Van verwondering naar heel klein beetje bewondering, een snipper maar, en dat wilde ik niet

De beste vraag aan Tanja Nijmeijer is, volgens mij, NIET of ze het anders zou hebben gedaan als ze het mocht overdoen. De beste vraag is, mijn inziens, aan jezelf: zou het MIJ destijds OOK hebben kunnen gebeuren toen ik 22 was en geen vaste relatie had, wat inderdaad toen het geval was. JA, dit had MIJ misschien OOK kunnen overkomen. Ik was misschien ook wel voor een stage naar Latijns-Amerikaans land gegaan en ook ik was misschien, of wellicht, wel strijdvaardig geworden met alle armoe die ik om me heen zag. Heel intellectueel Nederland had de bekende poster van Che Guevara boven zijn bed hangen. Tot een PvdA-minister van Ontwikkelingssamenwerking toe. Je identificeerde je met de strijd voor gelijkheid en gerechtigheid in landen als Colombia, El Salvador, Nicaragua, Honduras, Ecuador en zo meer. Dat hoorde zo als je bijvoorbeeld de Volkskrant las. Of Trouw. Of als je naar de IKON keek of naar de Wereldomroep luisterde. De val van de Muur in Berlijn en het dominosteneneffect in heel Oost-Europa veranderde veel, Latijns-Amerika was niet meer trendy onder de linkse intelligentsia, maar de situatie bleef daar ‘gewoon’ onveranderd. Ik probeer kortom Tanja Nijmeijer een beetje te begrijpen. Misschien wel meer dan een beetje.

Hi Moni.

Ze kan zich nog heel goed het eerste moment herinneren, toen tijdens de vredesonderhandelingen op Cuba de deur openging en ze aanvankelijk alleen een heel magere, kleine man zag staan die ze in eerste instantie niet herkende. ‘Het was pap die daar stond, ik had hem in veertien jaar niet gezien. De verwarring duurde maar twee seconden. De deur ging verder open en daar waren mam, mijn zus Ellen en haar gezin. We omhelsden elkaar en papa moest even huilen. Hij was enorm vermagerd en had een trieste blik in zijn ogen.’ Die deur, die deur in Havana die heel langzaam openging en die een broze, oud geworden man na veertien jaar recht tegenover zijn al verloren en meermaals dood gewaande dochter bracht. Die deur, het is van een ongelofelijke symboliek. Haar vader die de deur naar zijn onbegrepen dochter opende. En huilde. ‘Gelukkig was daar ook mam met haar gebruikelijke luchtige opmerkingen. Wil er iemand ook koffie en wat was de reis toch lang.’ Het ijs was gebroken maar het werd nooit meer zoals vroeger.

‘Mijn thuis is nu waar Boris is’, schrijft Tanja Nijmeijer bijna aan het einde van haar boek. Prachtzin. Haar terugblik leest als een fascinerende uitgave met uitleg, dikwijls ook een poging daartoe, het virus van de gewapende strijd dat haar te pakken had, vergiffenis vragen en vergiffenis geven, verantwoording afleggen, emoties tonen, het misschien wel door het junglebestaan medisch onbereikbaar geworden moederschap en het besef de familiebanden nooit meer zó te krijgen als in lang vervlogen tijden. Boek van een idealiste. Door Nederlandse ogen en met een Nederlandse rebelse ziel én uit de eerste hand over de klassenstrijd vanuit de jungle in het intrinsiek corrupte en streng-rooms-katholieke Colombia. Een aanbeveling waard. Aan de grond verloor de guerrilla het bloedige gevecht met eindeloos veel slachtoffers aan beide kanten tenslotte van de helikopters en de gevechtsvliegtuigen van het door grootmacht Amerika en zijn CIA gesteunde regeringsleger. Waren er demonen in de Twentse Tanja Nijmeijer gevaren? Ja? Nee? Ze bleef koppig en vastberaden. Ze geloofde heilig en met volle overtuiging in een betere maatschappij en een eerlijker verdeling van geld en goederen. Ze ging, heel naïef misschien wel, tot het uiterste. Het zat in haar karakter, zo lijkt. En ze spaart in haar boek zeker ook zichzelf niet. Ze is openhartig en lijkt eerlijk.

