Met een uitnodiging voor een reünie van Parool Sport komen er veel herinneringen boven aan de tijd van zelfkastijding. Hij gedroeg zich als Jezus Christus. Wat zeg ik? Als God zelf! God zelf keek me vanachter zijn bureau geringschattend aan, en stopte maar weer eens zijn pijp. Hoe heette ik ook alweer? Hij had nog nooit van mij gehoord. Maar ook het door hem opgeheven Nieuw Utrechts Dagblad viel uiteindelijk toch onder hem? Dat had ik goed begrepen. Maar dat wilde nog niet zeggen dat hij dan ook de leden van dit huiskamerproject kende, of wel soms? Ik hield angstvallig mijn mond. Maar of de heer Sandberg misschien begreep hoe erg het voor mij was om meteen al op mijn eerste werkdag te moeten vernemen dat het Nieuw Utrechts Dagblad nog maar drie maanden te gaan had en dan zou worden opgeheven? Kon ik vanuit de failliete inboedel van het NUD niet mét vormgever Louis Prins mee naar Amsterdam? Onze Lieve Heer met duizelingwekkend zoetig geurende pijp trok zijn wenkbrauwen op en begon zijn bril te poetsen. Hij spreidde zijn armen in de richting van het raam. Of ik wel wist dat als hij dat raam zou openzette, en naar buiten zou roepen dat hij personeel zocht, de gehele Wibautstraat zou volstromen?! Nee, dat wist ik niet. Was dat echt zo? Nou vooruit, besloot de stadsgoeroe van Amsterdam, en hij riep zijn secretaresse Adrie er vanachter de coulissen bij. Een proefstukje. Adrie met vale rokershuid knikte. Ze trok er een gezicht bij alsof we nog moesten beslissen of de amputatie mijn linker arm zou betreffen of het rechter. Ik moest maar eerst eens een proefstukje schrijven, want ook zij had nog nooit iets van me gelezen. De redactiesecretaresse zou me het onderwerp voor dat proefstukje doorbellen. Geen idee meer waar dat toen over ging. Maar Onze Lieve Heer met pijp vond het niet onverdienstelijk, zo kreeg ik naderhand te horen. Maar hij vond ook dat je op één been niet kon lopen. Hij in elk geval niet. Nog maar eens een proefstukje. Daarvan raakte hij weinig opgewonden. Opgewonden? Dat onthield ik voor het derde en laatste proefstukje. Sandberg was zo vriendelijk me ditmaal zelf het onderwerp te laten uitkiezen. Het werd Hal (of Hall met dubbel l) Laycoe. Ik hoop dat ik zijn naam nog goed schrijf. Ik praat over 1975 of zo, in die koers. Hij was in die tijd bondscoach ijshockey. Eigenlijk was het geen sterke keus van me. Al had deze levende legende wel voor hetere vuren gestaan. Op het ijs met een stick. Nu zou ik zeggen dat de man één zalvige klomp cliché was. Bij hem thuis in zijn karig ingerichte flatje legde ik de Canadees uit welk belang er met het interview gemoeid was. Hij was onder de indruk. Of hij niet een paar uitspraken kon doen waarvan de heer Herman Sandberg opgewonden zou raken. Herman Sandberg? Daar had Canadese Laycoe nog nooit van gehoord? Ook niet van dat àls Sandberg het raam open zou zetten dat dan…? Nee, ook dat niet. Was de heer Sandberg niet een klein opscheppertje? Moest ik de Canadees in gelijk geven. Dat deed relativeren! Maar hij wilde me gerust wel even helpen. Wat moest hij zeggen om me bij Het Parool door de keuring te krijgen? ‘Waarschuwen dat U bij verlies van uw team zelfmoord pleegt’, hoor ik mezelf nog zeggen. Daartoe was de bondscoach gaarne bereid. Hij zou zelfmoord plegen. Hoe of waarmee deed er niet toe. Het artikel over Laycoe ontlokte aan God een glimlach. Of ik wel bij die meneer uit Canada geweest was? En of ik die zelfmoord soms verzonnen had? Maar Sandberg kon het ook wel waarderen, hij zou Cees van Nieuwenhuizen waarschuwen dat ik eraan kwam. Ook dat heb ik geweten. Hopeloos eerste jaar bij Parool Sport. Brak en kneusde op wintersport ook nog alles wat een beginneling op ski’s kan breken en kneuzen. Toch gewoon doorgewerkt voor Parool Sport. Met één hand in de Honda en aan de schrijfmachine. Hoe komt een mens aan een minderwaardigheidscomplex! Nou zó! Het besef dat in vergelijking tot Het Parool kopblad NUD toch altijd met veel stijfsel achter behangrollen verscholen was gebleven. Heimwee naar mijn eerdere baan op het Ministerie van Onderwijs waar ik de zwangerschapsuitkering van de dames S. tot en met Z. in Nederland uitrekende (en begeleidde wat dat ook wezen mocht). Bij Parool Sport ging aanvankelijk veel mis. Schreef over Unitas dat in Gorkum speelt maar liet die club in de krant uit Gouda komen. Godverdomme nog aan toe. Hoe ik dat met de reiskostendeclaratie heb gedaan, weet ik niet meer. Ik zag mezelf eerder nog dan ijshockeycoach Laycoe de hand aan mezelf slaan. Jaren later ging Unitas me weer achtervolgen, toen ik als docent journalistiek dagelijks langs Gorinchem kwam naar Tilburg toe en terug. Moest eens zeven keer en tot bijna huilens toe een artikel herschrijven. Totdat ze zeiden dat ze bij me thuis de aardappelen op het gas konden zetten. Maar dan wel één voor één die aardappelen. Artikel ging als ik me nog goed herinner over Telstar. Daar keepte de plaatselijke kapper en een ballerina van de tv liep er als linksbuiten. Midvoor was een tank die er beter uitzag dan het gehele wagenpark van Defensie. Die tank van Telstar schoot nog wel eens raak. Door de charmant strenge Cees van Nieuwenhuizen begon ik steeds meer Wilde Havana’s te roken. Zo’n heel blikken doosje per dag. En lag ik ’s nachts in mijn slaap te tandenknarsen. Het kostte me mijn ondergebit. Aan Van Nieuwenhuizen gaf ik meer uit dan dat ik bij hem verdiende. De wankele eerste stappen in de journalistiek bij een landelijke krant. Een krant waar je op de redactie Simon Carmiggelt kon aanraken en Jeanne Roos en Paul van ’t Veer en Henri Knap en Eef Peereboom en ga zo maar door. Steinmetz! De adjunct Bob Steinmetz. Ze liepen er op de redactie allemaal in het wild. Zat in die begintijd eens samen met Cees van Nieuwenhuizen bij PSV. Een speler haalde zijn broek open. Van Nieuwenhuizen pakte zijn pen en schreef ‘kleerscheuren’ in zijn schriftje. Alleen dat ene woord. Meer niet. Kleerscheuren. Oh, dacht ik, zo werkt dat dus. De volgende dag begon zijn verhaal met dat PSV ondanks de zege niet zonder kleerscheuren uit de strijd met Bastia tevoorschijn gekomen was. Heerlijk, dacht ik, heerlijk als je zo kunt schrijven, en dat ook nog eens in die leuke opvallende gratis jasjes van de TROS-televisie! Avonddiensten voor Parool Sport werden bij mij aanvankelijk ook automatisch nachtdiensten. Was als de dood iets over het hoofd te zien en een fout te maken. De zon kwam al weer op toen ik bijna thuis in IJsselstein bedacht dat ik van de Tour de France vergeten was het bolletjesklassement door te geven. Ojee! Stiekem terug naar de Wibautstraat. Het was ’s ochtends vijf uur. Ik geloof niet dat Sandberg er al was. Hij zal niet achter die griezelige zwarte deur hebben gezeten ’s morgens om vijf uur. In de prullenbak naar de telex gezocht met het klassement van de bolletjestrui. Van Impe kwam tevoorschijn met heel veel restant automaatkoffie en die gore plastic bekertjes die je altijd fijn kneep. Hier en daar ook sinaasappelschillen en iets dat ooit een kroket moest zijn geweest. Alsnog via de buizenpost het klassement van de bolletjestrui doorgegeven. Die buizenpost zoog dikwijls slechter dan een allang gepensioneerde en uitgeputte prostituee. Volgende dag. Geen bolletjestrui in de krant. Hoezo niet Bert v.d. Does? Geen ruimte en niet interessant. Niet interessant? Schaamde me te veel om hem te vertellen dat ik daarvoor speciaal ’s nachts van huis naar de redactie was teruggereden. Ja die begintijd, hopeloos. Ik leer het nooit, dacht ik. Gaf me een steen, ik zou hem om mijn nek gebonden hebben en in de Amstel zijn gesprongen. Reed in Utrecht met een bordje PRESS op het dashboard van mijn Honda Civic. In Amsterdam liet ik dat wel wijselijk uit mijn hoofd. Met verhalen zoals deze trok ik jaren later als docent journalistiek volle collegezalen op de Erasmus Universiteit en aan de Academie in Tilburg. Een docent moet weten waarover hij praat. En hij moet meer: hij moet zichzelf niet al te serieus nemen, de studenten trouwens ook niet, en hij moet van lesgeven ook een beetje theater maken. Afgekeken van de hoogleraar prof. dr. Visser op de Erasmus van wie ik toen niet begreep dat iemand met zo’n eenvoudige doorsnee achternaam professor doctor kon worden. De studenten boeien dus. De studenten moesten met een plezierig vooruitzicht ontwaken halverwege de ochtend. Van Nieuwenhuizen schilderde ik af als een beul van wie ik het vak had geleerd en van wie ik gaandeweg was gaan houden. Wekenlang liet hij mij niets anders doen dan de rubriek Sport Kort vullen. Zó leerzaam! Schrijven op de vierkante millimeter nauwkeurig, ik maakte er voor de studenten die écht wilden een circusnummer van. Kon met tranen in mijn ogen in de collegezaal over voormalig Feyenoord-trainer Vaclav Jezek vertellen die ik als door een wonder ontdekte tussen de één miljoen demonstranten in Praag. Het was november 1989 en als chef buitenlandredactie ging ik na de val van de Berlijnse Muur verder Oost-Europa af. Jezek als demonstrant, dat was wel even een heel ander gezicht. Hij nodigde me uit bij hem thuis. Een onbeduidend straatje. Een piepklein voortuintje. Daar bij hem thuis deed Jezek open in een marineblauwe slobbertrui en op gewatteerde ruitjes pantoffels. Het werd een wonderschone zaterdagavond bij een potkachel in een buitenwijk van Praag. De volgende dag interviewden wij samen Vaclav Havel. Eén keer ben ik stiekem weggebleven bij een wedstrijd die ik voor Parool Sport moest verslaan. Het was de wedstrijd tussen het Haarlem van de zingende trainer Barry Hughes met rolfluit en FC Utrecht op een zaterdagavond. Was te dronken om ook maar te weten in welke richting ik de auto moest zetten om naar Haarlem te rijden. We hadden ’s middags kampioen kunnen worden met het honkbal van HMS, maar werden in een beslissingswedstrijd in Zwijndrecht tegen de Twins uit Oosterhout finaal van het gravel gespeeld. Waar het ANP al niet goed voor was. Schrijven over iets dat je niet gezien had bleek nog een hele kunst. Ze hebben het nooit geweten bij Het Parool, en misschien ook wel maar zeiden ze er maar niets van. Ik was intussen al wat opgeklommen in de hiërarchie van de sportredactie. Het was net als in militaire dienst waar je bed van lieverlee opschoof naar het raam. Dan was je een oude stomp met veel privileges. Sliep je in zo’n dubbeldekker ook niet meer boven maar beneden. In Zwijndrecht werden we voor veel publiek volledig in ons hemd gezet en na afloop namen we maar een pilsje en daarna nog één en nog één. Het gaf ons het gevoel toch een beetje te zijn gepromoverd. Naar het luchtledige, dat dan weer wel. Werkten we toen nog met schrijfmachines? Waarschijnlijk wel. Ja natuurlijk, we werkten nog met ouderwetse schrijfmachines met lint dat soms versleten was. Op de bureau’s stonden nog Remmingtons. We hadden nog kopijpapier en koppenbriefjes in verschillende kleuren die correspondeerden met de verschillende edities. De breedte van de koppen rekende je uit aan de hand van een speciaal boek met tabellen. Schrijven is ook het kunstje afkijken en dus veel lezen. Goeie schrijvers lezen. Ineens had ik het te pakken en oogde de glinstering van het water van de Amstel meteen anders. Opmerkelijk dat die dingen je na bijna een halve eeuw nog zo goed voor de geest staan. Voor een artikel over het bankroet van de voetbalprofclub Amersfoort floepten de woorden in razend tempo op het kopijpapier. Ik gooide er op die ouwe Remmington een metafoor tegenaan en zo meer. Ik ga het hier redden, dacht ik, ik weet het nog goed. Bij het geliquideerde SC Amersfoort speelde mijn drogist en bijna achternaamgenoot Marco Cabo. Stond Nico van Zoghel er niet in het doel alvorens naar een aanleunflat te gaan? Er is geen woord van gelogen maar aanvankelijk vreesde ik dat ik het nooit zou leren dat schrijven. Maar niet zonder kleerscheuren wist ik mijn fantasie en creativiteit an te boren. Het gaf een bevrijd gevoel. Speelde het eerste jaar bij Parool Sport serieus met de gedachte weer terug te gaan de ambtenarij in, terug naar de zwangere schooljuffen. Met alles wat ik nu schets kon ik me later verschrikkelijk ergeren aan het idiote competentiegerichte onderwijsmodel voor journalistiek op de hogeschool. Dat had alles met de tekentafel te maken en niets met de praktijk. Wat dat betreft hadden ze het op de Erasmus beter begrepen. Als je als student op de hogeschool een beetje aanvaardbaar stukje had geschreven, kreeg je meteen te horen dat je competent was. Bij Parool Sport werden de professionals, niet één kon een lekke autoband verwisselen zo bleek eens, steevast afgerekend op hun laatste artikel. Jammer dat de hbo-studenten pas op hun tweede stage bij een landelijke krant in de gaten kregen hoe de journalistieke wereld er in werkelijkheid uitzag. Die was niet zoetsappig. Bij Parool Sport heb ik ook in het openbaar leren praten. Zo’n beetje één keer in de maand moest je met een bal onder je arm naar een feestavond in een barstensvolle kantine met visnetten en ballonnen van een Amsterdamse amateurvereniging. Dan ging de oude verzetsheld Jaap ten Dam voor de uitreiking van de Parool Bal met je mee. Jaap was een belangrijke en populaire apostel in het Amsterdamse amateurvoetbalgebeuren. Afschuwelijk woord trouwens. Herinner me DCG. Uitbundige begroeting aan de voordeur. Ze waren net bezig de bingo af te ronden. Armen om je nek en knuffels van wildvreemde mensen. Voelde me hogelijk opgelaten. En dan moest ik nog in een microfoon blazen dat de band tussen DCG en Het Parool onverbrekelijk was. Daar heb ik geleerd in het openbaar te praten, want dacht ik: toon geen zenuwen want dan krijgen die mensen het ook automatisch warm, en dat kan nooit de bedoeling zijn, oefen maar alvast voor bruiloften en begrafenissen. Hoe ik in vredesnaam ooit de sportjournalistiek vaarwel had kunnen zeggen, kreeg Ellen naderhand vaak te horen. De sportjournalistiek uit eigen vrije wil opgeven voor het verslaan van ontvoeringszaken en een gaslek in de Rijnstraat met evacuatie van de bewoners? Ellen antwoordde dan dat ik met die ontvoeringszaken opnieuw de tijd van mijn leven had, wat al helemaal niet op verjaardagen werd begrepen. Hoe kon je nou met ontvoeringszaken de tijd van je leven hebben? Buitenstaanders wilden het leven van een sportjournalist nog wel eens idealiseren. Het had z’n mooie kanten, zeker, maar het was toch vooral hard werken en zweten in het gevecht de deadlines te halen. Je liep en rookte de longen uit je lijf. Op winteravonden zat je in twee dikke truien en jassen te klappertanden op de perstribune. Eenmaal rond middernacht weer thuis uit Maastricht of Enschede greep je vanzelf naar de whisky. Ach, hooligens en zo boeiden me gaandeweg meer dan een schot op de paal of in de kruising. Dat was het gewoon. Maar bloeddruk verhogend en onvergetelijk bijvoorbeeld de Europese triomftocht van de basketballers van Nashua Den Bosch met in 1979 als absoluut magistraal klapstuk de zenuwslopende wedstrijden tegen Bologna. Parool Sport heeft me liefde voor het vak bijgebracht. Liefde voor het journalistieke handwerk. Liefde voor de kunst van uitdrukkingsvaardigheid op papier. Want dat is het: het is liefde voor het beroep van journalist. Er toch met niet al te veel kleerscheuren gekomen.
