Gouda geweest. Ik moest orde op zaken stellen op de redactie van de Rijn & Gouwe. Ik kwam er al gauw achter dat er ergens anders orde op zaken moest worden gesteld. Namelijk binnen de hoofdredactie. Maar dit terzijde. In die tijd in Gouda heb ik ook zelf een aantal verhalen geschreven. Eén daarvan betrof een straat (achter de sportvereniging ONA als ik me nog goed herinner) tijdens een EK-voetbal, of WK, dat weet ik niet meer, maar die buurt kon zó mee als één van de meest versierde van Nederland. Het zag compleet oranje voor je ogen. Nooit meer zoiets meegemaakt. En nou komt het. Op alle vensterbanken in die straat stond een vissenkom en daarin zwommen goudvissen rond. Bij één van de buurtbewoners nam ik een kop koffie voor mijn verhaal. Ik wijs naar die goudvissen, zegt de bewoner: ‘Ze hebben ook een naam. De ene heet Cocu en de andere De Boer.’ Ik vroeg of hij die twee goudvissen uit elkaar kon houden? Dat kon hij. ‘Loop maar mee’, zei hij. Wij naar die vensterbank. ‘Kijk’, zei hij, ‘zie jij dat puntje daar op die ene goudvis?’ Ik moest heel scherp kijken, maar ik zag inderdaad een puntje. Nou, dat was nou Cocu. En toen vertelde hij me iets werkelijk verbijsterends. Lees de Rijn & Gouwe van destijds er maar op na. Hij had De Boer net aangeschaft in de dierenwinkel. Waarom? Omdat hij uit woede om een keepersblundertje de zielige Hans van Breukelen uit de kom had gevist met een theezeefje en vervolgens met een slok bier naar binnen had gewerkt. Enfin, dat EK of WK is nog volop aan de gang en één van de redacteuren neemt mij in Gouda mee naar een café bij de Markt. Blijkt het daar tijdens een EK of WK heel gewoon te zijn om een pilsje met een goudvis te bestellen. Zo’n goudvis diende als hartigheid bij je borreltje. Het is dat ik het met eigen ogen heb gezien! Ik had het anders niet geloofd. Ik wist al dat Gouda een hele rare stad. Woonde staatssecretaris Aad Kosto daar niet, de man wiens huis ze later nog in de fik staken? Hij kon nog net zijn lieve kat redden, legendarische foto. Maar die goudvissen… Op een gegeven moment, geloof het of niet, kwam er een plaatselijke verordening dat de horeca geen goudvissen meer ter consumptie mocht aanbieden. Het liep uit de hand met die goudvissen. Achter de bar hadden ze joekels van plastic zakken waar die beestjes in rond zwommen. Een soort coffeeshop maar dan anders. Er zullen mensen zijn die zeggen: je kletst uit je nek, maar het is echt allemaal waar. Gouda leverde me krankzinnige weken op. Ik weet nog dat de hoofdredacteur mij vanuit Alphen aan den Rijn meenam naar Gouda om met mijn nieuwe onderdanen voor het eerst kennis te maken. Hij zet stoer een stap over de drempel van het redactiekantoor in zo’n steegje, had toch maar mooi de chef nieuwsdienst van Het Journaal gestrikt, en krijgt een vuurrood hoofd van woede. Waar je ook keek, lege flessen wijn, louter lege flessen. Ik lag in een deuk. Die flessen moesten onmiddellijk naar de glasbak en er mocht nooit meer een fles wijn op de redactie worden gesignaleerd. Dat heeft twee dagen geduurd. Die redactie functioneerde al dan niet op wijn honderd keer beter dan die hoofdredacteur op zijn pickwickthee. Toen ik daar in Gouda zogezegd het bed had opgeschud door alles bij het oude te laten, kregen Ellen en ik een geweldig afscheid met een barbecue en cadeaus (o.m. twee goudvissen in een kom) die echt op de achterbank van onze auto moesten worden opgestapeld. Met Ellen ging ik toentertijd ook in mijn vrije tijd nog wel eens naar Gouda. Om er te winkelen. Die thermoskan voor de LavAzza hier vlak voor mijn neus komt nog uit Gouda. Maar zodra het donker werd moest je uit dat schilderachtige binnenstadje weg zijn. Johan Derksen had het er laatst op tv ook over. Aan het eind van de koopavond werden de winkelmeisjes met speciale busjes naar het station gereden en daar veilig afgezet. Hebben we toen nog een reportage over gemaakt. Het is daar de gekste journalistieke baan geweest die ik ooit heb gehad, maar in zekere zin ook één van de leukste. We moesten met zes man elke dag vier pagina’s Goudse editie vullen. Dat kon helemaal niet, maar het lukte wel. Simpelweg door alles wat je al had gezegd in je artikel nog maar eens te herhalen. ‘Zoals al drie keer eerder opgemerkt beste lezer, maar voor u nog een keer…’ Zo kletsmajoorden we die pagina’s vol, elke dag opnieuw. Desnoods ook bliezen we de foto’s op tot abnormale grootte. Maar ja, onze staffotograaf had last van trillende handen, dat wist heel Gouda, en zeker de Goudse horeca. Als het echt niet meer ging, lieten we zijn vrouw de foto’s maken. Het was het betere stampwerk. Snap jij dat die redactie aan de alcohol was? Die krant werd in een roes gemaakt. Kon niet anders. Werkdagen van negen tot negen, van een cao hadden ze daar nog nooit gehoord. Je leerde er relativeren, jezelf vooral ook, en alles om je heen niet al te serieus te nemen. Elke dag onderweg naar de Rijn & Gouwe bad ik in de trein dat er maar niemand ziek zou zijn. Het was slavenarbeid. Maar voor de beginnende redacteuren ook een geweldige leerschool. Er werd heel veel van hun creativiteit en doorzettingsvermogen gevraagd. Daar mocht best dagelijks een goeie fles wijn tegenover staan. Die bleven dus met kratten tegelijk het redactiehol binnenkomen. De slijter van om de hoek kwam ze persoonlijk afleveren. Op de redactie zat ook ene Bart, een bioloog van 25. Een quasi intellectueel. Hij was verantwoordelijk voor Schoonhoven en een hele boel plaatsen in een wijde boog daar omheen. Barts grootste verdienste zat niet zozeer in zijn pennenvrucht, alhoewel hij ook heel verdienstelijk regels kon kakken, net als iedereen, maar zijn grootste verdienste school hem in de schoonheid van zijn vriendin Inez met wie hij samenwoonde. Inez was een soort Ellen op pumps en gekleed naar het romantische hart van Yves Saint Laurant. Ze werkte bij de uitgevers van Wolters-Kluwer. Of gewoon Kluwer, dat weet ik niet meer. Bart had thuis niet veel in te brengen. Inez bepaalde wanneer hij kookbeurt had en dan had hij maar op tijd thuis te zijn. We waren allemaal zo bang dat het Bart zijn verkering met die spetter zou kosten dat we hem voor zijn kookbeurt maar op tijd naar huis lieten gaan. Op voorwaarde dat hij extra weekenddiensten voor ons draaide. Na zijn kookbeurt kwam Bart terug op de redactie met voor ons de etensrestjes. Dat vond Inez goed. Jaren later heb ik voor die Bart nog eens journalistieke workshops gegeven in Doorn. Hij had zich intussen via Schoonhoven aardig opgewerkt in ons vak. Vergat in Doorn naar Inez te vragen, of het nog aan was en zo. Jammer. Hoe kom ik zo ineens over dat maffe Gouda te spreken? Oh ja, door Rob van den Hurk die ons met een dooie goudvis in De Oud-Utrechter meeneemt naar de Vecht. Misschien hadden de artikelen van Peter Velo over het Zandpad en Rob van den Hurk over de dooie goudvis in de Vecht in elkaar gevlochten kunnen worden. Ik zal daar Peter van De Oud-Utrechter vandaag even op wijzen. Goudvissen wilden vroeger door al die volle condooms in de Vecht ter hoogte van het Zandpad nog wel eens vroegtijdig en zelfs op jeugdige leeftijd het loodje leggen. Wat is een vriendelijker dood voor een goudvis Jan? In de Vecht temidden van volle condooms of in een Goudse kroeg bij een pilsje? Maar alle gekheid op een stokje: die Oud-Utrechter is een leuk gratis krantje hoor. Ik ben er prachtige verhalen uit de oude doos in tegengekomen. Over Lombok, om maar eens wat te noemen. Ik heb Taco gesuggereerd anekdotes over zijn tijd bij het UN op te schrijven en die aan Peter aan te bieden. Die krant doet je immers zwelgen in nostalgie. Taco is in een grijs verleden begonnen als presentator van een televisiekanaal van het Utrechts Nieuwsblad. Hij zond uit vanaf de planken van een verder lege winkeletalage op Hoog Catharijne. Zeg maar een soort raamprostitutie met stropdas voor. Ze hebben er ook eens per ongeluk de verkeerde band gestart. Moet je maar eens aan Taco vragen. Heel Hoog Catharijne genoot een half uurtje mee van onvervalste porno. Voor het grote televisiescherm bij V & D zag het zwart van de kijkers. Dat gebeurde anders nooit. Ze hebben het jaren en jaren voor hoofdredacteur Max Snijders verzwegen kunnen houden. Ik stop. Ik zie je donderdag. Kom maar eerst hierheen. Daarna eten bij Toos en haar familie. Reserveer maar uit voorzorg. De keren dat ik er met Ellen kwam, was het er meestal behoorlijk druk. Om niet te zeggen stampvol. En dat was dan doordeweeks. Gegroet, en tot horens weer. Johan. 

Jan van Ewijk had net even te vroeg gemopperd.: Johan! Hoho! Foutje. Dat van Clasien c.s. was kennelijk nog de tekst van het vorige nummer. Je artikel staat er wel in. Het huis van Aad Kosto stond overigens in Grootschermer. Ik reserveer bij Valk. Jan.

Johan, mooi stukje van je in de Oud-Utrechter over het honkbal van UVV en Henk Ferwerda. De laatste jaren zat ik altijd achter hem op de tribune op de Paperclip en dan gaf ik commentaar en deed verslag van de wedstrijd. Cees Hiele kwam voor zijn overlijden de laatste jaren ook nog kijken en die zat dan naast Henk. Leuk, want Cees was toen al een beetje de weg kwijt en vroeg steeds wie er nu weer aan slag was. Zou je mij misschien het telefoonnummer van Henk kunnen geven, dan zal ik hem nog eens bellen. Verder de groeten van het andere geinponem naast Van Bavel – wij leidden toen het beruchte 4e honkbalteam tezamen met Cas Davids. Wouter Baars. 

Hallo Johan,
Inderdaad met een beetje weemoed jouw artikel in de Oud-Utrechter  van deze week gelezen. Alle namen en vele situaties staan me nog helder voor de geest. Van 1953 tot 1965 woonde ik in het Staatsliedenkwartier (mgr. Nolensstraat) op honderd meter van het UVV-terrein aan de Inundatiekade. De vv Stichtse Boys speelde destijds ook daar langs het spoor. Naast de voetbalwedstrijden van UVV – dat destijds redelijk hoog speelde – maakte ik toen ook kennis met honkbal. ‘k Herinner me dat Jan Dassen destijds eerste honkman was en Les Meyers – een hier achtergebleven Canadees – in het verre veld stond en een aardige bal kon slaan. Met jongens uit de buurt balden wij vaak op het Driehoekje – een grasveld in de wijk aan de Sam. Mullerstraat en het W.v. Abcoudeplein. Jan Kars woonde destijds aan de D.v. Flensburglaan en kwam bij ons kijken om ons te enthousiasmeren. Na de verhuizing naar de Hoge Weide reed ik vaak met Jan mee achterop de Harley Davidson. Reardon herinner me ook nog heel goed, een keurige en trouwe clubman die vaak zijn vrouw meenam naar het veld. Dacht dat hij pas op het nieuwe veld meedeed en dat dat niet in 1957 was. Maar ja, jij kent de historie natuurlijk veel beter. Peter van Santen (oude schoolvriend) stuurde mij trouwens een tijd terug een kopie van mijn lidmaatschapskaart van UVV. Hij is geloof ik bezig de clubhistorie te rubriceren en in kaart te brengen. Een paar jaar geleden heb ik ook een stukje geschreven in de Utrechter n.a.v. de kort na elkaar gestorven Kees Hiele en Jan Kars.
Leuk dat Henk Ferwerda (dacht dat wij ‘m Henny noemden) nog leeft; een vriendelijke man die veel voor de club deed.
Jan van Ewijk al 72; wij spraken toen over ‘Jantje’ uit Tuindorp en over die grote – wat massieve – Henk Heinen, ook uit die wijk. En die broertjes Leysner, ook van die gedreven types. En ken je Ricky Kersout nog? Een mooie jongen die de catchersrol vervulde voordat Robbie Rijnders in beeld kwam. Klopt het dat Peter Terstall ook niet meer onder ons is? Jij vergelijkt de verminderde belangstelling voor de sport met de ontkerkelijking. Grappig. In de laatste DUIC wordt daar ook weer aandacht aan geschonken. Gelukkig proberen ze een aantal gesloten kerken nu als cultureel erfgoed te behoeden voor de sloop. De verminderde belangstelling voor sport en lidmaatschap van een vereniging past in het tijdsbeeld. De babies spelen nu al in de box met een mobieltje en de pubers zitten op de bank met vierkante ogen voor hun tablet of tv.
Ja Johan, ons wordt oud hè – spreekt opa ! Wij leerden schaatsen aan de overkant van de Inundatiekade in de polder en reden daarna onze baantjes op de ijsbanen Arosa, Siberië achter het spoortviaduct en St. Moritz bij de Anthoniedijk.
Toevallig wordt er door een Utrechtse IJsclub op 6 januari aanstaande een film vertoond over de historie van o.a. die ijsbanen. Ze hebben mij nog gevraagd om wat ervaringen uit die tijd op te hoesten en die zijn verwerkt in die film.
Hartelijke groet en dank voor je leuke artikel.
Wim Elfrink.
Beste Johan,
Jouw artikel in De Oud-Utrechter riep veel herinneringen op. Oude tijden herleefden. Schitterend de Amerikanen uit Soesterberg die meewerkten aan het echte honkbalveld. De genoemde namen zie ik weer zo voor me. Maar laat ik me eerst voorstellen: Maarten van der Stoep, 62 jaar lid van UVV. Ook ik was op de verjaardag van Henk Ferwerda. Niet als oud-honkballer, maar mijn vrouw was een van zijn leerlingen op de lagere school, waar Henk onderwijzer was (Pieter Bothstraat, 1952). Als lid van het hoofdbestuur van UVV heb ik Henk mogen toespreken ter gelegenheid van zijn 60- en 70-jarig lidmaatschap. Op dit moment gaat het echt slecht met de ’topteams’ van zowel honkbal als voetbal. Maar als de besturen de juiste beslissingen nemen, kunnen er weer mooie verenigingen ontstaan. Want het voedingsgebied in Leidsche Rijn zal 90.000 mensen groot worden. Als het daar niet lukt, dan doen ze echt iets niet goed. Hopelijk breken er weer mooie tijden aan!
Maar in ieder geval hebben wij de herinneringen en foto’s nog!
Mooi artikel!
Groeten,
Maarten van der Stoep.

