Wouter de Vries van de Muidense kruitfabriek, de vader ván

Mijn vroegste herinnering aan Peter R. de Vries dateert van 1982 of daaromtrent, van zeker veertig jaar geleden kortom. Ik was door de algemene verslaggeverij van Het Parool weggeplukt bij de sportredactie en als ik me niet vergis was het zelfs mijn eerste of anders pas tweede dag als reporter voor politiezaken. Op de redactie van Het Parool aan toen nog de Amsterdamse Wibautstraat kwam ‘s morgens het bericht binnen dat voor de afwisseling weer eens de Muidense kruitfabriek De Krijgsman, of een onderdeel daarvan, de lucht in was gevlogen. Ik was er voor de rest van de dag en de dag erna mee onder de pannen. Op de sportredactie was ik na een aanvankelijk aarzelend begin van vaste waarde geworden, de stap naar politieverslaggever voor Amsterdam en omstreken was een gok. Ik kende de politie tot dan toe alleen nog maar van parkeerboetes en snelheidsovertredingen. Van mijn sportchef en mentor Cees van Nieuwenhuizen had ik geleerd dat je je in Amsterdam van verkeersborden en speciale fietspaden niets moest aantrekken. Je had overal op zijn Hollands gezegd schijt aan. Een gedurfde overstap was het van sport naar de politie, maar ook een weloverwogen stap omdat de plichtmatige lege babbeltjes aan de kleedkamerdeuren me na vijf, zes jaar de keel begonnen uit te hangen. En had ik nou zo lang gezwoegd voor mijn einddiploma hbs om dagelijks naar rechtsbuiten Piet Hamberg van FC Utrecht te moeten bellen met de vraag of zijn ontstoken linker grote teen al een beetje genas? Politieverslaggever dus als investering in mezelf en voor verdere journalistieke ontwikkeling met als eerste klus de ontplofte kruitfabriek in Muiden. De opgewonden redactiechef Gerrit-Jan Ludding, hij werd overal opgewonden van, gaf nog de laatste instructies mee aan de centrale tafel op de Wibautstraat. Van Muiden veertig jaar geleden herinner ik me een enorme ravage. Geen ruit meer heel. Als ik me niet vergis waren er ook één of twee dode kruitwerknemers. Hoofdschuddende bewoners in een straatje vlakbij. Ze waren die levensgevaarlijke kruitfabriek al jaren zat. En op het werkterrein een jonge jongen die in alles de show stal. Die jonge jongen in een leren jack was van concurrent De Telegraaf. Hij bleek De Vries te heten, Peter R. de Vries. Die R. vond een andere collega maar knap aanstellerig. Maar goed, Peter R. de Vries hechtte zeer aan die R. van Rodolf of Rudolph achter Peter. Aan het eind van de middag gaf de directeur van de kruitfabriek een persconferentie. Die directeur heette toevallig ook De Vries. Wouter de Vries, als ik me het nog goed herinner. Peter R. de Vries stelde met een eigenwijs hoofd vragen aan Wouter de Vries waarvan ik telkens dacht: hoe komt hij erop, wat knap! Erg goed voor mijn zelfvertrouwen was het niet in mijn gloednieuwe baan. Weggespeeld door een hautain iemand die zes jaar jonger was. Hoe oud zou hij geweest zijn, 22, veel ouder niet. Verlangde in Muiden terug naar de kleedkamerdeuren van de eredivisie. Liever op een kouwe, gure, regenachtige zaterdagavond in november naar MVV in Maastricht dan een hysterisch ontplofte kruitfabriek in Muiden met bijna geheimtaal over alle chemicaliën en technische voorschriften waarvan de omwonenden begrijpelijkerwijs voortdurend hartkloppingen kregen. De beste vragen aan De Vries kwamen van De Vries, zijn naamgenoot. Die dag toen niet geweten, en ook geen seconde vermoed, dat het hier vader en zoon betrof. Half Nederland heet