Ze beklom de Himalaya. Daarom een jaar na haar dood een Himalaya geplant ter nagedachtenis

Hoi Johan. Vandaag was geweldig !!!, alles was zeer mooi en lekker🌹 Helin heeft het met haar zus Ala en moeder Saba goed gedaan💞 Ongelofelijk!. Dank je wel voor deze herdenking van onze Ellen. Liefs Diana🙋💞💞

Was een mooie en ook een gezellige middag. Wat gaat een jaar snel voorbij. Stijlvolle herdenking. Fijn ook om Elly Wolf gesproken te hebben. En wat hebben Helin en haar ouders samen met jou ons verwend! Dank daarvoor. Hartelijke groet, Charles.

Johan, wat een mooi samenzijn vandaag om Ellen te herdenken. Ik ga aan de slag met de fotoreportage. Bedank de lieve Helin met haar moeder voor al het lekkers dat tussen de vele bloemen op tafel kwam. En de soep van Diana. Het was indrukwekkend. Jan van den Heuvel.

Lieve Johan, Diana, Helin en alle andere lieve vrienden en vriendinnen op de herdenkingsceremonie voor Ellen. Helaas kan ik er niet bij zijn. Buikgriep. Het spijt me verschrikkelijk. Deze week berichtte ik Johan en sprak zijn voicemail in. Ik was, net als bijna 10 jaar geleden, weer sprakeloos, haar stem, nog net als toen, ze was weer even dicht bij me, niet weg, nee hoor, ze is en blijft in mijn/ons hart en soms laat ze even iets horen! Dank je lieve Ellen ❤️❤️. Johan en jullie allemaal , wensen wij een sfeervolle , liefdevolle middag toe, in de tuin, in de zon, waar Ellen zo van hield. Koester en deel alle herinneringen met elkaar en heb het goed met elkaar! Hartelijke groet van John en Wietske uit Leeuwarden. Johan wil je alsjeblieft heel veel liefs, beterschap en sterkte van ons overbrengen aan Ber en Elly.

Lieve Johan: Wat een prachtige zonovergoten middag was het gisteren met de herinnering aan Ellen en het planten van die schitterende plant door jou en Elly Wolf. Heel waardig en plechtig ! En daarna de heerlijke soep en hapjes, verzorgd door Diana en Helin, haar zus en ouders. Bedankt. 🙏 Wil.

Fijn dat ik afgelopen zondag aanwezig mocht zijn bij de herdenking van het overlijden van Ellen. Het was indrukwekkend. Ook al ging het gesprek met de vader van Helin moeizaam, het was fijn dat hij even wat van zijn achtergrond in Syrië kon vertellen. Had je ook eerder as van Ellen in de tuin uitgestrooid? Ik ben het vergeten te vragen. Helaas ging Elly meteen na het planten naar huis. Naar Ber natuurlijk. Had graag nog even met haar gesproken. Nogmaals: het was een heel mooie zondag in je tuin Johan. Bedankt daarvoor. Jan van Ewijk.

Ze stonden altijd klaar voor anderen. Gevers, en allesbehalve nemers. Altijd stonden ze klaar voor anderen. Nu staat hun wereld op zijn kop. Elly en Ber. Die laatste ziek. Begonnen aan chemo. Sommige dingen kunnen niet meer. Sommige andere misschien nog wel en nog voor lang. Juist met haar, met Elly Wolf, de Himalaya geplant ter nagedachtenis aan Ellen. De Himalaya, de Mount Everest, die Elley met Ber inmiddels ook samen begonnen is te beklimmen.
Zou er in de toespraak van Johan ergens een spelfout staan?
Moeder en dochter. Ze zagen elkaar door oorlog een paar jaar niet.
Overleg tussen twee diplomaten. Ontwaren we links Jaap de Hoop-Scheffer?

Een greep uit de vele foto’s van zondag 30 april, een jaar na de dood van Ellen. Naast de oude getrouwen kwam de familie van Helin in mijn leven. Een voorrecht. Foto’s die het verhaal vertellen. Ze beklom de Himalaya met haar parkinson en lewy body, Ellen. Ze was zo dapper. Je gaat niet dood aan parkinson, je sterft ermee.

De asperges van 4 mei 1990 in de toen nog West-Duitse hoofdstad Bonn

De Panne 2019.

Toespraak bij de herdenking van Ellen

Je gaat niet dood aan parkinson, je sterft met parkinson. Ik citeer de Michael Fox van Back to the future. Hij is nu fondsenwerver voor stamcelonderzoek.

Het is deze zondag een jaar geleden dat Ellen overleed. Een jaar alweer, en tegelijkertijd een jaar nog maar pas. Cinta schreef me dat, in die bewoordingen, en ik dacht: hoe raak geformuleerd. Zo dichtbij nog steeds. Aan Wietske de eer om ter nagedachtenis aan haar schoolvriendinnetje van eind jaren ’50 in Amsterdam een boompje te planten in onze achtertuin die Ellen zo dierbaar was. Het leven is associatief. Als ik het al niet wist dan ben ik daar het afgelopen jaar wel achter gekomen. Het is een terugdenken ook aan ons culturele leven, zoals bij de dood van Wim de Bie en deze week Paul van Vliet. Het leven is associatief. Zoals met de oranje tompoezen van bij voorkeur de Hema op 30 april. Asperges op 4 mei. Yoshi Shirai ook, de Japanse honkballer bij UVV die mijn moeder na de dood van mijn vader op kamers nam. Yoshi die in de kassen van Harmelen doorleerde voor hoe je komkommers kweekte. Wilden ze in Japan alles van weten. Yoshi die bij alles een diepe buiging maakte, en mijn moeder die terug boog, als een rietstengel, een geestig gezicht, totdat ze er spit van kreeg en op bed belandde. Op een training die samenviel met Dodenherdenking stopte hij even voor achten als eerste en nam zijn pet af. Yoshi ja, wat zou er van hem geworden zijn. Hij kwam ook nog eens uit Nagasaki. Hij was er ineens, en was na twee jaar ook ineens weer weg.

We gaan een bijzondere week in. Een week met veel herinneringen, terwijl de natuur weer tot groei en bloei komt, ondanks de winterjas die aan de kapstok blijft. Belangrijk vooral: voor Ellen op 4 mei telkenmale het stilstaan bij haar jeugd achter prikkeldraad en bamboevlechtwerk: de jappenkampen op Java. Misschien wel belangrijkste avond van het jaar die van 4 mei. En die verbind ik weer met asperges. Bonn 1990. Ik was voor de krant naar de onderhandelingen voor de Duitse eenwording. Die onderhandelingen werden gevoerd door Sjevardnadze namens Gorbatsjov en de toenmalige Sovjet-Unie. James Baker namens het Witte Huis. De Britse minister Hurd, Hans-Dietrich Genscher van West-Duitsland. Lothar de Mazière van de failliete DDR. Er was ook een Franse minister van buitenlandse zaken, maar zijn naam weet ik niet meer. Ellen was mee naar Bonn waar we op de warme avond van 4 mei 1990 boven Bonn in een restaurant aten. Een weids panorama. Om lyrisch van te worden. En dat werden we dan ook. We bestelden asperges en vroegen de serveerster met de asperges voor ons te wachten tot een paar minuten na achten omdat het in Nederland Dodenherdenking was. Het meisje knikte. ‘Ik weet het, ik kreeg dat op school mee.’ Om acht uur ging in het restaurant de muziek uit. Daar hadden we helemaal niet om gevraagd, maar de muziek ging uit. En om ons heen legden de Duitse gasten als op commando hun bestek neer en vouwden hun handen en knikten ons toe. Dit verzin ik niet, dit is echt gebeurd die zaterdagavond 4 mei 1990 in Bonn. Een paar minuten later werd de maaltijd hervat.

Nooit meer oorlog dachten we toen. Het einde van de Koude Oorlog. Weg met het IJzeren Gordijn. De wereld naar betere tijden. We weten nu beter. Die zaterdag 4 mei 1990 in Bonn, hoe vaak hebben Ellen en ik wel niet daaraan later gerefereerd. De verzoening. Respect voor het leven. Mensenrechten, vrijheid van meningsuiting, soevereiniteit. De vlag van Oekraïne wappert bij ons op 30 april bij de herdenking van Ellen in volle betekenis. Bonn 1990. In dat kader plaats ik de herdenking van Ellen. De asperges van Bonn. De diaspora van Afghanen, Syriërs, Koerdische Syriërs, Iraniërs, Soedanezen, Taiwanezen. Hun odyssee. Mijn werk van nu als taaldocent van een Koerdische Syrische, een Koerdische Turkse, een Iraanse is met dit alles verweven. Diana, zo bijzonder geworden voor mij en Ellen. Helin. Ook zij. En! Mijn kleine favorietje in de familie Al Mohammad. Mais. Die drie was toen ze haar ouders op de vlucht van Syrië naar een menswaardig bestaan verloor. Drie. Mais afgeleverd bij haar opa en oma en hun dochters en zoon in Emst. Als een postpakket met het geluk dat ze in haar broekzak een briefje had met het adres van opa en oma. Mais verbindt me met Ellen. Of omgekeerd. Drie was Ellen in oorlog in een jappenkamp en een lege maag waarin een schepje zand ging. Yoshi Shirai die als eerste zijn pet af nam om acht uur op 4 mei. Nooit meer oorlog, hetgeen al snel bleek achterhaald.

Deze zondag 30 april is het een jaar geleden dat Ellen overleed. Een jaar alweer, en tegelijkertijd een jaar nog maar pas. Ze stierf in vrede. De vrede van thuis. Het al dikwijls beschreven beeld van die open pui en die voorjaarsgeluiden van buiten. Ineens was ze er niet meer. Postuum namens Ellen wens ik jullie behalve deze dag een bezonken avond van Dodenherdenking toe.

PS. Kwam in het winkelcentrum een oude bekende tegen. Jan van Maurik. Natuurlijk ging het over het honkbal van 45 jaar geleden. Vertelde hem van een promovendus aan de Radboud Universiteit in Nijmegen die me benaderd had voor onderzoek naar de rol en betekenis en achtergrond van Antilliaanse spelers in het honkbal hier. Dat is, vertelde ik hem, wat mij nog aan het honkbal bindt, de competitie en zo allang niet meer. We kwamen te spreken over oud-coach Peep Papa uit Curaçao. Hoe was het toch met hem? Peep Papa de aimabele. Parkinson. Verpleeghuis. Kan al niet meer praten. Ik citeer Jan van Maurik bij Albert Heijn op zaterdag 29 april: ‘Zo erg om dit proces van nabij te zien. Hij kan al bijna niet meer praten. Hij zit volkomen opgesloten in zijn eigen lijf.’ Behalve parkonson waarschijnlijk ook lewy body. Net als Ellen. Het liet me een paar uur niet meer los.

Terug in de tijd met de Paasdagen; de magie van Zuid-Limburg

Met deze Pasen in Zuid-Limburg. Alsof er voor mijn ogen een film werd teruggespoeld. De magie van niet zomaar een provincie. Daar zoveel voetstappen van Ellen en mij, zo ongelofelijk veel. Zoals ook een week later in het vestingstadje Hattem bij Zwolle. Een monumentaal openluchttheater. Hattem en de paasdagen van 2014, het kan ook 2015 zijn geweest. De rolstoel en het zorghotel daar in de buurt. De mijmering. In retrospectief. Maar enfin, Zuid-Limburg. Helin mee, voor even weg van haar studieboeken en het Spartaanse leven van een geneeskundestudente aan de VU. Vorstelijke weersomstandigheden. Helin die zong: ‘Nog nooit in mijn leven zo’n mooi landschap gezien als Zuid-Limburg.’ Ze tjilpte. De heuvelen af roetsjen. En maar fotograferen. ‘Dit zou wat voor mijn ouders zijn!’ Ach ja, met het boemeltje van Valkenburg naar Maastricht. Daar winkelen. In de Bijenkorf een lange camel overjas passen met een stralend gezicht. Totdat ze het prijskaartje las. Bijna 500 euro. ‘Niet te gelóven, wat is dit?’ De Bijenkorf van Maastricht Helin! Het Vrijthof en de nauwe pittoreske straatjes eromheen. Of Helin wel eens van André Rieu had gehoord? Nee nog nooit! Ook daar in Maastricht in een koffiezaakje het Engels als voertaal. Net als in Utrecht-Oost op een wandeling van het Wilhelminapark naar de Neude. Rare ontwikkeling? Een heel rare ontwikkeling. Daar komen we over een paar jaar wel achter. Helin: ‘Ik denk dat ik me maar meer op het Engels stort dan op het Nederlands.’ Misschien heeft ze gelijk. Zelfs in de Utrechtse volkswijk rond de Vleutenseweg heet de kapper al geen kapper meer. Het bordje kapperszaak is vervangen door Barbershop. Rijd je vandaar De Meern in, zoals vandaag, dinsdag 11 april, dat passeer je een gebouw met pontificaal Haircreations. Ook een kapper. Knipt waarschijnlijk met een botte schaar. Buslijn 28 kwam tegemoet. Die gaat naar het Science Park. Het is maar dat we het weten.

Met deze Pasen dus in het weldadige Zuid-Limburg. Wandelen in vakantiepark Valkenburg. Naar het bovenste puntje. De grotten. Mergelgrotten. De ruïne. Restaurants in een slinger van plein naar plein. Eten bij Oan ’t Bat in Eijsden. Wereldstek. Bediening een 10, altijd weer, de maaltijd een 10. Een voorafje op het terras van vlonders vlak aan de Maas. De zonnebril. België dat je zowat kon aanraken. Hoogtepunt van de trip, met Ellen mee in hoofd en hart: Misschien wel Kasteel Vaalsbroek nabij het Drielandenpunt. Foto’s getuigen ervan. Vaalsbroek is klasse. Allure op de vierkante meter. Om ons heen de eekhoorntjes. Niet te fotograferen, zo rap, zo schuw. Om ons heen wielrenners en verder de stilte. De heuvelen van Zuid-Limburg. De groene waas van de ontluikende natuur in april. In retrospectief. Kasteel Vaalsbroek is mede verbonden met het ziekteproces van Ellen. We brachten er een Oudjaarsavond door. De dichte mist met nog geen meter zicht toen was ook symbolisch te noemen. Een zware jaarwisseling. Een verdrietige met een chique kasteeldiner. Meteen erna ging Ellen in het dure en net opgeleverde verpleeghuis in Nederhorst den Berg wonen. Vrijwillig. Uit voorzorg. Veel privileges. Naar huis wanneer ze maar wilde. Ze behield haar privacy en vrijheid. Geen cijferslot voor Ellen. Een ruime, mooi ingerichte kamer met eigen keukentje in een verpleeghuis als zekerheid. Een pied-à-terre. Want we wisten geen van beiden wat er met de ziekte van Parkinson en het syndroom van Lewy Body voor ons in het verschiet lag. Niemand kon ons raden. Ook de neuroloog niet. We leefden op de tast. We leefden bij de dag. Liepen de marathon op blote voeten over kopspijkertjes. Parkinson was uiteindelijk een sluipmoordenaar, maar hoelang duurde zijn brute tocht en hoe zou die verlopen? Ook vaak met Ellen een stop in Kasteel Vaalsbroek als we ergens in Zuid-Limburg logeerden. Koffie en kersenvlaai. Asperges. Ik vertelde Helin erover. Ze gaf me onder het lopen een arm en ik praatte over Ellen. Ik praatte honderd uit. De liefde van je leven verliezen is geen sinecure. Je hebt er elke dag last van. Last? Nee, het is anders. Last is niet het goede woord. Je bent elke dag wel met het verlies bezig. Het gemis wordt eerder groter dan minder. Dat zou ook Diana Tweede Paasdag zeggen. Ach, als we haar, als we Diana tijdens onze strijd tegen parkinson eens niet hadden gehad. Maar ook vele anderen. Elly natuurlijk ook. En nu is Ber zo erg ziek dat hij aan de chemo moet.