Een te weinig concreet reisadvies voor de zorg
Even voor een uurtje bij de buurman om bij een alcoholvrij biertje de wereld door te nemen. De Democraten in de bananenrepubliek Amerika zijn een geliefd gespreksonderwerp. En dan met name hun gerollenbol om een uitdager op te scharrelen van die man met zijn melkboerenhondenhaar en zijn pruillippen die zelfs in zijn slaap nog liegt. Die zelfbevlekker kocht alle reclamemogelijkheden bij YouTube op voor een miljoen dollar per dag. Bij zulke verkiezingen en bedragen gelieve alcoholvrij te drinken. Terug thuis: ‘Daar is hij weer.’ Had het goed verstaan terwijl ik me over Ellen heen boog voor een kus. ‘Zeg het nog eens Ellen.’ Helaas. Hier bleef het bij. Maar ogen die helder stonden. En dat bleven ze. Een glimlach. Vaag, maar wel een glimlach. Ze luisterde naar een cd van Elvis. Can’t Help Falling in Love. Kon het toepasselijker? Nee, eigenlijk niet. Daar ben je nou mantelzorger voor. We verkeren al jaren in zwaar weer, maar met beiden de zuidwester op en een oliejas aan. Met zulke kostbare momenten, ook al zijn het er maar twee per dag, of dat nog niet eens, houdt een mens zijn mantelzorg vol. Zo ver weg en tegelijkertijd zo dichtbij. Ik had het je voorspeld, schreef eindredacteur Jan van Ewijk vanuit Hoofddorp vorige week. Na zes weken schrijfonthouding had ik toch weer de pen opgepakt tegen alle voornemens in. ‘Je kunt het toch niet laten en je zou het ook niet eens moeten willen.’ Hij kreeg gelijk, mijn vaste corrector met zijn timmermansoog voor taal en zijn vlijmscherpe speldenprikken bij het schrijven aan de boeken over Ellen en ons omgaan met de ziekte van Parkinson + de vermaledijde dementievariant van Lewy Body. Van Ewijk liep een halfjaar stage in een verpleeghuis aan de Amsterdamse Zuidas. Hij is er net van teruggekeerd. Hij gaf zijn ogen goed de kost. De urinelucht zit nog in zijn neus. Wat is dat toch met die verpleeghuizen dat het er altijd naar urine ruikt? Waarom laten ze die stinkende kar met gebruikt incontinentiemateriaal en dergelijke toch altijd uren onbeheerd in de gang staan? Het blijft vaak fabriekswerk met die verpleeghuizen. En het heeft niets met de werkdruk te maken. Schrijven heeft iets verslavends. En kan ook als bevrijdend worden opgevat. Al maakt het onder woorden brengen van een gekanteld bestaan de situatie niet minder erg. Heb, zo houd ik mij voor, nooit de illusie de wrede wending in het leven van je af te kunnen schrijven. Je schrijft die ontgoocheling eerder naar je toe. Schrijven kan ook waardevol voor lotgenoten zijn. De bewijzen daarvoor liggen op tafel. Het is voor lotgenoten het besef niet de enige te zijn. Gedeelde smart. Het is ook de wetenschap dat wíllen we iets veranderen in de ouderenzorg, de impulsen zeker ook van onderaf moeten komen en niet alleen van de vaak verbureaucratiseerde en vermolmde landelijke en gemeentelijke overheden, en de daarvan afgeleide instanties met hun woud aan loketten. Soms lijkt het wel dat die instanties hun medewerkers selecteren op een leeg hoofd. Overbelaste mantelzorgers zijn er de dupe van. De administratieve werkdruk in de zorg is volledig uit de hand gelopen. Het is manisch. Het is de zuigkracht van de pc. De manie alles te willen registreren tot aan de grootste onzin en ballast aan toe. De mensen om wie het zou moeten gaan, schieten er vaak geen donder mee op. Geen handen aan het bed maar veeleer aan het toetsenbord van de computer. En ondertussen kijkt het verpleeghuispersoneel natuurlijk ook even stiekem en gauw of er nog nieuws is van de families Hazes en Borsato. Administratiefetisjisme en regelzucht. Waarom zou een tiener haar maatschappelijke stage in een verpleeghuis niet op de afdeling van haar oma mogen verrichten? We hebben het zelf meegemaakt. Het mocht niet. Wat is dat voor een flagrante onzin? Grijp goddomme alles aan om jongere generaties tot mantelzorgers te smeden. Smeden begint bij stimuleren. Als dat in het verpleeghuis met de eigen oma begint so what! Jonge mensen die de zorg instromen worden meteen geconfronteerd met allemaal dingen die ze niét mogen. Ze leren er ook om eten dat die dag is overgebleven maar meteen weg te kieperen in de pedaalemmer. Waarom zou je het niet kunnen invriezen? Hoe komen we goddomme toch aan die negatieve cultuur? Lunchte gisteren met een oud-studente die de halve wereld al heeft afgereisd. Ze begint Nederland steeds meer te ervaren als een kut land dat zich van elke spontaniteit heeft ontdaan. Veel migrantvrouwen zitten werkloos thuis achter de glasgordijnen. Ze komen nauwelijks met onze maatschappij in contact. Waarom haalt de Inspectie voor de Gezondheidszorg ze met cursussen en een baan niet achter de vitrage vandaan? Dot bevolkingsdeel is over het algemeen bij uitstek geschikt voor de zorgsector. Eenvoudigweg omdat ze een veel meer met empathie en ontzag voor ouderen gevoede culturele achtergrond hebben dan wij westerse individualisten. Te stroperig die Inspectie? Vergaderzieke club? Of vriendelijker geformuleerd: een instituut dat het overzicht over de zorg allang kwijt is en niet meer tot creatief denken en daadkracht in staat is? Regels en nog eens regels en aangeharkte tuintjes vol ontevreden burgers. Langs die tuintjes bewegen zich messentrekkers van dertien. Wees blij als een tiener haar maatschappelijke stage op de verpleeghuisafdeling van haar oma wil volgen en spijker de boel niet hersenloos dicht met oeverloos gezeik. De zorg en het onderwijs blijven stiefkinderen binnen het machtsdenken dat nog altijd wordt beheerst door het onweerstaanbare en zaligmakende evangelie – voor anderen intussen allang een dwaalleer – van de economische groei. Terwijl de storm Dennis met orkaankracht en wateroverlast rond het huis raasde deze zondagochtend en ik in het half-schemer naar mijn mails keek, zag ik daartussen een bericht van een onbekende. Een mantelzorger uit Leende waarvan ik veronderstel dat het in Brabant ligt. De mail is opgevat als een bevestiging dat even stoppen met schrijven niet verkeerd is, maar helemaal stoppen daarentegen mogelijk – voorzichtig gesteld – wel. Uiteraard wil ik de collega-mantelzorger uit Leende op zijn verzoek graag ontmoeten om te praten over eventuele aanvullingen (van binnenuit) op het pas verschenen rapport over de zorg van Wouter Bos cum suis. Maar zolang ons denken en handelen voornamelijk gericht blijft op de morele valstrik groei, op economische groei, zullen de huidige verpleeghuizen almaar verder veranderen in hospices. De ongewenste metamorfose. De doodsmak bij de eerste stap over de drempel van het verpleeghuis waaruit ook steeds meer de activiteitenprogramma’s verdwijnen. Waarom zou je doodzieke mensen nog vermaken? Op Welzijn valt te bezuinigen. En ja, is Wouter Bos een ingewijde? Is hij zelf mantelzorger? Of dankt hij zijn commissielidmaatschap aan het verfoeide politieke old boys network? Blijf het hoogst verwonderlijk vinden hoe steeds weer dezelfde personen opduiken in verschillende gedaanten en in de meest uiteenlopende gremia. Wouter Bos behoorde tot de politici en gezondheidseconomen die mede verantwoordelijk zijn voor de verschraling van de zorg in de afgelopen decennia. Ook de PvdA kan daar niet voor weglopen. Reisadvies naar 2030? Dan zullen er in Nederland twee miljoen mensen 75 + zijn en 540.000 80 +. Zijn rapport met 35 aanbevelingen staat barstensvol metaforen. Er staan levenloze zinnen in die in elk rapport kunnen worden overgenomen ongeacht het onderwerp. Mooischrijverij, oordelen de critici. Wouter Bos komt met 35 aanbevelingen. Dat zijn er dertig te veel. Het proza ligt vermoedelijk nu al in de onderste lade van het bureau van de minister. Boze boeren en buitenlui heersen over het Binnenhof, niet de ouderenzorg. Wie als bewindspersoon bij een microfoon huilt een boerendochter te zijn roept de anarchie over ons land uit. Niettemin de zorgpetitie ondertekend. Maar met de kanttekening dat zonder emotie voor de zorg de ratio niet kan bestaan. De emotie als voedingsbron. De zorg kan niet alleen maar met ratio cijfermatig en klinisch tegemoet worden getreden. Lang niet iedereen heeft de luxe van een verzorgende (Diana) die nachtdienst wil draaien en blijft logeren. Het biedt deze mantelzorger de mogelijkheid een weekendje weg te gaan van het door ziekte beheerste thuisfront. Zonder die luxe zouden wij zijn aangewezen op een zorghotel voor het opladen van de batterijen. Maar van zulke zorghotels zijn er veel en veel te weinig. Bovendien dienen de meeste als herstellingsoorden na een operatie. Elke gemeente heeft wel één of meer zorghotels nodig waar mantelzorgers hun ongeneeslijk zieke geliefde naartoe kunnen brengen om zelf even de thuiszorg achter zich te kunnen laten. Al is het maar voor anderhalve dag. Er zullen veel zorghotels bijgebouwd moeten worden om het verontrustend groeiend aantal mantelzorgers heel te houden of iets dat daar op lijkt. Want helemaal heel blijft geen enkele toegewijde mantelzorger. Ik heb het bij eigen ervaring. Mantelzorg doet verschrikkelijk veel met je geest en met je lichaam. Al geeft zo’n opmerking ‘Daar is hij weer’ je een enorme boost. Feit is dat ondanks een immens leger aan mantelzorgers hun positie onderbelicht blijft. De appendix. ‘We moeten het niet óver ze hebben maar mét ze.’ Dat betoogt Wouter Bos. Maar als je al mét ze praat, hoe dan? Met welke bedoeling? Hopelijk met meer dan een warme begripvolle hand op het voorhoofd. Ontdoe die zorg eerst eens van zijn vele abstracties. En dat alles terwijl volgens internet de breuk tussen kleine Dreetje en ‘zijn’ kunstmoeder Bridget ondertussen heel Nederland in zijn greep houdt. O ja? Hebben we niks beters te doen? Ook de vermaarde mediahistoricus prof. dr. H.B.M. (Huub) Wijfjes van de universiteiten van Groningen en Amsterdam breekt er zijn hooggeleerde hoofd over. Het ‘droomsetje’ haalde niet eens zijn eerste Valentijnsdag. Voor mantelzorgers is het bijna jaloersmakend je uitgebreid te kunnen bezighouden met boulevardnieuws. Laten we maar blijven relativeren. Zoals ook deze week opgemerkt tegen de collega van Parool Sport die ik in geen veertig jaar meer gesproken had. Veertig jaar? Langer! Henk van der Sluis. Ik moest even nadenken toen hij me in de sauna belde, maar natuurlijk herinnerde ik me hem nog goed. Samen volgden we eens Feyenoord op zijn reis voor de Europa Cup naar Eintracht Frankfurt. Schreef eens over de voetbalclub Unitas uit Gorkum. In mijn artikel kwam Unitas uit Gouda. Het heeft me achtervolgd. Heel veel later reed ik dagelijks naar Tilburg en passeerde ik op de A27 de vereniging Unitas. Ja, wrijf het er maar in, dacht ik dan. Er komt een reünie van Parool Sport door de vele jaren heen. Die reünie in Wijdewormer of daar ergens in de buurt lijkt me fantastisch. Ze moesten eens weten hoezeer ik daar als mantelzorger naar uit kijk.
Dag Johan, Gisteren hoorde ik van enkele Amsterdammers die bij ons op bezoek kwamen over jouw zienswijzen, overtuiging, houding en activiteiten. Ik had wel eens van jou gehoord, maar dat viel toen in de categorie ‘mensen die hun levensverhaal uit schrijven’. Vooringenomen en onjuist. Ik ben op internet gaan zoeken en lezen, en ik vond niet alleen een literair begaafd schrijver maar ook iemand met een mentale instelling die mij raakt. Ik ben de klok rond mantelzorger voor ons Ineke (mijn vrouw) die dezelfde ziekte heeft als jouw Ellen. Ik wil eigenlijk twee dingen: – jouw boek over de passies achter je woorden. Ik betaal de kosten vooruit. En – een gesprek over jouw visie op een concept-tekst die ik aan het schrijven ben. Over een grote noodzakelijke wending in de zorg van ouderen, die concreter is dan het recente rapport van Wouter Bos.c.s. (Reisadvies naar 2030). Mijn voorstel is om eens met elkaar te praten. Wij wonen in de gemeente Leende, nabij de Achelse kluis. Laat maar weten of je voor nader contact voelt, in elk geval veel dank voor je aandacht en moeite. Hartelijke groeten. (A.M.)
De Dolle Mina’s van Kerkrade
Terwijl Marco Borsato weer bij zijn moeder is gaan wonen en langzamerhand van de voorpagina van de roddelhitsige parochieblaadjes Telegraaf en AD verdwijnt, maakt daarop een bakker uit Monster zijn opwachting. Eigenlijk geeft het misèrenieuws rond die bakker uit de buurt van Den Haag heel goed aan hoezeer de door Farmers Defence Force geterroriseerde boerennatie Nederland in staat van ontbinding verkeert. Want laten we eerlijk zijn, de agrariërs maken de laatste tijd de dienst uit. En geen agrariërs meer dan ook geen eten meer en zeker geen banket. We zijn gewaarschuwd. Over banket gesproken: de HEMA noemt de moorkoppen geen moorkoppen meer. Ze heten voortaan chocoladekoppen. Nou aten we die vanwege ons gewicht toch al niet, dus vooruit. Chocoladekoppen vanaf nu. Een banketbakker uit Monster vond dat het initiatief van de HEMA navolging verdiende. En dus gaf ook hij de moorkop een andere naam. Het werd roomkop. Waarom niet ook chocoladekop vertelt het verhaal niet. Maar het zou wel zo eenvoudig en overzichtelijk zijn geweest als de banketbakker de nieuwe benaming van de HEMA had aangehouden. Of de HEMA die van de banketbakker. Maar nee. De banketbakker uit Monster verkoopt sinds kort roomkoppen. Dat is hem in het protestantchristelijke buitengebied van Den Haag met zijn kassen voor komkommers en tomaten duur komen te staan. Ineens kreeg hij te maken met enkele actiegroepen waaronder het plotselinge gezelschap ‘Red de moorkop’. Beslist iets om je druk over te maken. Red de moorkop van zijn ondergang. Het bleken hyperventilerende fanatiekelingen, evangelisten die in conditie wilden blijven voor de strijd om zwarte piet. En natuurlijk vormden de ontwikkelingen groot nieuws voor het hijgerige Algemeen Dagblad dat er met diepzinnige beschouwingen en een biografie aangaande de boreale moorkop alles aan deed om De Telegraaf voor te blijven. De banketbakker uit Monster schrok zich rot maar kon met de roomkop niet meer terug. Hij kreeg zelfs in zijn bakkerij met fysieke bedreiging te maken. Ik probeer me daar een voorstelling van te maken. En dat is heel moeilijk. Nederland in ontbinding. Scheldpartijen treffen Nederlanders met een Aziatisch uiterlijk alsof die persoonlijk voor het coronavirus hebben gezorgd. De messentrekkers op straat lijken de laatste tijd regelrecht uit het kinderdagverblijf te komen. Vuurwerk met Oud & Nieuw is er om de hulpdiensten te pesten. Een banketbakker uit Monster loopt gevaar omdat hij de moorkop omdoopte in roomkop. Waar zou onze geliefde en hopeloos voor beschaving vechtende roerganger Baudet (vriendinnen en niet bestaande Marokkaanse treinbelagers) in deze hele discussie staan? Wat zou Donald Trump zeggen als we het hem konden voorleggen? Hij heeft er vast een mening over. Zoals hij als enige in de wereld weet dat het nieuwe coronavirus in april voorbij is. Het laatste nieuws is dat er rond de bakkerij in Monster mobiele camera’s zijn geplaatst en dat de bakker het nog een poosje probeert vol te houden met zijn roomkoppen. Maar wordt het écht te gek dan verdwijnen de dikmakers uit zijn assortiment. Binnenkort komt dit hete hangijzer als bloedstollend item natuurlijk bij ‘Opsporing Verzocht’. Dan krijg je televisiebeelden te zien van gebivakmutste actievoerders die als in de Kristallnacht een winkelruit ingooien omdat de moorkop niet meer moorkop heet. Diverse strafrechtadvocaten melden zich meteen om in een blonde overtuiging de bewakers van het Nederlandse erfgoed te verdedigen tegen een anti-boreale rechtsgang.
Het kan toeval zijn. Maar misschien ook wel niét. Afgelopen zondag nog tamelijk vroeg in de ochtend ploegden zich overal vandaan jongemeiden met rode pruiken op en in knalrooide panty’s door de storm naar de bars en lunchrooms aan de Markt in Kerkrade. Een koddig gezicht waar het kerkklokkengelui slechts aan ontbrak. Het was net het fundamentalistische Staphorst op de zondagochtend maar dan rood in plaats van oudtestamentisch zwart. Maar even zo serieus. Geen kerel te zien, ja drie in de Hoofdstraat bij de pinautomaat van de ING, voor de rest alleen maar rooie vrouwen. Op de radio in de auto besprak OVT van de VPRO ondertussen opgewekt de circa tien jaar die Nederland met de Dolle Mina’s te maken had gehad. Je had de intellectuelen onder de Dolle Mina’s die kwijlden bij de leer van Marx en Engels. Ze dweepten met Simone de Beauvoir. Sartre, weliswaar een man, mocht er ook zijn. Die intellectuele Dolle Mina’s kwamen vooral uit Amsterdam. Duidelijker nog: van de grachten. Hoe kon het ook anders. Ze waren ook van de sherry. De sherry die je zelf mocht tappen bij Henri Bloem. Sherry uit een groot donkerbruin houten fust met onderin een kraantje. Je had ook de meer militante Dolle Mina’s voor wie de alleenheerschappij over hun eigen buik hun gehele liturgie besloeg. Buik als uitgangspunt. Scherp mes tussen de tanden. Marx en ook Engels kon deze Dolle Mina’s gestolen worden als ze al ooit eens iets van die twee gelezen hadden. Zo’n Dolle Mina was Ellen. Gingen deze vrouwen in Kerkrade met hun rooie pruiken en rooie nylonkousen naar een herdenking van de Dolle Mina’s? Had ik iets gemist? Dat moest haast wel met de Dolle Mina’s bij OVT op de radio en in Kerkrade alleen maar vrouwen op straat. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. En toevallig had ik ook nog eens een volle blaas. ‘Nee meneer, U mag hier niet naar binnen. Vanochtend alleen voor dames’, sprak de kelner naast het kantoor van de Rabobank op de Markt in Kerkrade. Hij stond er bij te lachen en te molenwieken. De kelner liep rondjes op de stoep alsof hij zo-even van zijn paard was geklommen. Groot bord boven zijn hoofd waar ik geen wijs uit werd. ‘Nou vooruit eigenlijk maar, even plassen is toegestaan. Maar probeer op uw leeftijd toch nog maar even tempo te maken.’ Dit kon niet anders dan Memorial Day van de Dolle Mina’s zijn. Hier werd op de stoep bij de buren van de Rabobank in Kerkrade wel erg de nadruk gelegd op de man als bedreigend diersoort. Besloot om na het plassen snel enkele dames aan te spreken en ze te vertellen dat ik deze pijpenla was binnengeglipt vanuit een eerbetoon aan mijn geliefde vrouw Ellen in het Utrechtse. Ook ooit praktiserend Dolle Mina. Niet van Marx of Engels, wel een beetje van Simone de Beauvoir, en vooruit: een vleugje Jean-Paul Sartre, maar vooral van De Buik.