Heel even lak aan Nietzsche (3)

Wim Onderstal hield woord. Hij regelde voor UVV de korte stop Henk van ’t Klooster en ook nog eens als bonus de werper Jan Lodder en de tweede honkman Frank van Krimpen. Feyenoord infiltreerde in Utrecht. Een volle auto met vier inzittenden voor de prijs van één, de coach. Wim Onderstal. Hier ging een waaier aan koopmansgeest achter schuil. Mijn faux pas bij het contracteren van Onderstal had ik ruimschoots goedgemaakt. Onderstal bleek ook bij UVV al gauw een tapijtlegger naar hoogpolig succes. Het kwam als manna. Een van die drie passagiers van de frik heeft in de blije jaren zeventig nog eens op een feestje bij mij thuis in IJsselstein (weer die visnetten, maar nu al meer strakke witte muren) het toilet ondergekotst en niet opgeruimd. Ik had al direct een vermoeden wie, maar ben nooit achter de dader aangegaan. Hij kwam uit Rotterdam, dat weet ik zeker, Utrechters doen zoiets niet. Die laten op z’n minst een briefje achter op de wc-bril. Misschien had één van die Rotterdammers ’s morgens wel ontbeten met zo’n smerige vette kroket van voetbalclub De Musschen naast Varkenoord, het zou zo maar kunnen.

Het combo was populair bij UVV, Wim Onderstal nog het meest. Net zo bezeten van sport en net zo’n lastpost en kwelgeest voor scheidsrechters als de vroegere concertmeester Kees Hiele. In dat opzicht was UVV wel wat gewend. Al gauw hing er in het paviljoen een grote elftalfoto van NOAD uit 1959 met punaises boven de bar. Het was een staatsieportret van voornamelijk oerlelijke vroegoude mannen in een blauw shirt met een gele V. En, dat maakte het zo griezelig: boeventronies zonder gebit. Zeker twee op de voorgrond kon je maar beter niet in de tobbende textielstad Tilburg in het donker tegenkomen. Keeper Wim Onderstal grijnsde op die plaat van pompstation Esso wat filosofisch afwezig naar de fotograaf in zijn Beaujolaisrode sweater en met een bruinleren knikker onder de arm. De tandarts verdiende zo te zien in 1959 niet veel aan NOAD, maar hijzelf beschikte nog altijd wel over de meeste van zijn eigen tanden, kregen we van de schoonzoon van Feyenoord-manager Guus Brox telkens weer te horen zodra die poster ter sprake kwam. En dat gebeurde nogal eens. Als ik me goed herinner, ruilde Brox in Tilburg zijn schoonzoon plus een zak geld voor stopperspil Jo Walhout en rechtsbinnen Rinus Bennaars. Met vroom roomse Walhout was het volgens de overlevering in De Kuip even schrikken. Die bleek voor het eten altijd eerst te bidden. Dat vonden ze bij het Feyenoord van kolenboer Cor Kieboom (‘Waar staat geschreven dat een mens consequent moet zijn?’) en (‘Als ik met Coentje Moulijn op een doordeweekse dag alleen maar in ons nette pak op de middenstip ga zitten barst De Kuip al uit zijn voegen’) een hele rare gewaarwording. Aanstellerig. Een echte voetballer verdeed zijn tijd niet met prevelementen naar God. Naar wie wel trouwens? Die vloog op het eten af en zette meteen zijn vork in de bord aardappelen met jus. Andere arm om met de vlakke hand het hoofd te ondersteunen. Het was voor de hoekige pasja Kieboom duidelijk dat ze beneden de grote rivieren de Hongerwinter niet hadden meegemaakt.

Na verloop van tijd vroeg Onderstal het barpersoneel van het UVV-paviljoen of die benzineplaat van NOAD niet zoetjesaan van de muur boven de kassa kon worden gehaald. Hij was een man van de wereld, maar zo gedroeg hij zich niet, zo werd hij daarentegen wel bij UVV behandeld, als een man van de wereld, hij genoot aanzien, die elftalposter werd verwijderd. Met Ruben Leysner en Jan Dalmeyer kwam het honkbal van UVV na vele benauwde jaren op een afvalberg vol goede voornemens weer tot aan de vestibule van de hoofdklasse, met Onderstal volgde de ware pathetische zegetocht met praalwagens en bloemen van het corso. Hij werd het tafelzilver van het honkbal in Utrecht. De gemeente begon tribunes bij te bouwen. De accommodatie werd sowieso eigentijdser. Ma Jenken zette zich maar weer eens achter haar naaimachine en stak de selectie in opvallende rode pakken. Voorheen was het altijd wit of grijs geweest. Ola was als sponsor een magnum. Promotie naar de hoofdklasser zat er in dat eerste jaar met Onderstal nog niet in. We legden het in beslissende duels af tegen het rivaliserende HCAW uit Bussum. Maar in het bekertoernooi kreeg hoofdklasser Feyenoord er voor een uitgelaten Utrechts publiek ongenadig van lang en ging ook landskampioen Haarlem Nicols er in de finale bijna aan. Het scheelde met 1-2 maar een neuslengte. Harold Wout sneuvelde op de thuisplaat, een twijfelgevalletje, en als die nou eens ‘in’ was gegeven. Ja als. In die wedstrijd tegen Feyenoord was het op de Hoge Weide een regelrecht gekkenhuis. Het werd 10-0 of 11-1, een monsterscore. Alles lukte en tegenwoordig zou een achterdochtig bondsbestuurder UVV naar de dopingcontrole hebben gestuurd. Maar UVV was superclean en haalde gewoon alles uit de kast voor die ene man: Wim Onderstal. Feyenoord zat binnen een mum van tijd weer op de snelweg terug naar de Kuip en omgeving. Onderstal zelf moest naderhand ook die kant op maar liet zich veiligheidshalve maar liever rijden. Hij kwam met een te veel aan adrenaline gedrogeerd uit het weerzien met zijn oude team tevoorschijn en droeg het huzarenstukje met overslaande stem op aan zijn onverschrokken werper Joop Maalsté uit Leerdam of daar ergens in de buurt. Die Maalsté had het die memorabele zaterdagmiddag geweldig op zijn heupen. Was daarvoor en erna zelden zo goed als toen. Hij had de geest alsof die in al zijn Heilige Heiligheid voor een paar uur in hem was nedergedaald.

Het vibreerde aan de overkant van het kanaal achter de dampende en welriekende koffiefabriek van Douwe Egberts. Wat UVV in de jaren zestig niet lukte, daarin slaagde het in de jaren zeventig wonderwel: het naar voren schuiven van pitchers uit de eigen opleiding. Maalsté stopte en in de wachtkamer stonden alweer klaar Paul Mulder en Ruud Kok. Mulder mocht zelfs als broekie met het Nederlands team mee naar een wereldkampioenschap en gooide tegen de Cubanen van Fidel Castro.  Toegegeven: aan de Cubaanse slagkracht offerde je niet je beste werpers, maar toch, hij stond er toch maar, Paul Mulder. Ruud Kok kwam in de kerosinedampen naast vliegveld Zestienhoven in Rotterdam tot een bijna zeldzame no hit no run. Wim Onderstal greep thuis meteen de telefoon en lichtte ’s avonds alle dagbladen in. Die pakten uit. Als het eerste van voetbal en honkbal op dezelfde dag en op hetzelfde aanvangsuur thuis speelden dan waren de rijen voor de kassa van honkbal aanzienlijk langer dan die voor het voetbal. En zo niet dan liepen we de toeschouwers al op de parkeerplaats een paar meter tegemoet en zeiden we dat ze voor korting het beste het linker houten loket konden nemen, of het rechter, al naar gelang waar penningmeester Bossenbroek en later Baars zich bevond. Langere rijen, met eerlijk spel en oneerlijk spel, hoe ook: daar had een aantal voetballers van ongetwijfeld de Hollandse pot met spruitjes thuis ongelofelijk de pest over in. Want was honkbal niet zo’n beetje een onderafdeling (en niet meer dan dat) van het voetbal? Nee dus. Het honkbal was het voetbal bij UVV al royaal voorbij gestreefd en de afstand werd in die jaren almaar groter. Mijn ouders zeiden altijd dat normaal doen al gek genoeg was. Hoe blij wel niet me daar nooit ene donder van te hebben aangetrokken! Nooit! We gedijden op de golven van de gekkigheid en de gekte.

Eén keer nam Onderstal mij als wisselspeler mee, naar Pirates aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam. Ik schaamde me dood. Gelukkig stond er niks meer op het spel. En nog beter: hij hield me op de bank. Een hele opluchting. Ik hoorde niet in het eerste, voor nog geen korte invalbeurt zelfs, daar was ik een veel te middelmatige honkballer voor. Maar uitgerekend toen Onderstal een keer in Hilversum naar het tweede kwam kijken stak ik, nog het meest tot mijn eigen verrassing, in een bloedvorm. Ik millimeterde twee keer voor kostbare punten de bal langs de goede kant van de krijtlijn. Het was meer biljarten. Een parodie op Raymond Ceulemans carambolerend in een honkbalpak. En als eerste honkman stretchte ik naar een paar schier onmogelijk te pakken aangooien. Ik had ze. En ook meteen pijn in mijn liezen. Wim Onderstal zag in mij een bondsridder: goed over honkbal kunnen lullen, er al even aardig over kunnen schrijven, en het nog prachtig kunnen spelen ook. Dat laatste was een momentopname en een misvatting van zijn kant. Ik liet het maar zo. En goddank riep hij me nooit meer op. Ik in één team met Roley en Harold Wout als in een weinig realistische Bollywoodfilm.

Het is herfstig als ik dit alles optik. Het is guur deze zondag van 12 november 2017. Plensbuien, de eerste tekenen van natte sneeuw. Niet alledaagse luchten. Ellen is beneden in diepe rust. Weggedoezeld bij de poëet van de piano, bij de mazurka’s van de aristocratische en melancholische Poolse Parijzenaar Frédéric Chopin. Gisteren was het Sint Maarten en hadden alle koeien staarten. Kinderen uit de buurt kwamen op snoep af. Ik liet ze binnen en zette ze in een halve cirkel rond de rolstoel van juf Ellen. Ze vonden het prachtig. Ellen ook. En maar galmen die jonge keeltjes dat alle koeien staarten hadden. Onder die kinderen de kleinzoon van Mien Konings. Hij loerde onder het zingen begerig naar de zak met snoep die ik had klaarstaan. Oma Mien was ook altijd van UVV, net als haar man Henk en hun zoon Hans die ballenjongen was in de tijd van Wim Onderstal. Een batboy, noemden we zo’n onmisbaar jochie. Zou die Hans iets hebben meegekregen van de memorabele, bijna roemruchte trainingskampen onder Onderstal met de paasdagen in het Brabantse Made? Vast wel. Zijn ouders zullen de honkballers wel eens voor een paar uurtjes naar Made zijn nagereisd, dat deden veel supporters. Het was er een gezellige boel. Totdat het helaas weer net even te gezellig werd. Toen liep het mis. Heel erg mis.

Die trainingskampen ja. Behalve een kampioenschap met directe promotie naar de top en enkele internationals leverde de Rotterdamse infiltratie ook tot drie keer toe een lang paasweekend in Made op. De eerste en tweede keer waren grandioos. Na het eerste trainingskamp besloot ons hotel de drankvoorraad iets aan te passen. Vooral vanwege de voorzitster die knipperbollen dronk als leidingwater, tussen het roken van mega mentholsigaretten door. Niemand anders in Made zette tot dan een knipperbol aan de mond, totdat Line Klein daar haar opwachting maakte. Na één trainingskamp van UVV geraakte ineens half Made aan de knipperbol die al gauw een ‘Line-tje’ werd genoemd. Het leuke was dat de verhouding van fifty fifty, van jus d’orange en sherry, al gauw werd losgelaten. Ook daarin ging de grand dame van de Utrechtse Lessinglaan voor. Maar om geen verkeerd beeld te creëren: in Made werd ook hard gewerkt, niet alleen door de spelersselectie, maar ook door het bestuur, want er viel administratief bij een nieuw seizoen genoeg te regelen. Van de sponsor herinner ik me dat die de eerste keer hele dagen in zijn zwembroek voorbij het buitenveld lag te maffen. Drukke baan bij Unilever, nog niet vrijgesteld van dividendbelasting, en in Made er even los van alle beslommeringen. Iedereen liet hem maar begaan, want ’s avonds was hij goed voor een paar rondjes. Op één van die avonden een verwonderde Onderstal. Die was eerder ontdaan dan boos. Hij deed zijn ronde langs de slaapvertrekken en was zijn halve selectie kwijt. Bij Feyenoord ging de voetbalcoach Happel in zulke gevallen nooit zoeken. Die ging in de hotellobby zogenaamd een tukje doen boven een gedateerde krant en met een literfles whisky in de buurt, en zag zijn avonturiers op kousenvoeten na middernacht naar binnen glippen. En soms dat nog niet eens. Met de bordeelbezoekers mocht de assistent-trainer dan de volgende ochtend ver voor zonsopgang in de modder van een varkenskot de tijgersluipgang oefenen. Happel zelf draaide zich nog eens om. Wim Onderstal was anders. Hij had zijn autosleuteltjes al in zijn hand. Wie er met hem mee wilde? Er meldden zich geen vrijwilligers. Onderstal vond het verdwenen groepje uiteindelijk op een Brabantse bonte bruiloft in een achteraf straatje. Het werd ook voor hem daar bij dat pas getrouwde stel een geweldig intermezzo.

Een jaar later hield de coach een voorbespreking op de paasdagen in Made. Of er nog vragen waren, informeerde hij aan het eind. Jawel, er waren twee vragen. Of Onderstal al wist waar ditmaal de bruiloften waren, en of hij Ruud Kok ook kon uitleggen wat reveille was, zoals in het programmaboekje stond vermeld. De werper slaagde er niet eens in het woord reveille fatsoenlijk uit te spreken. Hij kreeg te horen dat reveille zoiets betekende als het tijdstip waarop hij in Made van een bruiloft werd terugverwacht in het hotel. In Made ging de vlag uit als UVV er neerstreek. Stef Daniëls, een vriend van Onderstal, Rotterdammer maar verhuisd naar Made waar hij honkbalclub Frogs oprichtte – Stef Daniëls regelde alles tevoren tot in de puntjes. Wim Onderstal hield nog altijd de wind eronder. Het was beslist een toptijd. De voorzitster knipperbolde zich naar een ongekende populariteit in Made en dat gold zeker ook voor de coach die nota bene gevraagd werd voor de officiële opening van een winkel. De selectie werkte zich nog altijd in het zweet. Maar het derde jaar ging het mis. Een anticlimax. Een fiasco. De aanvoerder troffen we huilend op zijn hotelkamer. Woorden gehad met één van de importspelers. Brutale aap. De nieuwe secretaris troffen we nergens, wat nog veel erger was, want die hadden we nog wel eens nodig. Heimwee naar zijn voorganger, de stiptheid zelve. Was een oud-grensrechter uit het betaalde voetbal. Vlagde in de eredivisie en vond niets zo leuk als een zaterdag op en neer naar Arsenal in Londen. Bij hem waren de dingen al gebeurd nog voordat een ander eraan gedacht had. Ach die nieuwe secretaris… De honkbalbond kon er later over meepraten. Te losjes, te onvolwassen, een hoofd dat schuil ging achter de wolken, of erin. Terug in Utrecht stopte de voorzitster, stopte ook ik, onafhankelijk van elkaar zeiden we tabee UVV, maar om dezelfde reden, en zwaar teleurgesteld. We hadden de hoofdklasse bereikt, maar gingen niet verder mee. Achteraf geen goeie beslissing. Ik had moeten doorgaan. Al was het maar voor die ene man geweest: Wim Onderstal. 