Met deze Pasen in Zuid-Limburg. Op zaterdagavond rond half elf in de schemerdonkerte tussen de gewelven van abdij Rolduc een paasprocessie. Mannen met strakke gezichten in priestergewaad, of hoe dat heten mag, achter een brandende kaars. Doodse stilte die plots werd doorbroken door luid kerkklokgebeier vanuit vier hoeken tegelijk. Pasen. Negeerde een traan. Bijna een jaar na de dood van mijn grote liefde zit de pijn dicht onder de huid. Een wond onder een vliesje. Die processie voorafgegaan door een brandende kaars. Ik heb niks met zulk rooms theater, en toch ook weer wel. Als je dan toch in een god gelooft, doe het dan maar met poespas. Rolduc was aanvankelijk de enige lichte tegenvaller op dit vakantietripje. Maar manager Sander redde de malheur. Met verve zelfs. Bij het boeken van twee kamers was het al drie keer misgegaan. ‘Meneer, er kan toch altijd wel iets fout gaan, toch? U moet weten, we werken met stagiairs.’ Bij aankomst toch ook nog de verkeerde kamers en ruim honderd euro te veel betaald. Rolduc is geen aanbeveling. Helaas. Hotels, restaurants en het personeelsprobleem. Ik heb er mijn buik vol van. En de eigenaren knijpen maar een oogje toe.

Was eerder in de week met buurman Charles in Gouda. Terrasje. Charles bestelde thee. Kreeg wel water maar geen theezakje. Zelf koffie met appelgebak en een toefje slagroom. Kreeg koffie en twee kommetjes slagroom. Maar geen appelgebak. Het studentje: ‘Meneer, sorry hoor maar we hebben het nu eenmaal druk.’ Met een zuur gezicht kwam er een theezakje voor Charles. Voortaan voor alle zekerheid van thuis meenemen in de kontzak. Het appelgebak moet nóg komen. Het niet bestelde kommetje slagroom droop richting de Kattengracht. Twee dagen eerder bij Van der Valk in Breukelen met Jan van Ewijk 41 euro aan wijn op de rekening. Voor ieder één glas wijn? ‘Sorry meneer, het moesten twee glazen zijn, en wij hebben er twee flessen van gemaakt, sorry, maar dat kan gebeuren hè.’ De lust vergaat je. Rolduc deed er nog een schepje bovenop ondanks zijn gejurkte schemerprocessie. De weggooimaatschappij. De onverschilligheid. ‘We hebben het nu eenmaal druk’. In het snel veranderende Nederland krijg je dat straks ook in de ziekenhuizen ook te horen als ze in plaats van het linker been per ongeluk het rechter hebben geamputeerd.’ Half werk is beter dan niks, zoiets.

Met deze Pasen in Zuid-Limburg. Terug in de tijd. En als gids van de Syrische Helin. Gezellig baantje. Voor haar een ontdekkingstocht. Hoe fantastisch was het eigenlijk niet dit oorlogsmeisje zo opgetogen te zien. Ze vergat haar studieboeken. Ze vergat haar vaste, strenge regime. Overal was Ellen voelbaar en overal wilde Helin getuige van zijn. De plekken ook die Diana kende. In Chèvremont in Kerkrade bijvoorbeeld. Waar Ellen soms in de speciale kliniek voor parkinsonpatiënten Lückerheide logeerde en ik een lezing hield voor verpleegkundigen en mantelzorgers. Met Helin naar Aken even verderop, terug Nederland in, van Kasteel Vaalsbroek naar Mechelen, het Geuldal met die beroemde ijskraam. Ze stonden er weer, de lange rijen die naar de bekertjes schuifelden. Epen en Slenaken (Hotel Klein-Zwitserland, letterlijk op de Grensweg). Vandaaruit een klein stukje België (Voerstreek) zoals ooit met Ellen op haar rode solide wandelschoenen. De tijd die niet is terug te zetten.

Wat zou ik graag…. Besef je wel in de jaren dat je zó immaterieel rijk bent hoe rijk je eigenlijk werkelijk bent? Johan de oude meester die zich graag buiten de lijnen van het voor hem te kleine en te weinig eisende speelveld begaf,’ las ik in een van mijn laatste beoordelingsverslagen als docent journalistiek. ‘Johan die heldere opvattingen heeft over de kwaliteit die we als opleiding zouden moeten verlangen. Johan die met zijn Ellen weer een moeilijk jaar achter de rug heeft, maar zich toch blijft richten op het afleveren van goed werk, wat kenmerkend is voor zijn taakopvatting en inzet.’ Had ik het allemaal maar in een lagere versnelling gedaan, denk ik nu vaak achteraf. Hoge kwaliteit en mediatrainingen die vaak op mijn naam werden verkocht, ach had ik het niet verdiend om samen met Ellen veel meer van mijn pensioen te genieten? Toen Ellen in het verpleeghuis woonde ging ik meer dan eens in Zuid-Limburg voor anderhalve dag in retraite om me op een paar zware colleges of een mediatraining voor te bereiden. Het komt allemaal boven, bijna een jaar na de dood van de vrouw die ik in mijn hoofd en hart nooit zal loslaten. ‘Johan de onbetwiste meester in de feedback’, lees ik ook over mijn afscheid van de Academie voor Journalistiek. Ik krijg er Ellen niet mee terug.

Pijn in de rug van het vele wandelen deze Pasen in Zuid-Limburg. Het wandelpubliek is fantastisch. Het is ingetogen. Het absorbeert zijn omgeving. Boterhammetje en de waterfles. Dat loopt niet de godganse dag zich te bevredigen aan een gsm. Geen enkele bellende wandelaar tegengekomen. Niemand die de schijn ophield ergens gemist te worden. Geen gewichtigdoenerij. Niemand die zogenaamd de beurskoersen controleerde. Niemand die aan zijn aandelen dacht of aan de poppenkastfamilie Hazes. Of wat Maxima tijdens het Staatsbanket met de Macrons zou dragen en zou weg smikkelen. De iconische dichter-theoloog Huub Oosterhuis zou een ander verhaal zijn geweest, maar zijn dood volgde pas een dag later. De belofte aan Helin nooit meer over bergen te spreken. Die heeft Nederland niet. Al eerder die belofte aan Diana gedaan. Maar voor het overige: ik voelde Ellen dicht bij me en Helin had nog nooit zo’n mooie omgeving in haar leven gezien als in Zuid-Limburg met zijn vergezichten. Toen we terug naar huis langs Geleen kwamen, kon ik niet nalaten te zeggen: ‘Kijk maar liever even de andere kant op. Dit is de DSM, of hoe het nu heten mag. Dit is helaas ook Limburg.’

Twee dagen later. Een pakketje. Voor mij. Een plank voor kaas en toastjes en mesjes voor elke kaassoort één. Mooi verpakt en met een briefje. ‘Voor de lieve Johan. Ik wil dit speciaal aan jou geven in verband met deze maand. Een jaar geleden verloor je Ellen. Je hebt gezelligheid nodig om door te kunnen. Een emotionele maand. Blijf gezond en happy. Liefs from Helin.’

Ben er stil van. Diana, Helin, en er zijn ‘r nog een paar die zorgen dat het leven de moeite waard blijft. Veel verloren in mijn leven, veel mensen ook, dikwijls ook door mijn eigen schuld, of als mijn eigen keus, niet van alles en iedereen afhankelijk willen zijn, maar niet alles kwijt. De belangrijksten niet. Zo foutloos Nederlands Helin! Wat waardeer ik je kaasplank en wat ben ik bovenal blij met je brief. Ellen, jij daar boven, en voor ons overal blijvend aanwezig, lees je met me mee? Ja, ik heb gezelligheid om door te kunnen. En ik heb er een paar om mij heen die me het gevoel geven dat het de moeite waard is om door te gaan. Ellen, ik mis je als ik zo op Stille Zaterdag op een muurtje in Maastricht geniet van het leven. Het is te danken aan Helin, aan onze dochter Diana, aan Wil, aan twee keer Jan, aan Wietske en John, aan Charles, aan Nelly, en aan de zon. ‘Terug thuis, jij Helin, moest je meteen aan de slag voor een presentatie in het Engels, oké in het Engels, daar gaan we weer, over een item geneeskunde. Heb je al de uitslag? Want met Pasen inleveren verdient ook een snelle reactie van je professor.’ Een lachje. ‘Ik heb nog geen cijfer, maar ik heb wel alvast te horen gekregen dat ik het heel goed had gedaan.’

De uitsmijter ligt voor de hand. Ga even naar Zuid-Limburg. Deel Pasen met wandelaars zonder gsm. Ga even achter je bureau vandaan. Ontsnap even aan een Spartaans leven. Ontsnap aan moeten en nog eens moeten. Ontsnap aan de talkshowtafels. Geniet. Zoals ik ook nog veel van mijn leven wil maken.

Met een ode aan Ellen. Terug in de tijd. Met waardering ook voor Helin die alles fotografeerde wat in Zuid-Limburg ook maar voor haar ogen kwam. Ik kreeg dertig foto’s welhaast. Er enkele van gekozen voor de website. Zoals beloofd.

Weer thuis met Pasen meteen ’s avonds aan de slag met een presentatie in het Engels Geneeskunde. Daags erna het resultaat. ‘Ik had het heel goed gedaan, kreeg ik te horen, mijn studie is mij alles waard, maar twee dagen Zuid-Limburg waren onvergetelijk. Johan, frieten zijn veel lekkerder dan patatten, maar het is hetzelfde hè? Zal ik het eens in het Limburgs zeggen?’

De man links op de foto lijkt warempel wel een bodyguard. Het valt me nu pas op.

Met een mond vol tanden de achtertuin in, een biertje om het weg te spoelen

Mijn Paasboodschap is van een ongelofelijke eenvoud. Flikker die telefoon nou eens voor een poosje weg en pak een boek. Lees desnoods stripverhalen, maar léés! Onderzoek heeft uitgewezen, zo bericht NRC ons, dat een derde van het onderwijspersoneel in het middelbaar onderwijs totaal niet leest en lezen beschouwt als tijdverspilling. Dus 1 op de 3 onderwijzers en onderwijzeressen leest nooit een boek of krant. Dat staat heden ten dage in Nederland dus voor de klas. Dergelijke nitwits bepalen de toekomst van je zoon of dochter. Arme verloren generatie. Het onderzoek constateert dat nergens in de westerse wereld de jeugd zo weinig leest als in Nederland. Is onderwijs ook niet zoiets als stimuleren, uitdagen, en het goede voorbeeld geven ??? Literatuur is als zuurstof. Literatuur scherpt de geest. De slijpsteen.

Nederland: land waar de verf van de muren bladdert en het verval rottend om ons heen grijpt. Er lijkt geen redden meer aan. Het moet allemaal leuk in Nederland. Het liefst ongeletterd. De vakantie-economie. De woordenschat is belabberd. Brieven worden niet meer begrepen. Een derde van de onderwijzers en onderwijzeressen in het middelbaar onderwijs in Nederland leest niet. Via berekening is vastgesteld dat de gemiddelde 22-jarige op het niveau havo-2 staat. En zulks nog naar boven afgerond. Het is de schaamte voorbij. We kijken voortdurend op onze telefoon en communiceren in lettergrepen en onbenullige keelklanken. Wie als weldenkend mens in NRC naar de onderzoeksresultaten kijkt, moet zich aan de leuning van zijn stoel vasthouden.

Ik kijk hier om me heen en vraag me in gemoede af wat het belangrijkste is. De herinnering aan Ellen op plaats nummer 1. Natuurlijk, uiteraard. Alles ademt de sfeer van samen met Ellen, en dat blijft zo. En dan? En dan de vele en volle boekenkasten die één van mijn kamers tot een bibliotheek hebben gemaakt. Wat zou ik zijn zonder mijn boeken, en zonder lezen. Maar ja, bij de lockdown in de corona episode sloot Rutte niet de slijter maar wel de boekwinkel. Het foute signaal. De verkeerde prikkels. Land van diepe droefenis. ‘Een wolkenkrabber op de savanne’ als de nalatenschap van veertig jaar correspondentschap in Afrika van Koert Lindijer. Ik kan het boek niet dicht op de salontafel laten liggen. Ik wil lezen en nog eens lezen. Een onverbloemd portret van een regio die zich met vallen en opstaan aan de westerse dominantie ontworstelt. En wat te zeggen van (eveneens non-fictie) ‘De tolk van Kabul’ van Matthieu Aikins, een Canadese journalist die een jonge Afghaanse tolk undercover vergezelt op zijn vlucht naar de vrijheid. Een pageturner, schrijft Het Parool, over een van de grootste humanitaire vraagstukken van deze tijd. Een Afghaan, een Canadees, een vriendschap en een vlucht. Ontroerend mooi. De keiharde werkelijkheid waarin we leven. Was hier niet laatst de lieve Mais met haar opa en oma op bezoek, zeven jaar nu, en vanuit Koerdisch-Syrië alleen (!!!) als vluchtelinge in Nederland gearriveerd toen ze nog maar drie was. Ze is een boek waard dat ik misschien ooit nog eens ga schrijven. De verhalen van Diana, Helin, Mais, en dan hebben wij geen tijd voor diepzinnige bezonkenheid, een deel van het onderwijspersoneel zelfs al niet.

Zou het nu echt zoveel moeite zijn om leerlingen van het middelbaar onderwijs over bijvoorbeeld ‘De tolk van Kabul’ een paar bladzijden te laten lezen? Een hoofdstuk bijvoorbeeld. Dat is zonde van de tijd. Ach ja, dat was ik vergeten. Ik was vergeten dat lezen, en zeker lezen over actuele thema’s, tijdverspilling is. Zelfs onderwijzers en onderwijzeressen in het middelbaar onderwijs in Nederland hoor ik dit nu al zeggen. Kabul? Waar ligt dat eigenlijk? Afghanen? Vluchtelingenprobleem? Afrika? Dat is toch Tanzania en olifanten? Idi Amin en Mobutu? Da’s te ingewikkeld. Mijn Paasboodschap is van een ongelofelijke eenvoud. Terug naar het onderwijs van de nonnen. Terug naar het onderwijs van de missionarissen en de zendelingen. Arme Vestdijk, Mulisch, Van Dis, Hosseini, Lindijer, Aikins en al die vele anderen. We gooien liever met een aansteker naar een voetballer van Ajax. Joden, joden, joden aan het gas? Wat zijn dat eigenlijk, joden?