‘U bent in de war meneer. U zegt? Dolle Mina’s? Waar heeft U het over? Wat zijn dat, Dolle Mina’s? Welnee, het is in Kirchroa aanloopzondag naar het carnavál meneer! Nooit van gehoord? We kunnen niet wachten tot het weer zover is met het carnaval. We ontbijten hier gezamenlijk. We nemen hier koffie met gebak. Daarna gaan we met z’n allen in optocht naar de Rodahal om de hoek. Daar gaan we zingen. Ja, ook liedjes van Marco Borsato. Woont hij nu bij zijn moeder? U bent goed op de hoogte. Maar van onze voorpret op het carnaval wist U niets af? Na de Rodahal komen we hier terug. Dan mogen de mannen ook naar binnen. Nee, eerder niet. Hoe is het U zo gelukt voorbij de portier te komen?’ Lieve help, toch niet straks de ongegeneerde en deprimerende carnavalsfluim over genezen en Chinezen en het coronavirus, flitst er door mijn hoofd. Ik wil er niet met de dames uit Kerkrade over beginnen. Mijn plastijd is gelijk een verpleeghuis al ruimschoots om. ‘U bent toe aan koffie met gebak, zie ik. Hoe noemt U in Kirchroa dat gebak?’ Het tafeltje rooie nylonkousvrouwen joelt. Dat gebak? Nou heel gewoon, een Bossche bol.”
****
Even overwogen van fysiotherapeute Dorothy afscheid te nemen met chocoladekoppen van de HEMA, of met roomkoppen uit Monster, maar het werd een grote bos gele tulpen. Na bijna dertig jaar bij één en dezelfde praktijk gaat ze dichter bij huis werken. Dorothy liet een prachtige handgeschreven boodschap achter met ‘veel bij jullie geleerd hoe het ware leven in elkaar steekt’. Om werkelijk trots op te zijn. ‘De liefde voor elkaar brengt aandacht en doorzettingsvermogen en kan opmerkelijk veel de baas’. Bewaartekst. We gaan Dorothy missen. Drie jaar lang was ze er elke week. Ze gaf veel om Ellen, dat kon je zien. Diana coördineert de fysiotherapie van Ellen en houdt sowieso met Dorothy contact. Van ergens ver weg, het doet er niet toe wáar precies, onverwacht contact met een altijd vrolijkvriendelijk joch dat inmiddels 56 jaar blijkt te zijn. Hij schreef de stoute schoenen te hebben aangetrokken voor een brief. Of ik nog wist wie hij was? We hadden elkaar immers in geen veertig jaar meer gesproken en gezien. De zoon van m’n oud-collega herinnerde aan de rit in mijn Deux Chevaux naar Haarlem waar we zijn eerste honkbalhandschoen kochten. Door mij was hij gaan honkballen. Zijn vader klom eens met zijn korte beentjes woest over het hek om een coach de les te lezen. Ik zou dat jaren later ook eens doen bij het hockey van Kampong van mijn kleindochter. Schaam me er nog voor. Hij schreef over zijn avonturen bij UVV. Over zijn broer die veel beter was dan hij en die thuis en buiten de deur alle aandacht kreeg. Meisjes bij de vleet die broer, hij niet. Hij kon er mee leven. Toen en nu nog steeds. Maar wel jammer, zo stond in zijn brief, dat hij door beperkte sporttalenten nooit een echte band met zijn vader had kunnen opbouwen. Had hij zijn vader wel ooit leren kennen? Hij dacht van niet. Wat was zijn vader eigenlijk voor een man geweest? Zeer getapt bij iedereen, dat zeker, maar hoe was hij écht? Zou ik hem daarover kunnen vertellen? Nee, zou ik hem daarover willen vertellen, met de nadruk op willen? Nu hij zelf een zoon en een dochter van rond de twintig had, realiseerde hij zich wat hij had gemist: een band. Hij had dus de stoute schoenen aangetrokken, zoals hij schreef. Hij was me via internet op het spoor gekomen. Hij had de website bezocht en verschillende blogs gelezen. Ze hadden hem ontroerd. Hij vroeg naar Ellen die hij nooit had ontmoet. Ellen was van later. Ik ga hem over zijn vader vertellen. Van lang geleden. Die vader was bij zijn geboorte al behoorlijk op leeftijd. Die flamboyante vader hoorde eigenlijk in Nederland niet thuis. Te kil Nederland. Te calvinistisch en te betweterig. Te veel van achter de ellebogen. Ik hoor het hem nóg zeggen. Hij was een tropenkind. Hij was een kind van de vrijheid die zijn werk toch ook wel een beetje beschouwde als een plek om tot rust te komen van een drukke vrije tijd. Op de Rijksuniversiteit van Utrecht scholden we vanachter ons bureau de Amerikaanse president Johnson de huid vol. Onze collega uit de tropen knikte slechts. Want de Vietcong was ook niet alles. In zijn ogen dan. Wij dachten daar heel anders over. Het was de tijd van de serie M*A*S*H op tv. Van Suïcide is Painless, it brings on many changes. Muziek en tekst van Johnny Mandel en Michael Altman. 1970? Zo ongeveer ja. Onze (behalve sport) alles relativerende collega met gelige tropenhuid had vanuit Azië een hoop anekdotes meegebracht naar Utrecht waar op dat moment het prachtige authentieke station met zijn marmeren beelden en zuilen onder de vernielzuchtige slopershamer verdween voor zoiets wanstaltigs en megalomaans als de betonnen Brederobunker Hoog Catharijne. Vandaag de dag zouden ze mijn oud-collega uit de tropen om het coronavirus uitgescholden hebben. Hij moet een totok zijn geweest, net als Ellen. Maar destijds kende ik dat woord nog niet. Een buitengewoon geestige man. Als avonturier die alle wereldzeeën bevaren had, voerde hij altijd hilarische discussies met mijn chef die in zijn leven nooit verder was gekomen dan de Afsluitdijk. Het verhinderde die chef niet voortdurend te orakelen over wat er allemaal met de wereldpolitiek mis was, en hoe het anders moest. En de vader van de briefschrijver schudde daarop altijd zijn hoofd en lachte maar een beetje voor het vaderland weg. Hij kwam er toch niet tussen met een weerwoord. Die chef was nooit in één van onze koloniën geweest maar wist er ongezien zogenaamd alles van. De vader van de briefschrijver was er opgegroeid maar was tenslotte tot de conclusie gekomen dat hij ze in de koloniën niet begreep. Er valt zijn jongste zoon veel te vertellen. Die rit naar Haarlem voor een honkbalhandschoen herinner ik me niet meer. Het moet de winkel in honkbalartikelen van Nico van Heemskerk zijn geweest. Ik reed inderdaad in een Deux Chevaux. Naar Haarlem voor een honkbalhandschoen? Kan zijn, maar ik herinner me er niks meer van. Wel van de Indonesische rijsttafels die zijn moeder bereidde. De jenever die zijn vader schonk. In glaasjes waaruit je moest slurpen. Tijdens het wereldkampioenschap voetbal van 1974 en de Olympische Spelen van 1972 in München, die vooral herinneren aan het Arabisch-Israëlisch conflict, nam zijn vader een maand vrij en kwam hij zijn stoel thuis niet uit. Behalve dan voor een pilsje uit de koelkast. De chef zou zich hebben kunnen opwinden over de moorkop. De vader van de briefschrijver had fijntjes laten weten dat het hem aan zijn kont kon roesten.
Er hangt wel erg veel valse romantiek om de kerstdagen
Ik heb de uitzending niet gezien. Ga ook niet naar ‘Uitzending gemist’. Ik mis niks en zou me -vertraagd- weer gaan ergeren, concludeer ik na lezing van jouw verhaal. Ik word ook bedroefd en zelfs enigszins bevreesd als ik de andere zaken in dit en eerdere verhalen lees. Je legt vaak een pleister op -wat ik noem- gezwellen of geëtter in Nederland. Neem die farce van ‘Ongehoord Nederland’. Rob Wijnberg schreef in De Correspondent naar aanleiding hiervan, gebaseerd op -verifieerbare- feiten, dat juist Karskens meer dan een ander op de publieke omroep mocht optreden. Bazelt nu als Wierd Duk. Ik vrees dat het nu al sinds Fortuyn gangbare sprookje – gevoed door De Telegraaf, plus trollen op de sociale media, alsmede bange mensen in de politiek, overheid, media, enz. – dat ‘rechts’ geen evenredige aandacht krijt, voor waar is aangezien. Als zoete koekjes geslikt. En, verdomd: men zwicht! Niemand met ‘ballen’ ergens aan de stuurknuppel. Dat is al jaren gaande. En het wordt steeds erger. Dat verontrust mij. Een zuiverende column van Youp van ’t Hek maakt de te zuiveren slechts vuiler. Een artikel lezen van 200 woorden is te lang: lang leve de tweet!
Hoe kan het dat er op Schiphol ruim twintig ‘klimaatgekkies’, die bij hun demonstratie niemand hinderen, door de politie worden opgepakt? Terwijl de ‘boeren’, soms geëscorteerd door dezelfde politie, Nederland gedeeltelijk platleggen? Tja, de boeren zijn -uiteraard- de hedendaagse joden uit het ‘Sieg Heil’ tijdperk van Marco van Basten. Ik schaam me dan. En niet om die voetbal icoon, geboren in Utrecht.
Las dat het besteedbaar inkomen dit jaar van boeren gemiddeld 42.000 euro zal zijn en voor de werkende Nederlander 34.000. Wie zei er ‘huilie-huilie’? Ach, dit zijn cijfers van het CBR. Kloppen natuurlijk niet. Net als die van het RIVM. Alles gemanipuleerd door elites in Den Haag en Amsterdam.
Nou Johan, voor Klaas Dijkhoff zie ik hooguit een loopbaan weggelegd bij PSV als opvolger van Toon Gerbrands. De laatste wordt binnenkort rayonhoofd bij De Elfstedentocht. Gemutst oefende hij in Rotterdam bij de laatste wedstrijd van Mark van Bommel, coach van de voorheen multinationale ploeg uit Eindhoven. Die voetballen volgend jaar niet over de grens in Europa. Ach, op trainingskamp in slavenland Qatar. Samen met Ajax wat oliedollars in de knapzak en … vooral je mond houden: hoezee (maar dat was NSB)!
Jan van Ewijk,
PS Had ik jou, de lieve mooie Ellen en je team al een prettige jaarwisseling toegewenst? Voilà! En mijn gelukwens met jullie trouwdag!
****
Hi lieve Johan en Ellen,
Dank voor de mooie lieve decembermail. Ik wens jullie fijne, warme dagen vol sprankelende lichtjes en liefde.
Knuffels,
Annelies Verhelst, fotografie
****
Lieve Ellen en Johan! Wij wensen jullie fijne feestdagen toe en feliciteren jullie met jullie trouwdag de achttiende. Geniet van de jaarwisseling elders met een lekker glas wijn, kaasjes, kaarsjes en een hoop warmte voor en met elkaar. En in 2020? Inderdaad: meer rust en vrede overal. Laten wat meer respect hebben voor de ander. Meer zorgvuldigheid. Laat er in de maatschappij meer onderlinge acceptatie komen. Fijne liefdevolle dagen toegewenst. Wietske en John. xxx
****
****
Ze komen uit de top-20. Enkele fanfare favoriete foto’s van de voorbije jaren waarin we probeerden zo goed mogelijk om te gaan met de ziekte van Parkinson en het syndroom Lewy Body.
De natte wind die zich met Martin Luther King durfde te vergelijken
Onlangs bij EénVandaag de Boreale Gek raaskallend horen kletsmajoren over zijn onsamenhangende en met dure woorden bij elkaar geharkte verkiezingsbraaksel? De charlatan liet weer eens een kletsnatte wind. De narcist begreep alle negativiteit over zijn briljante dronkenmanstaal niet, en hoe vaker deze naar bewondering hunkerende schetsfiguur zijn proza terug las hoe opgetogener hij over zichzelf werd. Hoe had een mensenkind dit voor elkaar gekregen? Nee, dan was je beslist geen gewone sterveling. De dandy vergeleek zijn prietpraat met Martin Luther King eind jaren zestig. Het was zo ongeveer van hetzelfde kaliber. Toe maar! Van wereldklasse kortom. Het leek hier thuis even op Loppersum en de NAM. Interviewer Pieter Jan Hagens hield zich vast aan zijn stoel. Vroeg om een glas water. De dame naast Hagens verschoot van kleur. Begon haar boodschappenbriefje voor de kerstdagen te repeteren. Dit was heiligschennis. Lodewijk Asscher keek wat glazig voor zich uit. Hij bloosde. Of de charlatan meende wat hij zei, wilde Pieter Jan Hagens weten. Durfde hij zich werkelijk op één lijn te plaatsen met Martin Luther King? Wist de charlatan wel wat hij uitkraamde? Onze vriend in het ommuurde en hermetisch afgesloten biovakantieoord Vreugdehof moet maar vragen of hij niet van k(K)amer kan ruilen met die ongelofelijke idioot van een Baudet. Ongeveer hetzelfde glansrijke niveau als Martin Luther King in 1968. I Have A Dream… Wel ja joh! Wijlen Ischa Meijer zou gehakt hebben gemaakt van deze fluim. Hij zou hem waarschijnlijk zonder reiskostenvergoeding meteen naar huis hebben teruggestuurd. Ischa zou er onvergetelijke televisie van hebben gemaakt. ‘Meneer Baudet, doe ons een lol, U kunt wel gaan met die flauwekul.’ Zat als versteend in mijn stoel bij het aanhoren van die Haagse raaskal. Evenzo schrok ik van Lodewijk Asscher die niet op het idee kwam een hartaanval te simuleren. Hier misten we toch echt Frans Timmermans die de PvdA weer een beetje salonfähig maakte. De bal lag vrij op de doellijn voor de PvdA. Asscher hoefde die knikker maar een heel zacht schopje te geven. Hij kon er tegenaan piesen. Niet dus. Ongeveer hetzelfde glansrijke niveau als Martin Luther King…. Het bleef niet eens in ’s mans keel steken. Ik ben er nog steeds niet van bekomen. Op de radio had ik nog maar net Arnold Karskens van Ongehoord Nederland (of zoiets) verteerd. Die verzamelde al snel 50.000 medestanders en lijkt nu de draad kwijt. Arnold zette zich onder het uitlaten van een pitbull af tegen de NPO en de NOS. Die zou veel meer onder staatstoezicht moeten komen. Vond onze Arnold. Het leek wel of ik naar Donald Trump zat te luisteren. Maar het was Arnold Karskens, een toch gewaardeerd journalist die zich al zijn hele leven in oorlogsgebieden waagde waar anderen uit weg bleven. Bij ontevredenheid zou Rutte de hoofdredacteur van Het Journaal moeten kunnen ontslaan. Regeren op basis van emotie en ergernis. Censuur en decreten. Poetin en Erdogan als cocktail.Toe maar! Ik zie het al voor me. De hoofdredacteur van Het Journaal die in een directe, ingelaste uitzending zijn vertrek meedeelt en schuin achter hem onzichtbaar voor de kijkers een militair met een stengun. Aan het einde van de uitzending steekt de hoofdredacteur zichzelf een vlijmscherp keukenmes of Japans zwaard in het hart en roept nog net even ‘Hulde aan ons kabinet’. En dan wordt het ons allemaal rood voor onze ogen. Camera’s onder de bloedspatten. Het Wilhelmus klinkt. Nederland raakt verslaafd aan Griekse tragedies. We komen harnassen tekort om in te sterven. De intussen gesneuvelde hoofdredacteur stond net op het punt weer pijnlijke onthullingen te doen over Defensie en de Belastingdienst. De nieuwslezer kondigt ons de nieuwe hoofdredacteur aan en dat blijkt een prominent VVD’er te zijn die eerder zijn politieke functies moest opgeven in verband met malversaties als steunfraude. Wat natuurlijk volkomen flauwekul was, en dus onterecht. Een soort neoliberale rehabilitatie. Een huisjesmelker uit Amsterdam zonder geheugen treedt aan. Tegenkandidaat was iemand in een giletje. Heeft Arnold Karskens te lang als journalist in dictaturen rondgezworven? Zou de minister-president voor zo’n ontslag ook eerst even die boerendochter uit zijn kabinet raadplegen? En ook even zijn partijgenoot Klaas Dijkhoff bellen die waarschijnlijk juist op dat moment en met getrimd baardje zijn loonstrookje zit te bestuderen? Cabaret. En dan is kamikazepiloot en bonnetjes koorddanser Ivo Opstelten niet eens meer van de partij. Vind je het gek dat die boeren overal maling aan hebben? Hun Duitse collega’s krijgen ook de smaak te pakken en wippen massaal bij Gronau, of waar ook, Appelscha bijvoorbeeld, en Heiligerlee, de grens over. Hopelijk blijven ze geen vijf jaar. Zo’n stuitende vergelijking met de joden en de holocaust. De christelijke partijen als bakermat voor de boerenopstand. Boeren die ons uithongeren als ze hun zin niet krijgen. Boerenanarchie. Ze wanen zich almachtig en onaantastbaar die boeren. Als niets wordt tot iets verandert al gauw iets in niets. Heb ik van mijn moeder. Het is deze weken dertig jaar geleden dat ik in Praag was voor de krant. Een student stierf voor een betere wereld. Brandende kaarsen en waxinelichtjes voor deze student in een portiek in een nauwe straat. Vaclav Havel en Alexander Dubcek mobiliseerden een volksmassa in het spoor van de even eerder gevallen Berlijnse Muur. Een miljoen Tsjechoslowaken begroetten met het luidkeels zingen van hun volkslied het gedwongen aftreden van partijleider Jakes en zijn kliek. We stonden er tussen, de fotograaf en ik. Dagen achtereen had ook de voormalige Feyenoord-trainer Vaclac Jezek voor de vrijheid en de beschaving gedemonstreerd. Zal het bezoek aan zijn eenvoudige huis in een Praagse buitenwijk nooit vergeten. Jezek op pantoffels en in een slobbertrui bij een potkachel. Met kerst 1989 volgde de executie in Roemenië van het echtpaar Ceausescu. De nieuwe hoop. De renaissance. Wat is er niet allemaal met Nederland aan de hand ondertussen. Gekozen volksvertegenwoordigers die voor hun declaraties nooit precies weten waar ze wonen. Wat ze opgeven is meestal verder weg dan de werkelijkheid. En het heet altijd een vergissing. Leefden we vroeger van zuurstof, tegenwoordig leven we bij vergissing. Zou dat door al dat ge-app komen? Iedereen heeft haast. Iedereen is druk. Iedereen is ontevreden. Iedereen voelt zich tekort gedaan. Iedereen zit opgewonden met een kromme vinger boven een schermpje. Iedereen weet het beter. Iedereen vliegt op het Malieveld af. Utrecht heeft er sinds deze week weer een paar meter tramlijn bij. Eén van de duurste stukjes tramlijn ter wereld. Het gemeentebestuur is er nog trots op ook. ’s Nachts kunnen we niet meer pinnen maar mogen we wel 130 rijden. Overdag kunnen we wel pinnen maar mogen we niet meer dan 100. Het wachten is op de actiegroep die naar het Malieveld komt omdat het leven zonder ’s nachts pinnen niet meer te leven valt. Voor plofkraken ben je aangewezen op de daguren. Onbegonnen werk. Want met 100 kom je niet ver. Karskens die ervoor pleit dat Rutte de hoofdredacteur van het Journaal moet kunnen ontslaan. Hoezo? Rutte heeft zo weinig en kortstondig herinnering dat hij niet eens meer weet wat er de vorige avond in Het Journaal zat. Over die boerendochter in zijn kabinet wil ik het niet eens hebben. Opportunistische huilebalk. Een pleaser. Zag eergisteren ook de olijke Jetten in EénVandaag en moest aan Youp van ’t Hek denken: wist de moeder van Jetten wel dat hij nog zo laat op was? De levenslustige Jetten – moet een hele dure kapper hebben – deed hij bij Pieter Jan Hagens fantastisch. Met elan. Naast hem dacht Dijkhoff aan 2020 en in welke maand van volgend jaar hij de politiek verruilt voor een functie bij een multinational. Dijkhoff zat erbij als een zoutzak. Maar erger dan erg die verwaande boreale kwast met zijn boreale vergezichten op wie nog steeds zoveel mensen stemmen. Hoe krankzinnig kun je het hebben. Laat het bij hem bij dromen blijven. Even geen non-fictie meer. De feestdagen met fictie. Met de moordschrijver Harlan Coben uit New Jersey. Moordschrijver in dubbele betekenis. En gelukkig wordt er nog door dames gehandbald en verduveld goed ook. Dameshandbal: net als tennis, -volleybal en hockey zonder slidings en kopballen zoveel vrouwelijker dan voetbal.