Heel even lak aan Nietzsche (2)

In een grijs verleden gold ik bij het voetballen van UVV als ‘een niet onaardig keepertje’ dat met zijn ’tafeltennisreacties’ best nog wel eens zou kunnen uitgroeien tot ‘de showbink’ van het Utrechtse Majellapark en omliggende straten. De woorden tussen aanhalingstekens zijn niet van mij, daarvoor ben ik altijd net even te bescheiden gebleven. Ik schopte het tot een selectie-elftalletje van Wim Haazer en dat alleen al was een verdienste op zich. Voor UVV-begrippen was Wim Haazer in die tijd zo’n beetje de kieskeurige rechter hand van God. Ik moet een jaar of dertien zijn geweest toen Haazer (bijnaam merkwaardigerwijs Ootje, Joost mag weten waarom, z’n benen misschien?) ons in een touringcar meenam naar een aspirantentoernooi van De Musschen in Rotterdam. Jos van der Linden was de andere doelman, hij woonde achteraan in de Cremerstraat. Die Jos was beter, maar gek genoeg vond niet iedereen dat. Mijn vader bijvoorbeeld was een andere mening toegedaan. Grapje trouwens. Want hij is in heel zijn leven één keer naar me komen kijken. Merkte na afloop alleen maar droogjes op dat we thuis een wasmachine hadden.

Ik weet nog dat we die touringcar instapten. Misschien was ik wel één van de weinigen die in die bus op voorhand per se rechts van de chauffeur wilde zitten. Dat had ik tevoren uitgedokterd. Als ik rechts in de bus zat dan kon ik De Kuip beter zien dan van links. Wist ik nog van een schoolreisje naar de Deltawerken in Zeeland. Neeltje Jans kon niet tippen aan dat gitzwarte, imponerende, ijzeren gevaarte van Feyenoord. De Kuip, het veruit mooiste stadion van Nederland waar elke bibberende tegenstander zich in het hol van een uitgehongerde leeuw moest wanen: adembenemend. Neeltje Jans legde het af tegen Eddy Pieters Graafland, Coen Moulijn, Cor van der Gijp, Rinus Bennaars en de oude Kraay met zijn voortdurend opengesprongen wenkbrauwen en bebloede tulband in de kleuren van het Rode Kruis. Benfica thuis en uit, de supportersbootreis naar Lissabon en Cor Steyn (‘Schep vreugde in het leven’).  En dan te bedenken dat ik er ooit nog eens van mijn leven als vaste volger van Feyenoord voor Het Parool dagelijks over de vloer zou komen. Geen deur bleef gesloten. De kamer van technisch directeur Guus Brox stond blauw van de sigarettenrook. En wat ergerde hij zich aan zijn dominee-achtige opvolger Peter Stephan van mijnwerkersclub Limburgia uit Brunssum. In alle opzichten een provinciale geheelonthouder. Maar als gezegd, dat kwam later, veel later pas. Pulserende nabeelden. Ik vertrouw op mijn associaties en herinneringen. Terug naar mijn tijd als snotneus van de lagere school en Ootje. Blijf toch even haken aan die bijnaam. Het kan ook zo zijn geweest dat de man zich gemakkelijk in het ootje liet nemen en dat ze hem bij UVV daarom zo noemden. De Musschen speelde aan de overkant van De Kuip. En ik herinner me dat daar mijn veelbelovende carrière als keeper eindigde, nog voordat die nog maar goed en wel begonnen was. Hoe gaat dat bij toernooien? Het is vooral veel hangen en verveling in afwachting van de volgende wedstrijd. Dat was bij De Musschen niet veel anders. Het toeval wilde dat op een paar velden verderop met ruim zicht op de glorieuze Kuip voor de tweede klasse werd gehonkbald door het eerste van Feyenoord tegen Schiedam.

Dus in de benen en daar gaan kijken, samen met een ploeggenootje. Ootje was ons anderhalf uur kwijt. De Musschen kon het dak op met zijn voetbaltoernooi, of beter: we vergaten Wim Haazer gewoonweg. Vervolgens konden wij voor hem, beledigd als hij was, de boom in. We konden alvast naar de bus tot na de prijsuitreiking. Co Adriaanse had ons waarschijnlijk voor straf terug naar Utrecht laten lopen. Maar Co was toen nog niet echt uitgevonden en alleen nog maar als voetballer bekend bij De Volewijckers aan het Mosveld in het communistische en pacifistische gebroken geweertjes bolwerk Amsterdam-Noord. Pas veel later werd Co een kapitalistische militarist – hij was van stevige wandelingen (voor anderen dan) met volle bepakking zodra het voetballeven hem een streek had geleverd. Zulke maatregelen waren gelukkig nog niet tot het brein van onze trainer Haazer doorgedrongen. Als Co Ootje was geweest had hij ons waarschijnlijk vermoord. We laten, inderdaad ja, we laten weer even de leer van Nietzsche los. Trouwens, de eigen geschiedenis is als een perpetuum mobile. We tasten ons geheugen af en gaan vol op het hammondorgel en kiezen opnieuw voor de aanlegsteiger met een magna van herinneringen. Aan bijvoorbeeld de keeper die ik nooit geworden ben en die ik ook zonder honkbal onherroepelijk nooit geworden zou zijn. De lat lag letterlijk en figuurlijk te hoog. Dat ondervond ik ook eens toen Flip Bertram op veld 3 van UVV achter mijn doel stond. Een bal suisde onbereikbaar voor mij in de kruising. Het was bijna de dood van Flip Bertram geworden. We speelden tegen Hercules en alleen al bij het horen van die naam begon de fanaticus Bertram altijd spontaan te ijlen. ‘Man, had godverdomme die bal gepakt, wat sta je te klootviolen, dat schot was houdbaar.’ Sodemieter op, dacht ik opstandig. ‘Sorry meneer Flip’, huichelde ik deemoedig. De bemoeial Bertram (die zichzelf nooit enige beperking in zijn clubliefde oplegde) droeg toen een crèmekleurige regenjas, ik zie hem nog zo voor me, en poetste in de motregen om de haverklap zijn hoornen bril op.  

Van De Musschen in Rotterdam staat me geen ene bliksem meer bij. Vergeten is ook een kunst. Wel daarentegen herinner ik me de kroketten die we daar als traktatie te vreten kregen. Penetrant en moddervet. Ze lagen ons zwaar op de maag. Rotterdam een half mensenleven geassocieerd met een frituurpan. Krokettenboertjes zijn hinderlijk voor een keeper in opkomst. Evenmin vergeten na al die jaren het honkbal bij Feyenoord. Er is een grens van waaraf het verleden genegeerd moet worden, maar de pot hoor, roep ik naar Friedrich Nietzsche. We stonden als prepuberalen in onze voetbalplunje tussen een stel Schiedammers die het ‘op Zuid’, zoals ze dat het uitspuwden, een verschrikking vonden. Voor het honkbal van Rotterdam moest je bij Sparta zijn, zo kregen we te horen. En daar klonk vanzelfsprekend het bekende rijtje Antillianen. Als je die Schiedammers mocht geloven sloegen die Antillianen louter homeruns die ver buiten Hoek van Holland als vuurpijlen de Noordzee bereikten. Hudson John kon vele jaren later over Sparta schromelijk overdrijven, het zat er bij die Schiedammers al veel eerder in. Of toen bij Feyenoord Marcel de Bruyn en de Duitse catcher Huub Kohl speelden, weet ik niet meer. Moet haast wel. Krijg wel de outfielder Harry Blijden op mijn netvlies. En natuurlijk coach Wim Onderstal die ik ooit nog eens in het Utrechtse stadion Galgenwaard (met wielerbaan nog) voor het Tilburgse NOAD had zien keepen in het in 0-0 eindigende eredivisieduel met DOS. Wim Onderstal die ik begin jaren zeventig naar UVV hielp verhuizen en die ik nog altijd beschouw als de beste honkbalcoach in Utrecht ooit. Wim was van de binding, van de saamhorigheid, van de droge humor en van de sprong vooruit. Hij maakte van poepjes gebakjes. Maar voordat hij naar UVV kwam voor achtduizend gulden per seizoen zag ik hem ook nog als coach van Feyenoord op die broeierige zwoele zondag van 25 juni 1967 toen ik met enkele maten UVV na treinde. Weer die Kuip als imposant kunstwerk op de achtergrond. Bij UVV in het buitenveld Guillaume Campagnard en op het tweede honk Roley Wout in hun debuutjaar voor ons. Er was nog een Arubaan in deze ploeg: de luidruchtige praatgrage Leito. Die zou verdrietig aan zijn einde komen. Ze schoten hem in het avondschemer dood bij een bushalte. Ik volgde de moord als politieverslaggever voor het Utrechts Nieuwsblad. Nooit opgelost die zaak, naar mijn beste weten. Maar ik weid uit. Jan Kars coachte UVV in de jaren zestig, dus ook op 25 juni 1967.

Ik weet niet eens meer of dat duel werd uitgespeeld. Zou best kunnen zijn geweest van niet. Alles namelijk werd die dag finaal overschaduwd door een windhoos als in Nederland zelden of nooit meegemaakt. Ineens werd het in Rotterdam-Zuid pikkedonker. De gitzwarte magische Kuip kreeg iets macabers, iets dreigends, duidelijk iets onheilspellends met veel onversneden Alfred Hitchcock. Het begon ongelofelijk te waaien. De straatverlichting floepte al om vier uur ’s middags aan maar begaf het even later. De bedrading van de karakteristieke geelzwarte trams deinde als in een griezelfilm op en neer. Treinen vielen uit. Hagel? Ja ook. Van die duiveneieren. Er zaten ook knoeperds tussen. We sloegen op de vlucht langs de troosteloze verveloze pakhuizen en hoge woonblokken van de veel te lange en in alles  bar ongezellige Oranjeboomstraat van Zuid. En maar stormen en loeien, en dat in het naoorlogse Rotterdam van de wederopbouw met al die hoogbouw en die talrijke verraderlijke tochtgaten. We kwamen soms wel een meter of twee van de grond. Die 25ste juni 1967 richtte de windhoos onvoorstelbaar veel schade aan in Chaam en in Tricht. Er vielen vijf doden. In Tricht werden complete huizenrijen verwoest. In Chaam niet anders. Een beetje Sint Maarten, iets meer zelfs dan een beetje. Chaam en Tricht, hoe betrekkelijk dichtbij in Rotterdam.

Zijn naam is al een paar keer gevallen: Wim Onderstal. Hij kwam vlak na de oorlog met zijn ouders vanuit noordwest Brabant of Zeeland, dat weet ik niet meer precies, naar Rotterdam. Zoals zoveel anderen. Werklozen op drift naar de grote stad. ‘Zuid’ in Rotterdam was vooral van de import. Wim Onderstal begon als voetballer en doorliep als doelman de jeugd van Feyenoord. Hij won het van zijn concurrent Teun van Pelt en speelde vanaf zijn zeventiende 39 wedstrijd als eerste keus totdat Feyenoord Eddy  Pieters Graafland voor een (toen) recordbedrag van 134.000 gulden bij Ajax wegkocht. De gewiekst en katachtig ballen van schoenen plukkende ‘PG’ werd in De Kuip één van de beste keepers van Nederland ooit. Onderstal verdween naar NOAD en speelde naderhand nog voor Hermes DVS uit Schiedam. Hij trouwde met dochter Anneke van de legendarische manager Guus Brox van Feyenoord (jaren zestig, winnen Europa Cup 1 in 1970 in Milaan). Die verkocht dus alles als het moest, ook zijn eigen schoonzoon! Voetballers honkbalden ’s zomers, Wim Onderstal niet uitgezonderd. Groeide uit tot de vormgever van het honkbal van Feyenoord, zeker als coach nadat hij als speler was gestopt. In 1968 bracht hij Feyenoord naar de hoofdklasse en het kunstje van kampioenenmaker flikte hij daarna ook bij UVV, PSV en ADO. Ik dacht in die volgorde. Met Neptunus werd hij Nederlands kampioen. Het was Jan Kars die tijdens een bestuursvergadering van UVV ons attendeerde op Wim Onderstal met wie hij in een bondscommissie zat en van wie hij had gehoord dat die wel eens een ander behangetje wilde dan eeuwig Feyenoord. Dat kan na zijn pensioen ook nog altijd. Kars werd er op uitgestuurd Onderstal te polsen. Een afspraak tussen die twee volgde daarna gauw op mijn kamer van drie bij drie in een studentenhuis aan de Utrechtse Frans Halsstraat. Voorbij Galgenwaard rechtsaf langs het Diaconessenhuis en dan nog even een klein stukje door – Onderstal wist genoeg.