Tanja Nijmeijer en de FARC, de dogma’s, het blinde geloof in de goede zaak , en lange tijd ook in de afloop ervan, maar later niet meer, het besef dat elk uur haar laatste kon zijn, de landmijnen, de bommen en granaten, de doden en gewonden, de ontvoeringen door de FARC, de diep gewortelde haat van de FARC tegen de grootgrondbezitters en andere uitbuiters binnen de elite die werden afgeperst, en de connecties met de cocaïnebaronnen als belangrijke, zo niet de belangrijkste financiers, de nauwe banden met de narco’s (dat laatste daar schrijft overigens te makkelijk overheen) – het blijft delicaat. Het blijft een uiterst gevoelig onderwerp. Maar toch. Toch enige bewondering na alle verwondering, of we nu willen of niet. En dan die ene memorabele kerst. Een groepje guerrillastrijders werd vanuit de jungle door commandant Mono met ongerekend tweeduizend euro, jawel zeg, drugsgeld?, erop uitgestuurd om kerstinkopen te doen. Het gezelschap kwam nooit meer terug. Dat snap ik ook wel. Moest er, kon het ook niet helpen, hartelijk om lachen. Zo ook om de salsa-danslessen in de jungle die commandant Mono voor zijn groep op de zondagavond als verzetje had bedacht. Een bijzonder boek. In heel veel opzichten.

Het was voor ‘Alexandra’ geen geheim dat de FARC zijn oorlog grotendeels financierde met drugsgeld, via drugsbelastingen in gebieden waar de rebellen de baas waren. Maar in de jungle had ze er weinig van gemerkt. ‘Van guerrilla naar vredesproces’ is vanuit ideologie geschreven, maar niet zonder de hand in eigen boezem, en evenmin zonder humor en diepzinnig is de slotbeschouwingen waar het de toekomst van Colombia betreft en die van haarzelf. De FARC was volgens haar geen drugskartel. Maar leefde weer wél in een land waar drugs een onvoorstelbaar grote plek in de economie innamen zodat iedereen er wel mee te maken had. De naam Pablo Escobar kom ik in het boek niet tegen. Ook Medillin niet. Ook niet die andere Escobar, die voetballer, Andrés Escobar, die op het WK van 1994 in de VS en tegen de VS in eigen doel schoot, en terug in Colombia werd vermoord, mooi boek van Nico Verbeek die al ettelijke jaren in Medillin woonde over de bloedige onderlinge strijd van de vele drugskartels. Wel de cocaboeren in het boek van Tanja Nijmeijer. Een moreel oordeel door mij over de in ‘Alexandra’ omgedoopte Twentse Tanja en de FARC blijft achterwege. Dat is zo makkelijk vanuit een luxueuze huiskamer in het voor kerst 2021 al hier en daar behoorlijk opgedofte, naar verhouding puissant rijke, Utrecht. Je moet misschien iets van Latijns-Amerika afweten om Tanja uit het beschermde Denekamp een beetje te kunnen volgen. Latijns-Amerika, het is er zó anders dan hier. Rijk is er anders rijk, en arm is er anders arm. Bovendien: iemand uit het steeds anarchistischer wordende Nederland kan maar beter zijn mond houden als het om een moreel oordeel gaat. We staan tegenwoordig voortdurend internationaal te kijk. Nederland, ach ja het stuurloze Nederland, het uitgeholde Nederland, waar de straat begint te regeren, waar twaalfjarigen ambulancepersoneel en politie bekogelen, waar zijn hun ouders godverdomme?, en waar de kindervriend Sinterklaas deze week een kogelwerend vest droeg. Het kan verkeren.

Hield me onder meer met honkbal bezig in mijn sportjaren op de redactie van Het Parool. Volgde eens de nationale ploeg van Colombia. Een armoedig stelletje. Verdrietige mannen die achter een bal aan renden. Mannen ook die zich te midden van onze welvaart zichtbaar liepen te schamen. Tegelijkertijd was er die trots. Ze moesten in Haarlem aan kleren worden geholpen. We hielden een inzamelingsactie. Ook voor materiaal. De ploeg werd zakgeld toegestopt. Tanja Nijmeijer was toen net geboren, ze moet twee of drie zijn geweest. Colombia verkeerde in een burgeroorlog die vijftig jaar zou duren. De voormalige kolonie van Spanje heeft een lange geschiedenis achter de rug van paramilitair geweld, guerrilla, cocaïnemaffia, corruptie , machtsmisbruik, te veel kerk met het rooms-katholicisme, en een desolate economische situatie. In die eindjaren zeventig ging Nicaragua met zijn Sandinisten naar een burgeroorlog, zie nog hun nationale ploeg afwezig honkballen tegen Nederland, in Rimini in Italië was dat, de spelers hadden de meeste belangstelling voor de telefooncel in het stadion. Het was bovendien één en al politieke en economische spanning tussen regering en guerrilla in ook El Salvador (FMLN) , in Guatemala, in Peru (Lichtend Pad), in Ecuador (ELN). Kon voor de krant voor ruim een week naar Lima in Peru, maar bedankte er feestelijk voor. Ellen was het zwaarst wegende argument. Venezuela net even een ander verhaal. Ik blijf de herinnering aan de trip naar enkele indianendorpen koesteren als een niet uit te vlakken hoogst bijzondere ervaring daar aan de grens met Colombia. We vlogen – war een panorama zeg! – in een heel klein vliegtuigje over het ondoordringbare oerwoud heen, ik hield mijn adem in. De jungle dus. Maakte alleen oorlog mee in Noord-Ierland waar ik in het benauwende Belfast op vrijdagavond nog in een pub zat, om de volgende dag op dezelfde plek glazig te staren naar een betonnen geraamte, want ze hadden de pub opgeblazen ‘s nachts. Was blij toen ik weer naar huis kon.