****
Dit is na bijna 160 afleveringen voorlopig het laatste blog. En misschien wel het definitief laatste. We gaan in elk geval zonder pen en papier aan een diepe winterslaap beginnen. Even geen prozaïsche taferelen op de pc. Het begon met een boek. Daarna nog één. Toen de columns voor de patiëntfederatie. Vervolgens de blogs. En ondertussen nog drie boeken over met name Ellen en ons omgaan met de ziekte van Parkinson en Lewy Body dementie. De woelige baren. Op mijn vaste hotelkamer bij Cajou in De Panne als enig overgebleven badgast bij herfststorm en slagregens knutselde ik aan een speech over mantelzorg voor psychologen en verpleegkundigen in Dendermonde bij Brussel. Buiten zwiepte de trambedrading als wijzers van een pendule nog net niet tegen de drijfnatte gevels. Het scheelde niet veel. Georges Simenon en Maigret aan de verlaten Belgische zuidkust. Tram en rails krasten bij contact met elkaar alsof ze tegen elkaar wilden zeggen: zo is het na een lange opmerkelijke warme zomer wel genoeg geweest. Waar zou ik zonder mijn pen de afgelopen jaren gebleven zijn? Ik denk terug aan hoe het allemaal begon: de Spaanse badplaats in 2014 met zijn hotelkamer op twaalf hoog. Dat balkon waar ik het liefst van af gesprongen was. Ik loste het op met schrijven. Voor zover je van oplossen spreken kunt. Niet eigenlijk. Maar ik wilde niet gaan behoren tot het almaar groeiende leger aan burn-out gevallen. Vandaag zijn we 32 jaar getrouwd. Ellen en ik gaan naar de 37 jaar dat we samen zijn. En gelukkig maar, niet van balkon gesprongen in Fuengirola dat in bezit was genomen door zwaar getatoeëerde Britten. Tatoeages tot aan hun kruin. Geen vluchtpoging. Maar gaan schrijven met Ellen steeds dicht achter mijn veilige rug op de bagagedrager. Over vervoermiddel gesproken: ik dank de parmantige Skoda voor zijn trouwe dienst. Ik begin met hem. Of is het haar? Nog een paar dagen en hij/zij krijgt weer een grote beurt. Ik wil niet dubbelzinnig klinken, overigens. Op onze trouwdag ging Ellen bij bijzondere tandheelkunde aan de VU in Amsterdam onder het mes. Diana mee. Om de hoek van het gordijn mee gekeken en het was ontroerend om te zien hoe Diana de hand van Ellen vasthield terwijl die verdoofd in de behandelstoel zat. Of beter: lag. Bravo Diana. Een goed verlopen operatie bij de VU. Een pluim trouwens telkens weer voor alle vijf verzorgenden van Ellen. Ze zijn met Ellen mijn trots. Wat geweldig dat we gaandeweg dit kwintet bij elkaar gekregen hebben. Ze werken uit liefde voor Ellen en in elkaars verlengde. Ze zijn ook onderling in elkaar geïnteresseerd. Blijvende herinnering aan de bluesmiddag bij Trudy thuis. En aan het sprookjesachtige trouwgala van Diana d’r zoon Abdullah in de buurt van Venlo. De behandeling van Ellen in de VU verliep als gezegd rimpelloos. Maar het was geen kattenpis. Desondanks geen nazorg nodig. Geen bloedingen. Niets van dat alles. Wel tevoren even stress omdat die vreselijke boeren weer bezig waren wegen te blokkeren. Geef ze als domme boerendochter uit het kabinet een vinger en die boeren nemen anarchistisch de hele hand. En met die hand pakken ze ook meteen het hele land. De geest is uit de fles. Dank melodramatische boerendochter in het kabinet. Eind van de middag van 18 december was Ellen weer veilig thuis. Diana ontfermde zich verder over haar. Ze bracht Ellen op bed. Ze kleedde haar uit. Ze waste haar. Ze kookte wat macaroni. Ze maakte wat ragout warm. Ze zette een cd op. Maakte thee voor zichzelf. Thee met een kerstkransje. Deed de kaarsen aan. Ze zette de verwarming een streepje hoger. En ondertussen ging ikzelf op de borrel bij de buren. Van Fuengirola tot hier. We stoppen. Met blogs schrijven stoppen we, al dan niet voorgoed.
Ik bezag haar van opzij en dacht: nee. Hier lag toch echt mijn grens
Hartelijke vrouw, de receptioniste van hotelabdij Rolduc. Haar naam doet er niet toe. Ik weet ‘m niet eens. Vriendelijke vrouw. Altijd even een praatje. Altijd even informeren naar Ellen. En dat met het bronsgroen eikenhout accent van de Limburgers. Het gaat niet goed met Ellen. Nee, het gaat zeker niet goed. Maar ook niet slecht, nee. De winterdag is waardeloos. Ze is vatbaar voor alles, en dat met die kou, die gure verraderlijke wind, en met al die nattigheid. Bronchitis en daarna nog een poos een staartje bronchitis. Maar geen longontsteking. Van parkinson kun je het niet winnen. Ellen ligt veel op bed. Dat is voor haar in deze fase van haar ziekte het meest comfortabele. Maar eten als een bootwerker. Het gaat nu vaak eerst in de blender. Net het tuingereedschap van Husqvarna, die blender, met al die hulpstukken en dat handige kliksysteem. Herinnert me aan de twee buitenkranen. En aan van de zomer toen we ’s morgens vroeg bij dertig graden de tuin voor en achter stonden te sproeien. Dagen dat we naar de voor hier ongekende veertig graden zweetten. Aan de randen van het zonnescherm als extra nog een groot laken. Tuinplanten als drankorgels. De buitenkranen afsluiten voordat ze bevriezen door de vorst, waarschuw ik mezelf. Ellen is stabiel. Maar ze verslikt zich snel. Het zijn de spieren. Vandaar de blender. Inmiddels op de kop af tien jaar alweer dat ons leven in het teken van parkinson staat. Je kan er heel oud mee worden. Maar hoe? We vergaten het de neuroloog te vragen. Het valt niet altijd mee. We klagen maar niet. Er zijn ergere dingen. Broer en zus Hazes die geen moment rust wordt gegund. Niet klagen dus. Ook niet tegen de receptioniste van Rolduc. Het gaat redelijk met Ellen. En ze klampt zich nog steeds aan het leven en onze huiselijk warme gezelligheid vast.
De receptioniste van Rolduc knikt. Ze blijkt redelijk bekend met de verpleegzorg.Ik schat de receptioniste op vijftig. Ze vertelt. Over toen ze nog in een verpleeghuis werkte. Buiten komt de nevel opzetten. Binnen een abdij in kersttooi. Brandende kaarsen ook. Het schrijnt. Het geeft een dubbel gevoel. Mis op zulke momenten Ellen meer nog dan gewoonlijk al. Een partner gaandeweg verliezen is iets verschrikkelijks. Maar ze is thuis in goede handen. In zeer goede handen zelfs. In de verte oefent iemand onder de gewelven van de abdij op het orgel. Ze heeft een paar jaar aan de balie van een Limburgs verpleeghuis gezeten, de receptioniste van Rolduc. Wat haar het meest trof, was dat zoveel verpleeghuisbewoners nauwelijks bezoek kregen. Sommigen zelfs helemaal nooit bezoek. ‘Dat vond ik zó triest dat ik besloot er een paar te bezoeken na mijn dienst aan de balie. Die bewoners vonden het geweldig. Ze keken naar me uit. En dat stimuleerde mij weer. Ik wisselde het zoveel mogelijk af. Zodat ik mijn aandacht kon verdelen onder de meest eenzame bewoners. En toen ineens moest ik bij de leiding komen. Kreeg ik een reprimande. Het was het personeel ten strengste verboden om ook maar iets van een band met bewoners op te bouwen, ongeacht wie. Dat behoorde ik te weten. Ik was met stomheid geslagen. Ik voelde mij beledigd. Of ik me aan dat verbod heb gehouden? Welnee man, geen moment! Ik dacht: ze kunnen me wat. Ik dacht: wat een volstrekte waanzin, wat een idiote huisregel. Ik ging ermee door. Maar het leidde wel naar mijn vertrek uit het verpleeghuis. De aardigheid was er vanaf. Het begon me te benauwen. Dus ja, als ik naar uw vrouw Ellen vraag dan heeft dat óok te maken met mijn werk ooit in een verpleeghuis. Het kwam uit mijn hart.’
De regelzucht vernielde dat hart. Dat hart in een wielklem van de verpleeghuispolitie.
Voor het mantelzorgverlof in de winter is Rolduc een geweldige pleisterplaats. Je ontmoet er vooral ook jezelf. Kom er een paar keer en je hebt snel aanspraak. Vergelijkbaar met Cajou en de kust van De Panne in de zomer. Wat is dat toch, dat verpleeghuispersoneel verbieden enige persoonlijke aandacht te schenken aan bewoners die nooit bezoek krijgen van familie of vrienden? Bewoners die misschien wel helemaal geen familie en vrienden meer hebben. Is dat het eigen personeel wantrouwen? Is dat de angst voor verkeerde intenties? Zijn we al zo verziekt? Vertrouwen we eigenlijk onszelf nog wel? Op weg naar brasserie De Kanunnik in Rolduc moest ik aan dat vreemde bezoekje van een paar dagen terug denken. Een visite in verband met het speciale matras van Ellen. In opdracht van de zorgverzekeraar in Zwolle kwam er een gediplomeerde verpleegkundige van verpleegartikelenleverancier Vegro aan huis. Om te controleren of Ellen het anti decubitus matras nog steeds nodig had, nog waard was zogezegd, en zo ja of het voldeed. De verpleegkundige hield haar jas aan en zag binnen twee minuten dat we niet zonder dat matras konden. Waren het wel twee minuten? Welnee, minder! Daar was ze helemaal voor uit Capelle aan den IJssel bij Rotterdam gekomen. Een gediplomeerde verpleegkundige in de buitendienst van de leverancier Vegro die meest van de tijd in de file stond. Met een telefoontje naar de huisarts had ze op al haar vragen stante pede antwoord gehad. Wat kostte dit wel niet?! Bovendien: als de zorgverzekeraar nu eens zijn eigen archief raadpleegde dan zag die zorgverzekeraar toch meteen dat iemand met parkinson niet vooruit gaat maar achteruit? Dus… Soms verketter je als mantelzorger de zorgwereld in Nederland. De logica is vaak het ontbreken van enige logica. De zorg in Nederland gaat eraan kapot. Hoeveel geld gooien we niet over de balk?!
Wat valt er niet allemaal nog te verbeteren aan de zorg! ‘Krankzinnig’, reageerde verzorgende Elly op de receptioniste van Rolduc die na haar baliedienst geen eenzame verpleeghuisbewoners mocht opzoeken. ‘Geschift’. Elly houdt van duidelijkheid. Geschift als zure koffiemelk. Elly kan driehonderd euro extra verdienen in het verpleeghuis, maar vertikt het, als ze voor een nieuwe collega zorgt die door de proeftijd weet te komen. Zo hoog is de nood gerezen – het beslag voor de oliebollen is er niks bij – met al landelijk tachtigduizend vacatures in de verpleegzorg. Maar als je op eigen initiatief en buiten je werkuren niet eens een eenzame bewoner als verpleeghuismedewerkster mag bezoeken… Als je weet hoe de zorgverzekeraar Nederland een handje helpt bij zijn verkeersinfarct met onzinnig huisbezoek van gediplomeerde verpleegkundigen… Als je… Schaamteloos regelgeneuzel. Je maakt carrière in de zorg als je over de zorg quasi gewichtig gaat ouwehoeren in plaats van dat je met daad aan het bed zorg verleent.
‘Onvoorstelbaar allemaal’, reageert onze vriend vanuit verpleeghuis Vreugdehof in Amsterdam Buitenveldert waar niemand raad met hem weet omdat hij nog dement moet worden. In Vreugdehof is iedereen de weg kwijt, behalve onze vriend die de tijd doodt met lezen, lezen en nog eens lezen, die geen enkele talkshow op tv overslaat, en die bijna angstaanjagend scherpzinnig intellectueel wordt. Vreugdehof: de naam van een naar urine stinkend hol waar verwarde personen schuifelend achter een rollator naar hun bevrijdende dood lopen te zoeken. Zou zo’n directie zich van het sarcasme bewust zijn? Zou het de baliemedewerkers ook in Vreugdehof verboden zijn eenzame bewoners na werktijd even te verblijden met een kort bezoekje? Wie op zo’n krankzinnige naam voor een droeve verpleeginrichting komt zal wel meer curieuze dingen uithalen. ‘Meneer, het is buiten nog donker, het is pas half acht, bent U niet wat vroeg voor het bezoekuur?’ ‘Nee mevrouw, ik kom hier helemaal niet op bezoek, ik woon hier, ze hebben me hier in Vreugdehof opgeborgen, en ik kwam even de Volkskrant halen, zoals ik nu al twaalf weken doe.’ Onze vriend heeft zich in die twaalf weken Vreugdehof ook ontwikkeld tot een uitstekende biljarter. Over het eten is hij maar matig tevreden. ‘Te vet vaak. Ik ga ervan boeren.’ Als je ‘m belt dan wordt het gesprek tien keer onderbroken omdat iemand ongevraagd zijn cel in komt. ‘Nee Sonja, jouw kamer is verderop.’ ‘Sonja, ik waarschuw je nog één keer, en nu wegblijven.’ ‘Godverdomme Sonja, nu breng ik je naar je eigen kamer.’ Onze vriend deze week: ‘Midden in de nacht ging een andere patiënt op tournee. Kolere herrie vlakbij mijn kamer. Ik werd wakker: dat is heel wat voor iemand die niet hoort dat in zijn kamer een plafonnière naar beneden dondert en in honderden stukken uiteen valt. Stond slaapdronken naast mijn bed om de nachtzuster te helpen. Toen verstomde de herrie.’Ik zag het allemaal voor me. Hij schreef ook: ‘Gisteravond poepte een altijd op haar rollator vastgebonden mevrouw, die slechts kreten uitslaat als ‘mweh’ en daarop gelijkende klanken, tweemaal in haar broek. Bij het kantoortje. De stank was gelijk aan de odeur bij een open riool. Mijn rookoverlast kon de geur niet verdrijven. De lucht klaarde pas een beetje op nadat twee verschillende verpleegsters, op mijn nadrukkelijke verzoek, de patiënt hadden verschoond en een air-fresher hadden gebruikt. Het is hier goed toeven in Villa Tranendal.’ Thuis was onze vriend eenzamer, maar daar is ook alles mee gezegd. Spoelde de gedachte aan verpleeghuizen weg met de Merlot. Voor ons om meer dan één reden al drie jaar geen verpleeghuis meer. ’s Avonds in het verpleeghuis afscheid nemen van je vrouw. Je nog één keer omdraaien. Zwaaien. Naar elkaar even de hand opsteken. Zij op fluistertoon: ‘Tot morgen liefste.’ Nee, dat nooit maar dan ook nóóit meer. In mijn hoofd zit de Italiaanse zomerhit ‘Gente di Mare’. Hoezo? Van op de radio naar Rolduc toe. Die zomerhit herinnert aan warmte en zorgeloosheid, aan druk gesticulerende obers op de terrasjes aan de Middellandse Zee. Waarom zijn mensen eigenlijk zo stom om verliefd op elkaar te worden? Het eindigt met verdriet. Verpleeghuisverdriet. Verdriet vaak achter een gesloten deur.
Moest denken aan die redactiechef van het Nieuw Utrechts Dagblad, mijn eerste baan in de journalistiek. De chef had in de Willem Arntz een interview met de directeur. Na afloop stuitte deze Chris Rekké in de inrichting aan de Lange Nieuwstraat in Utrecht op een deur die op slot zat. Hij begon aan de deurknop te rammelen, steeds ongeduldiger. De vraag van een verpleegkundige wat van dit alles de bedoeling was. ‘Ik wil eruit’, moet onze chef met een rood hoofd geroepen hebben. Maar dat wilden ze allemaal, reageerde de medewerkster. De chef hield stug vol. Hij was van de krant. Ook dat kwam de medewerkster van de Willem Arntz bekend voor. Eenmaal daar binnen was iedereen van de krant. Om van zijn gezeur af te zijn mocht Chris het telefoonnummer van de redactie geven. Mevrouw bellen. Ze noemde een naam en of die meneer bij het Nieuw Utrechts Dagblad aan de Korte Jansstraat bekend was. ‘Nee, luidde het antwoord, ‘die kennen wij niet, nooit van gehoord.’ Onze chef was dus een fantast, zo kreeg hij in de Willem Arntz te horen. Of hij maar onmiddellijk wilde teruggaan naar zijn kamer. Maar hij had helemaal geen kamer in de Willem Artnz. Nog niet althans. Uiteindelijk kwam de directeur hem bevrijden toen die voor zijn lunch op weg was naar het bedrijfsrestaurant. ‘Bent u hier nog steeds?’