Die zolderkamer was geen toevallige keuze, het was een strategische zet. Ik was de jongste in het bestuur en woonde het simpelst. In die eenvoudige omgeving zou Onderstal de prijs niet te ver opdrijven. Hoopten we. We mochten achtduizend gulden uitgeven, niet meer, zeer beslist niet meer. Er zijn dingen die je nooit meer vergeet. Eenmaal twee trappen op naar mijn zolder complimenteerde het museumstuk uit Rotterdam me met mijn ‘gezellige woonruimte’ waar het nog rook naar aangebrande macaroni met ham en kaas. Een koningsmaal in die tijd. Kars en Onderstal namen in bijna chronologische volgorde hun honkbalbelevenissen door en daar leek geen eind aan te komen. Tricht bleef gelukkig buiten beschouwing. Toen was het mijn beurt om met onze gast de spelersselectie door te nemen. Globaal natuurlijk, heel globaal. Er waren nogal wat spelers uit onvrede gestopt. Ik wilde tempo want ik had mijn krant Het Nieuw Utrechts Dagblad een primeur beloofd. En jawel hoor, daar merkte Jan Kars op dat hij uit alles begreep dat Wim Onderstal wel oren had naar een overstap. De klassieke tactiek van de overrompeling. Hij informeerde naar een prijs. Achtduizend gulden, antwoordde Onderstal meteen. ‘Dan is dat geregeld en ben jij volgend jaar coach van UVV’, galmde ik iets te hard en zeker iets te snel door de bonte zolder van bruin, paars en oranje, de bekende foeilelijke kleurschakeringen in die tijd. Ik zag Jan Kars kijken. Een glimlach kan ook bestraffend zijn. Even later deden we onze nieuwe technisch leider uitgeleide. We liepen mee naar buiten. Toen Onderstal de hoek omdraaide van de Frans Halsstraat begon Kars te grinniken. ‘Dat had wel voor minder gekund als ik die auto van hem zie. Hij zit er warmpjes bij. Zullen we er boven nog één nemen?’ De volgende avond sprak Kars in het voltallige bestuur van ‘moeizame onderhandelingen’. Maar we hadden het ‘binnen te perken’ kunnen houden. ‘Knap werk’, wreef Pa Jenken zich verheugd in de handen en Kars moest ineens hoognodig. We vertelden het bestuur in wat voor een mooie auto Onderstal wel niet reed. Spoorwegman Jenken was er als de kippen bij, had zijn ‘dienstregeling’ meteen klaar en stak nog maar eens een sigaret op. ‘Dan kan die kerel best voor die achtduizend gulden een goeie speler van Feyenoord meenemen.’ Iedereen mee eens. Een naam hadden we ook al: korte stop Henk van ’t Klooster. Die moesten we dan schaken. Voorzitter Line Klein bestelde haar zoveelste knipperbol van steeds meer sherry en steeds minder jus d’orange. Kars wees naar mij. ‘Mooi klusje voor jou om dat bij Onderstal voor elkaar te krijgen.’ Kars kon nors zijn en was niet voor iedereen een even toegankelijk mens, maar dat lag met mij anders. Ik moest soms ook gewoon bij hem blijven eten. Had zijn vrouw op gerekend, mompelde die dan binnensmonds. Wist ikzelf van niks. Een afspraak bij Wim Onderstal thuis op een zaterdagmiddag. Zo maakte ik voor het eerst kennis met de charmante Anneke. Wim was ervan op de hoogte dat ik kwam en waarvoor. ‘Eén speler meenemen van Feyenoord? Er kunnen er wel drie in mijn auto’, had hij nog geroepen. Met zijn aangekondigde vertrek bij Feyenoord had hij daar ineens een stel vijanden. Op het tijdstip van de afspraak bleek Wim niet thuis. Anneke: ‘Weet ik veel waar hij is. Dat kan overal zijn waar een bal rolt. Je moet hier in de buurt maar eens gaan zoeken.’ Ik heb hem gevonden die zaterdagmiddag. Hij was de tijd uit het oog verloren. Honderd keer sorry. Waar hij was? Bij …. De Musschen. Op een bankje bij De Musschen. Was ik daar niet eens eerder voor een voetbaltoernooi geweest? Haazer, het beeld van een ontstemde Ootje drong zich aan mij op.

Heel even lak aan Nietzsche

Actiefoto UVV - De Volewijckers - UN 1964  Actie eerste honkman Jan van Ewijk, links Mike Howick. UVV-De Volewijckers: 5-4. 1964. 

Hij is al 74 jaar lid van het honkbal bij UVV, Henk Ferwerda. Een eeuwigheid kortom. Maakte de oprichting mee. Weinigen van het eerste uur leven nog. Pas geleden werd hij negentig. We zochten contact. Hij was hier te gast. ‘Ik kan nog heel goed uit de voeten. Ik rijd nog auto, en bijna overal naar toe. Maar ik mis mijn vrouw, haar nog veruit het meest van iedereen.’ We kennen het gevoel. Ook al is Ellen er nog steeds. Het verleden bindt. 

Tijdens het schrijven aan dit verhaal is op het nieuws dat de oude Kraay is overleden. Hans Kraay senior, de stopper met bebloede wenkbrauwen en tulband van het Feyenoord uit de jaren zestig. Hij was van gewapend beton. Dood nu. Zijn echtgenote ging hem drie maanden geleden voor. Ze was zwaar dement. Ze herkende de oude Kraay niet meer met wie ze toch meer dan een halve eeuw was getrouwd. Elke dag bezocht de oude Kraay zijn Grote Liefde in het verpleeghuis. Ik zie hem daar zitten, ik zie hem daar zitten te zitten met een kruiswoordpuzzel. Naast zijn vrouw die nog leeft maar allang van de wereld is. De hondstrouwe rechtlijnige oude Kraay stierf tenslotte zelf aan een gebroken hart. Het hoefde niet meer. Honkbalde ook Hans Kraay niet? Zeker wel. Bij DOS. Was dat toen in die jaren vijftig midden tussen de huizen aan de Thorbeckelaan op Zuilen? Welke voetballer bracht destijds niét honkballend de zomer door? Verre vakantiereizen werden niet gemaakt. Korte vaak evenmin. Hemelsbreed was het een afstand van niks van waar Henk Ferwerda toentertijd woonde naar de Marnixlaan en Thorbeckelaan. En woonde Hans Kraay heel vroeger niet in een straatje met van die kleine laagbouw net achter de Marnixlaan? 

Van de oprichting van een honkbalmuseum mocht het in Utrecht niet komen. Dan maar middagen herinneringen ophalen met museumstukken van vlees en bloed van UVV. Zoals Henk Ferwerda. Van de Duurstedelaan vroeger, ergens in de Utrechtse zuidelijke wijk Hoograven. ‘Je schreef vorig jaar voor De Oud Utrechter een in memoriam van Riek van Fulpen. Wat een hoop rake typeringen las ik. Van haar vader Flip Bertram vooral ook.’ Niet toevallig dat Jan van Ewijk aanschoof voor het gesprek met Henk Ferwerda. Met Jan imiteer ik intussen een paar keer per week de geheugentrainer van de Messias van omroep Max, Jan Slagter. ‘Noem eens vijftien spelers van Storks, ABC en Ajax uit de jaren zestig.’ En: ‘Zeg eens voor welke clubs die en die zoal hebben gespeeld?’ Inmiddels blaast Van Ewijk het stof van zijn plakboeken.

Er is een mate van herkauwen, van historisch besef, waardoor het leven geschaad wordt en tenslotte ten onder gaat, citeert ik uit ‘Wie goed bedoelt’ de Surimaans-Nederlandse schrijfster Ellen Ombre die op haar beurt Friedrich Nietzsche aanhaalt. In ‘Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben’ stelt Nietzsche dat er een grens is van waaraf het verleden vergeten moet worden, wil het niet tot doodgraver van het heden worden. Ai! Tik op de vingers? De jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, een heel eind weg, een vreselijk eind weg – we wagen het er met Henk Ferwerda en Jan van Ewijk toch maar op. Henk Ferwerda opent een linnen hengseltasje met daarin kiekjes van vlak na de oorlog. Laten ze nooit in de kliko belanden. Wat ook geldt voor het honkbalarchief van wijlen Kees Hiele dat zich op de zolder van broer Adrie schijnt te bevinden. Clubs die het verleden verloochenen hebben geen toekomst. De tijd zal het leren. Dat is een andere benadering dan die van Friedrich Nietzsche. 

 Al vroeg verslaafd. Aan honkbal wel te verstaan. Het bleek een hardnekkige verslaving. Ook voor Henk Ferwerda en Jan van Ewijk. De sport had eertijds ook werkelijk iets onweerstaanbaar fascinerends. Het paste in de tijdgeest. Mensen als de aartsvader Kees Hiele hielden ook ’s nachts het honkbalpak aan. We liepen weg met de Amerikanen van de vliegbasis Soesterberg. Met het honkbal in de stadsparken en plantsoenen had Utrecht achter zowat elke grasspriet een spelertje zitten. De besten gingen naar UVV, de wat minderen naar HMS, Elinkwijk, Domstad Dodgers en misschien vergeet ik nog een vereniging. De internationaal georiënteerde bondsbestuurder Jan Hartog had het bij UVV zó naar zijn zin dat ook hij er zijn handen uit de mouwen stak. Kees Hiele verdiende als catcher veel meer interlands. Maar toenmalig bondscoach Henk Keulemans van de toonaangevende vereniging Schoten wist niet beter dan dat er alleen in Haarlem gehonkbald werd. Dus zat zijn clubgenoot en vriendje Joop Geurts achter de plaat. Haarlemmers zijn vreemde snuiters. Ze claimen ook de uitvinding van de bloembol.

UVV stond in de bond bekend als een dwars en te vooruitstrevend kind. Het was zijn tijd in een aantal opzichten mijlenver vooruit. Met de sponsoring (verketterd door de conservatieven) van het straat- en wijkhonkbal bijvoorbeeld. Fanta, Coca Cola, Bleijenberg, Geesink. Met bovendien die lange stoet aan veel bekijks trekkende Amerikanen die in stelling werden gebracht. Met een kwartet (en meer) aan Antillianen als showbinken die de meisjes net als de kauwgom kauwende Yankees het hoofd op hol brachten. Ik denk aan Nietzsche. Misschien is er inderdaad een grens van waaraf het verleden moet worden vergeten, wil het niet tot doodgraver van het heden worden. Maar het vergeetachtige UVV dat niet of nauwelijks naar zijn verleden omkijkt, hoe zit het daar dan mee? Roemloos gedegradeerd op een prachtige locatie waar tribunes volstrekt overbodig zijn. Wie zijn verleden verlochent heeft geen toekomst, zeggen ze ook. Jan van Ewijk houdt het erop dat ‘het verdwijnen van het straat- en wijkhonkbal op termijn zijn tol heeft geëist’. Zoals ook ‘het in de ban doen van de Amerikanen van de vliegbasis’. Eigenlijk kon UVV niet zonder. Zeker niet waar het in de jaren zestig werpers betrof. Met Ron Sampson lichtte UVV in 1968 de hand met het afzweren van Marschallhulp. Gehaald als ‘redder in de nood’, luidde de kop boven zijn artikel als medewerker van de krant ‘Het Centrum’. Henk Ferwerda knikt. Het is uiteindelijk niet geworden wat we er allemaal van verwacht hadden. ‘Ik zag meer dan zeventig jaar geleden op een onnozel grasveldje bij ons in de buurt een gymleraar met scholieren bezig aan een soort slagbal met rondjes, zo is het begonnen. Dat wàs het voor mij. Het liet me niet meer los. Later werd het honkbal. Met in Utrecht een enorme opmars. Onvergetelijke jaren. En een volk langs de kant, onvoorstelbaar.’ Hij grijpt maar weer eens naar zijn linnen tasje en gaat op zoek naar de inhoud. 

Noem het toeval, maar synchroon aan de kerken liepen ook op de honkbalvelden de banken leeg. Utrecht niet uitgezonderd. De geruisloze degradatie van UVV uit de hoofdklasse deze nazomer, met nog slechts een handjevol laatste parochianen langs de kant, versjteerde de negentigste verjaardag van de honkbalapostel Henk Ferwerda nog net niet, maar het scheelde weinig. Waar nu achter de afrastering vooral in de fluisterstilte een enkele kinderwagen staat, klommen ruim een halve eeuw geleden schreeuwlelijkerds en heethoofden als apen in de backstop als ze het op de scheidsrechters gemunt hadden. En daar was niet veel voor nodig. Met de honkballers van UVV op sportpark Hoge Weide ‘feestte’ je vroeger aan de overzijde van het Amsterdam-Rijnkanaal in de portiekflats van de Cervanteslaan ‘gezellig’ mee. Honkbal beloofde met kauwgom, cola, de militairen van de vliegbasis Soesterberg, Engels als voertaal, afgetrapte gympies, jeans en pruimtabak naar Amerikaans voorbeeld een onvervalste publiekssport te worden. Het liep anders.

De medegrondlegger van het Utrechtse honkbal Henk Ferwerda moppert en zoekt zijn wandelstok. Waar had hij die ook alweer? ‘Gedegradeerd nu, spelers die weglopen, ze weten tegenwoordig niet eens meer voor wie ze honkballen, en dat alles op mijn negentigste verjaardag, waardeloos natuurlijk.’ 

Zijn vroegere pupil van eind jaren vijftig, daarna eerste teamspeler van UVV, en voormalig international Jan van Ewijk is hem vanuit Hoofddorp komen feliciteren. ‘Je rijdt op je negentigste nog auto, man.’ Maar hij mist zijn vrouw en clubcoryfeeën als Kees en Wim Hiele, Jan Kars, Jack Keja, Henk Heinen, geinponem Roland van Bavel en zo nog een heel stel. Allemaal dood. Zoals ook het honkbal. Dood als een pier. Geen functie meer in de passieve recreatie. 

Van Ewijk (72): ‘Maar we blijven plezier maken Henk.’ Het wordt een middag vol zoete herinneringen aan honkbal voor barstensvolle ongemakkelijk zittende tribunes van gruizige B-2 blokken en zwermen amechtige tienermeisjes die naar de ‘verlegen’ Yankees en Arubanen kwamen loensen. Het veld dat tijdens kurkdroge weken stiekem onder water werd gezet door voor een hele nacht de kraan achter de werpheuvel open te laten staan. Te weinig spelers en aansturen op een afgelasting. En de bond zich maar verbazen over een wolkbreuk boven Utrecht waarvan niets bij het naburige KNMI viel terug te vinden. UVV was trendy en rebels. Ferwerda en Van Ewijk liepen mee in de slipstream van de pionierende ritselaar Kees Hiele. Ferwerda: ‘Hij van de ideeën, ik van het uitzoeken van de uitvoerbaarheid ervan.’ Hiele bracht met straathonkbal de sport tot in de voortuintjes van de stadswijken. Hij kwam vlak na de oorlog voor het eerst op vliegveld Gilze-Rijen met honkbal in aanraking toen hij daar in Brabant als weerkundige was gestationeerd. De Amerikaanse vliegers van Gilze-Rijen zouden hem jaren later voor UVV naar Soesterberg gidsen.

Ferwerda, wiskundeleraar aan het Grafisch Lyceum op de Jutfaseweg, is 74 jaar UVV’er . Maakte de oprichting van de honkbalafdeling in 1948 mee. ‘Ik kwam uit de Seringstraat bij de watertoren aan de Straatweg. Ik kon niet zo goed honkballen. Ik had knieën van niks. Maar bestuursbaantjes bij de vleet. Ik herinner me een toprecette voor die tijd van 28,75 gulden. En ik was jeugdleider.’  We zien een foto met Rob Rijnders, Jan van Ewijk, Wim van der Ster, Peter Janssen, Jan van Oostrom, Peter Terstall en jazeker wel: onze vriend Ad Brevet. Ad die later aan het begin van de jaren tachtig het eerste zou gaan coachen met nog altijd wel tweeduizend tribuneklanten toen. Tegen Van Ewijk: ‘Jou wilden we er in de teams altijd graag bij hebben. Mijn mooiste herinneringen? De promotie naar de eerste klasse in 1957 met 6-2 winst op het tweede van HHC uit Haarlem. De Amerikaan Reardon van de vliegbasis gooide voor ons twintig keer drie slag, kijk maar in mijn plakboek. Korte stop Jimmy Stanton, ook Soesterberg, was een echte clubman. Sjouwde mee met kruiwagens bij de aanleg van ons eerste officiële Amerikaanse honkbalveld. Bijna een primeur in Nederland. PSV was ons net een paar weken voor. Maar ja, die lieten alles doen via Philips. Eigenlijk telde dat niet. In die tijd bemoeide ook Jan Hartog zich nog veel met UVV. Hij was voor de bond de ambassadeur. ‘John from Holland’ op de internationale luchthavens en een ware krachtpatser die het bij ons geweldig naar zijn zin had. Ons was niets te dol, Kees Hiele dan vooral niet natuurlijk. Noem hem de motor. Mooie herinneringen. En ruim tien jaar later in 1968 die grand slam van Henk Heinen waarmee we de degradatie als een mirakel ontliepen. We lagen al in de touwen. Allemachtig! Weet je, in mijn eerste slagbeurt van mijn leven eind jaren veertig gunde de scheidsrechter me een vrije loop naar de honken. Ik begreep er niks van. In die tijd kenden we de spelregels nog niet zo goed. Hinderen door de catcher, maar wist ik veel. Ik dacht nog: het zal wel goed zijn, die scheidsrechter zal het wel weten.’