Dit maakte Alexandra natuurlijk jarenlang om de haverklap mee in de bushbush. En dan dreef daar plots een afgehakte krokodillenpoot voor een maaltijd als in een 5-sterrenrestaurant. Het oerwoud van de Amazone beslaat 54 procent van het oppervlak van Colombia, daar woont drie procent van de bevolking. Tanja Nijmeijer verlangde tijdens de vredesbesprekingen en het ‘normale’ leven in de hotels van Havana terug naar het oerwoud. Haar verblijf op Cuba werd voor een weekje onderbroken voor een reis met het Rode Kruis en Cubaanse en Noorse afgezanten naar het guerrillakamp in Putumayo in het uiterste zuiden van Colombia. Om er de mensen bij te praten over de vredesonderhandelingen. ‘Het werden gelukkige dagen in Putumayo met rondlopen in een kamp, weer eindelijk in een hut slapen. ‘s nachts de krekels horen en vooral onder de eigen mensen zijn, het was vreselijk dat er aan die week een eind kwam.’ Later zou ze vaker spreekbeurten houden vanuit de gendercommissie die ijverde voor het ongedaan maken van de achterstelling van vrouwen van wie er ook veel het voortdurende slachtoffer waren van huiselijk geweld.

In mijn vorige blog vergeleek ik de tegendraadse anarchisten en ordeverstoorders bij de strikt noodzakelijke inperking van onze bewegingsvrijheid door alle steeds weer opnieuw naar recordhoogten piekende coronabesmettingen met de revolutionaire Twentse schoonheid Tanja Nijmeijer van de illegale communistische guerrillabeweging FARC in het Latijns-Amerikaanse Colombia. Ik neem die geuite overeenkomst voor een belangrijk deel met iets van een spijtbetuiging terug. Te voorbarig, houd het daar maar op. Ik was aan haar boek begonnen met het voornemen geen sympathie voor haar te willen ontwikkelen, Tanja Nijmeijer was immers crazy en een gevaarlijk persoon, FARC stippellijntje cocaïnehandel bijvoorbeeld, maar ik lees me momenteel met ingehouden adem naar het einde van haar duizelingwekkende verhaal en moet eerlijk bekennen dat die sympathie wel degelijk bezit van mij genomen heeft en zeker niet beperkt is gebleven tot een stip aan de horizon. Nee, het is niet zo dat ik de Twentse onverschrokkene bewonder, of iets van dat, omdat ze een mooie vrouw is. Ik ben er onder de indruk van hoever deze idealiste, onbezonnen vaak, is gegaan voor een maatschappelijke overtuiging, waarin ik nog heel ver kan meegaan ook.

Hoe verder in het boek hoe groter het raadsel dat ‘Alexandra de Europese’ nog leeft en niet werd opgeslokt door de ondoordringbare jungle of werd meegesleurd met de stroomversnellingen in de monsterlijke en verraderlijke rivieren. Uitgehongerd, broodmager, een ribbenkast, verblind door een ideologie. Een uitblinker bij de schietoefeningen, het meest nog tot haar eigen verbazing. Ik raad je het zopas uitgekomen boek ‘Van guerrilla tot vredesproces’ van harte aan want het werpt toch wel een bijzonder licht op deze jonge vrouw uit Denekamp, ergens in het oosten van ons land, ik weet niet eens waar precies, die als studente Romaanse talen en culturen aan de universiteit van Groningen zich na veel gedram van haar kant liet uitzenden naar Colombia voor een stage en die daar langzaam maar zeker veranderde in een onverschrokken soldate die met een uzi en ander schiettuig over haar schouder en in gevechtsuitrusting in de jungle belandde en er heel lang niet meer uitkwam. Je leest dit boek vol ongeloof. Haar moeder houdt het erop dat ze tijdens haar stage door een zekere Antonia werd gehersenspoeld, zelf ontkent ze dat in alle toonaarden. Voor haar ouders was het één of andere vreemde en gewelddadige ver-van-hun-bed-show-beweging waar hun middelste dochter, een buitenbeentje, zich vrijwillig bij had aangesloten. Of was ze gekidnapt als een trofee voor de guerrillabeweging?