Naar de hotelabdij van Rolduc grote complimenten voor hun gastvrijheid. En vooral ook voor de lage stoeltjes van paars velours met hun geniale pasvorm bij de open haard in de stemmig ingerichte brasserie De Kanunnik. Een goed glas Merlot erbij, en een boek, en je voelt je waarlijk even een onbezorgde mantelzorger. Zoals ook binnenkort weer in de werkploeg van het Maximapark en het uitdunnen in het bosgedeelte van de boompjes. De gemerkte moeten weg. Maar dat boek. Dat boek bij aanvang december, ‘Debet’ van de schrijfster Saskia Noort, fascineert. Jaren geleden kocht Ellen ‘De Eetclub’. Ook Saskia Noort. ‘Debet’ borduurt daarop voort. Het doet tekstueel vermoeden dat schrijven een peulenschil is. Dat je alle zinnen zo maar eventjes in een handomdraai uit je mouw schudt. Het is de kracht en de verdienste van de meest gelezen Nederlandse schrijfster van dit moment, van Saskia Noort. Het boek is zó eigentijds. Voor een ieder herkenbare dialogen. Rake overpeinzingen over menselijke relaties. Scherpe satire in romanvorm. Decadentie. Hedonisme. Narcisme. Eén grote cocktail van dat alles. Burn-outs en psychiaters. Modernismen. Bohemien. Levens die als kaartenhuizen in elkaar storten doordat de partners hun hand overspelen. Meer, meer, en nog eens meer. De sky en de limit. De kustplaats Bergen bij Alkmaar en het Gooise Blaricum. Projectontwikkelaars, hypotheken, feesten en partijen, paracetamol en personal coaches, roddel en achterklap, elkaar de ogen uitsteken, aantrekken en afstoten, maneges en hockeyclubs voor de kinders, alcohol en cocaïne. Uiteindelijk de scherven. Je ziet het misgaan en je begrijpt dat de dertigers en veertigers zich er niet tegen kunnen verzetten. Je begrijpt ze ook nog daar in Bergen en Blaricum. Een beneveld bestaan. Zelf vond ik het vroeger wel leuk om af en toe op een zaterdag naar het Gooise Laren te gaan. Laren met op de brink die kraam met flensjes en met duur winkelpubliek. Je kon er Linda de Mol live zien giebelen bij Albert Heijn. Dat gaf bekijks.
Ellen haatte het. Ze vond Laren surrogaat en plastic. Saskia Noort schrijft er prachtig over. Van haar boeken werden al ruim drie miljoen exemplaren verkocht.
Ik kijk door de abdijramen van Rolduc in Kerkrade naar buiten en zie de kou. En de mistflarden. Ik staar naar de lampjes in de boomkruinen. Vroeger zou ik er een sigaar bij hebben opgestoken. Ik mis Ellen. Zat in zo’n laag stoeltje ook de krant te lezen en dacht: waar maken we ons eigenlijk druk over. Er zijn mensen die nog aanzienlijk méér onevenredig hard in hun leven getroffen worden. De wat dik uitgevallen dochter van wijlen volkszanger Hazes bijvoorbeeld. Die is nu in diepe droefenis, die dochter. Veel Bekende Nederlanders spreken haar gelukkig op sociale media moed in. Steunbetuigingen van overal. Vind ik altijd zo ontroerend aan de sterren. Toch dagelijks even tijd vinden voor een opbeurend woord naar iemand uit hun scene. Waarom is deze jonge vrouw Hazes ontroostbaar en deelt ze dat met de hele wereld? Gaat ze dood? Heeft ze geen geld meer? Krijgt ze te weinig aandacht? Wacht haar een opname in Vreugdehof? Nee, nee, nee! Het is allemaal vele malen erger. De schat heeft gruwelijk spijt van haar implantaten. Lekken die? Dat nu ook weer niet. Of misschien toch ook wel. Dat blijkt vaker voor te komen dan we tot dusver wisten, hoorde ik een wetenschapper zeggen. Vullen maar, schijnt dochter Hazes in een recent verleden geroepen te hebben. En daar kwam de betonmolen aanzetten. Ze lieten er geen gras over groeien. Van maatje B naar maatje E en F en zo verder. Het hele alfabet af. Vullen maar. En nu heeft ze rugpijn! Ze kan geen stap meer zetten of ze valt voorover. De zus van Dreetje heeft rugpijn en ligt voortdurend op de grond. Ze deelt dit gelukkig met de hele wereld. Zo ook met ons. Gisteren maakte ze een statement, deze over de gehele aardbol bekende zangeres. De trad met haar forse voorgevel op in haar ondergoed. Daarna was er geen houden meer aan met andere sterren die hun statement op het statement wilden delen. Met wie? Met ons!Is er niet zoiets als de jaarlijkse Week tegen Eenzaamheid? De radio raakte in die week niet uitgepraat over eenzaamheid. Ook de sterren betoonden hun betrokkenheid bij eenzaamheid. We zouden eens niks van ze horen! Sommigen wisten al geen ander wat het was om eenzaam te zijn. Het was eenzaam aan de top. Maar zo bedoelden de programmamakers het op de radio niet. Dat hadden die enkele BN’ers verkeerd begrepen. Al blijft het als gezegd eenzaam aan de top. Daar roepen we een andere week voor in het leven, een Siliconen Week. Op het bijzettafeltje naast het paars velours in brasserie De Kanunnik wordt een tweede glas Merlot neergezet. Ergens verderop aan een tafeltje wordt gelachen om het invalide hondje op wieltjes van Frans Bauer. En die komt nog niet eens uit Bergen, Blaricum of Laren. Volgend jaar dus weer in oktober een Week tegen Eenzaamheid. En weer zal de radio niet uitgepraat raken. Misschien is het een idee om het bestuur of de directie van een Limburgs verpleeghuis eens te laten vertellen hoe zij met eenzaamheid onder hun bewoners omgaan.
Beste Johan. Het zet me weer met beide benen op de grond, ook al denk ik als ervaren verpleegkundige vaak dat dit niet nodig is. Ik hou van mijn werk, het contact met collega’s en vooral de bewoners. Wat een mooie overdenking Johan op uitgerekend deze mooie dag. Ik ken gelukkig ook verpleeghuizen waar de medewerkers wel oog hebben voor de bewoners en het eten prima smaakt. Je ziet het al bij binnenkomst aan de ogen van de bewoners en je merkt het inderdaad, zoals je al eens zei, vaak aan de geur hoe het daar vertoeven is. Voor nu Johan bedankt voor je decemberoverdenking. Je mooie woorden voor collega’s die het verdienen, de receptioniste van Rolduc en vooral je warme liefde voor Ellen. Fijn dat ik hier deelgenoot van mag zijn. Groet, Carlie.
****
Hoi Ellen en Johan. Dank voor weer een mooie, inspirerende, geweldige decembergroet! Wat zie jij, Ellen, er nog altijd verzorgd uit met gelakte nagels en je haar zo mooi in model. Wat hebben jullie het nog steeds bewonderenswaardig goed voor elkaar. Van ons een typische Sinterklaas-lekkernij voor bij de thee. We wensen jullie nog heel veel Geef ons ook morgen! Lieve groeten van Ad en Cinta.
****
Hallo Ellen en Johan. Mooie tekst weer. Inspirerend. Net als vorig jaar. Zoveel herkenbaars ook in de tekst. Ik wens Ellen en jou, Johan, jullie zo kostbare huiselijke warmte in deze decemberweken. Ik kom graag zeer binnenkort een paar uurtjes mee genieten. Ik meld me gauw. Liefs Albert.
****
Dank jullie wel voor jullie mooie groet. Mooi om te lezen. Het is al bijna weer een jaar geleden dat ik Ton verloor. Ik mis haar elke dag. Het zijn vooral de kleine dingen die ik verschrikkelijk mis. Het elkaar goedemorgen zeggen en het: ‘Wat gaan we doen vandaag?’ Gelukkig heb ik veel steun aan de jongens. We brengen de feestdagen gezamenlijk door. Heel veel sterkte jullie beiden en ondanks alles fijne dagen gewenst. Tot gauw. Cor.
****
Ha Johan. Wat een waanzinnig verhaal, die controlerende verpleegkundige van de Vegro die in burocratia is beland in plaats van aan een bed. In een column zou je denken, nou die columnist overdrijft een beetje voor het “mooie” verhaal, maar helaas… Ik hoop dat het je niet al te veel meer doet dit soort waanzin, hoe ergerlijk en schandelijk het ook is. Je verhaal over Ledeacker is mooi, hoewel – of juist omdat? – ik de essentie plus de komische én ontroerende details al mondeling tot me genomen had. Nu was het zo mooi verweven met Ellen, tot en met Haps en de happen van Diana voor thuis. Ja, wat een kei en zegen is deze vrouw! Groet ook Diana van ons. Heel veel liefs voor Ellen en jou en wees omhelsd! Jeannette.
Hallo Johan & Ellen!
****
Het essay van Johan lees ook ik als een overdenking. Dank hiervoor. Ik wens jullie het beste voor 2020. Blijf doorgaan, ook al proef ik dat het nu wat minder gaat (ging?) met Ellen. Beschouw het als een dagkoers. Die gaan altijd weer omhoog! Tja, lang niet bij jullie geweest. Te lang eigenlijk. In januari of februari was het – dacht ik. Maar, iemand kan ook in gedachten bij jullie (en jullie voortreffelijke team) zijn. Dat doe ik. Het essay gaat over eenzaamheid. Op dit terrein ben ik inmiddels een erkend ervaringsdeskundige. Helaas. Ik lees veel meer in het stuk. Jullie hebben elkaar. Nu op een andere manier dan jullie in het verleden hadden gedacht. Dat schrijft Johan bij herhaling. En dat ‘samenzijn’ is intens. Blijf dat koesteren en -ook al is Ellen niet gezond- geniet er op jullie wijze van. Illustratief is het feit dat Johan, als hij in zijn eentje op het zonder twijfel pfas-vrije terrein van die pedofiele bisschop vertoeft, toch één simpele maar sprekende zin aan het papier toevertrouwt: ‘Ik mis Ellen.’ Dat is veelzeggend. Jullie hebben elkaar. Ook al is dat op een andere wijze dan vele anderen. Koester dat!
Liefs, Jan.
****
Beste Johan en Ellen,Hartelijk dank voor jullie lieve gelukwensen. Uiteraard wensen wij ook jullie, alsmede de verzorgenden van Ellen, een hele fijne afsluiting van dit jaar toe. Ik ben erg nieuwsgierig naar de erwtensoep. Kom binnenkort zoals gezegd graag ook eens langs voor een glas wijn! Lieve kerstgroeten, Rajaê en Niels.****
Over elkaar heen buitelende herinneringen aan dertig jaar geleden
Het is 9 november 2019. Dertig jaar geleden viel de Berlijnse Muur. Dertig jaar geleden alweer! Was erbij. Kon de Muur aanraken. En deed dat dan ook. Ik stond daar toen middenin Berlijn, als krantenverslaggever met potlood en papier. Rende op vrijdag rond middernacht naar mijn hotel om weer wat extra alinea’s voor mijn artikel van de volgende dag door te bellen. En vloog daarna weer razendsnel terug naar de mensenmassa en de plekken waar het allemaal gebeurde. Een nacht waarvan niets mocht worden gemist. Waren er toen maar mobieltjes geweest. We kenden ze nog niet. Pas jaren later zagen Ellen en ik ze voor het eerst bij een concert van George Benson (‘Give Me The Night’) op Sicilië. Maar Berlijn in 1989! Zag op nauwelijks tien meter afstand met sloophamers de eerste ruwe openingen verschijnen in de betonnen scheidingswand tussen twee totaal verschillende en van elkaar vervreemde werelden. Met takelwagens werden brokken weggerukt uit het intens gehate symbool van de politieke tweespalt tussen Oost en West. De Potzdamer Platz als centrum van een historische gebeurtenis zonder weerga. Elke nieuwe doorgang bracht de Oost- en Westduitsers in de vrieskou van 9 november 1989 en in de dagen erna een stap dichter tot elkaar. En het klopt: wie dit schouwspel van heel dichtbij meemaakte, die zal het allemaal nooit meer vergeten. Die zal het nooit meer kunnen én willen loslaten! Het staat op het netvlies geëtst. Voor eeuwig. De burgemeesters Momper (West-Berlijn) en Krack (Oost-Berlijn) die elkaar met tranen in hun ogen de hand schudden. De vrijdagnacht van 9 november 1989 ging het nog bijna mis bij de Brandenburger Tor en Unter den Linden. De Muur werd door uitgelaten jongelui beklommen. De Vopo’s van de DDR werden door het publiek met bierflessen bekogeld en uitgejouwd en het ontregelde regiem van Erich Honecker greep naar tanks en de brandspuit. Het waterkanon werd ingezet. De menigte werd van de 1 meter tachtig brede Muur afgespoten. Tanks stonden paraat. Het bewind zocht zijn toevlucht tot intimidatie. Maar de sjofel geklede en opgewonden horde burgers van de DDR liet zich niet meer intimideren. Ze wilden eruit, DRAUS!, weg uit hun isoleercel. Er was geen houden meer aan. De geest was uit de fles. Dit was een uitspuwing van spanning, opwinding en grenzeloze haat tegen de dictatuur. Eigenlijk had niemand de regie. En het waterkanon al helemaal niet. Ergens verderop in Berlijn hoopte het partijkader het veertig jarig bestaan van de failliete boeren- en arbeidersstaat te vieren met economische winstcijfers die uit de dikke duim waren gezogen. Miscommunicatie op alle fronten kenmerkte het weekend dat in de DDR ook op een bloedige burgeroorlog had kunnen uitlopen. Maar gelukkig was daar nog de onvolprezen Gorbatsjov. Ben begonnen aan ‘1974’ van Auke Kok. Ik vond een exemplaar zwaar afgeprijsd in de boekhandel. Het WK in Duitsland van 1974 met Johan Cruijff. En van de tweede plaats in de finale tegen het gastland in München. De misgreep naar het verdiende wereldgoud welke heel Nederland traumatisch bij de psychiater bracht. De Bondsrepubliek en de DDR speelden eerder in het toernooi van 1974 tegen elkaar. De professionele en overbetaalde Wessies van die aardige bondscoach, meer een gezinshoofd, Helmut Schön waren torenhoog favoriet. Maar de onderdanige Ossies wonnen. Met 1-0 door een goal van Sparwasser. Net als Cruijff speelde hij onder nummer 14. Het kan geen toeval zijn. Schitterende passages bij Auke Kok uit het dagboek dat Franz Beckenbauer in die dagen bijhield. Elke keer als spits Gerd Müller in aanraking kwam met de Oostduitse verdediger Konrad Weise werd hem op ernstige en bedeesde toon gevraagd: ‘Heb ik je pijn gedaan?’ Onderweg naar een dribbel kregen de Westduitse spelers van hun tegenstander de vraag om na afloop van het WK aan een gemeenschappelijk kennis de groeten over te brengen. Samen zaten ze op de grond in het uitverkochte stadion van Hamburg: Gerd Müler en Siegmar Wätzlich van de DDR. Ze waren met elkaar in botsing gekomen. Bezorgd legde Wätzlich zijn hand op het dijbeen van Müller, terwijl Müller het haar van Wätzlich streelde. Na afloop ruilden de Wessies en de Ossies shirtjes. Dat werd achter gesloten deuren in de kleedkamer gedaan. Want de Ossies waren doodsbang voor represailles van de partijfunctionarissen van de DDR op de tribune. Kostelijk leesvoer. Meer dan dat trouwens. De DDR. De staatspartij SED. De verklikkers van de Stasi. Toen, in de zomer van 1974, zou het nog vijftien jaar duren alvorens het IJzeren Gordijn in Europa verdween. Auke Kok beschrijft de zorgvuldig door de staat geselecteerde supporters in Hamburg van de DDR. Mannen met keurige kantoorhoofden, eenvoudig gekleed, met kleine papieren vlaggetjes en nette spreekkoren die aan de kleuterschool deden denken. ‘Sieben, acht, neun, zehn – das ist Klasse!’ Je moet er maar opkomen. Ook in november 1989 in Berlijn het beeld van kameraden onder elkaar en van in feite landgenoten. Door de geschiedenis van elkaar gescheiden landgenoten. Als verloren zonen en zusters werden de Ossies in West-Berlijn onthaald. Ik zag mensen uit de DDR op de tast door de westelijke stadshelft lopen op zoek naar straten waar ze veertig jaar geleden voor het laatst bij een tante of oom waren geweest. De Ossies kregen in dat eerste weekend bij de gaten in de Muur bloemen van de Wessies aangereikt en bij de bankgebouwen begroetingsgeld om in West-Berlijn wat boodschappen te kunnen doen. De Ossies vergaapten zich aan de westerse kapitalistische weelde. Toen nog wel. De Wessies vermaakten zich om de Trabanten van de Ossies. Toen nog wel. Die Trabanten stonken geen uur in de wind maar een eeuwigheid. Daar maakten de Wessies zich wel druk om. Een klein beetje druk, hooguit dat. Ze hadden liever dat de Ossies die pastelkleurige pruttelkarretjes thuis lieten. In 1989 werd het nog als aandoenlijk ervaren. Het zou snel anders worden, maar niemand die daar toen aan dacht. Herinneringen aan die twee Ossies die een klein harig dingetje hadden gekocht dat je zou kunnen eten. Een klein harig dingetje? Ze diepten het kleine harige dingetje op uit hun boodschappentas. Het bleek een kiwi te zijn. De Ossies hadden daar nog nooit van gehoord, laat staan dat ze ooit een kiwi gegeten hadden. Uit zuinigheid hadden ze er één bij een fruitstalletje in West-Berlijn gekocht. Voor thuis in Magdeburg. Want ja, je kon nooit weten. Misschien smaakte die kiwi naar niks en dan was je zo’n dure Mark van de Wessies aan de pullenbak kwijt. Herinneringen aan een cellist die bij de Muur Bach ten gehore bracht. Drommen mensen om hem heen. En aan het kinderhandje dat zich vulde met muntstukken zodat de peuter niet langer met haar oma in een lange deprimerende rij voor een bankgebouw hoefde te staan. Was dat niet in de Hermannstrasse? Op maandag belde de krant of ik nog langer in Berlijn wilde blijven. Nee, ik was er vanaf vrijdagavond , ik ging liever naar huis, ik wilde weer naar huis, ik begon Ellen te missen. Dat kwam wel vaker voor. Ik was niet graag lang van huis. Liet Peru eens over aan een ander. Een half jaar later met Ellen terug naar waar geschiedenis geschreven was. Een hotel daar in de buurt van Tiergarten in West-Berlijn. Voor onze rust steeds naar het oosten. Voor de historie ook. We wandelden in Oost-Berlijn door straten waar in de muren van de huizen nog altijd de kogelgaten van de Tweede Wereldoorlog zaten. We stonden stil op de ommuurde plek in een doorsnee straat waar de deportaties van de joden werden herdacht. Een prachtig kunstwerk met ranke gietijzeren beelden vlakbij de synagoge. De tram tingelde voorbij. Een oud model uiteraard. De synagoge die ook herinnerde aan de Kristallnacht. Er was naar het eiland Berlijn toe nog altijd iets dat na 9 november 1989 voor grensbewaking moest doorgaan. De officiële hereniging had nog niet plaatsgevonden. De grenswachten van de DDR controleerden de stroom toeristen soms streng, en soms ook niet. Bij Checkpoint Charlie werd het Ellen bij een controle voorjaar ’90 te gortig toen ze met zoeklicht onder onze auto schenen. Ze begon in haar beste Duits, en dat leek eerlijk gezegd nergens op, een discussie met een grenswacht die haar liet weten ons nog altijd de toegang tot de heilstaat van Walter Ulbricht en daana Erich Honecker te kunnen weigeren. Maar het land van de grenswacht bestond toch niet meer? Dat klopte en klopte ook weer niet. Er moest immers nog een officiële hereniging van de Duitslanden komen. Helmut Kohl was in Bonn nog volop met de Amerikanen en de Sovjets in gesprek. We kochten het ‘misverstand’ af met een ferme handdruk en een roffel op de geüniformeerde Oostduitse schouder. We zouden ons voortaan braaf gedragen. Ook Ellen die nooit zo opstandig was. Wat maakte ze ineens kabaal tegen die puisterige grenswacht die zich onder de bumper van onze auto wurmde? Herinneringen. Wat deden we niet allemaal samen, Ellen en ik. Een paar weken voor de val van de Berlijnse Muur samen voor de krant voorbij het Ruhrgebied op een zondagmiddag waar een vluchtelingenkamp voor Ossies was ingericht die niet naar de DDR wensten terug te keren van vakantie in Hongarije. Was dat niet in Giessen of in Giesen met 1 s? Logeerden we toen niet in Frankfurt? En de Westduitse minister van buitenlandse zaken Genscher die op het ambassadeterrein van de Bondsrepubliek in Praag in de stromende regen duizenden vluchtelingen uit de DDR een hart onder de riem stak vlak voor de sloop van de Muur. Die kletsnatte zaterdag in Praag met die zompige ondergrond van wat ooit ambassadegras was geweest hadden de Oostduitse vluchtelingen de moed opgegeven. Herinneringen. Ze buitelen over elkaar heen. Hoeveel tentenkampen zagen we niet van heel dichtbij in die dagen? En hoe bizar ook veelal. Tenten in de modder. Na de val van de Muur wilde de gemeente Utrecht zijn beste beentje voor zetten. Een buslading burgers uit de DDR werd op een vrijdagmiddag afgeleverd op het Jaarbeursplein. Utrecht meende de Ossies een groot plezier te doen met een middagje winkelen op Hoog Catharijne. Verder commentaar wellicht overbodig. De Ossies begonnen al bijna weer terug te verlangen naar de Muur. Ze begonnen nog bijna de geborgenheid van hun gevangenis in de heilstaat te missen. Voor de krant liepen we met de Ossies mee langs juwelierszaken en peperdure schoen- en kledingwinkels van Utrechts betonnen vesting vol praal en pracht. Herinner me de vrouw uit de toenmaals bijna opgedoekte DDR die bijna smeekte of ze van al het klatergoud terug mocht naar de bus op het Jaarbeursplein. Liever de kogelgaten van thuis dan het onpersoonlijke en kouwelijke marktkapitalisme in Utrecht. Herinneringen. Ze meanderen door het brein. In overvloed herinneringen bij dertig jaar val van de Berlijnse Muur. Het zou allemaal beter worden na 1989. Of dat ook is uitgekomen? Niet echt nee. Nog zo’n herinnering. De Muur was gevallen, de hereniging van de twee Duitslanden in voorbereiding. Leipzig. Voor de krant naar een fabriek op een vrijdagmiddag. Hoe waren de Ossies gewend te werken? Straks moesten ze opgaan in het economische systeem van de Bondsrepubliek. Vanuit het kantoor van de baas van de fabriek zag ik het personeel rond twaalf uur ’s middags vertrekken voor een boterhammetje. Om half drie ’s middags waren de meeste werknemers nog niet terug. Men was niet anders gewend. De fabriekschef haalde zijn schouders op. Wapperde een beetje met zijn armen. Logeerde in de winter van 1989 op 1990 bij een gezin in Leipzig dat voortdurend de ramen openhield. Begon er over de stookkosten. Stookkosten? Die bruinkool? De Ossies hadden nog nooit met stookkosten rekening hoeven houden. Voor de krant ook naar het achterland van Leipzig dat tot de meest vervuilde stukken van Europa mocht worden gerekend. Zag er afschuwelijk mismaakte kippen. Hing er kotsend over een hekje. De DDR deed al helemaal niet aan milieu. Toen ik later in huiselijke kring over die kippen vertelde wilde niemand me geloven. Ik dikte de boel wel eens vaker aan. Het is allemaal dertig jaar of net iets korter geleden. En dat schrijven we op de Dag van de Mantelzorg die ons automatisch terugbrengt bij zoveel belevenissen samen. Zo ontiegelijk veel!