UVV begon bij de stinkfabriek De Benenkluif waar de maden onder de schoenen van spelers en publiek doorkropen. Veel tegenstanders kwamen er niet graag en deden de wedstrijd liefst per ansichtkaart af. Daarna met uitroeptekens de Hoge Weide achter de koffiebranders van Douwe Egberts waar tegenwoordig elke overlevende van bouwput Leidsche Rijn hopeloos de weg kwijtraakt. Terzijde: de overtreffende trap van verandering van aroma van die beenderentroep naar de koffiegeur. De Hoge Weide dus voorbij de Vleutenseweg en het Majellapark de brug over. Van Ewijk: ‘Voor mij was daar op de Hoge Weide de promotie naar de hoofdklasse in 1962 een hoogtepunt. De wedstrijd tegen de latere landskampioen Sparta van de legendarische coach John Heyt begonnen we in 1963 met drie homeruns. Ik dacht van Ruben en Vincent Leysner en van Aldrick Victoria. Het werd uiteindelijk 3-3 omdat we vanwege de Dodenherdenking eerder stopten. Die Amerikanen van Soesterberg gaven ons honkbal smoel. Zeker Reardon en Stanton, Duncan, Ike Eigen (met brandende sigaret het veld in, kon zelfs toen niet), Meredith – geweldig. Kenny Tynen, nog zo’n naam. En een paar met dezelfde achternaam: Campbell. Dat Kees Hiele vaak aan de arm van andere Amerikanen moest zwengelen om ze vanuit beschonken toestand weer tot leven te wekken vergeten we dan maar even. Sommige dronkenlappen bleven comateus. Daardoor kreeg ik trouwens al heel vroeg een kans in het eerste.’

In 1968 werd Van Ewijk (Tuindorp) geschorst en verdween hij naar HCAW (van sterwerper Rob Hoffmann) in Bussum. ‘Maar dat weet ik nog heel goed’, reageert Ferwerda. ‘Ik was net teruggehaald als secretaris. Op mijn eerste vergadering ging het over jou Jan. Je had een kritisch artikel in de krant ‘Het Centrum’ geschreven. Ik dacht nog: zo’n goeie speler, niet schorsen, ga met hem praten, maar ik mocht je een brief schrijven en die bij jou posten. Zwak bestuur toen.’ Jan: ‘Schreef jij mij in opdracht die brief? Het is je vergeven. We trainden twee keer per week waarvan eenmaal vrijblijvend. Waren we op donderdagavond met z’n vieren. En maar vechten tegen degradatie met veel te goede spelers daarvoor. Mijn vader heeft nog geprobeerd me via de clubicoon Jo Verthoren van die schorsing af te helpen. Niet gelukt.’ Hij had natuurlijk recht op zijn mening. Bovendien had de krant hem niet als medewerker aangesteld voor het stompzinnig overschrijven van de scorekaart alleen. Zijn analyse van de problematiek was uit de eerste hand en goed onderbouwd. Maar van vrije meningsuiting kon geen sprake zijn. Vond de goegemeente. Het werd gezien als nestbevuiling. De rijen sloten zich. Braafheid binnen gelijkgestemden was het devies. Een schaap dat de kudde verliet. Hoe kortzichtig. De goegemeente sneed zich zelf flink in de vingers. Met Jan van Ewijk verlieten ook Rob Rijnders en Wim van der Ster eind 1968 UVV. En een jaar later Roley Wout. Bussum spon er garen bij. 

Ferwerda draait zich om naar Ellen. Zijn wandelstok valt op de grond. Waar hij een plasje kan doen? Hij moet ervoor naar boven. Het toilet beneden is opgeofferd aan doucheruimte voor Ellen. Naar boven dus met ondersteuning van ook Jan als cipier. ‘Heeft Ellen parkinson? Rot ziekte. Hebben twee van mijn vrienden ook. Je hoort het steeds vaker.’ We vertellen hem dat Vincent Leysner aan epilepsie is overleden. Op Aruba. Ook iets van parkinson? Bill Nardi zeker weten wel. Hij trad twintig jaar later als clubman in de voetsporen van Stenton. Een fantastische Amerikaan, die Nardi, weggeplukt uit Bologna. Ruben Leysner schijnt nu ergens in Colombia te zitten. Kippenboer af? Kersout, een onvergetelijke Antilliaanse catcher, al jaren dood. Kersout bereikte het Nederlands team, net als Ruben Leysner. Hij maakte de allereerste Haarlemse Honkbalweek als UVV’er mee. In 1961? Badmintonpad? Ron Fraser als coach bij Oranje? Alle vraagtekens kunnen uitroeptekens worden. Er komen veel namen en de daarbij horende gezichten langs deze middag. UVV’s internationals van de jaren zestig: Kees Hiele, Ricky Kersout, Ruben Leysner, Wim van der Ster en Jan van Ewijk. Als gezegd: even lak aan Nietzsche. Maling ook aan het nihilisme. De geschiedenis heeft wel degelijk zin. 

Zo iemand als Henk noemden we altijd een ‘ouwe taaie’. En ‘kras’. Moet bij dat laatste woord onmiddellijk denken aan de schrijver Godfried Bomans. Ferwerda trouwde in 1957 uitgerekend op de dag dat voor het eerst het honkbal live op tv kwam. Het Nederlands team tegen de Sabres van vliegbasis Soesterberg. Voor het eerst honkbal op de het toestel met daarop nog een spriet voor ontvangst. Maar ging de boot in, de huwelijksboot. ‘Daar had ik zo verschrikkelijk de pest over in. Die wedstrijd werd nota bene bij UVV gespeeld. Mijn zwager Jan Dassen was regisseur. Die legde nog even tevoren de spelregels aan zijn cameramensen uit. Ach ja die trouwdag en ik was nog wel honkbalvoorzitter. Zag ik op weg naar het stadhuis die geluidswagen van de NTS quasi treiterig naast ons komen rijden met mijn zwager erin. Ja, wrijf het er maar in, dacht ik nog. Ik stond zes van de zeven dagen op het veld. Moet je die ouwe foto’s eens zien, wat een vracht publiek hadden we toen. Kom daar nu eens om.’

Als de heren weg zijn tovert Ellen haar onweerstaanbare glimlach op het gezicht. Ze had ondanks haar gesloten ogen kennelijk genoten van de verhalen. Maar ze kan moeilijk de woorden vinden. Het honkbal leidde naar de kennismaking met Ellen. Om nooit te vergeten. Alles er omheen is leuk, heel erg leuk, maar ook niet meer dan dat. Al blijf ik de historie herkauwen. Bij verschraling kan een vlucht in de romantiek een steiger van troost zijn. 

 

Spinoza zei het al: accepteer maar liever wat op je pad komt

Dag Johan en Ellen, gefeliciteerd met het nieuwe boek! Werkelijk schitterend! Wat zijn Ellen en jij ondanks (en misschien tegelijkertijd ook wel een beetje dankzij) ziekte toch een prachtig stel! Dit mag gezegd en helpt mee om de publieke opinie ook eens wat te veranderen. Jullie hebben in lief en leed voor elkaar gekozen. Zo kan het ook. Helaas is de hele maatschappij hier niet erg op ingericht. De verpleeghuiszorg is ziek. En wordt vrees ik nog zieker. De verzorgingshuizen zijn al een zachte dood gestorven.

Wat valt er als mantelzorger en partner veel te beleven. Johan, je  geeft een mooie inkijk van goede en slechte dagen. Jullie band doorstaat ze! Iedere dag wordt het weer morgen, een nieuw begin en een steeds blijven zoeken naar wat er allemaal WEL mogelijk is. Jullie laten daarmee zien wat de werkelijke waarde van het leven is. Ik zie een gezonde kijk op een zieke gezondheidszorg. Gelukkig werken er ook juwelen! Mensen (lees: Home Instead) die er nog steeds vanuit hun hart voor kiezen. Ook dat kunnen we bij je lezen.

Ik hoop dat jullie voor velen een voorbeeld mogen zijn (en blijven) van hoop en verbondenheid, ook als je met dementie te maken krijgt, want daar samen goed mee omgaan is echt een levenskunst. Ik wens jullie van harte nog veel geluk! 🍀

Maria Scholts. Oprichter zorgketen ECR/RAZ

Ach, mijn beste Maria, zoals Spinoza ooit zei: accepteer het leven zoals het zich aan je presenteert. Maar dat is veel en veel moeilijker dan zo’n ene volzin suggereert en in ons geval misschien bovendien wel lijkt. Het is toch veelvuldig vallen en weer opstaan. Ellen slaapt veel, slaapt héél veel. Moe, hondsmoe. Dat geldt ook voor mij. Ik mis Ellen heel erg. Tegelijkertijd is ze nog heel dicht bij me. Dat voel ik, dat weet ik. Ik moet ook niet denken, niet te vaak denken in elk geval, aan wat we nog allemaal voor moois hadden kunnen doen als Ellen niet ziek was geworden. Dan word ik gek. Ik verdring. Ik ben openhartig geweest in de boekenreeks over het omgaan, samen met Ellen, met parkinson en Lewy Body dementie. Nu stop ik met het schrijven van boeken daarover. Ik wil mezelf niet gaan herhalen. Ik ga nog hooguit door met blogs. In december zijn we dertig jaar getrouwd. We gaan het halen. Daar richt ik me nu op. We weten ons omringd door veel lieve mensen. Er zijn er ook die niet zo veel meer voor ons kunnen betekenen. Hetgeen overigens geen verwijt is. Maar we moeten zuinig zijn met onze energie. Sommige vrienden en goede bekenden ontgroeien ons. Of misschien is het eerder wel andersom. We doen een enorme levenservaring op. Terecht stip je de waarde aan van de goede caregivers van thuisservicebureau Home Instead. Ze zijn voor ons van onschatbare waarde. Ze vragen ook geregeld hoe het met mij is. Zo anders dan wat er over het algemeen in het verpleeghuis werkt. Meer en meer realiseer ik me dat Ellen en de andere bewoners er de facto slechts een nummer waren. Diana Sharifi is zo blij met haar baan dat ze voor een groepje bekenden binnenkort een avondje organiseert met een glaasje wijn en een Afghaanse maaltijd. Klasse. Op Wereld Alzheimer Dag ben ik ergens gastspreker. Ik ga daar zeggen dat ook ik meermaals hopeloos verdrietig ben en kan snakken naar nieuwe energie. Maar opgeven, nee. Het is ons overkomen. Ik hoorde laatst een opmerkelijk verhaal uit een verpleeghuis. Een dementerende bewoner was ‘m gesmeerd. Die liep ergens buiten. ‘Nou’, zei er één van het personeel, ‘ik ga niet zoeken, dat vertik ik. Het regent. Ik kom net van de kapper. Ben juist zo blij dat mijn haar voor 25 euro weer een beetje leuk zit.’ Ach Maria, ik dank God op mijn blote knieën dat ik nog in staat was Ellen vorig najaar weer fulltime naar huis te halen. Zie je het voor je? Niet achter een voortvluchtige dementerende aan omdat anders je haar in de war raakt. Nog zo’n voorval van pas geleden waar geen haan naar kraait. Een kennis van me bracht in het verpleeghuis twee dementerende bewoners vanuit het restaurant terug naar hun afdeling. Eenmaal boven was er geen personeel te bekennen. Zoeken dus. Mijn kennis deed het kantoortje maar open en zag toen de deur naar het balkon openstaan. Zaten de twee jongedames er te roken. Mijn kennis zei dat hij twee bewoners bij zich had. De reactie, met een armzwaai: ‘Zet ze maar zolang daar.’ Alsof mijn kennis twee postzakken binnenbracht. Razend was-ie. Het is de onverschillige mentaliteit binnen een verdorven cultuur. Volgens mijn zegsman zaten die twee verzorgenden een kwartier laten nog te paffen op het balkon. Die twee verdienen leiding, de harde hand. Maar ze hebben vrij spel, helaas. De ervaring is dat er weinig leiding wordt gegeven in de verpleegzorg. Zelfsturende teams maken het er niet beter op. Het is een verkeerde besparing. Ik kreeg naar aanleiding van ons laatste boek ook een verdraaid aardige mail van de voorzitter van de koepelvereniging van particuliere zorghotels en dergelijke. In een korte mailwisseling met haar stipte ze enkele punten aan waarvan ik dacht: ja verrek, dat is gewoon waar. Er zou bij plaatsing in een verpleeginstelling veel meer rekening moeten worden gehouden met het sociale milieu waaruit de dementerende komt. En niet van: stop ze allemaal maar bij elkaar, ze weten toch niet meer van hun gezond af. Want dat leidt tot een verkeerde aanpassing. Bij de muziekkeuze bijvoorbeeld. En dat terwijl de geleerden zo benadrukken dat voor dementerenden muziek voor een sprankje essentieel is. Klassieke muziek? Daar was het verpleeghuis van ons helemaal niet op ingesteld. Die valse nichten Joling en Gordon deden het beter dan Händel en Chopin. De voorzitter van jullie koepelvereniging schreef ook over de treurig stemmende inrichting van de gemeenschappelijke woonkamers in verpleeghuizen. Dat Brabantse, die ontluisterende Oisterwijktroep, die Perzische kleedjes op tafel, die koekoeksklokken aan de wand die het gelukkig niet meer doen. Waarom, opperde ze, geen Jan des Bouvrie met licht, strak en vrolijk? Volkomen eens natuurlijk. Ellen en dat Brabantse bont. Het is als zwarte sneeuw. Ik luisterde gistermorgen naar een radio-uitzending over de veranderingen in de zwakzinnigenzorg eind jaren zestig. Het werd helemaal anders. Er kwam ook geheel nieuw personeel. Daar zaten alcoholisten en drugsverslaafden onder. Die waren niet van de dwangbuis. Die hadden lak aan regels. Managers waren nog niet uitgevonden. Revolutionairen deden hun intrede. Men koos veel meer voor de menselijke intuïtie. Misschien hebben we wel weer een revolutie nodig in de zorg. Maar daarvoor moet er engagement zijn. Daarvoor dient sprake te zijn van non-conformisme. Ik ben er somber over.  We maken ons momenteel drukker over het op school staand zingen van het Wilhelmus. Zo diep zijn we al gezonken. We hebben onze hoop ten onrechte gericht gehad op een linkse jongen die een zonnekoning blijkt te zijn afgaande op zijn verfilming waar hij zelf opdracht toe gaf. Ik prijs me gelukkig met de Diana’s en Elly’s. Hier geen koekoeksklok en Perzische tafelkleedjes. Hier geen urinelucht. Hier geen verdere treurigheid. Kaarsen die branden. Hier verzorgenden die zelf iets in hun leven hebben meegemaakt. Er zit geen roker tussen, laat staan een kettingroker. Zij verdiepen zich in Ellen. Die is hier geen nummer. Ook geen postzak. En verder? Spinoza. De herfst kondigt zich aan. Veel wind die we door de schoorsteenpijp van de openhaard horen. Gelukkig is het niet meer Ellen daar en ik hier. We beleven samen ook ’s avonds en ’s nachts de jaargetijden. Spinoza dus. We houden contact. 