****

Las net je nieuwe blog Johan. Ja, van zulke onbenullen in ons onderwijs schrik ik ook. Eén op de drie te belazerd om te lezen. Helaas zijn de nonnen ‘op’. We importeren ze nu uit Zuid-Amerika en Afrika. Om de lege kerk nog een beetje te vullen. Fijne Paasdagen. Tot gauw. We prikken een dag voor volgende week. Jan van den Heuvel.

Helemaal mee eens Johan , wat een treurigheid en armoede! Was vanmiddag in de wachtkamer van de tandarts. De krant bleef liggen. Allen druk met het mobieltje. Overigens onlangs op het nieuws;  “De jeugd heeft financiële problemen, dat geeft hen stress “. Moet je de bezetting van de vele terrassen, en dat alle dagen van de week, eens zien… Goed Paasweekend, Charles.

Zo mee eens Johan, verschrikkelijk. Spijker op z’n kop. Fijne Paasdagen met Helin in Limburg. Leuk voor d’r. Lieve groeten, ook van John natuurlijk, Wietske.

Een paasweekend met herinneringen aan de plekken in Zuid-Limburg die over een lange reeks van jaren met Ellen werden bezocht. En dat waren er heel veel. Zoals Kasteel Vaalsbroek. We waren er meerdere keren. Met Oudjaarsavond 2011 bijvoorbeeld. Stof voor een volgend blog wellicht.

In gewonde samenlevingen lachen de tanden maar zwijgen de harten. Magistraal werk correspondent Afrika

Niets tegen een negen tot vijf baan natuurlijk. Die moeten er ook zijn. Niets tegen van negen tot vijf, als de uitoefenaar maar niet vanaf drie ’s middags zijn tas al heeft ingepakt en voortdurend op de klok kijkt om naar huis te gaan. Kom nog maar net uit het universum van de zorginstanties. Als mantelzorger werd je er stapelgek van. Telefonische bereikbaarheid een drama. Gezegend een Koert Lindijer met veertig jaar correspondentschap in Afrika waarover kortelings zijn boek ‘Een wolkenkrabber op de Savanne’ verscheen. Een magistraal boek over Afrika, zeg ik journaliste Caroline de Gruyter volmondig na. Correspondenten hebben nooit rust. Ze gunnen zichzelf geen rust. Ze reizen en ze trekken. Gehijg van hun opdrachtgever(s) in hun nek. Waar blijft het artikel? ‘Oh, sta je op een bergpaadje met om de hoek rebellen met vuurwapens en kapmessen? Doe dan maar even voorzichtig.’ Correspondenten, ze onderschatten nogal eens de gevaren waaraan zij zich met hun nieuwshonger wagen. De euforie van scoren.

‘Een wolkenkrabber op de savanne’ is een meesterwerk. De bundel gaat ook over óns, recenseert Caroline de Gruyter, en inderdaad: de terugblik op veertig jaar Afrika brengt de mondaine, bijna liederlijk verwende mens in de rijke westerse wereld met een diepe zucht voor zijn eigen spiegel. Dit kan niet waar zijn, denk je bij het lezen van Koert Lindijer onwillekeurig, maar het is wel degelijk waar. Rwanda bijvoorbeeld, Congo ook. Lindijer zag de meest verschrikkelijke verschrikkingen. Dit kan alleen maar een baan zijn voor iemand die zijn verstand is verloren, zal menig buitenstaander zeggen. De luie ambtenaar bijvoorbeeld die tegen mantelzorgers zo graag zei dat hij ergens helaas nog niet aan toegekomen was. Correspondenten, altijd op pad, altijd bezig met het volgende verhaal. Ver van huis en improviseren. Of thuis en de hele dag telefoon van een ongedurige redactie in Amsterdam of Rotterdam. Je moet dus een gaatje in je hoofd hebben. Misschien is dat ook nog wel een beetje waar. Eritrea, Ethiopië, Soedan, Oeganda, Rwanda, Kenia en zo kunnen we nog even doorgaan. Van je hobby je werk maken en van je werk een bestaan dat met een zijden draadje boven het ravijn bungelt.

Ik pak er een passage bij. ‘Bij slachtoffers en daders raast de oorlog altijd door in hun hoofd. De emoties in en na een oorlog zijn zó extreem. De winnaar voelt zich euforisch en heldhaftig. De gewone burger die het geweld over zich heen krijgt, blijft echter heel lang bang en wordt schrikachtig. Kampala (Oeganda) begon weer een beetje op een gewone stad te lijken, maar viel er ergens een verdwaald schot dan doken mensen schichtig weg. Oegandezen wilden mij als Nederlandse correspondent voor NRC en NOS best hun verhalen vertellen, heel feitelijk, over hun martelingen, over moord op vrienden en verkrachting van familieleden. Onderkoeld leken ze daarbij. Tot ze onverhoeds wegzonken in gedachten, gingen trillen en zweten. Ze werden opgeslokt door eenzaamheid. In gewonde samenlevingen lachen de tanden maar zwijgen de harten.’ Lindijer kwam in zijn correspondentschap tienduizenden zwijgende harten tegen. Zelf maak ik ook iets mee van hoe de brute kracht van oorlog de slachtoffers impregneert.

Diepe buiging voor de correspondent Koert Lindijer die zijn werk en leven zocht in een eigenlijk onmogelijk continent. Het continent van Idi Amin, van Obote en Okello, van Moi en Biwott, Mobutu, en van andere bloeddorstige oorlogshitsers met hoogmoedswaan en zonder enig politiek kompas. Lindijer schrijft er indringend over. Het continent van geweld en genocide. Van bloedsporen waar je ook maar keek. Van zelfvernietiging. Maar tegelijkertijd het continent van de Deense schrijfster Karen Blixen die een koffieplantage opzette en in 1937 haar memoires schreef onder de titel ‘Op een farm in Afrika’. Bijna een halve eeuw later de verfilming ervan door regisseur Sydney Pollack met hoofdrollen voor Meryl Streep en Robert Redford. ‘Out of Africa, opgenomen in Kenia, de herinnering aan die film bezorgt me nu weer kippenvel. De filmmuziek van ‘Out of Africa’ – gebaseerd op Mozart – durfde ik niet op de uitvaart van Ellen ten gehore te brengen uit vrees voor breken. Zelfs nu laat ik het achterwege. Het is allemaal van een ontroerende romantische schoonheid. Maar Koert Lindijer stipt nog eens ragfijn aan hoe beledigd de zwarte bevolking van Afrika was met de kaskrakers over het Afrika van zeg maar Prins Bernhard – ook zo’n lekker dier – die zich in Tanzania en elders graag liet fotograferen. Olifanten en ivoor. Leopold II van België, slechter dan slecht. Uitbuiting. Slavernij. Rechteloosheid. ‘Out of Afrika’. Karen Blixen was er één van dedain. En verheven, ver verheven, boven de geboren Afrikanen. En zij als witte niet alleen. Ik las over de moeder van Roger Whittaker. Racisme in alle vezels.

Ellen, lieve Ellen, wat waren wij onder de indruk die voorjaars zaterdagavond in 1984 in de bioscoop van Amsterdam-West. Wat een romantiek. Wat een schitterend script. Wat een fantastische filmmuziek. De tranen stonden in je ogen van ontroering. Die beelden! The Lion King ook. Ook zo’n voorbeeld van hoe Afrika te kon drogeren. Maar het waren de witten, hele generaties witten, die voor een bedrieglijke beeldvorming zorgden van het Afrikaanse continent. Dit was óók Afrika, maar niet meer dan dat. Dit Afrika was slechts voor weinigen weggelegd. ‘De wolkenkrabber op de savanne’ is bewogen, meeslepend en kleurrijk als portret van de regio, en bovendien van de auteur zelf die in 1973 voor het eerst Nairobi aandeed. Je raakt niet uitgelezen in dit meesterwerk. Nee, geen negen tot vijf baan. Hij ging en oogstte. Hij ging op zoek naar het verhaal. Hij zocht de ziel. Altijd maar bezig met zijn vak met een onuitputtelijk uithoudingsvermogen. Maar vond ook een Afrikaanse vrouw, trouwde en kreeg kinderen. In gewonde en verwonde samenlevingen lachen de tanden maar zwijgen de harten. Een topprestatie vervat in een boek.

Geweld hoorde bij mijn werk, daar had ik geen problemen mee, oorlogsverslaggeving buiten Kenia deerde me niet. Maar in eigen land voelde het anders. Ik moest me daar veilig wanen. De steeds maar groeiende onrust in Kenia noopte me tot verslaggeving over rellen, over beschietingen met traangas, en over arrestaties. Dat maakte me kwetsbaar. Op een keer versloeg ik met twintig Keniaanse collega’s een illegale massabijeenkomst tegen president Moi in een arm deel van Nairobi. Zo’n tien soldaten omsingelden mijn Land Rover en hoewel we ons identificeerden als journalisten voerden ze ons af naar het hoofdbureau van de geheime dienst. Daar vertelden ze dat journalisten tot bloedens toe in elkaar geslagen werden. Steeds meer knaagde de vraag aan mij hoe ik in deze politieke turbulentie kon blijven werken en hoe ik kon blijven wonen in mijn moederland Kenia.’

PS.

Af en toe volg ik nog het nieuws. Wat zouden de Hagenezen Koot & Bie van Rutte en consorten gehakt hebben gemaakt met hun ongeëvenaarde satire! Is er ooit zulke goeie televisie gemaakt, vraag je je nu af? De dood van Wim de Bie is geen verrassing. Hij was al jaren ernstig ziek. Begonnen met parkinson. Net als Ellen. Ik ken het proces, of beter: ik denk het te kennen. Ook vanuit de ervaringen in Lückerheide in Kerkrade/ Chèvremont waar ze zogezegd in parkinson zijn gespecialiseerd.. Bie was een icoon. Bie was een held met zijn teksten en typetjes en alles wat je je maar aan creativiteit kunt voorstellen. Keek op de Week, Juinen, De Klisjeemannetjes, De Tegenpartij. Hij speelde Mémien Holboog, Dirk, Hekking, professor Akkermans en Cor van der Laak. Als je uit het raam keek zag je die types lopen, ze bestonden echt. De grandioze Wim de Bie die dertig jaar geleden al voor Caroline van der Plas speelde. Met BBB als de Tegenpartij. Een blogger ook avant la lettre. Begonnen op het Dalton Lyceum in De Haag. Het Simplistisch Verbond. Kees van Kooten. De beste televisie denkbaar. Baanbrekend. Helaas eigent Bekend Nederland zich alweer Wim de Bie toe. Zo kenmerkend. Zo kenmerkend voor die ranzige wereld die nu ‘in shock’ is, maar die misschien wel nooit meer van zich liet horen toen Bie de glorieuze Bie niet meer was. Eendagsvlinders verlieten de icoon. B-artiesten dringen zich nu op het podium. Ze zijn in shock. Ze huilen de hele dag. Ze slaan deze Paasdagen over. Ach gut o gut. Heeft het ziekteproces vanuit parkinson van Ellen me zo kritisch gemaakt? Ik weet het niet. Wel weet ik dat ik het met haar dood moeilijker heb dan enkele maanden geleden. En toen al had ik het moeilijk. Slecht slapen, geen eetlust en energieverlies. Zou zo graag wat in de tuin doen, maar voor wie, voor wat? We gaan de maand in van haar dood vorig jaar. Ik haat de zomertijd, de dagen duren me te lang. De ziekte van Parkinson was voor Ellen en mij een lijdensweg. We voelden ons ook vaak in de steek gelaten en niet begrepen. Later die krokodillentranen. Bekende Nederlanders lijken die uitgevonden te hebben. Zoals met Bie. Scoren, jezelf in het nieuws brengen, ten koste van Wim de Bie. Met parkinson ga je de weg alleen met enkele zeer dierbaren naar het onvermijdelijke. BN’ers ….. We hebben al genoeg met de middelmaat te stellen. Al wil ik Tony Eijck, schrijf ik zijn naam goed?, geen middelmaat noemen. Maar toch. Wim de Bie had pech, net als Ellen, en net als Rob de Nijs, en als zoveel anderen. Het proces van aftakeling twaalf jaar lang dagelijks meegemaakt, dus enig idee van hoe het Wim de Bie vergaan is en zijn wereld kleiner en kleiner werd. In shock? De clichétaal van opdringerige buitenstaanders. In shock? Haast wel zeker niet de familie. Die is misschien verdrietig opgelucht dat aan een lijdenweg een einde kwam.

De herinnering leeft voort. Als ze maar in mijn nabijheid was. De herinnering aan Ellen gaat ook terug naar Fawlty Towers in Noordwijk aan Zee

Ze zou vandaag jarig zijn geweest.
Leven op de herinnering. Op de vele herinneringen. Wat zou ik weer ontzettend graag voor haar willen zorgen. Dag en nacht. Kon dat maar. Kon ik maar toveren. Mijn prinses. Mijn koningin. Ze zou jarig zijn geweest, vandaag, 10 maart. Voor het eerst in veertig jaar een verjaardag zonder haar. Het sneeuwde. Kan me geen verjaardag van Ellen heugen met sneeuw. Nu dus wel. In en om het huis daarmee een extra bijzondere sfeer. Niet alleen verstrooiing van haar as in De Panne, op landgoed Bronbeek, trouwkasteel Haarzuilens, en ook zoals eerder in het Drentse Gasselte, maar tevens – op haar geboortedag – in haar eigen achtertuin. Halverwege waar tot enkele maanden geleden nog een blauwspar torende. Die was met kerst 2016 gekocht toen Ellen de verpleeghuisepisode achter zich had gelaten.
De blauwspar symboliseerde de kracht en de wil tot leven. Maar moest er uiteindelijk toch aan geloven. Leven op de herinnering. Op de vele herinneringen. Vrijdagmiddag 10 maart 2023 om 17.00 uur. Even de tuin in voor Ellen. Naar de plek waar die levenslustige blauwspar stond welke intussen is vervangen door twee kleinere exemplaren. Na de korte plechtigheid, heel ongedwongen in feite, een goed glas wijn, een toost op het leven en het licht, en een maaltijd waarmee deze blogschrijver hopelijk heeft afgerekend met het fabeltje als zou hij niet kunnen koken. Het recept? De eerste maaltijd die Ellen en ik voorgeschoteld kregen in het krankzinnig gezellige hotel Edelman, van de vrolijk geschifte baas Arie Edelman, die uit de verzekeringswereld kwam, op de Astridboulevard van Noordwijk aan Zee.
Arie maakte van zijn hotel een Fawlty Towers gebeuren en het liep er storm. Jong en oud. Duitsers, die vooral, lieten zich in de maling nemen, en je vroeg je af: wat is dat voor een volk. Arie was een touringcar met Duitse gepensioneerden vergeten, de bedden nog niet opgemaakt, de kamers verre van klaar, en om tijd te winnen liet hij de bejaarde oosterburen onder aanvoering van zijn assistente, een soort dansmarieke, met hun koffers over het strand naar de vloedlijn van de Noordzee zeulen en weer terug. Ze gaven geen kik. Verder dan die vloedlijn kwamen ze destijds óók al niet, ik zal het ze inpeperen, kraaide Arie Edelman, niet toevallig ook prins carnaval in Noordwijk. Leven op de herinnering. Op de vele herinneringen.
Onder het hoofdgerecht ’s avonds wilde Arie nog wel eens goochelen met een hoge hoed en daarin de horloges van zijn vrouwelijke hotelgasten. Niet zelden raakte er een horloge zoek. Waarbij niet moet worden verondersteld dat de hotelbaas een dief was. Hij kon gewoonweg niet goochelen, of misschien wel té goed. We kwamen er veel in de vroege jaren negentig. Leven op de herinnering. Die eerste maaltijd bij Arie Edelman en zijn assistente die met haar arm in het gips zat, en twee jaar later nog steeds. Hoorde dat ook bij alle acts die er in het hotel werden opgevoerd? Het was gissen en speculeren op dit stukje Noordzee. En ja, die eerste maaltijd bij Arie Edelman: toeval of niet, het sneeuwde toen ook. Het was koud aan zee. Ook een vrijdag. We kwamen van ons werk. Het strand veranderd in een wit tapijt. De open haard was aan. Arie bracht pasta op tafel met een saus van garnalen, krab, dobbelsteentjes spek, gefruite uien en knoflook en avocado. Natuurlijk de crème fraiche niet vergeten. Vrijdag 10 maart 2023: het eerste diner met Ellen in hotel Edelman op de Astrid Boulevard in Noordwijk aan Zee nagebootst. Het hotel is er niet meer. Net als Ellen. Maar de herinnering leeft voort. De herinnering trekt sporen door de wulpse sneeuw.
Helin en Wil, ook zij beleven bijzondere momenten. Dank aan Jan van den Heuvel voor de foto’s.