Ze waren er weer, de elfde van de elfde, de lampionkinderen, belust op snoep, de kinderen die op de tuinverlichting afkwamen, en die voor Ellen en verzorgende-van-dienst Esmé over koeien en staarten kwamen zingen. Sint Maarten werd opnieuw gevierd. We vieren alles. De Dag van de Mantelzorg met Afghaanse bladerdeeghapjes, pindasoep en witte wijn. Verwennerij in kleine kring. En natuurlijk ook Sint Maarten. De kerstverlichting aan in de voortuin. Het regende pijpenstelen. Het waaide. Vanaf de kust was hagel in aantocht. ‘Toe’, spoorde de Molukse Liza haar dochtertje aan, ‘nog een liedje voor meneer en mevrouw Carbo.’ En daar ging het meisje weer om vervolgens niet voor een sinaasappel te kiezen maar voor drop en fruitgums van het olijke merk ‘Katja’ dat adverteert met ‘Natuurlijke kleur- en smaakstoffen’ en ‘Lekker sinds 1910’. Leuk, dat jaarlijkse bezoek voor tien minuten van Liza met één of meer kinderen. En dan gaat het natuurlijk zeker óók over honkbalclub UVV waar we allemaal de nodige voetstappen hebben liggen. Dan informeren we bij Liza naar haar schoonmoeder Mien Konings. Dan vertel ik over Henk Konings die al jaren dood was toen Liza in de familie kwam. Henk was een fantastische kerel. Hij runde met Mien een administratiekantoor op het Kanaleneiland in Utrecht en deed voor ons de belastingaangifte. Was dat niet aan de Van Vollenhovenlaan? Assurantietussenpersoon Henk kon je uittekenen in zijn knalrode honkbaljack. Het staat me na bijna vijftig jaar nog altijd helder voor de geest. Als wij bij UVV geen scheidsrechter hadden dan kwam Henk achter zijn borreltje vandaan en deed hij een bodyprotector voor. Als hij een paar foute beslissingen nam dan kreeg Henk van ons op zijn lazer. Want Henk werd geacht partijdig te zijn en ons te allen tijde te matsen. Maar zo zat hij niet in elkaar. UVV stond centraal in ons sociale leven. UVV vormde de draaischijf. UVV was van honkbal, het bloedserieuze honkbal, en van de feestjes. We huurden er soms een geweldige Antilliaanse steelband voor in. Het was de tijd van de visnetten en van pimpelpaars behang. Ook het zingende frêle meisje softbalde intussen bij UVV, zo vertelde Liza. Het kon niet missen. Geniet momenteel van het boek ‘1974’ van Auke Kok. Hoe bij het Nederlands elftal kadaverdiscipline en volstrekte wanorde destijds onder de barse Peetvader Rinus ‘Corleone’ Michels hand in hand gingen. Niets mocht, maar ook niets was verboden. Een operettekorps leefde zich uit. Het verveelde zich geen moment. En toch ook weer wél. De broers Van de Kerkhof doodden de tijd met Suske & Wiske. Ze hadden een tas vol Suske & Wiskes naar het trainingskamp meegenomen. De tweeling werd weinig serieus genomen. Ook niet door Michels. ‘Gaan jullie maar zwemmen’, placht hij tegen de Brabanders te zeggen. Vlak voor het WK probeerde de chef d’équipe in opdracht van Michels één van de twee Kerkhofs aan de telefoon te krijgen. Want die mocht mee naar Duitsland. De chef d’équipe kon de uitverkorene niet vinden en probeerde het tenslotte via zijn broer. Ook dat lukte niet. Ach, moet Michels geroepen hebben, neem ze eigenlijk maar allebei mee als dat nog op tijd is. Het deed me denken aan coach Jan Kars in het jubileumboek van onze honkbalclub UVV. De broers Leysner, we hadden er twee. Ruben was steengoed, Vincent een stuk minder. Twee Leysners voor de prijs van één, merkte Kars droogjes op. Ze ogen begonnen te glimmen. De internationals van Michels, die meer aan leden van een woeste rockband deden denken met hun haarslierten en lange bakkebaarden, rookten als ketters en namen na het eten ’s avonds de flessen drank onder hun arm mee naar hun kamer. Eenieder had zijn eigen bedtijd. Dat begrip kon ruim worden geïnterpreteerd. De spelers van de gestampte pot hadden hun eigen codetaal om in gezelschap van ongewenste buitenstaanders en de staf aan elkaar door te geven of er wodka bij de cola moest en hoeveel. Ook de Duitse beveiliging verkeerde geregeld in beschonken toestand. Zo ook het hotelpersoneel. De rol van de kamermeisjes werd een veelzijdige. Duitse journalisten die onder valse voorwendselen tot het hotel van Oranje waren doorgedrongen, keken hun ogen uit. De veiligheidsbeambten moesten op de spelers passen, maar herhaaldelijk waren ze er een paar kwijt. Dan waren de internationals even de hond uitlaten, zoals ze dat noemden. Om ongezien voorbij de slagboom het hotelterrein af te komen dook een speler bij een fotograaf in de kofferbak van diens auto. Hadden ze de kans gekregen dan hadden de Duitse internationals zich nog tijdens het WK tot Nederlander laten naturaliseren. Nergens ging het zo vrolijk toe als bij het Nederlands elftal. Geen enkel team speelde ook zo vrolijk als Oranje. Assistent-bondscoach Cor van der Hart werd in Hiltrup bij Münster vroegtijdig naar huis gestuurd omdat hij in een dronken bui met flessen champagne gegooid zou hebben. En dat nog wel richting de hoteleigenaar en zijn vrouw. Van der Hart kon zich dat later niet meer herinneren. Wie de meeslepende auteur Auke Kok volgt komt tot de conclusie dat de rol van generaal Rinus Michels altijd zwaar overschat is geweest. Het was vooral een pose. Op beslissende momenten was hij de draad kwijt. Hij camoufleerde dat door voor sfinx te spelen. De Ajacieden wisten dat. In de rust van een Europa Cupfinale lag Nico Rijnders voor dood op de massagetafel. Iedereen verwachtte dat de vaste twaalfde man en subtop Ruud Suurendonk zijn trainingspak moest uittrekken voor de tweede helft. Maar Michels deed niets. Als verdoofd was hij. Hij sprak graag in termen van oorlog, maar met hem zouden we de Tweede Wereldoorlog verloren hebben. Hij was verre van een voetballende Churchill. Of Montgomery. In Duitsland vernielde hij vooral de stilist Piet Keizer. Weet nu nog altijd redelijk goed waar alle duels van Cruijff c.s. werden bekeken. In UVV-verband natuurlijk. Als ik me goed herinner dan had Henk Konings samen met nog een stel luitjes van UVV kaartjes voor Dortmund of Gelsenkirchen. Als Oranje speelde dan voltrok zich een ware uittocht uit Nederland. Die Oranje-gekte is toen begonnen. Op de dag van de finale moest er eerst gehonkbald worden voor de competitie. Die zondag naar het Rooswijk van tv-commentator Theo Reitsma ergens diep in de IJmond. In de achtertuin van Velsen-Noord en vlakbij de vuiligheid uitbrakende, en kortelings met de Duitsers van Hoesch gefuseerde, Hoogovens lag ergens verscholen een honkbalveld. Na afloop in sneltreinvaart naar de tv in Utrecht voor de finale tegen de moffen. Het meest ergerden we ons aan die arrogante Beckenbauer. Gelukkig deden de meeste Duitsers dat tot aan de finale ook. Maar in de finale was Beckenbauer beter dan Cruijff die door mannetjesputter Berti Vogts volledig in de luren werd gelegd. Vogts speelde zijn beste wedstrijd ooit. Twee dagen daarvoor beleefde hij de beste vliegreis van zijn leven. Bij het uitdelen van de maaltijden versierde hij de stewardess. De volgende maandag wij vloekend terug naar Rooswijk. Daar stond een vuilniszak klaar met overhemden, broeken (wijd uitlopende pijpen naar de mode van die tijd), schoenen, horloges, trendy veterkettingen voor om de hals en pols, en zo meer die we in alle haast die rare zondag waren vergeten. Nou ja vergeten…. Sommigen waren alleen in hun onderbroek in de auto gestapt. Niemand nam een douche. Elke seconde telde immers. We moesten op tijd zijn voor het eerste fluitsignaal van de Engelse slager Jack Taylor die in München nog bijna de cornervlaggen was vergeten. Elke seconde telde dus. Behalve voor werper Peter Terstall. Onze playing-coach moest niets van voetbal hebben en liet tijdens de finale van 1974 zijn hond uit langs de Linge bij Deil. Dat deed Suurbier in het trainingskamp ook maar dan anders. Terstall genoot van de rust op straat. Wij tikten ons voorhoofd aan. Bijna een halve eeuw geleden alweer! Ach ja, Peter Terstall: 25 jaar dood, als het niet langer is. Misschien wel één van de meest gewaardeerde personen uit de UVV-episode. Na de spontane Molukse Liza en haar jongste dochter ging vrij snel opnieuw de bel. En weer gezang in de huiskamer. En weer een graai in de zak van ‘Katja’ met ‘Lekker sinds 1910’.
Het sprookje van Ledeacker
Lijkt me geweldig zo’n bruiloft. Heb wat gemist, lees ik. Ben je bij Haps nog teruggegaan naar Diana voor het eten? Jan van Ewijk.
Wat een mooi artikel over het huwelijk van Diana’s zoon. Wat een lieve vrouw is Diana, toch ook op die avond weer aan Ellen denkend! En wat een giga feest. Gaat er bij ons toch wel wat calvinistisch zuiniger aan toe. Tot gauw en lieve groeten voor jullie. Charles.
****
Gelukkig geen terugkeer uit Ledeacker in een leeg en aardedonker huis. Moest denken aan de persoon die ergens dit jaar zei: ‘Ik ben mijn vrouw kwijt, jij hebt haar nog, jij bent beter af.’ Kreeg er zaterdagavond wat meer begrip voor. In de huiselijke warmte wachtte Ellen. Wil deed haar leesbril af, legde haar tijdschrift weg, zette de tv uit en informeerde naar zin in een pinot gris. Verhalen over alle plezier in Ledeacker en het werd in no time middernacht. Wil: ‘Wat moet dat trouwfeest een geweldige belevenis zijn geweest, wat fantastisch, wat geweldig ook voor Diana.’ We hadden het over trots, incasseringsvermogen en doorzetten. Ellen leek mee te luisteren. Het enige geluid was na twaalven ’s nachts uiteindelijk nog slechts het aanzwellende gehuil van de wind door de afvoer van de openhaard. De zondag zou in ledigheid worden doorgebracht. Met het inmiddels vertrouwde beeld van thuis in eigen huis.
The day after the day before… Deze vroege donderdagochtend 7 november maar meteen met de deur in huis vallen: het is heel goed gegaan met Ellen bij Bijzondere Tandheelkunde van het VU-ziekenhuis in Amsterdam. Er is zonder malheur en enig mankeren een kies getrokken. Die afgebrokkelde links boven, en Ellen gaf geen kik. Verdoving en trekken van de kies: alles bij elkaar twintig minuten. Geen napijn ook. Geen bloeding. Mondspoelwater bleef ongebruikt. Voorafgaande aan Amsterdam goede steun genoten van Elly en Charles, bij terugkeer van Diana. Want het is in de loop der tijd wel een stuk ingewikkelder geworden auto in en auto uit. Een strak scenario gehanteerd. In december wordt er een tweede kies getrokken aan de VU. Van 11 december proberen we onze trouwdag 18 december te maken ’s middags. Zodat Diana als rolstoelbegeleidster en tandartsassistente mee kan. De in alles kouwelijke Zuidas van Amsterdam-Zuid met de Rai naar Buitenveldert toe zal ook haar schrik aanjagen. Zoals ons gisteren weer. Het is er onwerkelijk. Een spookhuis. Aanvalsgolven op je gemoed. Op amper een half uur rijden van huis waan je je er een figurant in een griezelfilm van Alfred Hitchcock. Boulevard Burn-Out. Hoe kun je als VU in hemelsnaam hier je Bijzondere Tandheelkunde huisvesten voor zwaar zieke patiënten ???? We noemen het ook niet langer de Zuidas maar de Stress-as. Een mierenhoop van jachtige mensen in de duurste kleding met attachékoffertjes en tegelijkertijd holle niets ziende ogen. De lege blik. Surrealisme. De wereld van het geld. De wereld van de magnetron en de opwarmmaaltijden. De wereld van voornamelijk de Gezonde Succesvolle Medemens. Iedereen op de Gustav Mahlerlaan en omliggende straten met een telefoon aan zijn oor. Of anders wel turend naar het schermpje in de hand vol buitengewoon belangwekkende mededelingen. Rennen, rennen, rennen. Vliegen, vliegen, vliegen. De ene mens nog belangrijker dan de andere. Misschien wel het afschuwelijkste stukje Nederland. Wat heet! Het meest bizarre stukje Nederland. Een openluchttheater. City Pacemaker. Ons zakencentrum gelijk het zakenimperium van Londen en New York. Alles op en in elkaar gebouwd omdat de grondprijs er torenhoog is. Sky high. Hier heerste de gezelligheid van een tochtige grafkelder. Hier regeerde de munteenheid. Vliegtuigen van en naar Schiphol boven je hoofd. Boven je hoofd ook de trein van en naar station Rai. Een tingelende en jengelende tram. Politie met gillende sirene voor een spoedklus, een uitruk. Honderden fietsers voor je bumper. Oren die spontaan beginnen te suizen. De Stress-as. Het WTC en de VU. En enkele banken. Nergens aan de stoep kunnen parkeren. En dat toch noodzakelijkerwijs heel even doen met een rolstoel en een invalidekaart (die aan de Zuidas niets waard blijkt). Op eigen risico. Een hardvochtige boete van dik driehonderd euro weten te ontlopen. De weliswaar fraaie parkeergarage van de VU, maar zo afschuwelijk smal en compact (grondprijs) met allemaal opgewonden toeterende automobilisten. Want snel, snel, snel. Ontluistering. Haast, haast, haast. Het eigentijdse Nederland. Het stil en diep verlangen naar de provincie. Naar Wim Sonneveld en het tuinpad van grind van mijn vader. Iemand achter een rollator werd de huid vol gescholden. Ze liep in de weg. Een automobilist die de parkeergarage wilde verlaten, draaide niet snel genoeg aan zijn stuur en kreeg een concert aan claxonneren over zich heen. Wijsvingers naar transpirerende voorhoofden. In deze brutale en van de pot gerukte hectiek vormde de behandelkamer van Bijzondere Tandheelkunde gisteren vanaf kwart over één een oase van rust. En van vertrouwen. En de foto boven doet niet vermoeden dat de plek slechts een half uur rijden van de Stress-as verwijderd is. Het gaat goed met Ellen. Vandaag ont-stressen. We proberen bij te komen van twee uurtjes aan de Amsterdamse Zuidas.