 

Wij onderschatten

Toespraak op 17 augustus 2017 als inleiding op de speech van mevrouw dr. Ronnie van Diemen van de Inspectie ter gelegenheid van de overhandiging door haar van het eerste exemplaar van ‘Geef ons ook morgen’ aan verzorgende Diana Sharifi van thuisservicebureau Home Instead. Er waren een kleine veertig aanwezigen. FOTO’S  BREVET

Ik probeer zo genderneutraal mogelijk te beginnen. Charles stapte er afgelopen maandag nog speciaal van zijn fiets. Ben benieuwd, zei-ie, waarmee jij donderdag begint. Met ‘Luitjes’. Daar kan ik me niet aan vertillen.

Mijn overbuurman Henk ging op vakantie en kwam de sleutels brengen van zijn brievenbus en voordeur. Twee flessen wijn onder zijn arm. Hij is hier de deur nog niet uit of Ellen zegt: Zo, dié hebben we vast binnen.’ Tien minuten later de vraag hoeveel flessen wijn het ook alweer waren. Ellen: ‘Twee.’ En ik verzeker: die flessen waren intussen uit het zicht.

Hblijdschapet werd laat gisteravond door de veertigste sterfdag van onze vocale jaren ’60 held Elvis Presley. Met Ellen hier gisteravond liggen swingen op onvergetelijke hits. Anders dan menigeen snap ik van dementie geen fluit. Misschien doordat ik er dagelijks van bijna uur tot uur mee te maken heb. Mijn mantra: laat ook deze verwarrende episode van waarde zijn, en vol waardigheid.

Iemand boog zich vorige week over de rolstoel alsof het een kinderwagen was. Goedbedoeld, maar toch. Je denkt er onwillekeurig een rammelaar en een speen bij. Het hoofd veerde terug, de ogen van Ellen zochten de mijne, een knipoog. Van dementie begrijp ik als gezegd geen snars.

Bijzonder welkom Ronnie van Diemen en Daisy Wallenburg van de Inspectie voor Volksgezondheid. Bijzonder welkom ook huisarts Peter van Liere. Dank verzorgenden van Home Instead. Jullie kijken met de ogen, jullie zien met het hart. Een goede gebitsbehandeling schiet er in de verpleeghuizen vaak bij in. We spreken uit ervaring. Veel complimenten pas geleden voor jullie van de gerenommeerde Colombiaanse tandheelkundige mevrouw dr. Rodriquez uit het AMC in Amsterdam. Er is meer natuurlijk waaraan jullie je kwaliteiten ontlenen. Mede door jullie is Ellen alweer negen maanden fulltime thuis. Eresaluut voor Marion Rombout. Lof ook voor de fysiotherapie. Leroy, je hebt Ellen zowaar zelfs op haar buik gekregen. Het lijkt een koud kunstje, het is een wereldprestatie. Het is even een heel gedoe, en soms zijn we een arm kwijt, maar de resultaten zijn grandioos. Ik bewonder je gemillimeterde precisie. Prachtig dat je de dames van Home Instead een keer gezamenlijk getuige laat zijn van een behandeling. Dank ook vrienden en goede bekenden voor alle steun, zonder welke we het niet zouden hebben gered. Soms zet de wanhoop een stap over de drempel van mijn geest. De ene dag ben je een hele piet, de andere dag niet. Dan heb je het idee dat je met een slijmbeursontsteking in de schouder de spouwmuur van je leven overeind staat te houden. Ik doe me meermaals beter voor dan ik me voel. Leven op de cruisecontrol is er niet meer bij. In Nederland overlijden dagelijks negen mensen als gevolg van een val. De verantwoordelijkheid is immens, elke seconde van de dag weer. Er mag niets misgaan. Die gebroken heup van Ellen, die blijft tot op de dag van vandaag een nachtmerrie.

Ik ben gelukkig nog gezond’, snauwde ik onlangs tegen een weinig toeschietelijke hotelemployé. Hij had geen verhoogd toilet en was ook niet van plan daarvoor te zorgen. ‘Daar kunnen we niet aan beginnen, meneer.’ Een uur later moest hij van zijn directeur voor straf naar de Gamma in Kerkrade. Van mijn op 1 januari voorgenomen charmeoffensief komt weinig terecht. ‘Ik ben gelukkig nog gezond’, bitste ik door de telefoon. Dat hoop je maar’, hoorden we Ellen toch heel duidelijk zeggen. Verzorgende Eva is mijn getuige. Dementie? Veel kenners, ik ben er geen.

duoBijzonder welkom ook Danny, de kapper van Ellen, en dat alweer een kleine twintig jaar. Hij is ook mijn kapper, maar aan mijn kapsel valt weinig te verknippen. Bij Ellen kan Danny zich de ware pikeur en stilist van de kappersvakschool tonen. Aanwezig dus de Inspectie, de huisarts, de directeur van ons thuisservicebureau, de fysiotherapeut en de kapper. Van medisch naar cosmetisch. Een brede waaier voor hoe dementie te dragen en te leven met waardigheid. Het komt mijn liefste toe.

Jan zeer bedankt voor de eindredactie van ook het nieuwe boek. Ik ontbeet ’s morgens in alle vroegte met jouw speldenprikken. Elly: de catering, andermaal grandioos werk. Mocht er weer overblijven: we hebben plastic bakjes. Afhankelijk van de afstand naar huis en het ingeschatte aantal verkeersdrempels onderweg wordt zo’n bakje voorzien van een dekseltje, of niet. Drie keer dit jaar naar De Panne aan de Belgische kust. Mede geholpen door de strandtenthouder Jerôme kwam Ellen er op een stretcher tot aan de vloedlijn. Ach ja, de excentrieke Jerôme met zijn verweerde, gebronsde kop, hij doet me telkens weer denken aan de beroemd geschreven bootsman van Hemmingway. Concertbezoek in Rolduc afgelopen weekend. De piano als balsem voor de ziel. En Ellen die na afloop mee applaudisseerde, uit zichzelf. Onvergetelijk beeld. Liet zaterdag een Afghaanse vol trots de bergtoppen (vreemd bergpatriottisme bespeurde ik bij mezelf) bij Vaals en Slenaken zien. Hoe dom kan een mens zijn. De gouvernante dacht dat ik naar een stoeprand wees. En fijntjes: of er op die stoeprand ook eeuwige sneeuw lag. Een vakantieweekje in Limburg in juni. Ellen als logeeradres verpleeghuis Lückerheide, ik de abdij van Rolduc vlakbij. Om van daaruit zelf iets te kunnen ondernemen. De eerste dag ging het al fout. Ellen in hongerstaking. Hoorde het onderweg uit Brussel. Spoorslags naar haar toe. Zelden iemand zo gulzig zien eten. Is dit nu onze communicatie? Niet kwijt die communicatie maar anders geworden? Veel kenners, ik ben er geen. En ik doe soms maar wat. Kan als hersengymnastiek heel verkeerde vragen stellen. ‘Ellen, weet je nog hoe ik heet?’ ‘Dat je dat zelf niet eens weet.’

Ellen sliep en sliep in juni in Limburg, ze leefde in de plooien van de tijd. Ik las en las. De biografie over Bibeb, biechtmoeder eertijds voor Vrij Nederland van Martin Luther King, Picasso, Brigitte Bardot, Ruud Lubbers, Annie M.G. Schmidt. Bibeb legde hun ziel bloot en bleef ondertussen zelf een mysterie. Aangrijpend vooral de passages over de jappenkampen op Sumatra. Ze was toen al moeder. Die kampen zouden sterk van invloed worden op haar interviewvragen, en verdere journalistieke modus operandi. Ik raakte met ‘De tolk van Java’ (Henriëtte Roland Holst prijs 2017) in net even andere sferen. Maar de gelijkenis was tegelijkertijd treffend: oorlog waaruit niemand ongeschonden tevoorschijn komt. Oorlog, herdenken en vergeven, Duitsers die in Bonn op 4 mei 1990 ook mes en vork neerlegden en samen met ons, in Bonn voor de krant in verband met de hereniging van de twee Duitslanden, twee minuten stilte in acht namen. Het thema komt ook terug, en pregnant zelfs, in ‘Geef ons ook morgen’.

Ronnie: ‘De tolk van Java’ is misschien te dik. Maar zo’n biografie als over Bibeb zou niet misstaan als verplichte leesstof in de opleiding verpleegkunde. Het zou het aanstormend zorgtalent leren over hoe dementerenden hun vroege jeugd doorbrachten. Jeugdjaren die op latere leeftijd een steeds belangrijkere rol onder het schedeldak gaan spelen. Verdrietig genoeg verdwijnt bij dementie het verbale verhaal erover. Maar dat verhaal dat is er nog altijd wel. Het ligt soms voor op de tong. ‘

‘Wat doe je als je radeloos bent van de honger? Dan eet je ratten. Je lust ze rauw.’ Ik haal dit citaat van Ellen uit ‘Mam kijk naar de sterren’, waarmee ik de boekenreeks over haar in 2010 begon. En hier vanavond willen Ellen en ik die reeks met ‘Geef ons ook morgen’ toch echt afsluiten. In een niet toevallig gekozen setting. In een niet toevallig gekozen week. Een week van herdenkingen. Het einde van de Tweede Wereldoorlog in de Pacific. De slachtoffers van de Birma-spoorlijn, die van de kampen voor vrouwen- en kinderen in voormalig Nederlands-Indië, die van de jongens- en mannenkampen in de Archipel. Hij had nog zijn duim in zijn mond en zijn teddybeer onder de arm, maar werd door de jap weggehaald bij zijn moeder, want oud genoeg bevonden voor achter prikkeldraad met volwassen mannen. We zullen er weer zijn, op Bronbeek, volgende week zondag, op een speciale uitnodiging voor Ellen. Met haar eergisteren naar de Indië-herdenking vanuit Den Haag gekeken. Haar reacties zijn niet in een paar woorden te vangen. Ik waag me er ook niet aan. Drie keer hoorde ik haar fluisteren: ‘Heel mooi’. Ze werd als het ware naar het tv-scherm toe gezogen. Dementie? Het gaat me, het zij herhaald, boven de pet. Vandaag de Merdeka. Vandaag geen vlag, maar niettemin. Instemming met zelfbeschikking, volmondig, en allesbehalve wrok. Herinner me van Ellen ongerustheid met in het rond spiedende ogen toen wij op 17 augustus 1996, vandaag 21 jaar geleden, op Bali waren en er over straat gingen. Wat ging er achter die onderzoekende blikken van de Indonesiërs schuil? Bedacht laatst dat Ellen een dagboek had bijgehouden van de onvergetelijke weken op haar geboortegrond, een halve eeuw na haar repatriëring. Het dagboek van zolder gevist. In Bandoeng stonden we recht tegenover haar voormalige ouderlijk huis. Was het dit, in deze smoezelige, rommelige buurt? Hadden we ons de zoektocht niet beter kunnen besparen? Het is goed om ook af en toe nadrukkelijk achterom te zien. Ik zeg het de onvergetelijke Zomergast van pas geleden Eberhard v.d. Laan na. Geen mens komt ongeschonden uit een oorlog. Bibeb, De tolk van Java. Het geldt ook (de rode draad van vanavond) voor het levensverhaal vanuit platgebombardeerd Kabul en zijn Taliban naar de AZC’s en inburgeringcursussen van hier. Ze was toen al moeder. Net als Bibeb. Net als Beatrice Webb die Ellen het leven schonk en haar beschermde in de jappenkampen. Ze was toen al moeder, Diana. De lange tocht met twee hummeltjes via Tadjikistan, Turkije, Rusland naar de vrijheid. Dacht onwillekeurig aan There ’s a place for us, Barbra Streisand. De eertijds ontheemde: ‘Nooit gedacht dat ik nog eens zulk leuk werk zou vinden.’  Uitgesproken op de verjaardag van Ellen, afgelopen maart, aan het ontbijt, in De Panne, hotel Cajou.

Diana, namens Ellen zeg ik je vanaf deze plek: Jij bent ons een zegen. Dagelijks. Een ingebouwde antenne, peilstok zo men wil, voor aan ons privé laten wat ook privé behoort te blijven. Geen inbreuk. We prijzen je etiquette.

Ronnie: Van sociaaldemocraat tot sociaaldemocraat. Micro bewijzen we dat we dementie misschien eerder nog met de sociale component te lijf moeten gaan dan met meer overheidsgeld. Jij zult zeggen: met beide. Laten we de volgorde dan goed kiezen. Nu zijn de miljoenen overheidsgeld verdampt voordat ze goed en wel de stoeptegels aan de voordeur van de verpleeghuizen hebben bereikt. Het langer thuis wonen wordt van overheidswege gepropageerd. Zeker niet louter vanuit een neoliberale opvatting. Er ligt meer aan ten grondslag. Maak het de mantelzorgers niet tegen. Ze behoren meer te zijn dan een appendix. Overtrokken regel fetisjisme maakt me brandgevaarlijk, maakt me welhaast tot een gloeiendhete lava spuwende Etna. De computersystemen van de te vele instanties zouden op elkaar aangesloten moeten zijn. Liever nog: saneer. Bevorder de ontwikkeling van organisaties als Home Instead. Hun verzachtende rol verdient de schijnwerper. Nog altijd alom schaamte rond wat de belangrijkste doodsoorzaak in Nederland is geworden. Als Ellen in hongerstaking gaat, wat wil dat niet zeggen van hoeveel er nog bij dementerenden binnenkomt. Dus ook hoe sterk nog de thuisbeleving is. Daarom: we onderschatten. 

 

Wat fijn dat wij erbij mochten zijn. Heel bijzonder zo met z’n allen. (Agnes v.d. Zee).

Hallo Johan! Het was erg gezellig gister. Vond het mooi om Diana zo trots te zien. Binnen drie weken moeten we weer afspreken voor een hapje eten. Kussen voor Ellen. (Jan van Ewijk). 

Mooie speech Johan! En hulde voor het nieuwe boek ‘Geef ons ook morgen’.  (Wietske De Goede-Bakker). 

Wat was het een prachtig gezelschap afgelopen donderdag. Fijn om erbij aanwezig te zijn! Mooi gesproken. Wij bestellen graag twintig exemplaren van het nieuwe boek. (Daisy Wallenburg, Inspectie Volksgezondheid).

