Oh Rolduc, wat erg, ik ga je missen

Herinneringen zijn dikwijls groter, meeslepender en lekkerder dan de werkelijkheid. Zal dat met Rolduc ook zo zijn. Ik verwacht het niet. Hotelabdij Rolduc in Kerkrade is failliet. Door de corona. Door de gedwongen sluiting van de horeca. Het is eigenlijk niet goed voor te stellen. Onvoldoende vet op de botten om de klap van corona op te vangen. Hotel en restaurant vielen om. Het congrescentrum ook. Als tijdens een tropische orkaan met de hoogst denkbare windsnelheden. Te lang geen inkomsten. Ik laat een traan. Het is hartstikke jammer allemaal. Veel meer dan jammer zelfs. Ik kruid mijn verhalen graag met enige pathos maar voor Rolduc is dat niet nodig. Kamer 1203. Zó vertrouwd na al die bezoekjes de afgelopen paar jaar. Kamer 1203 gleed altijd weer als een warme gewatteerde jas om de schouders van deze mantelzorger. Ik liet alles thuis even achter me. Drie bij vier meter, en meer niet, dat was kamer 1203. Er waren grotere kamers, gezinskamers zelfs, maar ik koos de kleine, de kamer zonder noemenswaardige comfort. Net een postzegel. Alleen een wasbak en een bed. Een kraantje uit de sixties nog. Eenvoudige douche op de kamer, toilet op de gang. Een vroegere priester cel. Ik leefde er als een monnik. Uitzicht door een klein raam op de abdijtuin met fontein en gazons. In de hoek een terras met buffet. Een juffrouw in de bediening met een schortje voor. Je overnachtte er voor 45 euro inclusief een formidabel goed ontbijt met brood dat op een gebakje leek. Telkens weer die innemende gastvrijheid in een monumentale geestverruimende ambiance met hoge gewelven en de gebeeldhouwde Maria en het kindeke Jezus die zagen dat het goed was. Verbeeld ik het me of was het écht zo dat Jezus me altijd ter begroeting een knipoog gaf? Restaurant De Kanunnik waar Jo en zijn collega’s het dagmenu uitserveerden. In januari bracht Jo me een van de lekkerste rode wijnen ooit van mijn leven gedronken en ik voelde me prinsheerlijk een kardinaal naast de verlichte kerststal met daarin ook de nachtelijke herdertjes. Ze waakten over mijn welzijn. Jo had altijd wel iets te vertellen. Over zijn vele jaren in de horeca. Jo was inmiddels de zeventig gepasseerd. Zijn mooiste jaren beleefde hij vlak over de grens in Duitsland in exclusieve hotel–restaurants. Thuis in een doodgewone straat in de wijk Chèvremont van Kerkrade zat hij zich vaak te vervelen. En een kapotte broodrooster maken was niet echt zijn hobby. Stofzuigen evenmin. Hij was altijd heel gelukkig getrouwd geweest maar dat werd minder met de hele dag zijn vrouw om hem heen. En zo belandde hij in het restaurant van Rolduc. Het was voor hem op loopafstand. Jo regelde ook variaties op de dagschotel. Dan dribbelde hij met zijn korte beentjes wel even naar de keuken. Bij terugkeer ging er een duim omhoog. De worteltjes waren veranderd in spruitjes. Altijd twee glazen wijn in de Kanunnik. Dat wisten ze. Eerst een rode in het zitje bij een boek of krant en aan tafel een witte loepzuivere Chardonnay. Ze hadden eens een meisje in de bediening die de wijn inschonk tot de rand van het glas. Zoals met jenever. Slurpen. Het was geen drinken. Ik liet het maar zo. Dat ging in de jaren negentig met Ellen anders. We aten nog wel eens in Loenen aan de Vecht. De zaak – heette die niet Proeverij naast Tante Koosje? – was in handen van een Egyptenaar en zijn Nederlandse vrouw. Toen was