Ellen alweer drie jaar ontsnapt aan het verpleeghuisregiem
‘Als je goed luistert, hoor je ze huilen.’ Prachtige titel van een boekje met waargebeurde verhalen uit Nederlandse verpleeghuizen. Daar werken niet alleen maar bevlogen mensen met een sterk ontwikkeld gevoel voor medemenselijkheid. Nee, daar werken beslist niet louter personen die hun hart laten spreken. Hoor Rutte in zijn verkiezingsretoriek nog de voltallige verpleegzorg ophemelen. Allemaal gepassioneerde mensen? Rutte en zijn regeringsclub steken wel vaker hun kop in het zand. Na drie jaar weg uit het verpleeghuis, en klaar voor een klein feestje om dat volgende week gepast te vieren, komen weer veel ervaringen met het verpleeghuis boven. De van meet af aan volkomen bloedeloze instelling in Nederhorst den Berg met zijn kopjes thee zoethoudertjes. En de aan reorganisaties en het wegsturen van een fantastische directrice ten gronde gegane Ingelanden in Utrecht Leidsche Rijn. Kom nog geregeld bekenden uit de verpleeghuisepisode tegen. Hoeveel flaters in de persoonlijke verzorging begingen ze wel niet in beide verpleeginrichtingen! Hoe groot het contrast met de afgelopen drie jaar van 1 op 1 verzorging en het goud van de eigen (open) haard. Over De Ingelanden valt ook veel goeds te vertellen. Natuurlijk wel. Er liepen wel degelijk verzorgenden rond die hun vak verstonden. Maar dat gold niet voor iedereen. Zeker niet! Er werd door sommigen ook maar wat aangeknoeid. Waarom roken er zoveel verzorgenden in een verpleeghuis en heb ik onze verzorgenden Diana, Trudy, Elly, Esmé en Zulay in 3 x 265 dagen nog niet één keer een sigaret zien aansteken? Waar waren die voortdurende rookpauzes en dat onderlinge gekwebbel op het balkon goed voor, zoals ook dat continue gerammel op het toetsenbord van de pc? Waarom werden de bewoners te vaak met hun rug naar een lawaaiige televisie gezet met een tekenfilm? Waar blijven die met veel tamtam aangekondigde brigades van lekeninspecteurs? Er zou een veel scherpere controle op de verpleegzorg moeten komen. Een strengere. Onverwachte invallen in de tehuizen. Niet die lang van tevoren aangekondigde showsessies. Foto’s tonen Ellen tijdens één van haar herfstwandelingen momenteel. De bomen laten hun blad vallen. De temperatuur blijft aangenaam. Op enkele dagen na zijn we alweer drie jaar ontsnapt aan het verpleeghuisregiem. De ziekte van Parkinson zelf kun je niet stoppen, helaas niet. Wel kun je de omstandigheden zo menswaardig mogelijk houden. Want dat zijn de omstandigheden thuis: ze zijn menswaardig. En dan denk je aan de verpleeghuisbewoners. Als je goed luistert, hoor je ze huilen. Van onmacht, van ontreddering. Van een tekort aan aanraking en streling ook. De woorden van de charismatische Belgische psychiater en hoogleraar De Wachter in het tv-programma Buitenhof waren o zo duidelijk. Bregje Hofstede haalt in ‘De herontdekking van het lichaam’ Sartre aan: de mens zwemt vrij rond in een zee van keuzes, maar hij is gebonden aan het lichaam waarmee en het water waarin hij zwemt. Vrijheid begint ermee die gebondenheid te accepteren. Wie zich almaar ergert aan de vlekken op de ruit ziet geen horizon meer. Niettemin: hoe de tijden wel niet zijn veranderd. Moest onder het wandelen door de dreven rond ons huis terugdenken aan de middelbare school, aan de HBS van het Christelijk Lyceum aan de Koningsbergerstraat in Utrecht. Tegenwoordig doen we niet meer zo geheimzinnig over ziekte en dood, wij in elk geval niet. Lewy Body vloeit voort uit de ziekte van Parkinson en Lewy Body treft zo ongeveer één op de drie parkinsonpatiënten. Wij kruipen niet in onze schulp. Dat spraken wij tien jaar geleden al met elkaar af. Wij trekken niet lijdzaam de gordijnen dicht. Maar in de jaren zestig van de vorige eeuw leken ziekte en dood zich daarentegen voor een middelbare scholier voornamelijk af te spelen in het geheimzinnige en verborgene. Na de herfstvakantie keerde de biologieleraar niet terug op school. Er werd niet over gepraat. Geruisloos stond er ineens een ander biologieles te geven. Bijna even geruisloos overleed rector De Bruyne. Nog stiller was het rond de dood van twee klasgenoten. Eén van die klasgenoten op de HBS heette van zijn achternaam Helder. Zijn voornaam weet ik niet meer. Hij woonde in een zijstraat van de Croeselaan in Utrecht. Ik was een paar keer bij die klasgenoot thuis geweest. Ineens was hij er niet meer. Zijn plek in de klas bleef leeg. Onze godsdienstleraar, een zwaar gereformeerde dominee met een te los zittend kunstgebit, beperkte zich tot de opmerking dat de jongen iets aan zijn hoofd mankeerde en nu bij de Here Jezus was. Daar deden we het mee midden jaren zestig. De Here Jezus ja en we zongen nog maar eens een psalm of gezang. Stamt trouwens mijn aversie tegen geloof en sprookjes uit die tijd? Uit die tijd stamt mijn opvatting dat er maar één soort onderwijs zou moeten zijn en dat is openbaar onderwijs. De hokjesgeest werkte verziekend. Aan de rand van het Majellapark in Utrecht stond een roomse school en een protestantchristelijke. Tussen die twee scholen lag een groot grasveld dat twee op godsdienst gebaseerde werelden van elkaar gescheiden hield. Benauwend was het. Later zou een bezoek als verslaggever aan Belfast in Noord-Ierland alles overtreffen qua godsdienstwaan. De ene dag zaten we nog in een pub; de volgende ochtend was die pub bij een bomexplosie weggeblazen en gaapte een gat met brokstenen. Hoe anders ook gingen we vroeger met ziekte en verdriet om. Daarom: we blijven boekstaven. We prepareren ons op een bijzondere week.
De Galecopperbrug is momenteel wel het ergste in zijn soort. Maar waar werken ze momenteel NIET aan de weg ????? Ook onze eigen wijk met die prachtige bomenrijke singel ontkomt niet aan verkeershinder. En tegelijkertijd gaan ze sleuven graven voor afvalcontainers. De kliko’s gaan eruit. De gemeente heeft zich al ingedekt. Per brief. Het kan zijn dat het gaat tegenzitten met de werkzaamheden. Waarvoor begrip gevraagd. Staat er niet 31 oktober op het gele bord? Is het dan niet Halloween? En ja 1 november, het begin van de Keltische jaartelling. Laten we in godsnaam voldoende verantwoord mierzoet snoep in huis hebben voor die kinderen die bij de voordeur komen zingen. Het is al twee keer mis gegaan. Niets om uit te delen met Allerheiligen en die kinderen maar zingen. Reden we ze de volgende dag met de rolstoel achterna om ze alsnog wat toe te steken. Of ben ik in de war met Sint Maarten en koeien met staarten? Mijn hoofd loopt om. En dan nog overal van die kanariegele borden met wegwerkzaamheden! Ellen wordt ondertussen moe van het rechtop zitten – we moeten naar huis. Ze moet weer met het hoofd in de kussens. Het is de ziekte van Parkinson, een slijtageslag. Eenmaal languit op bed en in de kussens zie je Ellen herademen. Dan vrolijkt ze op. Maar naar buiten, tóch geregeld naar buiten, het is een must, de longen, zuurstof, besef van wat er allemaal om haar heen gebeurt. Alles zoveel mogelijk in de juiste dosering. Vrijdag 25 oktober. Om half acht vanochtend meldde Trudy zich alweer en vanavond is het de beurt aan Esmé. In het najaarszonnetje klimt de temperatuur op naar achttien graden. Parkinson en Lewy Body, we gaan er in openheid mee om.
Wandelen is een sluiproute naar de eigenheid. In haar boek ‘De herontdekking van het lichaam’ haalt Bregje Hofstede de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau aan. De enige continuïteit van je bestaan ben jezelf. Juist wandelen roept de meer fundamentele vragen op over de richting van ons leven. En nog pakken we té vaak de auto, concludeer ik. Wandelen en je onttrekken aan de stem van anderen. Het helpt bij het op afstand houden van een burn-out of depressie.
Per capsule herstel van bronchitis in de Week van de Kuur
‘Ik neem je mee naar buiten voor een wandeling, als ze dat tenminste goed vinden, maar je mag niet weglopen hoor. Als ik zeg dat we teruggaan naar de gevangenis dan stribbel je niet tegen.’ ‘Natuurlijk niet, waar zou ik naartoe moeten, ik ga natuurlijk geen moeilijkheden maken.’ ‘Beloofd dus. Ik wil geen last met de rechter hoor.’ Broeder Peter knikt goedkeurend. Zegt: ‘Hij heeft dit verdiend. Neem hem maar gauw even mee naar buiten.’ Streven naar geluk als levensdoel is volgens de Belgische psychiater De Wachter een schromelijke vergissing. Streven naar zin en betekenis is waar het in het leven om draait. Hij zou wel eens gelijk kunnen hebben. De westerse mens is overprikkeld, stelt De Wachter. Daarover later meer. Ik schrijf, met om mij heen het stralende gezicht van het model Ellen in de fotolijstjes op mijn bureau. De mooie Ellen die wel ouder werd maar tegelijkertijd ongelofelijk jong bleef. Jong in verschijning, jong in aspiratie. Men vroeg naar haar geheim. Ik schrijf, omdat ik de huidige situatie, die alweer een periode van bijna tien jaar bestrijkt, wil vastleggen voor een klein aantal personen wel zeer in het bijzonder. Ze kijken weg en missen veel. Daarom als chroniqueur op de pc.
De trap is af. Het heeft haar goedkeuring. Nu die andere trap nog naar de bovenste etage. Over een poosje dan. December of januari? De wit geschilderde trap doet terugdenken aan het vorige huis in Vleuten. En zeker ook aan 1997 toen prinses Diana verongelukte. Een mens associeert. Zoals ook met John F. Kennedy in 1963. Waar was JIJ in die dagen van mondiale verbijstering en rouw om prinses Diana? WIJ waren in het vorige huis bezig met het tot vervelends toe verwijderen van de stugge stoffering en de lijmresten van de trap. Een helse klus. Monnikenwerk. De week van het plamuurmes. En allerlei gemene middeltjes om die lijm vloeibaar en los te krijgen. Ondertussen stond voortdurend de tv aan. Buckingham Palace viel van zijn voetstuk. De knieval van de koningin voor Diana. Londen was één bloemenzee. Tweeëntwintig jaar later weer zo’n geschilderde en daardoor ruimtelijke trap; tweeëntwintig jaar later ook op tv de fantastische documentaire uit Afrika over de jongste zoon van Diana, Harry, en zijn prachtige expressieve echtgenote Meghan en hun koter. Harry: ‘Als ik fotocamera’s zie en ik hoor hun geluid, zeg maar dat geklik, en ik zie flitslicht, dan lopen de rillingen over mijn rug. Dan weet ik eigenlijk niet waar ik het zoeken moet. Het angstzweet breekt me dan uit. De paparazzi en het fatale verkeersongeluk van mijn moeder hebben iets met me gedaan waarvan ik hoopte er overheen te groeien, maar het zal nooit lukken.’ Hij en Meghan waren vooral ook als eerbetoon aan Diana in Afrika. Op plekken in Angola bijvoorbeeld waar Diana zich inzette voor het opruimen van de landmijnen die voor een diep menselijke tragedie zorgden.’ Hij legt zich bij zijn familiegeschiedenis neer. Harry, Meghan en dat kindje in hun armen – je ging automatisch van het stel houden. Je besefte wat het voor Harry moet hebben betekend om voor vele honderden miljoenen kijkers wereldwijd als jochie achter de baar van zijn door een stortvloed aan pulp vermoorde moeder te moeten lopen. Parijs en die tunnel. De klopjacht van de meedogenlozen. De niet te stillen jacht op sensatie. De honger naar roddel en achterklap. De paparazzi zijn er nog. Ze vreten zich als houtworm in zijn bestaan. Voor Harry mag met Meghan nooit gebeuren wat zijn moeder overkwam. En hij huilde erbij. Hij fluisterde om genade naar de Britse tabloids.
Ellen klautert weer op. Ruim een week geleden lieten we onze trouwe huisarts Erik komen. We? Het gebeurde vooral op initiatief van verzorgende Trudy die er niet gerust op was. Trudy die vanuit Houten door de stromende regen op de fiets (nee geen elektrische) naar ons toe was gekomen omdat haar auto een lekke band had. Op de fiets (zo’n stoere opoefiets) dik een uur door weer en wind en nog op tijd bovendien. Trudy die aanried dat Erik naar Ellen zou kijken. Er klonk voortdurend een gorgelend geluid op van onder de boezem. Zonnebloemhoning en de duurste hoestsiroop van tijm haalden niets meer uit. Het Kruidvat bood geen uitkomst. Bronchitis. Een kuur van zeven dagen. Dit mocht geen longontsteking worden. Ik schrijf, met om mij heen de foto’s van Ellen toen ze nog aanzienlijk meer weerstand had dan de laatste jaren. Weinig weerstand thans. Kwetsbaar. Maar nog steeds wel de beoogde reacties op een kuur. Per dag en dan telkens drie capsules verder knapte Ellen zienderogen op. We begonnen voor de onderlinge communicatie aan een dagelijks BB. Het Bronchitis Bulletin. De toon werd per aflevering opgewekter.
Het was alles bij elkaar een rare week. Een week die vooral in het teken stond van de kuur. En passant ook nog de week van de griepprik waarvoor de patiënten al ruim een uur tevoren een lange rij (beter: een lint) vormden voor de praktijk van Erik. Het leek waarachtig wel op een optreden van Youp van ’t Hek met de laatste honderd, of hoeveel waren het er precies?, schouwburgkaartjes in de losse verkoop. Zo ooit twee keer eens voor Youp in de rij staan blauwbekken vanaf drie uur ’s nachts tot ’s ochtends half negen. Toen gingen de deuren open en begon de bestorming. Dat was op het Lucas Bolwerk in Utrecht en ook eens in Houten. De Bastille! Op het Lucas Bolwerk boog de sliert liefhebbers van Youp bij het voormalige politiebureau naar links af, de hoek om, de Voorstraat in, en zo verder en nog verder. Krankjorum als ik eraan terugdenk. Alleen die nachtelijke mensenhorde al was opzienbarend en een hele belevenis. Meer dood dan levend van de novemberkou meldde ik me op zondagochtend met de gedroomde kaartjes terug bij Ellen. Kaartjes op de eerste rij nota bene. Middenin op de eerste rij. Ik had er mijn gezondheid voor gegeven. Kreeg niet eens meer mijn verkleumde vingers om het kartonnen bekertje dat ’s ochtends rond acht uur door de schouwburg aan de wachtenden werd uitgereikt. De reactie van Ellen: ‘Ik ga niet. Sorry hoor maar dit vertik ik. Ik ga niet bij Youp van ’t Hek op de eerste rij zitten. Dan pikt hij mij er misschien wel uit en zit zo’n hele theaterzaal om mij te lachen. Of hij spuugt me onder. Want dat doet Youp altijd. Het is daar op die eerste rij bij Youp een fontein van speeksel. Hoe heb jij je nou die kaartjes kunnen laten aansmeren.’ Toch bij Youp op de eerste rij gaan zitten. Vooraf erg gelet op onze kleding. Zorgvuldigheid troef. Niet iets aangetrokken waarop de cabaretier zou kunnen aanslaan. Al helemaal wijselijk de okergele broek in de kast gelaten.
De griepprik op de Meentweg in De Meern riep herinneringen op aan Youp ’s nachts in Utrecht en in Houten. Nooit is de huisarts zo populair als op de dag van de griepprik, beaamde Erik die zich even de best bezochte conferencier van Nederland in diens gloriejaren waande. We leggen ook deze oktoberweek met voortdurend pokkenweer vast. Met ondanks de bronchitis van Ellen toch mantelzorgverlof met één overnachting in de hotelabdij van Rolduc in de sfeer van de Heilige Vader en de Heilige Stoel. Eén overnachting in een vroegere priestercel van drie bij drie met alleen een bed en een wastafel. Maar hoe aangenaam toeven in glooiend en dennenrijk Kerkrade wel niet nu de weersomstandigheden de Belgische kust minder aantrekkelijk maken. Jo (nee, niet Jo Gijsen) bediende weer in het abdijrestaurant en dat betekende andermaal de garantie op gezelligheid. ‘Meneer Carbo, U kunt kiezen uit twee rode wijnen, ik zou U deze hier aanraden, proef eerst maar even.’ En: ‘Eigenlijk ben ik al ruimschoots met pensioen, maar ik zit mijn hele leven in de restaurantbediening en kan het niet missen.’ Zwaar onweer op de zaterdagavond achter de spijlen van de abdijramen en bij het lezen van de weekendeditie van NRC onmisbaar het o zo simpele bordeauxrode lampje boven het bed. In de kussens lees ik er in NRC de verhalen van mijn oud-studenten Jorg Leijten en Bart Hinke en ze maken me blij. In Rolduc nu geen honderdtwintig lederen leden van een motorclub en ook geen grote groep worstelaars inclusief een zwaar getatoeëerde begeleider met paardenstaart. Maar ditmaal een hele stoet glad geschoren medewerkers van Citroën DS die er voor teambuilding bleken te zijn. Hoofdmoot van de teambuilding (kon niet missen) een autorally door de Limburgse heuvelen, zo vertelde mij een vriendelijke veertiger. Diana zorgde thuis voor Ellen en de kuur. ‘Alles goed hier Johan, behalve de tv, die doet het ineens niet.’ Een week met het debuut in de plaatselijke bibliotheek als vrijwilliger in het Taalcafé voor mensen met een migratieachtergrond. ‘Johan, je praat nog te veel in te lange zinnen met veel te mooie prozaïsche woorden. Dat begrijpen onze cursisten niet.’ Hoe leerzaam weer. Op weg naar staccato dus. Een deelnemer aan het Taalcafé bleek na vijftien jaar nog maar tien woorden Nederlands te spreken.