Was een erg geslaagde middag. Hebben ervan genoten. Op de valreep de komst van Danny de kapper. Alhoewel iets te laat, maar zo openhartig en respectvol naar Ellen en jou toe. Toppie. De zwangerschap van Esmé was een leuke verrassing. (Ad en Marijke Brevet). 

Ik vond het heel gezellig. (Carol da Silva).

Dank je Johan voor je positieve opmerkingen aangaande Home Instead (Bas Steenbergen, landelijk directeur). 

Veel dank voor weer zo’n mooie borrel en boekpresentatie. (Cinta en Ad Heesakkers). 

Bedankje naar alle aanwezigen op de boekpresentatie.
Daags erna mailde Maggy naar Ellen de vraag of ze niet heel moe was na de festiviteiten van afgelopen donderdag in de namiddag en vooravond.
Allerminst, luidde het antwoord, maar niettemin werd Ellen door fysiotherapeut Leroy op the day after ‘gespaard’ met vooral lichte ontspanningsoefeningen.
Van verschillende kanten ontvingen wij gister mails met een bedankje voor de gezelligheid en (één van de citaten) ‘de warmte waarmee omringd de viering dat Ellen nu alweer negen maanden boven verwachting succesvol fulltime thuis woont.’
De boekpresentatie had plaats in stijl. Met regen, met overvloedige regen, illustratief voor de flutzomer van 2017.
De presentatie had ook plaats in een daarvoor speciaal gekozen setting: inspectie, huisarts, thuisservice, fysiotherapie, kapper – van medisch naar cosmetisch en met alle schakeringen en nuanceringen daar tussenin. De feestelijke presentatie vond plaats in een bijzondere week, met de consequentie van een aantal afzeggingen wegens vakantie. Een trieste aanleiding voor hun afwezigheid hadden Ellen d’r klasgenootje op de Mulo destijds en haar echtgenoot. Wietske uit Leeuwarden verloor onverwacht haar broer. Het verhaal erachter laat zich terugbrengen tot de vraag: Waarom? Een vraag waarop nooit een antwoord komen zal. 
Diana aan het eind van de donderdagavond:
Wat spijtig dat mijn zoon door vakantie in een ver buitenland en mijn dochter door de koopavond van Ici Paris niet getuige konden zijn van wat hun moeder mocht overkomen. Wat een voor mij geweldige belevenis.’ Huisarts Peter: ‘Indrukwekkend allemaal, mooi eerbetoon aan het zorgteam van Ellen.’ 
Zeer bijzonder de opmerking gisteren van middagverzorgende Eva. ‘We willen allemaal zo graag wedijveren met Diana, maar dat moeten we helemaal niet willen, ik heb het met eigen ogen gezien, ik heb nu met eigen ogen gezien waaraan zij haar zeer bijzondere positie aan de Zonzijde te danken heeft, zij is onderdeel geworden van jullie entourage.’
En dat is wat wij elke goede verzorgende van Home Instead van harte gunnen. Een cliënt(e) met in het hart een speciaal plekje voor één van de verzorgenden wel zeer in het bijzonder. Het vloeit onmiskenbaar voort uit de benadering van één op één in de zorg waaraan organisaties als Home Instead hun kracht (dienen te) ontlenen. En waarom Ellen en ik ook voor deze opzet bij dit instituut gekozen hebben. 
(Het verloop in de verpleeghuizen is groot. De bewoners hebben er voortdurend te maken met andere gezichten bij activiteiten en zaken die ten volle hun privacy betreffen. Het onpersoonlijke lopende band werk doet geen recht aan de gedwongen afhankelijkheid van chronisch zieken. Het werkt zelfs averechts).
In het directe verlengde van Diana noemen wij natuurlijk Elly. En dat meer dan alleen vanwege de pindasoep en de kerriesoep. Uiteraard zeg! (aanstaand oma) Elly is immers de back up van Diana. 
Geloof het of niet: La Wolf kwam hier gister binnen voor de avondzorg, en Ellen: ‘Hallo Elly.’ En die: ‘Ook ik snap hier niks meer van.’ 
Ellen en ik willen eenieder bedanken voor de herinnering die wij samen aan 17 augustus 2017 bewaren. De hier zo-even aangehaalde warmte (ook digitaal gememoreerd door Cinta en Ad, door Jan, door Charles, door Leroy en alle anderen) was de temperatuur die jullie (!) meebrachten hier het huis en de tuin in. Geef ons ook morgen, herhalen we maar weer. 
Een lieve groet naar allen die voor ons 17 augustus 2017 onvergetelijk maakten resteert, Ellen & Johan.  

 

Slenaken waar onze zomervakantie zo vaak begon

pils1

Proost! Enkele jaren achtereen begon de zomervakantie voor ons steevast op deze plek: op het hotelterras in Slenaken, nauwelijks een kilometer van België verwijderd. Terug in hotel Klein Zwitserland met het weidse panorama om oude herinneringen weer naar boven te halen. We lieten de meegereisde verzorgende Diana uit Afghanistan vol trots de bergen bij Vaals en zo verder zien. Hoe dom kan een mens zijn. Diana zag de Nederlandse ‘gevaarten’ voor stoeptegels aan. Of die ook waren voorzien van eeuwige sneeuw? Op zaterdag klassieke muziek met een concert in de hotelabdij van Rolduc. Soms neuriede Ellen mee. Iets te weinig zachtjes, afgaande op de verstoorde blik van de organisator, een verkreukelde idioot, die wij na afloop aanraadden eens bij de Blokker langs te gaan voor een strijkbout. Aan tafel heette hij vanaf dat moment voor ons De Broek. Hoe iemand zich zo met een inleidend praatje voor een groot opgedoft publiek durfde te vertonen. Alsof hij ’s nachts op zijn hotelkamer urenlang met een violiste en zijn kleren nog aan had liggen ravotten. Muziek als balsem voor de ziel. Aan het einde van het concert applaudisseerde ook Ellen mee, uit zichzelf, een onvergetelijk beeld.  De brok in de keel. Hoe meer ervaring met dementie hoe minder je ervan begrijpt. Velen zijn kenners, ik ben er geen. In Rolduc voor Ellen en mij de bruidssuite. We hadden er een verrekijker nodig om elkaar vagelijk te zien. Mooie kamer, dat mag gezegd, tevoren was een employé speciaal naar de Gamma geweest om een toiletverhoging te kopen. Vriendelijke geste, alleen: geen rolstoel die door de smalle opening van de doucheruimte ging. We lachten er maar om en improviseerden. Rolduc is geweldig, al gaat het er soms onnozel aan toe. Een kamer voor een invalide met een deur naar het toilet en de douche waar de rolstoel niet doorheen kon, zo smal. Van Kerkrade door Simpelveld naar Eys, Mechelen, Epen en Slenaken en maar door, en nog eens door, over de smalle idyllische weggetjes, zwoegende en hevig transpirerende amateurwielrenners en wandelaars ontwijkend. Wat een landschap! Hoeveel kilometers voetstappen liggen er van ons wel niet! We wandelden ons er de blaren op de voeten. En namen onderweg een pilsje. Zoals ook zondag 13 augustus. Soms is het verdraaid leuk nog eens even achterom te kijken. Ik zeg het de onvergetelijke Zomergast Eberhard v.d. Laan graag na. 

 

Recensie: nieuwe boek minder sceptisch, ja zelfs optimistisch

Vormen voorgaande boeken een door Johan Carbo met passie bijeengebrachte  aanklacht tegen het over het algemeen niet goed functioneren van de verpleegzorg, in zijn nieuwste publicatie is de schrijver alle verwondering voorbij. Het heeft dan zeven jaar geduurd sinds de mededeling dat zijn vrouw Ellen de ziekte van Parkinson heeft ontwikkeld en bovendien lijdt aan een vorm van dementie. Zijn journalistieke ervaring heeft Johan Carbo geholpen het traject in verschillende verpleegsituaties te analyseren en te beoordelen en er zijn conclusie aan te verbinden. In het kort komt die conclusie niet zo zeer neer op meer geld van de overheid, maar eerder een verandering in mentaliteit. Spatte in zijn eerdere boeken de woede en de verontwaardiging over het lot van de parkinson patiënt vaak van de pagina af, in Geef ons ook Morgen blijft de analyse even scherp als voorheen, maar is zijn oordeel nóg meer doorwrocht. Ook is de toon van het nieuwste boek minder sceptisch, ja zelfs optimistisch en bemoedigend. Carbo heeft intussen tegen veler advies in zijn vrouw uit het verpleeghuis gehaald, om haar thuis te verzorgen. Kleinschalig dus. Dat daarbij goede hulp van buiten af wordt gegeven, kan niet verhinderen dat Johan Carbo toch nog voor een groot deel zelf de zware taak van mantelzorger moet vervullen. Evenals vele andere mantelzorgers wacht hem daarbij ook nog de verantwoordelijkheid om brood op de plank te krijgen. Alleen door een ijzeren discipline is hij in staat aan alle eisen die hij zichzelf gesteld heeft te voldoen. Teneinde zijn leven en dat van zijn beminde vrouw goed en interessant te houden. Het verlossende gevoel dat hij ervaart wanneer hij enige tijd in Suriname les in de journalistiek kan geven, wordt eigenlijk vrij snel teniet gedaan door een ander gevoel, dat van schuld over het achterlaten van zijn zieke Ellen in Nederland. In Paramaribo groeit het besef dat hij de voorzichtige droom, die even heeft post gevat om in deze heerlijke tropische entourage samen met Ellen de pensioenperiode door te brengen, moet laten varen. Het tijdelijke verblijf in de voormalige Nederlandse kolonie heeft bovendien bloot gelegd dat de verpleegzorg er daar wel heel erg slecht voorstaat. Dat heeft de auteur ook vermoedelijk verder aan het denken gezet over de situatie in eigen land. Het is te hopen dat de top van het ambtelijk apparaat in de gezondheidszorg een luisterend oor toont voor de door Carbo gesignaleerde ontwikkelingen in de verpleegsituaties, zowel in de instellingen als thuis. Het bericht dat een tekort aan goed personeel pas op z’n vroegst over acht jaar op orde kan zijn, zou door de politiek als volstrekt onaanvaardbaar moeten worden bestempeld. Het is dan ook jammer dat er wat dit betreft niets naar buiten komt uit de huidige kabinetsformatie. Radiostilte ondanks dat er toch ook positieve signalen uit de verpleegsector naar boven borrelen, zoals de poging het contact tussen verpleeghuizen en neurologen te stroomlijnen. Zoals ook de verbanden die ontstaan tussen verpleeghuizen en Parkinson Café’s. Het groeiende besef dat de salarissen in deze sector absoluut ver onder de maat zijn. Het eisenpakket waaraan bestuursleden moeten voldoen, en de controle hierop. Dit alles in een sterk geïndividualiseerde samenleving ook daadwerkelijk realiseren is een uitdaging van jewelste. De auteur heeft de feiten bloot gelegd en wijst ons de weg hoe nu verder.

Leonie van Bladel, oud-Europarlementariër, voormalig journaliste bij de Wereldomroep, ook zij lijdt aan parkinson.

Lieve Johan,

Wat een akelig verhaal over Ellen die niet wilde eten toen jij je in Rolduc had teruggetrokken. En wat mooi dat ze zo opbloeide toen jij er weer was. Wat ontroerend mooi natuurlijk dat jij ook meteen rechtsomkeert maakte. Op weg naar haar in Lückerheide! Verlatingsangst verlaat je kennelijk nooit. En eigenlijk is het helemaal niet verbazingwekkend dat iemand met dementie (van welke aard) ook nog ‘gewone’ psychische klachten kan hebben en die dus op gezette tijden toont. Wij hebben hier nu een vriendin met vriendin te logeren die een zwaar demente moeder in een  verpleegtehuis heeft. Nou, het is bepaald hollend achteruit gegaan sinds die moeder daar ruim vijf jaar geleden introk. Zij hadden net een gesprek met de hoogste verantwoordelijken daar achter de rug, nadat ze samen met andere mantelzorgers een waslijst van klachten hadden ingediend. Die klachten werden gelukkig wel au sérieux genomen en niet weggewuifd. Maar het blijft ellendig, gevaarlijk en mensonterend. Het meeste onheil aangericht door allerlei uitzendkrachten in het bezuinigingstijdperk. Jij weet er alles van en hangt het gelukkig in je boeken en in je blogs aan de grote klok, ook al heeft Ellen er niet meer direct mee te maken. Wat heerlijk dat jij het volhoudt haar thuis te hebben en wat heerlijk dat dat kan dankzij het bekende budget (+ eigen bijdragen van velerlei aard…) en dankzij de zorgunit en jullie onvolprezen Diana!
Leuk dat zij het eerste exemplaar van je nieuwe boek overhandigd krijgt! We zullen er helaas niet bij kunnen zijn, we zijn dan nog in Frankrijk. We doen er dit jaar meer dan anders aan onderhoud van vooral het huis. Denk niet aan steigers en heuse bouwactiviteiten, maar aan het in stand houden van oude muurtjes en trappen met wat metselwerk. Wat al lastig genoeg is voor deze tweemaal twee-linkerhanders… 
De vriendinnen kwamen me net van de laptop halen voor de sterrenhemel. Voor mij – verwend als ik hier ben – niet eens zó mooi als anders wel eens omdat er wat wolken zijn. Maar het unieke is dat het zo pik- en pikdonker is. Omdat in het dorp maar vier straatlantaarns staan, hier een stukje vandaan en er heinde en ver geen licht te bekennen valt. Eén van de redenen voor Marcs vader destijds – ook een Indisch kind – om hier een ruïne te kopen. Die fluweelblauwe ( en doodstille!) nachten, waar zelfs de grootste leek nog moeiteloos de grote beer eruit haalt, zijn één van de grote attracties hier. Hoe meer aardige mensen we hier kennen en hoe meer we praten met de andere bewoners, hoe meer we ons hier ook thuis gaan voelen en hoe minder we nog ver hoeven te trekken. Het gaat niet goed met Frankrijk, daar is iedereen het wel over eens, maar in zo’n gehucht blijven hele prettige omgangsvormen heersen en de sociale verbanden zijn heel hecht, je hoeft hier niet zo snel te vereenzamen. A propos Indische jeugd: over Bibeb hebben we het vast nog wel eens! Ik was nooit zo’n fan van haar interviews, vond ze vaak een beetje aanstellerig en inhoudelijk minder interessant, het leek haar er vooral om te gaan mensen dingen te laten zeggen die ze eigenlijk niet kwijt wilden, daar ben ik nooit zo dol op. Ik las hier John Jansen van Galens boek over VN, heel snel en heel oppervlakkig en met groeiende ergernis. Wat een verziekt rotwereldje met haat en nijd, leugens en gekonkel, bah. En anderen maar de maat nemen. Ik wist het in grote lijnen wel, maar je kijkt er toch van op. Johan, ik ga naar bed, de sterren flonkeren morgen weer en ik roer dan weer de troffel. Hoop dat je met Ellen met regelmaat serene momenten en meer hebt en dat het water je zelden of nooit aan de lippen staat. Je doet wat je kunt en meer kun je niet, wat je doet is heel veel en betekent ook heel veel. Gun jezelf af en toe ontspanning en een uitje naar een andere wereld en blijf alsjeblieft lezen zoals je doet, dat houdt de horizon wijd. ls we terug zijn maken we een afspraak en kom jij naar Amsterdam. Geef Ellen twee dikke zoenen van ons en wees zelf stevig omhelsd met sterkte voor als je die nodig hebt. Tot in september, goede nacht en slaap lekker,

Jeannette Klusman, oud-collega uit de journalistiek, weekbladpers en hogeschool Tilburg.