immers De Vries. Maar de directeur van de kruitfabriek in Muiden die leverde aan Irak en Iran tegelijk – ze waren met elkaar in oorlog- die Wouter de Vries bleek de vader van Peter R. de Vries. Daarom was Peter R. in Muiden zo’n uitblinker natuurlijk. Of toch niet? Nee, toch niet nee. Het had in Muiden misschien een beetje met zijn vader te maken, maar dan ook niet meer dan een beetje. Een jaar later liet de jonge Peter R. de Vries zijn collega’s alle hoeken van het slagveld van de misdaadjournalistiek zien toen bierbrouwer Alfred Heineken en zijn chauffeur Ab Doderer werden ontvoerd door naar later bleek Willem Holleeder en kornuiten. Niemand kwam zo dicht bij het vuur, en waagde zich er ook zo dicht bij, als Peter R. de Vries. (Ben zelf veertig jaar geleden eens een halve middag gegijzeld geweest door een Antilliaanse crimineel met lepra op een bovenwoning niet ver van het Amsterdamse Surinameplein, ik krijg nog weer de rillingen als ik eraan terugdenk, het klamme zweet staat weer in mijn handen, ik had nog geen maand verkering met Ellen, toen voorgoed afgeleerd de moedige held te spelen, want het zou geëindigd zijn in een dooie held, heb het pas twintig jaar later aan Ellen verteld of beter: opgebiecht). Peter R. de onverschrokkene. Alles ondergeschikt aan zijn missie. De frontsoldaat bij uitstek. Zijn boek over de ontvoeringszaak van Heineken werd een absolute bestseller. Zijn naam en faam waren gevestigd. Hij was een rechercherende journalist. Een pitbull. Volstrekt onafhankelijk ook. Alhoewel de lijnen bij hem wel steeds meer door elkaar heen begonnen te lopen. Overal connecties. Zal ook nooit de persconferentie over de ontvoering van Heijn vergeten vlak voor Kerstmis 1987 op het gemeentehuis van Bloemendaal. Niemand die de onderzoeksleider, de charismatische commissaris Kees Sietsma, zo doortastend en vasthoudend ondervroeg als Peter Rudolf (of Rudolph) de Vries. Hij bouwde ook met criminelen een band op en ik weet nog maar al te goed dat dit bij Het Parool en andere linkse media destijds als uiterst ongepast werd gezien. Je schreef over criminelen, maar je zocht ze niet op in hun cel. Je interviewde ze ook niet, je gaf ze geen platform. De Volkskrant en in iets mindere mate NRC en Trouw haalden indertijd zelfs hun neus op voor misdaadjournalistiek en het werk van Peter R. Mede door wiens toedoen strafpleiters als Doedens, Hiddema, Bovens, Spong en vader en enkele zonen M. figuren werden die zo leken weggelopen uit een filmscript van Fellini. Misdaadjournalistiek was geen journalistiek begin jaren ’80 en daar deed je besmuikt over. Peter R. pakte het anders aan dan wie ook. Hij drong diep door in het wereldje. Hij drong door tot in de haarvaten van de georganiseerde drugshandel. Hij was van alle markten thuis, scherpzinnig vooral, buitengewoon scherpzinnig en vasthoudend. Zijn territorium werd groter en groter. En nu, na veertig jaar van hoogtepunt op hoogtepunt, veertig jaar van excelleren in de meest diverse rollen in de misdaadjournalistiek en in de misdaadbestrijding, van een stevige schouder voor wanhopige ouders die hun kind verloren maar nooit duidelijkheid kregen over de toedracht en de dader, de Puttense moordzaak en Nicky Verstappen van de Brunssumerheide en zo meer, nu na veertig jaar ongeëvenaarde topprestaties schoot vermoedelijk een 21-jarige blaag hem voor een grijpstuiver op een zomeravond neer in de drukke Lange Leidsedwarsstraat. Als het niet zo verschrikkelijk was zou je het bijna