Herinneringen werden opgehaald aan zware maar tegelijkertijd ook mooie jaren met de zieke Ellen. Zoals door Diana. Helin vertelde van een journalist uit Koeweit van wie ze een filmpje had bekeken. Hetzelfde verhaal als het onze. De journalist uit Koeweit (82) had nog langer voor zijn vrouw gezorgd: twintig jaar. Ook hij had erover geschreven. Boeken. Boeken over de Liefde van zijn Leven. De Koeweiti: ‘Ik was het verwende kind van mijn vrouw. Ik was haar alles. Zoals zij mijn alles was. Ik ben niet trots op wat ik al die jaren voor mijn vrouw heb gedaan. Het voelde als een vanzelfsprekendheid, een vanzelfsprekende verplichting, en meer dan dat, het hoorde zo vanuit het hart. Ik deed het gewoon, uit liefde. Ik hield van mijn vrouw, ik had niet zoveel meer nodig dan schrijven en mijn vrouw. Als ik aan het schrijven was dan was alleen al de aanwezigheid van mijn vrouw voor mij genoeg. Zij in mijn nabijheid.’

Johan, wat een prachtige en waardige middag en wat een fantastische avond met jouw kookkunst. Heerlijke maaltijd. Gezellige gesprekken en veel gelachen. Om nooit meer te vergeten. Jan van den Heuvel.

De vlucht in de ontkenning. Fontys: veel woorden nodig om niks te zeggen

In antwoord op mijn oud-collega van Fontys:

Hoe onderwijs niet georkestreerd wordt door de werkelijkheid, en de eisen van die werkelijkheid, zoals het natuurlijk zou moeten, zoals het zou behoren, maar door de perceptie van de werkelijkheid zoals die werkelijkheid in het werkveld zou bestaan. De nadruk op ZOU, in het werkveld ZOU bestaan. De vernielers in onderwijsland. Het almaar voortwoekerende afbraakproces geleid door cowboys. Onderwijs is geen uitprobeersel. Desondanks wordt er godbetert maar raak geëxperimenteerd in de schoolgebouwen. Of je nu manager bent in een kippenslachterij, een kozijnenfabriek of een onderwijsinstelling, wat maakt het uit. Wie kritiek uit is natuurlijk ouderwets en negatief. Advies, denk goed na alvorens je zoon of dochter naar een hbo-instelling van het zuidelijke Fontys te sturen. Of het moet de faculteit Circus zijn. ja die bestaat écht. De HILL methode, met ‘de student primair eigenaar van zijn eigen leerproces’, aldus de hoogste pief van Fontys in een wolk van meel.

Ik nam ook bij Fontys-Journalistiek ooit examens af. Het competentiegerichte rugzakjes onderwijs, dat we in de maag gesplist kregen, zat vol verrassingen. Kwam er eens een meisje met een afstudeerproductie in haar portfolio aanzetten waarin het wemelde van de taal- en constructiefouten. Het was een ratjetoe. Die konden we dus niet laten slagen. Geen diploma nochtans. De collega die naast me zat was het er roerend mee eens. We namen nog maar eens een pepermuntje. Het meisje riep de hulp in van de directeur, mentor, tutor, pastoor en wie allemaal niet. We hadden haar ten onrechte laten zakken. Want voor de taal en de uitdrukkingsvaardigheid op papier was ze volgens de normen van het competentiegerichte onderwijssysteem al volledig competent bevonden. Dat was al veel eerder afgevinkt. De wereld lag aan haar voeten. Blijkens het portfolio was mevrouw taalcompetent. De rode loper naar de media lag al uit. Dus kon ze met haar verdere teksten aanknoeien zoveel ze wilde, knoeperds van dt- en stijlfouten produceren, ze kon daar niet op worden ‘afgerekend’. Het eindexamen dus een wassen neus. Ik verloor de slag. Ik had het competentiegerichte rugzakjes onderwijs niet goed begrepen. Het meisje huppelde vrolijk met een diplomaatje in Tilburg de Prof. Gimbrèrelaan uit op weg naar de dichtst bij zijnde bushalte. Ellen kreeg een chagrijnige echtgenoot thuis.

Ja lieve Ellen, jij had met dat competentiegerichte gedoe niet altijd een gezellige man in huis. Het vrat aan me. Ik wist hoe Het Parool van mij een bovengemiddeld goede journalist had gemaakt en die aanpak stond ver af van het competentiegerichte afvinken. De onderwijsvernieuwers zaten aan mijn vak. Ze zaten aan mijn ambacht. Ze zaten aan mijn arbeidsverleden en mijn identiteit. Het waren in feite steeds platvloerse bezuinigingsrondes in het onderwijs. Marktgerichte escapades waarmee door al dan niet obscure netwerkers kaviaar werd verdiend. En nu is het weer raak bij Fontys. Heel goed dat de Volkskrant er zijn tanden in zet. Het lijkt bij Fontys nog beroerde dan toen ik er vertrok. Ik had via via al zoiets vernomen. Onderwijs is geen uitprobeersel !!! Studenten verdienen het klassieke onderwijs. Fysiek onderwijs noemen we dat. Daarmee valt ook vast te stellen uit welk hout de student gesneden is.

Afstuderen aan een hbo met veel te weinig kennis en vaardigheden. Het Nieuwe Leren !!! En het nóg nieuwere Nieuwe Leren!!! De trompet. De symfonie. Patsers met een vette portefeuille. In het Nederlandse onderwijs maken hun eigen zakken vullende bestuurders en managers, inhalige en naar harte lust netwerkende adviseurs, valse onderwijsprofeten en al evenzeer dik betaalde ideologen de dienst uit. Nog steeds. Waar blijft ons geld ???!!! Naar die elkaar de bal toespelende apostelen van rapport op rapport, niet naar de studenten. Hele generaties zijn er al de dupe van geworden. Ik kan me je boosheid, waarde oud-collega, over het verkwanselen van het onderwijs bij Fontys heel goed voorstellen. Dat gebeurt al twintig jaar. Welk een dedain en onbesuisdheid om de klassieke hoorcolleges te schrappen. Je zou de student eens van kennis voorzien, en van vaardigheden. Ruim 34 jaar gewerkt bij Journalistiek, jij, en moeten aanzien dat de boel volledig naar de knoppen is gegaan – erger je maar niet aan die padvinderij bij Fontys.

Ik zag het in mijn jaren bij Fontys al betreurenswaardig bergafwaarts gaan. Die bestuursvoorzitter Joepie Houterman zwetst over een belangrijke maatschappelijke opdracht die hij met zijn onderwijsgroothandel te vervullen heeft. En ergens verderop in zijn verhaal verzekert hij ons dat de studenten in contact zijn met docenten. Maar wat is daarvan de nieuwswaarde als het om een school gaat? Hooguit moet je hier misschien wel uit afleiden dat àls hij dat zo benadrukt, de studenten en docenten geen of heel weinig (!!!) contact met elkaar hebben. Het is compleet carnaval en kermis in het hoofd van Joepie de bestuursvoorzitter. Geen hoorcolleges meer, uitgedacht door iemand met een strafblad, ook dat nog, je verstand staat er bij stil. Het nieuwste Nieuwe Leren. Hoorcolleges zijn behalve kennisoverdracht ook tests in concentratie en luisteren en registreren.

In antwoord op jouw mail over het artikel in de Volkskrant aangaande alle rumoer bij onze oud-werkgever Fontys: Onderwijsvernieuwing is werkgelegenheid voor mislukte lesgevers, zei Ellen ooit eens. Prachtige zin hè! Het is nog waar ook. Ai! Als je voor de klas niet meekan, dan nog altijd wél aan de tekentafel. Ik heb hier zicht op het boek van onderwijsgoeroe Leon de Wolff. Die prietpraat! Hij gaf ook eens een presentatie bij ons op de hbo-instelling. Kort, korter, kortst. De lezer had geen tijd meer om te lezen. En dat hij geen zin had kwam niet door hem maar door ons, door ons schrijvers. We waren te uitleggerig. En daarom moest het zo kort mogelijk. Ik parafraseer, maar zo was het wel. Alles moest anders. Sneller en oppervlakkiger, maakte ik eruit op. De maatschappij vroeg om tempo en staccato. In een analyse vloog de ene na de andere zin eruit. Kort, korter, kortst. Het eind van het liedje was dat er niks meer overbleef en het geen analyse meer was. Maar inderdaad: het was een kort stukkie geworden. Handzaam, heette dat. Het was hoogzomer en uit walging en protest zaten we met een paar in korte broek en in hemdsmouwen naar die malle Leon te luisteren. De Wolff was hot zogezegd en verdiende een dik belegde boterham met zijn evangelie. Hij was hot bij directies en raden van bestuur. Na hem beleefden we een nieuwe onderwijsvernieuwing, want de blijde boodschap van Leon deugde toch niet geheel en al, en daarna een nog nieuwere onderwijsvernieuwing, en nog één. Wedden dat Fontys bezig is de pas ingevoerde duizendste onderwijsvernieuwing weer te vernieuwen?! Studenten vluchten voor beter onderwijs tegenwoordig naar België of Duitsland. Onze gesjeesde lesgevers aan de tekentafel begrijpen daar niks van. Bestuursvoorzitters al helemaal niet.

Fontys het neusje van de zalm in onderwijsland. Jaja. Een voorbeeld voor onze omringende landen, voor de gehele EU welhaast, en dan zo’n onrechtvaardig en woest artikel in de Volkskrant…. Als voorzitter van het college van bestuur van het edele merk Fontys zou ik studenten en medewerkers verbieden om nog langer met een Volkskrant onder de arm één van de schoolgebouwen te betreden. Probleem is alleen dat de locaties veelal leeg staan en gedurende de dag leeg blijven, als ik de info van insiders goed begrepen heb. In elk geval die van Journalistiek en Communicatie. Er wordt, afgaande op de berichten van ingewijden, weinig lesgegeven. Dus ja, en dan kun je eigenlijk niet eens spreken van slecht onderwijs. Word ik cynisch? Ja, ik word cynisch als het om Fontys gaat. Ik heb op het laatst in Tilburg enkele kostbare jaren van mijn arbeidzaam leven verspeeld. Aan Fontys terugdenken kan alleen maar met binnen handbereik een boek van bijvoorbeeld de zotte Vlaming Herman Brusselmans die tot lachsalvo’s verleidt. Ik gaf destijds voorlichtingsbijeenkomsten aan adspirant-studenten en hun ouders en kreeg het verzoek niet al te zeer te hameren op de hoge eisen die het vak van journalist aan verslaggevers en redacteuren stelde. Het moest vooral leuk. Voor de centen moesten er zoveel mogelijk eerstejaars worden binnen geharkt. Geld, geld geld. In de verkeerde portemonnee.

Op je nuchtere maag Jan! Hoorcolleges in Tilburg afgeschaft? Docenten die niet meer doceren? Hooguit nog feedbackgevers? En dan nog op afroep? Hier staat je verstand bij stil! Belangenverstrengeling bij Fontys met het gevolg van een excellente beoordeling? De bedenker van de huidige ongein een Belg met een veroordeling wegens verkrachting van een studente? Heb ik dat goed? Ik plukte zo-even van internet een ontroerende reactie van het ‘gemaltraiteerde’ hoofdbestuur van Fontys op dagblad de Volkskrant dat het had bestaan de kwaliteit van deze ‘geweldige onderwijsonderneming’ in twijfel te trekken. ‘Helaas blijven veel perspectieven onderbelicht’, huilt de gekneusde bestuursvoorzitter van Fontys. Het is allemaal heel eenzijdig gebracht, jankt hij de bekende riedel van iemand die publiekelijk in de hoek wordt gezet. De critici hebben het, als zo vaak, weer niet goed begrepen. De bestuursvoorzitter had het artikel zo graag zelf geschreven. Wat ik eruit opmaak  is dat Fontys zijn tijd ver vooruit is; en ja zieners en helden worden zelden geëerd in eigen land. Een student is zijn eigen docent…. Die liturgie. De student geeft zelf aan wanneer het tijd is voor een diploma. Dat competentiegerichte onderwijs met portfolio en al die andere flauwekul, het zit me nog steeds verschrikkelijk hoog, en dat terwijl het alweer acht jaar geleden is dat ik bij Journalistiek van Fontys vertrok. Om nog meer voor Ellen te kunnen gaan zorgen, toegegeven, maar zou ik aan de Prof. Gimbrèrelaan in Tilburg gebleven zijn als ze nog gezond was geweest? Ik denk het niet. Het verschil met de opzet van de postdoctorale opleiding journalistiek aan de Erasmus in Rotterdam werd bij Fontys groter en groter.

Praten over journalistiek is nog niet het handwerk beheersen. Journalistiek, een mooi voorbeeld, is niet in kleine groepjes met lego spelen en een docent die verderop met een breiwerkje in een hoekje wacht totdat ie gevraagd wordt er even bij te komen. Journalistiek is oefenen, oefenen en nog eens oefenen. Slijpen, en almaar slijpen. Docenten die over de schouder van hun studenten mee kijken. Luisteren naar een ervaren docent in volle collegezalen ook. Pennen die over het papier razen om alle informatie van kenners op te slurpen. Goeie studenten, ook op het hbo, willen niet voor studentje spelen maar student zijn! Ze willen zich student voelen en dat betekent dat ze serieus genomen willen worden. Geen gefröbel. Op de PDOJ van de Erasmus in Rotterdam leerden de studenten in een halfjaar meer dan de studenten van de Fontys Hogeschool Journalistiek in vier jaar. Zeker vanaf de invoering van het competentiegerichte systeem waarin ze ook zelf min of meer voor docent speelden. Het lesbord belandde bij de antiquair. Het krijtje ook.