 

In Kerkrade vorstelijk in de watten gelegd

Het vakantieverblijf op de afdeling Narcis van verpleeghuis Lückerheide in Chèvremont/Kerkrade was een bedankbrief waard. Een brief die hopelijk ook naar de top van de Meandergroep gaat. Afdelingshoofd Marco Maassen had net als vorig jaar weer zijn werkkamer voor Ellen ontruimd. We werden een paar dagen in de watten gelegd. Het ontbrak ons aan niets. Er kwam rust over ons.
Lieve verzorgenden,
Met een diepe buiging en de hoed af onze welgemeende dank voor wat jullie de afgelopen vijf Limburgse vakantiedagen voor ons tweetjes betekend hebben. Het was niet gering. Chapeau! De in grote gastvrijheid en spontane hartelijkheid gemarineerde zorg voor Ellen, en de aandacht voor mij als mantelzorger die even uit zijn vaste systeem kon, ze werden door ons beleefd als hartveroverend en hartverwarmend tegelijk. Werkelijk interessant en ronduit een eyeopener vormde de extra kennis die ik bij jullie opdeed van de mogelijke bron van de ziekte van Parkinson. Heb zelf nooit eerder de link gelegd met het darmstelsel. Ik had er geen flauwe notie van. Wij hebben een vriendin die in een ziekenhuis heeft gewerkt op de afdeling darmklachten. Toen zij over de relatie darmen en parkinson hoorde was haar reactie: ‘Ja, dat zou zo maar eens kunnen kloppen, daar zou die verpleegkundige van Lückerheide wel eens gelijk in kunnen hebben’. Het blijft me cajoubezighouden. Zo zie je maar hoe belangrijk specialisatie en differentiatie zijn in de ouderenzorg. Met bewondering heb ik jullie gadegeslagen bij het dagelijkse zware werk ten behoeve van de aan jullie toevertrouwde bewoners. Wat een verantwoordelijkheid! Het bloemetje op tafel ter verwelkoming, ronduit fantastisch! Ellen sliep veel, heel veel zelfs, ze was doodop, ze was niet echt in goeden doen, het belemmerde mij in het maken van rolstoelwandelingen. Helaas, maar het was niet anders. Die zware vermoeidheid zal zeker bij het ziektebeeld horen. Dat weten jullie net als ik, en zelfs beter nog. Zoals ook het verlies van communicatie dat steeds navranter wordt. Ik mis haar, maar dat moet de afgelopen dagen voor jullie wel zichtbaar zijn geweest. Het is als een brug met ongelijke leggers. Dementie zet niet alleen de wereld van de dementerende volledig op zijn kop, maar ook die van de echtgenoot. Ik heb ook sterk het gevoel dat de serie bloedhete tropische dagen die we net achter de rug hebben van negatieve invloed op de constitutie van Ellen in Limburg is geweest. In de zin van uitputting zowat. Het had er bij Ellen ingehakt die alles verzengende warmte, ook al hield ik haar voortdurend in de schaduw onder het zonnescherm en in de buurt van de ventilator. Nu, na weer een paar dagen op de thuisbasis en met voor haar beduidend aangenamere weersomstandigheden, zie ik Ellen weer monterder en alerter worden. Gisteren had ze zelfs een uitstekende dag. Praats en aandacht voor de tuin die ik weer eens flink onder handen nam. Een enkele lege plek vulde ik op met lavendel die ik met Ellen bij de bloemist was wezen kopen. De overtollige zuring vulde de kliko. Zelf heb ik bij jullie weer leren uitslapen. Soms wel tot half acht. Ongekend! Ik hoorde jullie dan op de gang en in de belendende keuken aan de gang met van alles en nog wat en wist dat het zoetjesaan tijd werd om aan de wasbak mijn hoofd onder de kraan te houden. Nee, een paar dagen niet douchen was niet erg. Te veel soesa, voor mij, voor jullie. Een beetje kamperen vergrootte het vakantiegevoel bovendien. Terug uit Brussel afgelopen zaterdagmiddag hoorde ik van één van jullie dat Ellen erg in zichzelf gekeerd was. Ze had ‘de bokkenpruik op’, klonk het letterlijk. Ze wilde niet eten, niet drinken en keek slechts stuurs voor zich uit. Het gezicht een ondoordringbaar masker. Dacht ze misschien dat ik haar in de steek had gelaten? Dacht ze wellicht dat ze voorgoed was teruggeplaatst in een instelling? Heimwee naar mij? Eigenlijk deed me dat wel goed. Ik geef dat ruiterlijk toe. Was er dan ondanks alles toch nog contact met mijn vrouw die door haar ziekte de facto in een cocon leeft? Zond ze zo een signaal uit? Het gaf me het idee er nog toe te doen als niet-aflatende mantelzorger. Het was voor mij een uitgemaakte zaak dat ik de hotelkamer in de abdij van Rolduc ogenblikkelijk zou annuleren en ’s nachts bij Ellen zou blijven. Fijn dat jullie me die gelegenheid gaven. Jullie boden me een logeerbed aan, maar nee, liever niet. Zo’n logeerbed in een verpleeghuis met vaak de functie van een sterfhuis geeft mij een te nare associatie. ’s Nachts bij Ellen, en dicht tegen elkaar aan in dat eenpersoonsbed. Om overdag ’s morgens in Rolduc met een krantje te gaan ontbijten en er ’s avonds in de tuin met die rustgevende fontein en tussen de metersdikke kloostermuren te gaan dineren. Uitstekende keuken in de abdij Rolduc, een aanbeveling waard. Zelden ook zulke lekkere rosé gedronken als daar. Elke middag namen Ellen en ik er wel één of twee, met voor haar bovendien appelgebak met ijs, een behoorlijke dot slagroom en een kommetje warme vanillevla. En ondertussen die fontein maar sproeien. Genoten heb ik van de repetitie van een orkest dat zich voorbereidde op een uitvoering van de werken van Schubert. Ik ging er in Rolduc op een plastic klapstoel naast zitten. Het had iets rustgevends. Of ik een kenner van Schubert was, wilde iemand op fluistertoon weten. Ik acteerde bescheidenheid en deed alsof ik welbekend was met deze componist. Ging van de weeromstuit ook met het hoofd een beetje mee wiegen op de muziektonen. Tamelijk kinderachtig ja, dat geef ik toe. Ik heb naderhand op internet naar die Schubert gezocht zodat ik nu weet dat-ie Franz van voren heette. Onder het schrijven van deze brief deze vroege zondagmorgen kijk ik vanuit mijn werkkamer op mijn nieuwe lavendel neer die gratis en voor niks wordt verwend met een bui malse zomerregen. Schubert dus in de abdij, hij werd me op een van de vrije avonden in de schoot geworpen. Met bovendien een goed boek is een mens al helemaal nooit alleen. Ik verslond de biografie over Bibeb, de biechtmoeder eertijds van politieke en culturele kopstukken met wier diepgravende en spraakmakende interviews weekblad Vrij Nederland van Rinus Ferdinandusse jarenlang goede sier maakte. Bibeb legde van menigeen de ziel bloot en bleef ondertussen zelf een compleet mysterie. Haar naam was even raadselachtig als cartoonesk. Indrukwekkend vooral ook wat allemaal over haar leven in de jappenkampen van Sumatra geschreven werd. Ze leefde in hongs, lange rotanschuren op palen. Ieder had een ruimte van anderhalve meter breed en de lengte van een matras. Overdag woelde ze uitgemergeld van de honger en onder toezicht van de onberekenbare, gehersenspoelde jap in de gortdroge lichtbruine aarde in het besef dat ze misschien wel bezig was er haar eigen graf te graven. Ze was toen al moeder. Onthoofding, stank en onverdraaglijke hitte – ook na de bezetting door de jap ging dit door tijdens de onafhankelijkheidstrijd van de Bersiap en de Merdeka. De oorlog was over maar de Europeanen bleven uit angst voor geweld en rechteloosheid in hun kamp achter het bamboevlechtwerk en prikkeldraad. Ellen kon het zich nadien nog herinneren: de pelopors en pemoeda’s die aalglad door de olie de kampen met spiesen aanvielen en op veilige afstand werden gehouden door de Punjabi- en Ghurka-gevechtsgroepen. De voedselvoorraden in de kampen waren vergiftigd door Indonesische cipiers. Die kampen zouden sterk van invloed zijn geweest op het latere leven van zeker ook Bibeb. En dat zeer beslist bovendien op haar journalistieke modus operandi en de vragen die zij stelde in interviews met Martin Luther King, Picasso, Brigitte Bardot, Ruud Lubbers, prinses Irene, Andy Warhol, Jan Terlouw, Annie M.G. Schmidt, Roald Dahl, enzovoorts. Ik geraakte na Bibeb met de roman De tolk van Java (Henriëtte Roland Holst-prijs 2017) in weer net even andere sferen. Maar de gelijkenis was tegelijkertijd treffend: de oorlog waaruit niemand ongeschonden tevoorschijn komt. De Europeanen niet, de Indische Nederlanders evenmin. ‘We kunnen je niet zien of je hebt wel een boek bij je’, merkte Marco één van de afgelopen dagen glimlachend op. Het werd voor hem een karakteristiek beeld. Een boek geeft afleiding. De tolk van Java gaat over een gezin van een Hollandse moeder uit Helmond, een Indische vader uit Soerabaja, en hun vijf kinderen, op diverse adressen rond het Haagse Zuiderpark waaronder de vreugdeloze van roodbruine bakstenen opgetrokken Melis Stokelaan (hoog Dudok-gehalte) in de wederopbouwjaren van vlak na de oorlog. Vader mata gelap en gewelddadig weggevlucht na de onafhankelijkheid van Indonesië. Hij had de kant van het koloniale Nederland gekozen en vreesde de wraak van de aanhangers van Soekarno. Het boek schetst een beklemmend beeld van een door oorlog, blinde haat en rechteloosheid verwrongen en op hol geslagen geest waaraan een heel gezin ten gronde gaat. De moeder uit Helmond steekt geen vin uit als vader zijn zoons bij het minste of het geringste en soms zelfs zonder enige aanleiding tot bloeden toe afranselt met een riem of wat al niet. Om het minste of het geringste hakten de jappen hun slachtoffers het hoofd af en zetten het als afschrikwekkend voorbeeld op een spies. De naar Nederland gevluchte Indo hield er achtervolgingswaan, driftbuien, gevoelloosheid en gewetenloosheid aan over. Zijn oorlog woedde door in diverse Haagse portiekwoningen. Onwillekeurig dacht ik onder het lezen van Bibeb en De tolk van Java aan Ellen, met de vraag die ik me overigens al zo dikwijls heb gesteld: wat heb jij zeventig jaar geleden als kind van drie, vier en vijf in de jappenkampen voor gruwelijkheden gezien, zonder je toen van al die barbarij werkelijk bewust te zijn geweest, maar het onmenselijke niettemin wel diep van binnen voor altijd te hebben opgeslagen? Moest zij toekijken hoe haar moeder of andere vrouwen gemarteld werden voor een vergrijp als het stelen van een paar korrels rijst? In elk geval weet ik dat Ellen aan verlatingsangst lijdt. Dat weet ik al 35 jaar, zolang zijn wij intussen alweer samen. En het besef van die verlatingsangst speelde ook op de achtergrond mee bij mijn besluit van afgelopen zaterdag niet in Rolduc te blijven logeren, maar in dat eenpersoonsbed te kruipen op de kamer van afdelingsmanager Marco. Zeker zo’n biografie als over Bibeb zou verplichte leesvoer moeten zijn aan de basis van de verpleegzorg. Het zou de verzorgenden en verpleegkundigen nog meer leren over de tijdgeest waarin de dementerenden hun vroege jeugd doorbrachten. Jeugdjaren die op latere leeftijd een steeds belangrijkere rol gaan spelen. Verdrietig genoeg verdwijnt bij de bewonerspopulatie het verbale verhaal erover.
Ik hoop dat we nog eens mogen terugkeren. Het zou geweldig zijn als de Narcis in Lückerheide voor een midweek (of zo) een vaste logeerplek creëert voor een parkinsonpatiënt van elders uit Nederland, zodat zijn of haar mantelzorger met lange wandelingen door het Geuldal de zinnen kan verzetten en een beetje kan ontspannen. Zoals mij werd vergund. De inkomsten zouden als derde geldstroom kunnen worden opgevat en ten goede kunnen komen aan de specialistische zorg voor de vaste bewoners. Een extra spaarpotje kortom. Als mantelzorger heb ik de afgelopen dagen weer het nodige bij jullie opgestoken ten gunste van Ellen. Die handmassage bijvoorbeeld. Het soepel houden ook van het voorhoofd waarnaar Ellen inderdaad dikwijls tast. Die tip ook voor de spieren van Ellen met stoom uit een gemakkelijk aan te schaffen apparaatje. Bovendien kwam er rust over mij in de rust waarmee jullie de vaste bewoners omringen. De stress verdween. Confronterend was het wel weer. Zeker de loop van de entree naar de parkinsonunit en terug met onderweg al die voort sloffende en met doffe ogen voor zich uit starende dementerenden, jong-dementerenden vooral ook. Tsja, wat ziekte met een mens zoal kan doen en hoe genadeloos het leven zijn afloop vindt. De terugreis ging van een leien dakje. Misschien kunnen we nog eens bij jullie terecht. Ik hoor het wel. Onderweg naar huis bedacht ik dat het misschien beter voor Ellen is om in juli De Panne maar een keertje over te slaan. De vakantieuittocht naar Frankrijk komt op gang en het laat zich raden dat bij Antwerpen en Gent de wegen hopeloos verstopt raken. Files en nog eens files. Blik zover het oog reikt. Geen reistijd van dik drie uur maar van royaal vijf uur. En als de temperatuur dan ook weer naar tropische waarden schiet! Het spreekwoordelijke paard achter de wagen bij de verzorging van Ellen. De les van de maand juni is maar weer eens dat extreme warmte Ellen achterop doet geraken in haar gevecht tegen de ziekte van Parkinson. Dodelijke vermoeidheid was tijdens die hittegolf en ook erna haar deel. Bespaar Ellen de heksenketel van het Belgische verkeersinfarct, zei de stem in mij. Verkeersinfarct ja, dat nog eens extra wordt aangewakkerd omdat men middenin de zomer overal de wegen van nieuw asfalt wenst te voorzien. Kerkrade was voor deze tijd van het jaar net ver genoeg. Van hier een lieve hartelijke groet van ons beiden en de erkentelijkheid voor wat ons de afgelopen dagen allemaal ten deel viel. Vanzelfsprekend mede namens Ellen.