kwajongenswerk noemen. Vechtend voor zijn leven is Peter R. de Vries nu ineens van iedereen en voor iedereen de grootst denkbare held van Nederland, ook voor lieden die hem tot voor een week uitkotsten. Want zo algemeen geliefd als nu lijkt was hij niet. Melodramatisch wordt hij nu door politici en opiniemakers in superlatieven en adjectieven beschreven. Femke Halsema zal het heus wel menen, ze oogt oprecht, maar toch. Hoe hoog stond en staat de aanpak van de zwaarste criminaliteit op hun lijstje van beleidspunten? Verbijsterend? Tegen de achtergrond van de meedogenloze maatschappij waarin wij leven zijn het alle reacties van verbijstering die vooral verbijsterend zijn. Enige hypocrisie ook. De koning en koningin in Berlijn even voor een paar tellen uitgewuifd naar het klootjesvolk en geschokt in de camera’s kijkend. Even ondersteboven. Zoals wel vaker. De Lange Leidsedwarsstraat is deze week een bedevaartsoord geworden voor onthutste rechtvaardigheidszoekers. Maar de vraag is vooral: wie wordt de volgende? Peter R. is – of was? – veertig jaar lang de beste. Veruit de beste. De linkse media gingen hem gaandeweg de jaren ’80 steeds meer serieus nemen. En toen hij al veruit de beste was, wilde hij nóg beter worden. En vervolgens nóg beter. Hij vond een nieuwe discipline uit. Van politieverslaggever naar misdaadjournalist. En daarna nog tal van variaties daarop. Ambitie. Ego, ook dat. Een verschrikkelijk groot ego. Onverzadigbaar. Een tomeloze speurzin. Bevlogen en nors. Verlegen en dat maskeren. Voor de duvel niet bang. Persoonsbeveiliging wilde hij niet, zo valt op te maken uit de berichtgeving. Het zou verplicht moeten worden, ook voor niet-overheidsdienaren op een dodenlijst, ook al omwille van omstanders bij een liquidatie of poging daartoe. Kogels kunnen afketsen. De ergste dingen, nog erger dan al erg, kunnen gemakkelijk gebeuren met spelende kinderen vlakbij. De grootste nachtmerrie is waarheid geworden, sprak zoon Royce deze week na de aanslag. Weeg die woorden eens. Familie voor wie het werk van Peter R. een nachtmerrie was. En begrijpelijk in een maatschappij als de huidige. Was dit het waard? Als het over zijn waanzinnige moed ging dan haalde Peter R. graag zijn vader aan, een verzetsheld in de Tweede Wereldoorlog met een rol bij het liquideren van twee Duitsers. Hij onthulde dat pas op zijn sterfbed. Wouter de Vries van de kruitfabriek in Muiden. Ik zie hem na veertig jaar nog zó voor me. Zijn zoon, teugelloos op zoek naar de waarheid en rechtvaardigheid, de frontsoldaat, hij vecht nu voor zijn leven, 64 nog maar. Hij werd in 1982 ook zelf eens ontvoerd. Door een aan lager wal geraakte reclameschilders die losgeld vroeg aan De Telegraaf. De reclameschilder was als ontvoerder een broekie. Hij zette voor zichzelf en voor Peter R. koffie. In die voor Peter R. deed hij een slaapmiddel. In zijn zenuwen dronk de reclameschilder het verkeerde kopje koffie op. Waarop de verslaggever zijn ontvoerder in de auto zette en bij het eerste de beste politiebureau afleverde. Dat waren nog eens andere tijden. Peter R. kon in zijn jonge jaren als verslaggever een enorme driftkikker zijn. Hij kreeg eens zijn zin niet van zijn chef en gooide toen van woede een bekertje automaatkoffie over diens schone overhemd. Moest de jonge verslaggever op rapport bij de hoofdredacteur en hield hij al rekening met ontslag op staande voet. Maar nee. Volgens de hoofdredacteur keken ze bij De Telegraaf niet op een bekertje koffie.

Johan