Maar weer even terug naar de bestuursvoorzitter. Je hoort hem  niet over lege leslokalen en gangen waar je een kanon kunt afschieten zonder een student of docent te raken, hooguit slechts de conciërge. Je hoort de bestuursvoorzitter niet over het experimenteren steeds maar weer met nieuwe onderwijssystemen waar studenten en docenten in de aanloopfase op een gruwelijke wijze het slachtoffer van zijn. De onrust. De onzekerheid. Weggooien wat er was opgebouwd. Je hoort de man niet over schele hoofdpijn bij docenten en studenten met steeds maar weer het wiel uitvinden. Misschien is ook wel het probleem dat 45.000 studenten over de gehele organisatie genomen toch aan de té royale kant is. Dat valt niet meer te managen. Fabriekswerk. De vermarkting. Vier kabinetten Rutte. En 5000 medewerkers? Uiterlijk vertoon, het maakt geen indruk op mij. Ik lees weinig over hun kwaliteiten, hun kennis van de praktijk en hun bevlogenheid. Ach ja, en zo sukkelen we door en strooien we onszelf zand in de ogen. Die maatschappelijke opdracht, waar deze hooggeleerde heer het over heeft, is geblaat met meel in de mond. Het gaat om wat er op de werkvloer gebeurt en wat je ziet. Niet om de zelfgenoegzaamheid van de bestuurskamer. Niet lullen maar poetsen, zeggen ze in Rotterdam. Dat artikel in de Volkskrant is een ongelofelijke blamage voor Fontys. En daar kun je dan wel een draai aan proberen te geven, het maakt het alleen nog maar erger. Ik zie het niet als een trap na van oud-medewerkers en oud-studenten maar als een vingerwijzing naar verzakende onderwijsmanagers van de tekentafel. Ik keek destijds mijn ogen uit bij Fontys, het was geen aangename ervaring, het deed me zeer aan de ogen. Zet nu onder het schrijven maar vast mijn zonnebril op.

Mensen helpen hun talent te ontwikkelen voor een betekenisvolle bijdrage aan de samenleving van morgen…. Met lege leslokalen en dito gangen ???? Met onduidelijkheid over de koers ???? Met onnavolgbare volzinnen over waar Fontys wel of niet voor staat ????  Het is niet meer dan foldertaal, reclametekst. Het is blabla. En ook niet meer dan dat. De bestuursvoorzitter zal wel even zeggen, blijkens zijn reactie hieronder, hoe de Volkskrant zijn verhaal had moeten schrijven. Hij beticht de Volkskrant van feitelijke onjuistheden, maar geeft niet één voorbeeld. Welk belang heeft de Volkskracht trouwens met feitelijke onjuistheden?! Mag de krant op zijn eigen kompas varen? De krant is geen lakei, bestuursvoorzitter! Het gaat niet goed in uw organisatie, anders zouden niet zoveel mensen opstappen. Maar, meneer de bestuursvoorzitter, gaat u door met het enthousiasme en de betrokkenheid die de Fontys-gemeenschap kenmerken. Ik geloof er geen fluit van.

Ook ik heb als oud-medewerker slechte ervaringen met Fontys.  Hele slechte zelfs. De onderwijsinspectie had er aan te pas mogen komen. Bij Fontys-Journalistiek liepen veel te weinig docenten rond die uit het vak zelf kwamen en die met hun poten in het journalistieke bluswater hadden gestaan. Ze waren er nauwelijks. Docenten met 0 journalistieke achtergrond keken werk van studenten na met een spiekbriefje. Het betrof dan bij de propedeuse het onderdeel nieuwsbericht. Je zult daar maar je zoon of dochter aan toevertrouwen, dacht ik dan. We hadden met de derdejaars een schitterend project Krant. Het was een soort Ambachtsschool voor jongens en meisjes die stonden te trappelen om bij een dagblad te gaan werken. En ze kwamen er ook. De reputatie van project Krant was dusdanig dat NRC, de Volkskrant, Trouw en noem verder maar op graag studenten van ons een stageplek boden. Ik overdrijf niet als ik zeg dat NRC bij ons aanklopte als er nog een extra stageplek te vergeven was. De chef eindredactie en stagecoördinator destijds van NRC, Hans Wammes, noemde project Krant in Tilburg de beste in zijn soort, buitengewoon scherp toegesneden op de praktijk. Ineens moest alles anders. De gehele opzet van project Krant werd door de leiding van Fontys Hogeschool Journalistiek in heel zijn bizarre wijsheid naar de prullenbak verwezen. Liefdeloos.  De docenten bleven met frustratie achter.

In die tijd van plotselinge verandering zat ik eens in Drenthe in de wachtkamer van een crematorium. Ik werd er aangesproken door een andere bezoeker. Ik was toch docent op een hbo ergens elders in Nederland?! Of ik kon verklaren waarom zijn zoon nauwelijks meer naar zijn hbo-opleiding in Zwolle hoefde en met een onnavolgbare rugzakjes onderwijsvernieuwing voortdurend vreugdeloos thuis zat te hangen? Ik kon geen verklaring vinden. Ikzelf was als docent een afvinker geworden. Als een student ergens competent in was bevonden, kon hij verder aanknoeien wat hij wilde, hij bleef competent. Maar was je op de krant niet altijd net zo goed als je laatste productie? In Limburg liep ik een echtpaar tegen het lijf dat zijn dochter hoofdschuddend van een Nederlandse hbo had afgehaald en vlak over de grens op een Belgische school had gedaan. Daar werd nog ouderwets onderwijs door de nonnen gegeven, zogezegd. Die nonnen gaven je nog net niet met een lat een tik op de vingers als er iets niet deugde, maar voor het overige gold dat je in het zweet des aanschijns je diploma ging verdienen, of niet.

Het competentiegerichte onderwijs dreef docenten tot wanhoop die hun vak verstonden en fysiek onderwijs wilden geven. Niet het onderwijs als voorschot op de lockdown van de coronapandemie. Onderwijs is niet iets om mee te experimenteren en maar mee te blijven experimenteren. Ellen had er vroeger in het basisonderwijs ook veel last van. Onderwijsvernieuwingen werden meestal uitgedacht door lui die het voor de klas niet hadden kunnen maken en van armoe maar werden doorgeschoven en weggepromoveerd naar de gemeente of de overheid. En de meesters en juffen zaten met de brokken. Het vervelende aan onderwijsvernieuwingen is dat ze zelden tot iets goeds leiden. De beteren verlaten het onderwijs. Ze zien er geen been meer in. Het personeelstekort loopt op. En wie zijn de dupe? Wie vooral? Bij Fontys werd door sommige collega’s de competentiegerichte afstandelijkheid, want dat was het, les op afstand, te vuur en te zwaar verdedigd. Maar toen de grond ze te heet onder de voeten werd, kozen ze voor een andere baan. Buiten het onderwijs. Zogezegd als nieuwe uitdaging, een nieuwe stap in hun carrière. Het onderwijs hoorde nooit meer iets van ze. De betere docenten waren al voorgegaan.

Wat vooral ook duidelijk wordt uit de brief van de voorzitter van het college van bestuur van Fontys is dit: de afstand tussen hem en de docenten en studenten is veel te groot. Het is wollig allemaal. Veel woorden nodig om niks te zeggen. Het is als andere grote vraagstukken met het ruttelen, zoals dat inmiddels al wordt genoemd. De marktwerking, het wegkijken, de verbazing, het niet-weten, het ontbreken van contact tussen beleidsmakers en managers aan de ene kant en hun slachtoffers aan gene zijde. 

De reactie van de miskende bestuursvoorzitter………. Gelukkig vindt hij kritiek geoorloofd. Het zal me benieuwen hoe lang het nog duurt voordat deze bestuursvoorzitter ‘in goed overleg met de minister’ aan de kant geschoven wordt.

De Fontys-voorzitter:

Zaterdag 25 februari is er een artikel in de Volkskrant verschenen over onderwijsvernieuwing binnen Fontys. De inhoud én de manier waarop het stuk tot stand is gekomen, hebben ons onaangenaam verrast. De verslaggever citeert een aantal (oud-)medewerkers en (oud-)studenten die negatieve ervaringen hebben met ons onderwijs. Dat kan en dat mag. Wij staan open voor kritiek.  

Ons bezwaar is dat de Volkskrant onvoldoende hoor en wederhoor heeft gepleegd. Het ‘wederhoor’ is beperkt tot een interview met Arian Steenbruggen, zonder dat de krant openheid gaf over de rest van het artikel (en de daarin gebruikte citaten). Ook heeft de krant zich niet aan de belofte gehouden ook medewerkers of studenten met heel andere ervaringen te spreken; hierdoor blijven veel perspectieven helaas on(der)belicht. Het artikel geeft een eenzijdig beeld van Fontys waarin wij ons niet herkennen. Bovendien bevat het stuk een aantal feitelijke onjuistheden. In een reactie op het conceptartikel hebben we deze onjuistheden opgesomd en de krant gevraagd die recht te zetten. Helaas heeft de krant de onjuistheden slechts in beperkte mate willen corrigeren.   

Een uitnodiging van onze kant om zonder restricties met vele betrokkenen binnen en buiten Fontys te spreken over ons onderwijs is door de Volkskrant niet aangenomen. 

Fontys heeft een belangrijke maatschappelijke opdracht: het ontwikkelen van talent via onderwijs en onderzoek. We hebben ons onderwijs ingericht op basis van vijf wetenschappelijk onderbouwde ‘uitgangspunten voor leren’: iedereen wordt uitgedaagd zijn talent te ontdekken en ontplooien; leren vindt zoveel mogelijk plaats in authentieke leeromgeving; leren is samen kennis en vaardigheden opdoen, onderzoeken en ervaren; de student is primair eigenaar van zijn leerproces; en leren vindt plaats in een omgeving waar studeerbaarheid centraal staat.   

Binnen de kaders van deze uitgangspunten zijn onze instituten en opleidingen vrij in hun keuze voor een manier van leren. Zij beschikken over de benodigde onderwijskundige en inhoudelijke kennis; zij zijn in contact met studenten en werkveld. De zogenoemde HILL-methode, waar de kritiek van de geïnterviewden zich voornamelijk op toespitst, is een methode. Het is een van de methodes die binnen Fontys worden toegepast om de uitgangspunten van leren vorm te geven in de praktijk.  

De wereld om ons heen, de samenleving waarvoor wij het talent ontwikkelen, verandert razendsnel. Het aanpassen van ons onderwijs aan de ontwikkelingen in de buitenwereld (en aan nieuwe didactische inzichten) is een ingewikkeld vraagstuk. Het vraagt om veel, heel veel afstemming, een continue dialoog én om openstaan voor kritiek. Want eerlijk is eerlijk: niet alles gaat goed in een organisatie met 45.000 studenten en 5.000 medewerkers.  

Een artikel zoals nu in de Volkskrant staat, leidt vaak tot scherpere tegenstellingen. Dat betreuren wij. Hoe dan ook gaan wij verder met het enthousiasme en de betrokkenheid die de Fontys-gemeenschap kenmerken. We zijn trots op ons onderwijs. En blijven dat verder verbeteren. Zodat we onze maatschappelijke opdracht zo goed mogelijk uitvoeren: mensen helpen hun talent te ontwikkelen voor een betekenisvolle bijdrage aan de samenleving van morgen. 

Namens het college van bestuur van Fontys Hogeschool, 
Joep Houterman, voorzitter. 

****

Als een trouwe abonnee van de Volkskrant lees ik in verband met jouw oude werkgever ook over nauwe contacten met een veroordeelde verkrachter van een studente die het huidige onderwijssysteem zou hebben uitgedacht. Ook dat nog Johan! Spreeks weer en groet, Jan van Ewijk.

****

Johan, woedend kan ik over de hele gang van zaken bij Fontys worden, arme studenten…. Het erge is ook dat ik het allemaal heb zien gebeuren. Het moest anders, en zodra het anders was, moest het weer anders. Jan van den Heuvel.

****

Hallo Johan. Wat een afbraak, concludeer ik als voormalig onderwijskracht. Hier zou van overheidswege streng tegen opgetreden moeten worden. Halverwege dit verhaal moest ik even van het scherm weg om iets sterks voor mezelf in te schenken. Wat een afbraak, zei ik al. Ik heb met de studenten te doen. Lieve groet, Wil.

****

Goeie vriendin Elly leverde kritiek op wat ze in het verpleeghuis om zich heen zag misgaan ten koste van de bewoners. Elly is er nog één van de oude stempel. Ze kreeg te horen dat ze negatief was. Negatief… De slijmerds bij de leiding komen verder. De strategen die niet met hun vak bezig zijn en de normale eisen die het vak stelt doch met hun eigen belangen. De naar de mond praters. Een grijze mopperaar met haaruitval begin ik te worden. En Elly? Die stopt nog liever. Weer iemand met ervaring en kunde die er waarschijnlijk de brui aan geeft. In de zorg nog wel.

****

Uit de kleedkamer van Parool Sport. Ook zalf met geneeskracht, het schrijven van verhalen!

Het journalistieke is een reddende laag onder je leven. Daardoor overleef je altijd. Acteur en theatermaker Paul Haenen kan daar wel eens groot gelijk in hebben. Hij schreef zich door een moeilijke periode in zijn leven. Zijn dagboeken zijn uitgegeven. Schrijven, ervaar ikzelf, is als zalf met geneeskracht. Ook al blijft het litteken zichtbaar. Maar schrijven verzacht wel enigszins de pijn. Zoals de pijn om mijn muze Ellen. Met wie ik zo dolgraag andere pensioenjaren had doorgebracht. Gelukkig verstaan we de kunst de emoties in woorden uit te drukken. En ze bovendien van beelden te voorzien. Dat alles ook maakt het boek over de jubeljaren van Parool Sport, dat deze week uitkwam, zo ontzettend boeiend. ‘Uit de kleedkamer van Parool Sport; Een exclusief kijkje achter de schermen’, een bijbel zowat, verhaalt over Andere Tijden Sport, Andere Tijden Krant, Liefde voor het Vak, en doet je terugverlangen naar jaren die mij mijn ondergebit kostten vanwege het vele tandenknarsen in mijn slaap.