Een week met het prachtige boek over het waargebeurde verhaal van auteur Stephen Matthews. Leidraad de komst van de nazi’s op het Kanaaleiland Guernsey. Met zijn ouders werd Matthews van de idylle Guernsey ‘voor een vakantie’ in smerige en onwelriekende veewagens gedeporteerd naar de concentratiekampen Dorsten en Biberach in nazi-Duitsland. In zijn boek haalt de schrijver ook de goede Duitsers aan die hij op kinderleeftijd leerde kennen en met wie hij na de oorlog als vrienden contact hield. Het was ook voor de Duitsers Hitler of de kogel. Met de Duitsers die in Biberach mens bleven liep het ternauwernood goed af. Matthews geeft in zijn boek af op enkele Britse families die niet vanaf Guernsey gedeporteerd werden en die zich na de oorlog jegens hem en zijn ouders als ijspegels gedroegen. Het was een kil weerzien van oude buren. Want ja, concentratiekamp of niet, de achterblijvers op Guernsey hadden tijdens de bezetting zwaar honger geleden en als gevangene kon je in nazi-Duitsland immers volgens de overlevering nog altijd rekenen op voedsel van het Rode Kruis. Hoe herkenbaar dit alles voor Ellen toen ze vanuit Java ineens als kind van repatrianten in het mentaal kille Nederland van de wederopbouw stond. Ook Guernsey en de nazi’s is weer een indringend verhaal. Een aanrader. Mooi boek kortom.
Maar het bleef natuurlijk de week van de kuur en het Bronchitis Bulletin. Iedereen liep net even harder voor Ellen dan altijd al. Met Zulay die ’s morgens al om half acht op de stoep stond. Zoals ook Trudy. Zoals ook Diana die op weg naar Ellen de protesterende en bijna militant wordende boeren en hun tractors probeerde te mijden en te trotseren. Het bleef de week van de kuur. En ik had me voorgenomen: als deze week slaagt door die kuur dan sluit ik ‘m af met bezoek in Buitenveldert aan verpleeghuis Vreugdehof (die naam, die naam, wie heeft hem bedacht?!) en ga ik buiten op de Zuidas wandelen met onze vriend die in de vestibule van dementie verkeert. Aldus geschiedde. Broeder Peter was razend enthousiast. ‘Neem hem mee naar buiten, alsjeblieft doe het, op mijn verantwoording, hij is er zó aan toe.’ Bewonderenswaardige man die Peter. Hij zat even later in een kring met zo’n twaalf vrouwen die stuk voor stuk de weg volledig kwijt waren. Peter: een échte voor de zorg. Aan Peter kan menigeen een voorbeeld nemen. Zijn ‘pupil’, onze vriend, is nog te goed voor het gesticht Vreugdehof. Hij maakte na dertien weken zijn eerste wandelingetje door de omgeving van zijn gevangenis waarvan de naam moet zijn bedacht door een ongelofelijk kwalijke cynicus. Een treiterkop. Galgenhumor. Anders dan zo kun je die naamgeving niet zien. Onze vriend liep voor het eerst weer vrij buiten rond. Al snel buiten adem van het vele roken. Hij had moeite zijn tranen te bedwingen. Vreugdetranen omdat hij even buiten Vreugdehof was waar je de lust tot verder leven vergaat. Een bankje onder een boom die zijn herfstbladeren op ons liet neerdwarrelen. We keken twee joodse mannen in het zwart na die uit de synagoge kwamen. ‘Volgende keer ergens een bittergarnituurtje’, mompelde onze vriend. En de broeder bij terugkeer: ‘Doe dit meer, doe dit vaker, hij heeft het zo hard nodig, hij heeft U nodig.’
Ik schrijf. Ik schrijf voor enkele mensen wel zeer in het bijzonder. Die zijn al jaren en jaren geleden afgehaakt. ‘Je lijkt verbitterd en zo ken ik jou niet’, schreef een heel lieve vriendin uit Amsterdam me deze week. ‘Ik lijk verbitterd?’, schreef ik haar verbaasd terug, ‘welnee zeg, ik lijk dat niet, ik ben het, ik bén verbitterd, maar ik ben het gelukkig niet elke dag. Ik ben een emotionele jojo. Ik wil Ellen niet kwijtraken. Maar ik weet dat ik van meneer Parkinson niet kan winnen. Achter het pantser van de opgewekte grappenmaker gaat veel verdriet en teleurstelling schuil.’ Troost is dat we nog altijd aanloop hebben. Maar het neemt wél af. Het leidt gelukkig nog niet tot eenzaamheid. Maar het doet veel relativeren. Sterk relativeren zelfs. Zeker met het beeld voor ogen van de kamer van onze vriend in dat afschuwelijke verpleeghuis waarbij je denkt: moet je zo naar het einde van je leven? De kamer vertoont qua afmeting en inrichting grote gelijkenis met de priestercel van Rolduc. Maar het maakt een heel verschil of je er gedwongen zit of voor je mantelzorgverlof. Het is het verschil tussen een gevangene en een vakantieganger. Onze vriend leest nog intelligente boeken, hij volgt het wereldnieuws nog steeds op de voet, en in zijn uitgebreide mails valt niet één taal- of tikfout te ontdekken. Toch mankeert hij wel wat. Is er in onze huidige maatschappij voor dergelijke gezondheidssituaties dan geen andere oplossing te bedenken?
Moest voor een jerrycan vloeibaar wasmiddel bij de Action zijn. Vlak achter me hoofdzuster B. van het verpleeghuis van Ellen een paar jaar geleden. Ze had bijna dagelijks met Ellen te maken. Ze bewaakte het zorgplan, en zo meer. Ze stond middenin ons privédomein. Ze deelde (kort gezegd) op de afdeling van Ellen de lakens uit. Ook hoofdzuster B. in de rij voor de kassa van de Action. Ze leek te schrikken toen ik haar in de gaten kreeg, daar bij die kassa van de Action. Een stijf knikje en een wat glazige blik, meer kon er bij hoofdzuster B. niet af. Ik kon hoofdzuster B. bij wijze van spreken aanraken, zo dicht stonden we bij elkaar. En niet even de vraag naar Ellen en hoe het met haar was. Geen enkele vraag, niets. Onvoorstelbaar. Wat heeft deze hoofdzuster tot een baan in de zorg gebracht? Een raadsel. Kijken naar onze meterstanden op kantoor bij het plaatselijke energiebedrijf, dat zou toch veel meer als baan bij haar passen? Vanwaar die harteloze desinteresse? Ellen was in haar meest kwetsbare situatie aan hoofdzuster B. overgeleverd. Ik beschouw het als symptomatisch voor de tijd waarin we leven. Het is de individualisering en dan nog een stap verder. Wist meteen weer waar het ook voor een belangrijk deel aan schort in de Nederlandse verpleeghuizen. Het is lopende band werk, er darren er te veel in het verpleeghuis rond die net als B. de bewoners slechts als een nummer zien. Bij zo’n hoofdzuster B. zit gewoon een draadje los.
Moest op weg naar de Skoda aan de heer G. denken. G. is de baas van twee particuliere zorginstellingen. Je betaalt een hoop geld bij hem. De man was een aantal weken geleden op een vrijdagmiddag bij ons op bezoek. Hoeveel weken geleden inmiddels, weet ik niet. Ik heb ze niet nageteld. Maar het zijn er ondertussen al heel wat. Met G. besproken om Ellen te huisvesten mocht er iets met mij gebeuren. Een mantelzorger kan altijd definitief uitvallen door ziekte of een ernstig verkeersongeval. Zie maar eens wat voor idiote manoeuvres niet alleen vrachtwagens op de weg uithalen. Deze week de A2 tussen Breukelen en Vinkeveen. De heer G. vertelde dat hij aanstonds met zijn vrouw naar Frankrijk zou rijden waar zijn vrouw voor enkele dagen een workshop ging geven in pottenbakken of iets dergelijks. Bij terugkeer zou hij weer contact opnemen en zou hij een rondleiding geven door zijn dure verpleeginstellingen. Nooit meer iets van G. vernomen. We hadden al onze kaarten voor hem op tafel gelegd. Hadden we ook hier weer te maken met een cowboy, met een neoliberale zorgavonturier die driftig links en rechts voorsorterend probeert in korte tijd zoveel mogelijk geld in de zorgsector te verdienen? Is hij ons vergeten? Druk, druk, druk? Is de zorg al zover ongeremd aan de markt toevertrouwd dat op geen enkel niveau enige screening plaatsheeft? Dit bedoelde ik met verbittering in de mail naar onze vriendin uit Amsterdam: juist voor kwetsbare groepen, waartoe wij helaas behoren, is het in alle ongewilde afhankelijkheid belangrijk dat afspraken en toezeggingen worden nagekomen. Mijn ouders gaven me dat mee zonder hoogdravend te praten over westerse normen en waarden. Normen en waarden? Daar hadden mijn ouders het nooit over. Wel over fatsoen.
Werd in het voorjaar gebeld door een mevrouw die een particulier zorgbureau runde. Ze kwam net achter haar grasmaaier vandaan, zo vertelde ze opgewekt, en had gehoord dat ik een verzorgende zocht voor vakantie. Ze vroeg een krankzinnig hoog uurtarief. Hoe dat zo? Hoeveel van dat uurtarief belandde in haar eigen zak? Zeventig procent. En waarvoor eigenlijk? Zij deed vanachter haar grasmaaier de administratie. Wat hield die administratie in? Maandelijks de factuur opstellen, betoogde de vrouw opgewekt. Hoe lang was ze daar wel niet mee bezig? Een hele tijd, eerst moest dan de grasmaaier uit en terug in het schuurtje. Die tijd telde ze mee. Ik betichtte haar van zorgprostitutie. O ja? Ze grinnikte. ‘Zeker wel mevrouw. U maakt misbruik. U vormt in de zorg een volstrekt overbodige schakel.’ Mevrouw zag zichzelf als een weldoener. Gegraai naar het PGB van de zieke mensen, corrigeerde ik haar. Weet de Inspectie wel wat er allemaal aan profiteurs in de Nederlandse gezondheidszorg (en daarbuiten) rondloopt? Vrees van niet. Er is veel uitbuiting in de zorg. Zeker migranten zijn daarvan het slachtoffer. Ze durven geen nee te zeggen. Zei tegen die mevrouw van de elektrische grasmaaier dat ze me maar een naam van een verzorgende voor de vakantie moest geven, dan zou ik met die persoon wel zelf de simpele administratie doen. O nee, geen sprake van, in dat geval geen naam. Keek deze week naar een consumentenprogramma over kleine particuliere bureautjes die bij erfenissen en legaten onschuldige goedgelovigen financieel vroegtijdig het graf in adviseren. Waar is de controle van het Rijk op één en ander? Waar o waar?! Door de marktwerking zou alles goedkoper worden, maar de facto heeft die markwerking alles bedrieglijker gemaakt. De opmars van de vrije jongen. Jacobse & Van Es. Ja, gewiekste zakkenvullers in de zorg en elders stemmen bitter. Het is de schijnbetrokkenheid en de vette knipoog naar de eigen uitpuilende portemonnee die al niet meer in de binnenzak en handtas past.
Kom zo-even terug van Albert Heijn. Het einde van de week. Met als afsluiting tijdens de (intussen gebruikelijke) zondag-matinee erwtensoep van Elly Wolf voor een klein groepje intimi. De zaterdagmiddagdrukte in Albert Heijn. Achter mij een echtpaar. Leeftijdgenoten. Een vrouw die haar man aanspoorde door te schuifelen naar een bankje even verderop. De man liep krom gebogen als een hoepel achter zijn rollator. Hij kon met zijn vingertoppen de vloer zowat aanraken. Begon een praatje met de vrouw. ‘Parkinson meneer, nu alweer bijna twee jaar.’ Vertelde haar over Ellen die ook parkinson heeft. ‘Je hoort het steeds meer, meneer, je hoort steeds meer over parkinson.’ Inderdaad, want in het Taalcafé ontmoette ik deze week iemand van wie de vader parkinson had. We vergaten even de drukte van Albert Heijn en onze boodschappen. Waar ik na tien jaar de energie nog steeds vandaan haalde, wilde de vrouw weten, ik oogde zo energiek? Liefde? Ze herkende dat. Maar was er niet meer? Optimisme bijvoorbeeld. Erkennen dat de zin van het leven voor een belangrijk deel bestaat uit de wil een ander gelukkig te maken. In Albert Heijn vertelde ik die vrouw over de week van de kuur, over de verzorgende die door regen, wind en herfstbladeren naar ons toekwam vanuit Houten, over mantelzorgverlof in een abdij, over de betrekkelijkheid van zaken waarover velen zich druk maken. Ook zij vertelde. Ze vertelde over haar dochter die geriater was en de medicatie van haar vader wilde verhogen. We praatten. We gaven elkaar tips. Totdat iemand ons op de schouder tikte en geagiteerd vroeg of we niet een beetje konden opschieten. We stonden in het looppad. We stonden in de weg. Want ze had haast. Dat zei ze. Maar we stonden toch niemand in de weg? Dat was toch helemaal niet zo? We stonden de gezonde gehaaste medemens in de weg, dat was het natuurlijk. En het moet gezegd: dat stemt herhaaldelijk bitter.
De kunst van het ongelukkig zijn. Er blijkt kortelings een boek met die intrigerende (schier onnavolgbare) titel te zijn verschenen. Met als auteur een Belgische psychiater en hoogleraar uit Leuven. Deze Dirk De Wachter toonde zich deze week een meesterlijke verteller. Een imponerende man. Charisma aan tafel! Grandioze gast van Pieter Jan Hagens bij het zondagse tv-programma Buitenhof. Ook Hagens raakte gefascineerd door zoveel bevlogenheid, dat zag je duidelijk. De Wachter (echtgenote huisarts) sloeg de bodem weg onder de redenatie dat je pas van een ander kunt houden als je dat eerst en vooral van jezelf kunt. Hij sloeg met duidelijke voorbeelden de tegeltjeswijsheid aan diggelen dat je pas een ander kunt helpen als je dat eerst jezelf kunt. Welnee, flauwekul, en hij draaide het om, de Belg. Arme narcisten die ook op Buitenhof hadden afgestemd. Richt je meer op die ander dan op jezelf! Ook ongelukkig zijn, of je zo voelen, hoort bij het leven. Om dan maar meteen naar een psycholoog of psychiater te vliegen… De Wachter was zich steeds meer gaan verwonderen over de problemen waarmee de gemiddelde bezoeker naar zijn praktijk kwam. Wat zit ik hier als psychiater te doen?, dacht hij steeds vaker vanachter zijn bureau in Leuven. Als het leven niet meer op rolletjes liep, ja wat dan? Veel klagers tegenover hem toonden met kleuterpraat geen greintje veerkracht. Soms was een knuffel voldoende, maar aan knuffelden waagde de psychiater zich in deze tijdspanne met Me Too niet, o nee. Maar het zou in heel zijn onschuld menigeen kunnen helpen. Afspraken nakomen. Doen wat je belooft. Elkaar durven aanraken, letterlijk en figuurlijk. Belangstelling voor de ander. Tijdens het interview pakte De Wachter de hand van Hagens. Dit bedoelde hij: warmte overbrengen.
Mens zijn tegenover de medemens. Zonder winstbejag. Pieter Jan Hagens vond het geweldig. Hier zat één van zijn meest memorabele studiogasten. De Wachter – deed overigens vagelijk aan catweazle denken – zou niet snel meer worden overtroffen. Prachtig taalgebruik ook bezigde de Belg. Hij woog zijn woorden alsof er een weegschaal op tafel stond. Hij deed me aan Dominicaan en filosoof Harry denken met wie ik helemaal aan het begin van het ziekteproces van Ellen indringende gesprekken had over leven en dood. In feite over de kunst van het ongelukkig zijn. Als het leven niet meer klopte – wat dan en hoe dan? Wat als een vanzelfsprekendheid niet langer een vanzelfsprekendheid bleek te mogen en kunnen zijn? Stresshantering. Je ongelukkig durven voelen. Burn-out vermijding. Inderdaad, Dirk De Wachter, wat maakte ik me druk om die meneer G. en zijn luxueuze particuliere verpleeginstellingen. Opzouten! Wat maakte ik me druk om de bleke zorgzuster B. uit ons voormalige verpleeghuis. Wat kon mij dat andere ijskonijn schelen, die tante met haast op de drukke zaterdagmiddag bij Albert Heijn. Bij verbittering sta je jezelf in de weg. De titel van het boek had evengoed kunnen zijn: De kunst van het gelukkig zijn. Zoals op dat bankje in Buitenveldert met de neerdwarrelende herfstbladeren om ons heen. Dat gold voor meer. Die persoon met zijn drie woorden Nederlands na vijftien jaar. Dat gold voor de opgewekte toon die in het BB per drie capsules kon worden aangeslagen. De gedachte in Buitenveldert aan Ellen thuis. Het is net even die andere weg in het hoofd. Leerde van De Wachter dat het een hele kunst is om hanteerbaar ongelukkig te zijn. Als de liefde maar je kompas blijft. Maar dat ’t geen kunst is om vandaar, van je ongelukkig voelen, de sprong naar verbittering te maken. Hij gaf voorbeelden die paradoxaal leken maar dat geenszins bleken te zijn. Streven naar geluk als levensdoel is een vergissing. Streven naar zin en betekenis van het leven is waar het om draait. De westerse mens is overprikkeld en egocentrisch. We moeten meer onze eigen psychiater zijn. We moeten elkaar meer durven aanraken. We doen ons best en schaffen het werk van Dirk De Wachter maar heel snel aan.
Huisarrest tijdens de kuur. Het mag niet uitdraaien op een longontsteking. Ellen is er moe van. Veel slapen maar ook goed eten en drinken. Fruit.


