het Ellen die aan de Egyptenaar vroeg hoe snel hij failliet wilde gaan. Hij was ons dankbaar en beloofde de vakantiekracht heel vriendelijk uit te leggen in welk glas je wat schonk en hoeveel. Maar in Rolduc liet ik het maar zo. Een te vol glas was mijn mantelzorg bonus. Altijd even vanuit De Kanunnik een telefoontje naar thuis om bij Diana te informeren hoe het met Ellen was. En die kreeg ik dan twee minuutjes aan de lijn. Ik moest het meestal doen met haar ademhaling. En met de mededeling van Diana dat Ellen bij het horen van mijn stem even haar wenkbrauwen optrok. Meestal informeerde een van de obers van Rolduc even later of alles goed was thuis. Bejaarde dagjesmensen maakte ik er mee. Hier en daar een steile kerkgeleerde met zijn gezin. Maar ook een motorclub en bonkige deelnemers aan een internationaal worstelkampioenschappen in het nabij gelegen Landgraaf. Maar als gezegd: Rolduc is failliet. Het klinkt zo streng en dat is het ook. Ik zal van de zomer op zoek moeten naar een ander hotel voor mijn mantelzorguitjes. Erger dan voor mij is het uiteraard voor de 65 personeelsleden. Ze staan op straat na het uitspreken van het faillissement, het doodvonnis zo gezegd, door de rechtbank in Maastricht vorige week. Wat een deceptie. Alle dagen tussen Kerst en de jaawisseling schoon uitverkocht het hotel, het restaurant en het congrescentrum. Patriarchaal was het er. In de plezierige betekenis van het woord. Aartsvaderlijk. Arme Jo. Maar ook arme joviale man met een meter snor onder zijn neus aan de receptie. En al die anderen. Het uitchecken moest uiterlijk elf uur ‘s ochtends gebeuren. Mij lieten ze uitslapen. Tot zolang ik wilde. Geen extra kosten. Ze kenden Ellen. Ze kenden haar rolstoel. Ze kenden Diana. Ze kenden mijn vermoeidheid. Lieve mensen. Ze zijn hun baan kwijt. Het corona houdt huis in Nederland en overal elders in de wereld. Er vallen klappen, zware klappen. Tabee Rolduc, ik schrijf het met pijn in mijn hart, ik ga je missen. Je was zeker zo goed als Cajou in de Belgische kustplaats De Panne. Je had geen zee en geen strand te bieden. Maar om je heen wel heuvels die wij maar al te graag voor bergen aanzien. Bij C & A op de Markt van Kerkrade kocht ik T-shirts en ook mouwloze shirtjes voor Ellen in bijna alle kleuren van de regenboog. Tussen de middag een broodje brie bij de traîteur even voorbij de HEMA op de Markt van Kerkrade. Bij die HEMA schafte ik de toiletartikelen aan. Pinnen bij het kantoor van de ING in de Hoofdstraat van Kerkrade. Voor een nieuw boek naar een prachtige boekhandel in Vaals en daar dan maar meteen een dagtripje van maken. Wandelen door Chèvremont met die uitstekende slager en zijn leverworst. En met het kasteel natuurlijk. Met Ellen bracht ik eens op de gezinskamer van Rolduc met rolstoelcomfort de oudejaarsavond door. De kalfsoester in champignonsaus maakte ik op de kamer warm met de haardroger van Ellen. Warm? Nee eerder lauw en dat nog niet eens. De fles champagne donderde bij windkracht acht van drie hoog van de vensterbank buiten zonder ongelukken. Die fles stond daar om op temperatuur te komen. Niet eens lauwe kalfsoester, was dat nog maar zo, en geen druppel champagne. Ik vierde er eens mijn verjaardag met Ellen, met Diana, met Albert en zijn vriendin van toen. Kort daarna was die verkering uit. Er kan onmogelijk een causaal verband met de abdij zijn geweest. Ik ga je missen Rolduc.

Johan