Met recht de tanden op elkaar voor een mooie carrière, Maar had ik ze ook in mijn slaap maar op elkaar gelaten. In de auto naar de krant voor mijn sportverhalen stopte ik bij elke benzinepomp. Om een nóg betere zin in mijn verfomfaaide blocnote te pennen. Schrijven deed ik in mijn beginperiode met een blikken doosje Wilde Havana’s binnen handbereik. Naast de oude Remmington. En met bij mijn stoelpoten de proppen kopijpapier met mislukte zinnen en doodlopende alinea’s. Nog maar weer eens opnieuw beginnen. Er moest bloed door je verhaal stromen. Je verhaal moest mals zijn. Als een medium gebakken biefstuk. Boter gaar. Ja, die sigaren. Schrijven deed ik ook met mijn longen. Of beter: ten koste van mijn longen. Al bleef schade uit, voor zover ik nog steeds kan overzien. Het was een harde leerschool en met de verhalen daarover trok ik jaren later volle collegezalen op de Erasmus en bij de Academie voor Journalistiek. Ineens had ik het gevoel te kunnen schrijven, het kunstje onder de knie te hebben. Het was op een doordeweekse avond en ik kwam terug van SC Amersfoort dat bankroet was verklaard. Het schreef ineens zo lekker weg.

Harde leerschool maar achteraf bezien honingzoet. ‘Uit de kleedkamer van Parool-Sport’ kan voor de redactionele ijzervreters uit de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw als een menukaart worden beschouwd voor een volgende reünie, en vervolgens misschien nog één, waarbij we niet op een rollator of looprekje meer of minder kijken. Zolang de mond nog beweegt en de oogopslag nog redelijk oké lijkt… Zelf heb ik geprobeerd het in het boek over de Gouden Jaren van Parool Sport niet mooier te maken dan het was. Het was al mooi genoeg. Eigenlijk had ik mijn grootste flater uit de vijf jaar bij Parool Sport moeten opbiechten. Waarom niet gedaan? Verdrongen waarschijnlijk in de loop der verdere jaren. Die flater? Het wereldkampioenschap honkbal voor het eerst op Europese bodem, in Italië. In de badplaats Rimini, heerlijk toeven daar, behalve toen de stad ’s nachts een keer onder water liep en de stoom uitviel, verschalkte Nederland zijn opponent Nicaragua. Klein duimpje won van een reus. Een ronkend artikel van mijn hand. Historisch en wereldprestatie en meer van dat geblaat. Oranje stijgt boven zichzelf uit, dat gelul. Geen besef, en weer staat het schaamrood op mijn kaken en krijg ik het warm als onder de zonnebank, geen benul dat in Nicaragua zojuist een burgeroorlog was uitgebroken. We noteren 1978. De sandinisten. Vernoemd naar de guerrillaleider Augusto Césor Sandino. Daniel Ortega, de nieuwe leider. Managua dat brandde als een fakkel. Tanks en doden.

De honkballers van Nicaragua waren er natuurlijk totaal niet bij met hun hoofd. Die waren met hun gedachten heel ergens anders. Dat bleek ook wel in het perscentrum waar ze zich verdrongen rond de telefooncellen. En zelfs toen ging er nog geen lampje bij me branden. Mijn grootste miskleun ooit. Ik heb het niet bewust verzwegen op de bij toebedeelde pagina’s van ‘Uit de kleedkamer van Parool Sport’. Wat het wel is geweest, het blijft me een raadsel. Misschien wel omdat ik voor het boek de honkbalanekdotes wilde beperken en ik vond dat het wel voldoende was Piet van der Wilk van Sparta aan te halen die me eens in Diemen met een honkbalknuppel achterna zat vanwege een iets te kritische noot in een verslag van een week eerder. Het frappante is dat ik juist die middag in Diemen een familielid mee had om hem te laten zien hoe leuk het werk van sportverslaggever wel niet was. Hij zag met eigen ogen dat schrijven over honkbal grote risico’s inhield en dat je god op je blote knieën mocht danken als je weer heelhuids thuiskwam.

Afgaande op ‘Uit de kleedkamer van Parool Sport’ moeten enkele ‘Paroolridders’ uit de jaren ’60 maar reuze blij zijn dat ze al een hele poos dood zijn. Henri Knap bijvoorbeeld. En ook Rien Bal. Een overhaast vertrek kan nog wel eens tot gevolg hebben dat er heel veel later nog rare dingen uit je bureauladen te voorschijn komen. Bij Knap bijvoorbeeld. Hield er een dubbele moraal op na, als we Gerrit Overdijkink mogen geloven, en we geloven Gerrit, we geloven onze godfather op zijn woord. En ja en dan ‘rien bal’, mijn bovenbuurman begin jaren ’80 in de flat Niagara in Amstelveen. Hij ging later op het Amsterdamse stadhuis werken. Kreeg bij zijn pensioen waarschijnlijk van de gemeente een vishengel mee. Daar zat hij beneden aan de waterkant mee en maar hopen dat hij geen vis van het haakje hoefde te prutsen. Toen dat een keer wel zo was riep hij klaaglijk zijn vrouw weg van hun balkon op zes hoog, of hoeveel wat ’t. Lees voor ‘rien bal’ de verhalen van Theo Gerritse. Theo (opmaker toen met potlood en gummetje, veel gummetje) die ik eens midden in de nacht, na een dienst bij Het Parool, tijdens een lift van de Wibautstraat naar zijn huis in Amstelveen, uit mijn Honda dreigde te flikkeren. Omdat ik dat wekelijkse Amsterdamse gezuig van hem richting de ‘provincialen’, ook deze Utrechter rekende hij daaronder, spuugzat was. Maar ja, Theo had toentertijd alleen nog maar een fiets en dan is alles ver weg van Mokum, ook Utrecht. Ik meende het, ik had hem langs de kant van de snelweg gedropt met het telkens weer kiezen van een mikpunt. Amsterdammers namen niet-Amsterdammers de maat. Nee, Theo zou inbinden. ‘En rij nou maar door, ik verlang naar mijn bed, jullie deden weer veel te lang over die artikeltjes van jullie‘, schamperde de blanke pit.

Later, tijdens weer eens zo’n lift van Theo naar zijn huis bij die voetbalvelden in Amstelveen, heette die club daar niet NFC?, vroeg hij me plotseling onderweg te stoppen. Daar ergens wat toen nog het Tulpziekenhuis heette. ‘Ben jij van plan je hele leven over sport te blijven schrijven?’ Daar had ik nog niet eerder over nagedacht. Ik deed meer dan over graspollen schrijven. Ik was van de voetbalfaillissementen. FC Wageningen en SC Amersfoort. Ik vergeet er misschien nog één. Bij SC Amersfoort wachtte onze plaatselijke drogist Marco Cabo al een hele poos op zijn poen. Keepte Nico van Zoghel er toen niet? Theo zakte onderuit in de Honda Civic. Ik deed ook de commissie Sport van de gemeenteraad van Amsterdam. De dagen van burgemeester Ed van Thijn. En ik liep voor een verhaal mee met de hooligans van ADO Den Haag. Die werden aangevoerd door een kleerkast, een boom van een kerel, die in het dagelijks leven de bodycard van de politicus Hans Janmaat was. Ik dartelde zo gezegd niet achter de bal aan, maar voor de bal uit. ‘Ik wil dat je de nieuwe politieverslaggever wordt, je bent lekker lastig, of noemen ze dat in jouw kringen kritisch?, kom naar de stadsredactie, daar zit ik nu ook.’ ‘En als ik nou eens nee zeg’. ‘Dat zeg je niet, start die motor van je auto maar weer.’ Die nacht aan de kant van de weg met Theo Gerritse vergeet ik mijn leven niet meer. Ik kan hem citeren alsof het gisteren gebeurde. Maar het was in 1983, veertig jaar geleden, niet veel eerder dan de ontvoering van de biermagnaat Heineken. Zonder anderen tekort te willen doen: de bijdragen van Overdijkink en Gerritse zijn echt schitterende kleedkamerverhalen. De Volewijckers tegen SC Drenthe, kom er maar eens op, Het Parool versloeg in die dagen àlles.


Het Parool verslaat àlles! Even heeft die tekst als reclame op de Amsterdamse trams gestaan. Maar omdat het edele Parool ook wel eens iets miste aan nieuws en er veel de draak werd gestoken met die journalistieke masturbatie werden de trams weer bliksemsnel overgespoten. Andere Tijden Sport. Andere Tijden Krant. Met nog telex, fax en steno. Rammen op een oude schrijfmachine van Remmington. Kopijpapier. Koppenbriefjes. Buizenpost. De oude kettingroker Ten Have kopijloper bij de ingang van de redactie. Buizenpost ja. Die zoog vaak slechter dan een gepensioneerde prostituee met bronchitis. Verhalen van de overkant in de Wibautstraat waaiden over. Henk Wehberg hield meer van alcohol dan van haast. Hij was weer eens te laat met het inleveren van zijn verhaal. Kreeg op zijn falie van zijn chef. En het excuus van Wehberg: hij had een prachtig stuk geschreven, over een profvoetballer van Den Haag die ook als jehova de deuren langs ging, maar zijn hond had er zijn tanden in gezet, in dat sfeerverhaal, en opgevreten. Iedereen wist beter. In het boek van Parool Sport bleef Henk Wehberg niet onvermeld. Zoals ook Theo Koomen. Zoals zoveel anderen. Wie wordt eigenlijk niet genoemd? Dan ben je er slecht aan toe. Ontroering bij de necrologie over Rob van den Dobbelsteen. Hij kanker in coronatijd en zijn Truus dement in een gebarricadeerd verpleeghuis, Truus die al zover heen was toen dat ze van de doodstrijd van haar jeugdliefde en maatje geen flauw idee had. Beiden konden ooit de hele wereld aan. Fietsten in Frankrijk naar de top van de hoogste bergen. Dierbare herinneringen aan eindredacteur Henk de Groot. Hij was al gehandicapt, kwam door een losliggende stoeptegel ten val, we liepen toen samen weg van de krant naar de begrafenis van een collega die bij het skiën was verongelukt. Rampzalige dag.
Een ongeluk komt nooit alleen, zeggen ze wel eens.

Met Henk naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis in die zijstraat van de Wibautstraat waar tram 3 doorheen gaat. Hij belandde thuis op bed, met zijn moeder bij hem thuis in de Arubastraat bij het Surinameplein in Amsterdam als mantelzorger. Nooit meer de oude die Henk, en hij was al invalide. Van hem, die een vriend was, kregen Ellen en ik eens een vrieskast cadeau. Die reikte tot aan het plafond. Daar kon ons in mootjes gehakte lam uit Drenthe in. Dat lamsvlees in pakketjes moesten we al gauw weggooien. Utrecht en omgeving getroffen door een geruchtmakende stroomstoring van bijna een vol etmaal. Henk de Groot ja, Amerika-kenner, veelvraat afgaande op zijn boekenkasten, alweer een paar jaar dood. Het journalistieke blijkt inderdaad een reddende laag onder je leven. Voor mij althans zeker wel. Het was als balsem voor de ziel met Ellen zo dubbel ziek. En dat is het nog steeds. Schrijven als gevoelsuiting. Voelen met je pen. De basis ervoor werd bij Parool Sport gelegd. Niet zozeer bij het Nieuw Utrechts Dagblad dat op mijn eerste werkdag te horen kreeg dat het ophield te bestaan. Dat kan niet aan mij hebben gelegen. Je brengt niet in één dag een krant om zeep. In Utrecht had het NUD het allang verloren van het UN waar ik veel later mijn vetste jaren zou beleven.

Nog altijd geldt het journalistieke als een reddende laag. Vatte vanmiddag het plan op de 80plusser Gerrit Overdijkink eens te bezoeken in Maarssen-Dorp. Vlakbij immers, steenworp. Hij had me na de dood van Ellen al eens uitgenodigd en afgelopen week trof ik hem weer bij de reünie van Parool Sport. Kreeg toen niet de kans een paar woorden met hem te wisselen. Hij vertelde, zijn vrouw Martha vertelde vanmiddag in het vredige Maarssen-Dorp, beiden naar de negentig, en ik vertelde. Ze zijn gezegend. Ze hebben elkaar nog. Ze wonen nog steeds in hun mooie huis nabij de Vecht. Ik vertelde ze over het omgaan met het verlies van Ellen, een wond met een pleister erop. De wond gaat nooit over. Geregeld begint die wond te bloeden. Zo maar ineens. Maar dan hoor je over de afloop van Rob van den Dobbelsteen en zijn Truus. Je leest het ook in het boek over Parool Sport. Je hoort dat Rob Fleur aan alle kanten door een ongeluk in de kreukels lag en ook nog eens zijn zoon verloor. Het leven verkocht Fleur een rot schop. Zo liepen er meer deuken en krassen op. Tim Overdiek verloor op jonge leeftijd zijn vrouw en bleef met twee kleine kinderen achter. Tranen van Liefde. Het leven levert menigeen een gemene streek.

En ondertussen was het tussen alle diepzinnigheden lachen geblazen in Baarn tijdens de reünie en werd er teruggekeken op platina jaren. Geen gouden jaren maar platina jaren. Schrijven is als balsem. Als zalf met geneeskracht. Dat was niet zo toen ik 25 was en het avontuur mijn leven beheerste. Maar nu wel. Meer melancholie. En dat maakt de betekenis van schrijven daarom misschien ook wel extra groot. ‘Uit de kleedkamer van Parool Sport’ is veel meer dan de titel suggereert. Het boek is het leven. Mannen en vrouwen op leeftijd blijken hun gezamenlijke geschiedenis nog niet vergeten te zijn. Het boek is blij en dankbaar zijn voor verschrikkelijk mooie jaren van stress en presteren, onder tijdsdruk vaak, in de journalistiek en daar de juiste waarde aan toekennen. Liefst meteen. Maar vooral achteraf. Het boek is bovendien relativeren. Beseffen dat je de dag moet plukken. De één mag langer plukken dan de ander. Dat dan weer wel.

De overpeinzing. Het was een mooie tijd, eerst voor een habbekrats medewerker honkbal en ijshockey bij het zieltogende Nieuw Utrechts Dagblad. Daar ook kopijloper, postbezorger en koffiezetter. Echt begonnen, met de nadruk op die é, bij Parool Sport. Daarna als politieverslaggever twee ontvoeringen waarvan het nieuws de hele wereld overging. Wie kende ze niet, Heineken en Heijn. Beiden aan het hoofd van een bedrijf met miljardenwinst. De val van de Berlijnse Muur. Er live getuige van. En daarna Praag en zo verder naar Roemenië met de executie van een ongeletterde eredoctor in veelvoud in de literatuur. Mevrouw Ceausescu kortom. En laten we haar dierbare echtgenoot niet vergeten, de schurk. Wat was nou eigenlijk het hoogtepunt in mijn carrière? De buitenlandredactie van het Utrechts Nieuwsblad? Of toch universitair docent op de postdoctorale opleiding journalistiek van de Erasmus bij Henri Beunders? Het mentorschap in Paramaribo van de hoofdredactie en de redactie van de Surinaamse krant De Ware Tijd? Het fijne van jezelf een vraag stellen is dat je hem niet hoeft te beantwoorden.

****

door Jan van Ewijk

De titel van het boek is ‘Uit de kleedkamer van Parool Sport’. Met als ondertitel ‘Een exclusief kijkje achter de schermen’. Dat klopt, stel ik vast nadat ik het halve boek heb gelezen. Gelet op de doelgroep (oud-redacteuren van Parool Sport) zou de ondertitel wel geschrapt kunnen worden. Alle redacteuren zijn toch wel op de hoogte van het reilen en zeilen in die kleedkamer? Ik schrijf dit op omdat ik een interview in Het Parool met Cees van Nieuwenhuizen en Henk van der Sluis heb gelezen over het boek. Beiden vermeldden dat ‘als er een uitgever geïnteresseerd is er wel te praten valt over een grotere verspreiding’. Ik denk niet dat die interesse groot zal zijn. Ondanks dat ‘de opbrengst dan naar het goede doel zou gaan’.  Want, ‘de verslaggevers willen er niets aan verdienen’.

Niettemin heb ik het boek (althans tot halverwege) met interesse gelezen. Er staan leuke anekdotes in. Het verhaal van Mark van den Heuvel over het EK Voetbal in 1996 vond ik geinig, Het aanspreken in Engeland van volstrekt onbekenden met ‘My love’ gebeurt er vaak . Vaak door mannen, maar ook door vrouwen. Zonder enige bijbedoeling. Ook jouw weergave, Johan, van je sollicitatiegesprek met Sandberg is een parel. Vreemd dat hij jou -toen als redacteur van het NUD- in het geheel niet kende. Of, hij zou dat ook hebben geveinsd?

Wat jij in je bijdrage (‘Niet zonder kleerscheuren – II’) over journalistiek schrijft is feitelijk niet geheel nieuw voor mij. Daar kennen we elkaar te goed voor. Ik heb – toen je de brui wilde geven aan het schrijven van blogs – al tegen je gezegd dat je dat niet moest doen. Niet alleen omdat ik jouw posts op het internet waardeer (en velen met mij), maar zeker ook -of nog meer- omdat jij niet zonder formuleren op papier kunt. Ik kies bewust het woord ‘formuleren’. Want voordat je wat aan het papier toevertrouwt moet je erover nadenken. Schrijven houdt een mens scherp. Lezen ook. Zoals jij -refererend aan Paul Haenen- schreef: “Daardoor overleef je altijd … Ik merk het dagelijks in de situatie met de vrouw van mijn leven”.

Misschien heeft een van de chefs sport nog geschreven hoe freelancers zoals ik werden aangetrokken. Ik denk dat Parool Sport in die dagen toch voor B-sporten zoals honkbal freelancers had aangetrokken. Een Houtkamp, of het nu Nol of Andy is, zou als verslaggever bij Het Parool van toen hebben gefaald. En dan heb ik het nog niet eens over achtergrondverhalen.

Blijf schrijven Johan!

****

Daar zou je wel eens groot gelijk in kunnen hebben, Jan. Ook ik denk niet dat de interesse voor ruimere verspreiding via de boekhandel groot zal blijken. Het zijn vlot geschreven verhalen, vermakelijk dikwijls ook. Maar voor grotere verspreiding had wellicht voor een andere opzet gekozen moeten worden. (JC).

****

Per saldo vind ik dat de titel van het boek de lading niet dekt. Het boek is aanzienlijk minder Parool Sport dan de titel ‘Uit de kleedkamer’ doet verwachten. Mooi opgeschreven verhalen, heus dat, maar toch. Jan van Ewijk.

Of de Syrische vluchteling zo vriendelijk wilde zijn opzij te gaan, vroeg de zonnebadende Britse vrouw hem vanuit haar strandstoel. ‘Want u staat in mijn licht.’

Of de Syrische vluchteling zo vriendelijk zou willen zijn een stap opzij te doen, vraagt de zonnebadende Britse vrouw hem op het strand van Zuid-Engeland. De Syrische vluchteling staat in HAAR licht …

De vluchteling gehoorzaamt gedwee. Later die dag gaat hij met een brief naar de huisartsprakrijk in de Engelse badplaats. Hij gaat er heen voor zijn vrouw, blind geworden bij een bombardement in Aleppo. Het wordt erger en erger met haar. Geestelijk vooral. Apathie. Als hij eindelijk na heel lang wachten aan de beurt is, krijgt hij te horen dat het adres van zijn tijdelijk pensioen in de brief ontbreekt. ‘Maar dat adres kan ik u zo wel geven.’ ‘Nee’, zegt het secreet aan de balie’, ‘dat is tegen ons beleid, u zult met een nieuwe brief moeten terugkomen.’ De Syriër is voor even buiten westen. Zijn vrouw, hij, afgescheept door de bureaucratie die geen genade en mededogen kent. Zo maar een paar zinnen uit een indrukwekkend roman. Voor menigeen in Nederland een mooi geschenk in eigen kring met Valentijnsdag.

Het is maar een heel dun laagje dat wij beschaving noemen.

Geen enkel boek bracht me tot dusver zó dicht bij de Ellen van de afgelopen jaren als ‘De bijenhouder van Aleppo’. In de ruim 330 pagina’s tellende paperback schetst de Britse schrijfster Christy Lefteri, in 2016 en 2017 als vrijwilliger bij de vluchtelingenopvang in Athene, op meesterlijke wijze de hartverscheurende sprong van een getraumatiseerd echtpaar in het duister. Een sprong vanuit de hel op aarde; van de smeulende puinresten van de door genocide getroffen Syrische stad Aleppo naar het veilige Groot-Brittannië. Een sprong in de spreekwoordelijke afgrond in feite vol verlies, maar ook vol liefde, veerkracht en hoop. Afra is blind en volledig afhankelijk, maar dan ook volledig afhankelijk in alles, van haar man, de imker Nuri. Beiden dragen een onverteerbaar groot verdriet met zich mee. Hun enige zoontje Sami is omgekomen bij één van de vele bombardementen met drones in het voorheen zo trotse Aleppo, het economische hart van weleer van Syrië. Natuurlijk zijn de omstandigheden niet met elkaar te vergelijken, natuurlijk niet, maar toch. Het is de onverbrekelijke trouw aan elkaar, de levensovertuiging.

Ik voel de hartslag van Nuri. Ik voel hem op elke bladzijde. Ik voel de warme hand van Afra die langs het gezicht van Nuri strijkt. Het is de afhankelijkheid, de volledige overgave van Afra aan Nuri, het vertrouwen in hem, de berusting dat slechts verder leven nog kan met vertrouwen in de partner, en dat alles ongewis blijft. Zelden stond ik in mijn bibliotheek voor de rij boeken die ik schreef over het, sámen met Ellen, sámen met haar, omgaan met haar ziekte die onvermijdelijk zou lijden tot haar dood. Met ‘De bijenhouder van Aleppo’ in de ene hand streel ik met de andere hand de titels van mijn boeken over mijn laatste tien jaar met Ellen en druk ik een kus op ‘Dankjewel voor je liefde’ welke de zieke Ellen tegen mij haast bedremmeld uitsprak. En met welke woorden de op de vlucht uit Syrië aan de hand meegevoerde blinde Afra haar man Nuri eveneens de facto decoreerde. Nuri brak en kreeg tegelijkertijd een stroomstoot aan nieuwe energie. Zoals dat ook voor mij gold bij dat ‘Dankjewel’ van Ellen, en ik wist dat ik over elke toren zou kunnen blijven springen. Voor haar, ja voor haar, al was het de Dom in Utrecht.

Vluchten, de verhalen erover benemen je de adem. Dat was al zo in 1989 als reporter voor Het Parool in Zanka aan het Ballatonmeer in Hongarije waar vluchtelingen uit het op zijn laatste benen lopende DDR verzameld waren. Het had iets sinisters. Maar naar het heden. Ik ken een vrouw die jaren geleden uit vrees voor de Taliban in boerka met twee hummeltjes aan de hand Afghanistan ontvluchtte en die via allerlei omwegen en slingerwegen en op millimeters langs ravijnen in Oezbekistan en Tadjikistan dwars door het zomerse bloedhete Rusland moest met voor alle drie één flesje lauw water. De kinderen kregen ieder een flesje. Het derde werd bewaard voor later, voor de twee peuters, een meisje en een jongentje. Moeder bewaarde haar flesje water voor de kinderen. Had deze vrouw het verdiend om tenslotte in de val te lopen en op te botsen tegen een VVD-hek aan de randen van de Europese Unie?! We hebben het in Buitenhof een doorgewinterde VVD’er overduidelijk horen zeggen. Is het leven van die vrouw en haar kinderen niet even waardevol als het leven van die neoliberaal wiens gladde praatjes door correspondente Step Vaessen gelukkig werden doorgeprikt met argumenten en onderbouwing van die argumenten resulterend in conclusies over de tentenkampen in Griekenland van een ooggetuige? Ik ken een Afghaanse, een arts, die op haar vlucht werd gesnapt en werd teruggebracht naar waar ze vandaan kwam. Kon ze weer gaan sparen voor een mensensmokkelaar en kon ze het allemaal opnieuw proberen. Ze kwam uiteindelijk uitgeput, berooid en op blote voeten aan de poort van Ter Apel. Had ze vooraf op een hek van de EU moeten stuiten, zoals de VVD’er ijspegelig bij Buitenhof uit misselijk makend electoraal belang zat te oreren? Als de rollen nu eens omgedraaid waren?

Zoals ook zijn dooddoener van opvang in de eigen regio? Zie die regio thans na een paar aardbevingen en hoe de Syriërs zich uit die nieuwe ellende moeten zien te redden. Op een God hoeven we niet te vertrouwen, dat zijn sprookjes, ouderwetse drugs voor domme wezens, we zullen het zelf moeten doen. Niet ‘ze’ maar ‘zij en wij’. Humanitair kan het er niet erger. De duvel schijt altijd waar niks is. Wat wordt er zondag door de dominee vanaf de kansel geroepen? Hopelijk dit: “Onverbeterlijk naïeve gelovigen ga terug naar huis, u verdoet uw tijd hier in de kerk.” Ik geef les in de Nederlandse taal aan iemand van wie de tante bij een oversteek te water ging zonder te kunnen zwemmen. Het moést, commandeerde de smokkelaar. Haar eigen kinderen spartelden zich naar de overkant met een volgende tussenstop in de vluchtpoging. Maar hun moeder verdronk. Voor de ogen van haar kinderen. Welk recht hebben wij als lidstaten van de EU om een hek of een betonnen muur om ons territorium te plaatsen? Daar komen alle mensenrechtenorganisaties terecht tegen in het geweer. Het verhaal Mais, de peuter van drie die op de vlucht uit Koerdisch Syrië haar ouders verloor, en gelukkig in haar broekzak een briefje had met naam en adres van haar opa en oma op de Veluwe, ze werd er als het ware door Post.nl middenin de nacht als een levend pakketje afgeleverd. Drie jaar nog maar en alleen naar Nederland. Kippenvel. Dát zijn de verhalen die het woord hek een misdadige connotatie geven. Een menswaardig bestaan in vrijheid behoort eenieder toe te komen, niet alleen onszelf. Kunnen we het vluchtelingenvraagstuk niet aan dan zetten we nog maar een tandje bij. Elke gemeente in Nederland een behoorlijk aandeel in de opvang, een groot aandeel zelfs, en wel meteen, zonder verder gezever, op straffe van flinke sancties. Desnoods gijzeling van een compleet gemeentebestuur. We zijn mede schuldig aan bijvoorbeeld de beelden die Thomas Erdbrink deze weken vanuit Afghanistan laat zien in de bloedstollende serie ‘Onze man bij de Taliban’. We liepen braaf en lafhartig achter Biden aan. We gaven Afghanistan terug aan bandieten die we daarvoor bestreden. We zijn medeplichtig aan wat vrouwen en meisjes in Afghanistan nu wordt aangedaan.

Het is maar een heel dun laagje dat wij beschaving noemen.

De zwaar getraumatiseerde imker van Aleppo, hij ziet meeuwen voor gevechtsvliegtuigen aan, duikt ook buiten Syrië voor bombardementen weg die er niet zijn, heeft nog maar één doel voor ogen: zijn neef en zakenpartner Mustafa terugvinden die Groot-Brittannië wist te bereiken en die daar weer is begonnen met het houden van bijen. Want waar bijen zijn, zijn bloemen. En waar bloemen zijn, is nieuw leven. En waar nieuw leven is, is hoop. En hoop vergroot de weerstand. De Britse krant The Guardian vergeleek het boek ‘De bijenhouder van Aleppo’ met ‘De vliegeraar’ over de Hazara in Afghanistan en met ‘De tatoeëerder van Auschwitz’. Dit boek verdient het in lovende woorden te zijn ontvangen. Ook zo’n juweeltje al is dit in dit verband een ongelukkig gekozen woord. The Guardian recenseerde het boek van Lefteri als een vurig pleidooi voor medemenselijkheid dat mogelijk zelfs de lezer inspireert. Medemenselijkheid met de zwaarst getroffenen in deze wereld. Niet weten of je over een kwartier nog leeft, laat staan over een uur, volledig overgeleverd zijn aan…, aan wat eigenlijk?, een tocht naar de vrijheid, een leven zonder angst en tralies, die op de meest indringende wijze door Christy Lefteri in ‘De bijenhouder van Aleppo’ over het voetlicht wordt gebracht. In de duisternis vat Nuri moed. ‘Deze roman opent je de ogen’, recenseert Heather Morris, auteur van ‘De tatoeëerder van Auschwitz’. Inderdaad: bewustwording, en deze voortreffelijke roman zou eigenlijk op het nachtkastje moeten liggen van elke VVD’er en eenieder nog rechtser van die partij. Je kunt je ogen wel sluiten, je kunt wel over muren en hekken beginnen, maar mensen die niets meer te verliezen hebben, die zich in de apocalyps Aleppo bevinden met vele duizenden en nog eens duizenden doden op het wegdek en de trottoirs in de straten, lijken in ontbinding die er blijven liggen vanwege de sluipschutters, die overlevenden van de hel lopen met de wanhoop in hun ogen als het moet dwars door het beton van een muur of dwars door prikkeldraad om aan gene zijde in het Beloofde Land desnoods dood te bloeden.

‘De smokkelaar wuifde ons naderbij en we schuifelden naar de vloedlijn. Eén voor één klommen we met zwemvest in het deinende rubber bootje. Het jongetje Mohammed, dat alleen de vluchtpoging ondernam, waar waren zijn ouders?, kroop dicht tegen me aan. Hij zei dat we misschien wel dood gingen, ik beaamde dat. Afra had nog altijd geen woord gezegd, geen lettergreep was over haar lippen gerold, maar ik voelde haar angst. Haar ziel was nu even donker als de hemel, even rusteloos als de zee. De smokkelaar beval ons de telefoons en zaklantaarns uit te doen. De buitenboordmotor werd gestart, het rubber kreunde op de golven. Het valt mee, hoorde ik een kind zeggen. Er klonk triomf in het stemmetje van het kleine meisje. “Ssst!”, siste haar moeder. Een man begon een koranvers te reciteren. Ik stak een hand in het water en hield hem daar. Ik voelde het ruisen van de zee, ik voelde levenskracht, en ook de toenemende kou naarmate we verder van de kust verwijderd raakten. Mijn andere hand legde ik op de arm van Afra, maar zij reageerde niet. Het jongetje Mohammed, zeven nog maar, begon te klappertanden. Hij mompelde dat we nog steeds niet in het water waren gevallen. Mohammed klaagde over natte voeten, ikzelf ook. Ik staarde de donkerte in. Was dit wat Afra elke dag zag, de afwezigheid van contouren en vormen? Het meisje begon te huilen. Sttt!, commandeerde haar moeder. Plots was het een moment volslagen donker. De snijdende kou voelden we al niet eens meer. Ineens was Mohammed weg. Ik speurde het wateroppervlak af, de zwarte golven, zo ver mijn oog reikte, en toen, zonder erbij na te denken, sprong ik erin. Ik zwom rond, deed mijn zaklantaarn aan, schreeuwde om Mohammed. Ik bleef onder water zolang ik kon. Toen ik geen zuurstof meer in mijn longen had, toen de dood aan me begon te trekken, worstelde ik me naar de oppervlakte. En in een vlaag zag ik dat een man Mohammed vasthield en in het bootje hees. We naderden de Griekse kust. Ik hoorde mijn naam roepen. En weer, en weer, en steeds maar weer mijn naam. Ik zag sterren boven me en Afra’s gezicht. “Oom Nuri, oom Nuri, een schip, er komt een schip aan.” Mijn zwemvest was langzaam leeggelopen, maar ik trapte met mijn benen om mijn hoofd boven water te houden. In de verte naderde een helder licht en ik huilde diep van binnen met een blik op Afra.’

‘De bijenhouder van Aleppo’ is prachtig geschreven, meeslepend, een pageturner. Geen chronologie maar flashbacks. De opzet van de bundel is schitterend gekozen. Indringende dialogen en observaties. Uiteengereten families in de tentenkampen. Drugshandel in de kampen op Lesbos waar het naar urine ruikt en naar stinkende ontreddering, verontmenselijking, en de prostitutie welig tiert. Nog een stap verder: orgaanhandel. De verleiding is groot veel van de inhoud te verklappen, ik doe het niet. Maar toch nog dit: Nuri vraagt Afra of ze mee gaat een wandelingetje maken naar het stand in Zuid-Engeland. Ze reageert niet. Dat verlies van communicatie, het breekt hem telkenmale. Dan maar alleen. Hij ziet de attracties verderop op de pier. Hij beseft dat de muziek hier op de boulevard vierentwintig uur per dag klinkt. “Pardon”, hoor ik iemand achter me zeggen. Ik draai me om en zie een vrouw in een strandstoel fronsen. Haar huid is zo bruin dat het lijkt alsof ze op de zandvlaktes van Syrië heeft liggen bakken. “Zou u zo vriendelijk willen zijn niet in mijn licht te gaan staan? Dank u wel!” Ze bedankt me nog vóór ik een stap heb verzet.’

Het is maar een heel dun laagje dat wij beschaving noemen.

Zelfs de Holocaust afdoen als een fabeltje, laat staan Kobani. Hoe erg het met ons is gesteld!

Welke woorden moet je nog kiezen als uit representatief internationaal onderzoek blijkt dat van de Nederlanders na 1980 geboren een kwart niet in de Holocaust gelooft en die afdoet als een mythe ?! De Holocaust inderdaad afdoet als een verzinsel !!! Er zijn domweg geen woorden voor. Mogen we hier even heel diep ademhalen ?! Ruim 23 procent van de Nederlanders tot veertig jaar is van mening dat de uitroeiing van de Joden in de Tweede Wereldoorlog, en in de aanloop ervan, niet is gebaseerd op waargebeurde feiten en kortom niet heeft plaatsgevonden. Claims Conference komt met méér schokkende bevindingen. Maar liefst 59 procent van de Nederlandse ondervraagden na 1980 geboren weet niet dat door de nazi’s van Hitler zes miljoen Joden zijn omgebracht en dat er vernietigingskampen als Auschwitz, Bergen-Belsen en Dachau hebben bestaan. Claims Conference stelt vast dat de onderzoeksresultaten nergens in de wereld zó schokkend zijn als in Nederland.

Wat is de oorzaak van die bedroevende cijfers in Nederland? Ouders – de babyboomers vooral ook – die verzuimd hebben het oorlogsleed door te geven aan latere generaties? Ons onderwijssysteem met al die verlammende en tot ongelukken leidende hervormingen door de jaren heen, welke strapatsen veel ouders in onze grensprovincies zelfs deden besluiten hun kinderen in België of Duitsland op school te doen? De vakken geschiedenis en maatschappijleer geschrapt uit de lespakketten? Niet leuk genoeg, geschiedenis? Maakte zelf als docent op een rommelige hogeschool voor journalistiek mee dat het niet meer ging om hoe de docent dacht over de student, een normaal gegeven zou je denken, maar hoe de student de docent beoordeelde. De student mocht zelf op een zo gezellig mogelijke wijze zijn lespakketje met roostertje in elkaar knutselen op weg naar het einddiploma dat hem als het ware in de schoot geworpen werd. Want hoe meer einddiploma’s, hoe meer bonussen naar de verantwoordelijke onderwijsinstellingen. Hoe komt het toch dat Nederland zo vaak zo slecht scoort als nu weer bewezen met de Holocaust? De ontlezing die in weinig landen zo significant is als in Nederland? Het kabinet dat tijdens de lock-down in verband met de coronapandemie wel de slijter openhield maar niet de boekwinkel? Het kabinet dat de culturele sector al jaren de voet dwars zet?

Ben zelf ondertussen aangeland op de laatste pagina’s van ‘De zussen van Kobani’, adembenemend, tranen wellen op, het voortdurend slikken en wegslikken, en vraag me af hoeveel Nederlanders van na 1950 – ik doe maar een greep – geïnteresseerd zijn ín en iets afweten ván hoe er door Syriëgangers en het barbaarse en goddeloze schrikbewind van het kalifaat werkelijk is huisgehouden onder de Koerdische bevolking van bijvoorbeeld de provincie Aleppo nog geen tien jaar geleden. Wat heeft zich daar werkelijk afgespeeld? Al het slechte dat maar te bedenken valt, dát is dáár gebeurd. De hel op aarde. De apocalyps. Het einde der tijden. Huiveringwekkend. Ontvoeringen, verkrachtingen, seksslavernij, martelingen, onthoofdingen, lichamen gespiesd, uithongering, landmijnen en raketaanvallen, en waar moet ik in die opsomming stoppen? De reeks is eindeloos. Huiveringwekkend, als gezegd. Dood en verderf. In zijn meest extreme vorm. Achter mijn rug klinkt: Alles wat je aan vreselijkheden kunt bedenken heeft in Noord-Syrië plaatsgevonden, en waar was de rest van de wereld? We konden geen kant uit.’ Laura H. die in Mosul belandde en naar Nederland terug vluchtte, de vuistdikke pil over haar met lilapaars getint kaft, het boek ligt in mijn bibliotheek op een stapel waaraan het boek over de hemeltergende tragiek van de Koerden in Noord-Syrië wordt toegevoegd. Laura H. in Mosul en het kalifaat en alle misdaden in Kobani – we hebben het over krek dezelfde jaren in de recente geschiedenis van een wereld die zich heeft ontaard en tot een morele vuilnisbelt heeft gedegradeerd. Een kwart van de Nederlanders na 1980 geboren wuift de Holocaust weg als een fabeltje. Dat zal met de de slavernij op de plantages van Suriname wellicht ook zo zijn, en met de inhoud van ‘Zarifa’ en Afghanistan (33 graden onder nul momenteel) vermoedelijk niet anders, en met ‘De zussen van Kobani’ eveneens. Om maar te zwijgen over ‘Sisters in Arms’ van Caroline Fourest met in de hoofdrol Dilan Gwyn.

Ik citeer uit ‘De zussen van Kobani’. Ze kamden een klein hotel aan de rand van de stad uit, waar een grote groep IS-terroristen zich had schuilgehouden, de Koerdische strijders hadden de terroristen één voor één uitgeschakeld. In de kluizen achter de receptie troffen ze een groot aantal paspoorten aan van leden van het kalifaat. De commandante van de Koerdische vrouwenbrigade vroeg de Franse journalist Jean-Luc om de paspoorten te bekijken. De correspondent was gaan zitten op de enige bank die nog in de hotellobby stond en had de passen op stapeltjes gelegd. Journalist Jean-Luc bekeek de paspoorten. En hoe meer hij er inzag, hoe misselijker hij werd. Op een gegeven moment had hij nieuwe stapeltjes gemaakt en de paspoorten op land gelegd. Hij had paspoorten uit Noord-Afrika verwacht, en uit het Midden-Oosten. Maar nee. De terroristen kwamen uit Frankrijk, Engeland, België, Zweden, Noorwegen, Denemarken en uit Nederland. Jean-Luc stuurde zijn artikelen naar zijn krant. Maar die plaatste de verhalen niet (meer). Te ongeloofwaardig, te surrealistisch, opgeklopte verzinsels van een op locatie gehersenspoelde verslaggever, vond zijn hoofdredacteur. Druk van buitenaf in Parijs. Daar bezweek de hoofdredacteur onder. Turkije, de NAVO en de EU. De machtsmechanismen. Of de journalist dat in zijn werk wilde verdisconteren. Jean-Luc spatte tussen alle doden en gewonden en de puinresten in het door IS belegerde Kobani uit elkaar van woede en moest zich tijdens de telefonische tirade geregeld bukken om een kogel te ontwijken. Hij nam in razernij ontslag bij zijn krant, sloot zich aan bij Koerdische milities, bleef produceren voor internationale persagentschappen die hem en zichzélf serieus wilden nemen, en stierf tijdens een reportage smartelijk bij een raketaanval. Niet de westerse pers maar de Koerden van Noord-Syrië brachten hem de laatste eer. Zo verging het Jean-Luc.

Op 26 januari 2015 heroverden de Koerden met de Peshmerga, hun onwaarschijnlijk sterk gedisciplineerde vrouwenbeweging van vrijwillige strijders, een toonbeeld aan veerkracht, hun stad Kobani op IS. Duizenden en duizenden doden en verminkten onder de Koerdische bevolking. Op de heuvel werd de IS-vlag neergehaald en kon de Koerdische er weer wapperen. Het zijn aangrijpende pagina’s in het boek over Koerden, hun moed, hun trots en hun besef van hun geschiedenis. Doet me aan de Holocaust denken. En de onwetendheid in een land dat beheerst wordt door decadentie. Kobani bevrijd tegen de achtergrond die we momenteel maar al te zeer weten vanwege Oekraïne. De lijklucht die in de straten hing. Vermengd met de geur van urine. Er was veel bloed vergoten en de overlevenden van Kobani beloofden elkaar geen enkele druppel bloed ooit te zullen vergeten. De overlevenden beloofden elkaar dat ze hoop zouden blijven inademen en dat ze met hart en ziel zouden blijven vechten tegen het gemis aan respect voor het leven. Het gemis aan respect voor het leven in de meest vreselijke, en van hieruit nauwelijks voor te stellen, gedaanten. Beestachtig? Het doet geen recht aan dieren dit alles zo te formuleren. ‘De zussen van Kobani’ is een op waargebeurde feiten gebaseerd meesterwerk over het tienermeisje Zozan, een uitzonderlijk goede scherpschutter, en beschrijft ragfijn het gezin van vier personen waaruit ze voortkomt, van wie het meisje als enige de oorlog in haar geboortestad wist te overleven. Haar iets oudere zus werd door een IS-bandiet onthoofd waarvan Zozan getuige was omdat er satanisch – geen beter woord kan ik bedenken – een filmpje door IS was gepost en op social media rondging. Een grijzende IS-terrorist die twee hoofden zonder lichaam aan hun haren in de lucht hield en kwijlend droomde van de beloning van 72 maagden in het uiteindelijke paradijs. Het zou één maagd worden, een maagd van 72, en dat nog niet eens. In een zoekactie werd hij naar de eeuwige jachtvelden geschoten.

De Arabische lente die eerder in Tunis begonnen was, sloeg snel om naar de omringende landen waar dictatoriale regimes de knoet hanteerden en het bijvoorbeeld ook de Koerden verboden was een eigen vrije wil te hebben en uiting te geven aan hun eigen taal en cultuur. De opstand werd vooral door vrouwen geleid, onvoorstelbaar moedige vrouwen. Ze blijven nog steeds actief en strijden voor een vrije en seculiere samenleving. De vrouwen van Kobani werden uiteindelijk wereldberoemd. Er zijn nog altijd ettelijke honderdduizenden vrouwen die leven als slavinnen, staat in het nawoord van ‘De zussen van Kobani’ geschreven. Het boek mag zeker ook worden gelezen als een niet malse aanklacht tegen de Europese Unie, die vergadert en nog eens vergadert en waarvan de hoogste kwaliteit is het afgewende hoofd uit lafhartigheid en misrekening. Tijdens de bevrijding van Kobani hoort de onverschrokken Zozan ineens een stem achter zich. Ze draait zich om. Ze kijkt, ze kijkt nog eens, ze kijkt door haar tranen heen en ziet daar op de puinresten haar oma staan, ze slaakt een kreet, rent op haar oma af, en valt in haar armen . Ook oma blijkt de oorlog te hebben overleefd. Dus toch. Het zijn waargebeurde feiten. De tekst kruipt onder je huid. Leerlingen van het middelbaar en hoger onderwijs in Nederland, en al iets oudere leeftijd, het gaat om waargebeurde feiten !!!

We laten Zozan aan het woord. ‘Het gezicht van mijn oma stond intens verdrietig en tegelijkertijd heel gelukkig. Ogen zo helder, zo helder als glas, een gezicht zo oud geworden en zo vol groeven. Ik keek recht in het gezicht van ware LIEFDE.’ Het meisje was rijk. Ondanks de verloren jeugd. Ze kwam er achter wat ware LIEFDE in werkelijkheid was. En betekende. Dat was oma in Kobani en niet de gsm met beursberichten in de neoliberale westerse onbeschaafde nepwereld op weg naar verder jagen en jakkeren met een kromme vinger. Oma teruggevonden, maar in de strijd om Kobani tegen IS wel haar beide ouders en haar zus verloren, de één op nog gruwelijker wijze dan de ander. Hier valt deze blogschrijver stil.

Een ontroerend slot en terwijl ik het boek dichtsla lees ik over een kwart van de Nederlanders, na 1980 geboren, die de Holocaust als een mythe afdoen. En dat ruim meer dan de helft van de Nederlanders, na 1980 geboren, niet weet dat Hitler-Duitsland de vergassing en zo meer van zes miljoen Joden op zijn geweten heeft. Wat zullen de Nederlanders van de Koerden in Syrië, Turkije, Irak en Iran afweten? Geen klap? Huiveringwekkend. Om tegen deze bikkelharde feiten een daad te stellen mag er nog één onderwijsvernieuwing komen. Drie keer raden hoe en waar?  De bijenhouder van Aleppo? Geschreven door Christy Lefteri.  De vlucht van meer dode dan levende wanhopigen van hun hart beroofden uit Aleppo? Waar ligt dat ergens? Bestaat dat echt? De meest betreurenswaardige stad op aarde? Genocide? Allemaal fabeltjes waarschijnlijk.