Het zou Tanja Nijmeijer een lief ding waard zijn, zoals ze schrijft, haar beide ouders en twee zussen in Denekamp nog eens te bezoeken, maar daar kan met haar oorlogshandelingen en tolken bij gevangen genomen Amerikanen van de inlichtingendienst geen sprake van zijn omdat ze op de officiële opsporingslijst van Interpol staat. Tanja Nijmeijer zou bij aankomst op Schiphol onmiddellijk door de marechaussee in haar kraag worden gevat en worden afgevoerd. Maar lees dit boek, al dan niet in het ongelofelijke tempo dat jij bij het lezen van boeken aan de dag weet te leggen, en ik ben benieuwd of jij hetzelfde ervaart als ik. Tanja Nijmeijer was in haar jeugd al een meisje met een eigen wil. Het was er één met wilskracht. Op de universiteit van Groningen interesseerde ze zich al voor politieke verhoudingen, de verschillen tussen arm en rijk, ze was zeer geëngageerd en belezen. Je mag haar niet vergelijken met dat deel van de demonstranten tegen de coronamaatregelen dat er alleen maar op uit is te rellen en in heel zijn vernielzucht hersenloos de handen laat wapperen in een onberedeneerde opstand tegen het bestuurlijk gezag. Ze was er bovendien één van het avontuur, ondernemend, vol dynamiek, een onafhankelijke geest, en ze toonde met een stage vol onzekerheden de nieuwsgierigheid naar een derdewereldland als Colombia. En daar zag ze de onbeschrijfelijke armoe tegenover de rijkdom van de grootgrondbezitters die ze tot dan toe niet voor mogelijk had gehouden. Ze was de twintig nog maar net gepasseerd. En vatbaar voor geweld tegen ongelijkheid.

Daar, in de middelgrote stad Pereira, werd haar engagement verder gevoed in contact met opstandelingen en gesprekken met mensen, zoals die Antonia bijvoorbeeld, en die niets moesten hebben van Amerika, het imperialisme, Reagan en Thatcher, de economen van de Chicago School, Shell en Unilever, de multinationals kortom, aandeelhouders, de oprukkende marktwerking binnen het kapitalisme, de dramatische levensomstandigheden van de miljoenen paupers in hun hutjes zonder sanitair, de ongezonde gezondheidssituatie in de achtertuin van Washington en een overheid in Bogotá die zich maar bleef verrijken. De ongegeneerde egoïstische schraapzucht van de kleine, in weelde badende, bovenklasse. Tanja Nijmeijer adoreerde vooral de linkse burgerpresident Salvador Allende in Chili (en terecht) die het had gewaagd niet te buigen voor de CIA en in 1973 om zeep werd gebracht ten gunste van de kapitalistische paladijn generaal Pinochet. Ik wilde als lezer niet in het pak genaaid worden, ik nam me voor geen sympathie voor Tanja Nijmeijer te willen krijgen, want ze heeft met haar organisatie dodelijke slachtoffers gemaakt en ontvoeringen op haar geweten, maar die sympathie, heus geloof me, die sympathie bouwde zich als gezegd gaandeweg toch wel degelijk op. Ik zal je sterker vertellen: behalve verwondering kreeg ik een zekere bewondering voor haar. En die bewondering zit ‘m onder meer in haar levensovertuiging, haar moed en haar openhartigheid. Ze is niet hooghartig, ze is geen snoever, ze toont haar zwakheden, ze legt enige mate van zelfspot aan de dag, ze gebruikt haar boek niet als rechtvaardiging en als een verdedigingslinie om zich heen. Ze is kritisch over zichzelf, ze vertelt over haar twijfels, over haar angst, over de heimwee met meermaals zich in slaap huilen in haar hangmat, ook wanneer ze weer eens een vernederende uitbrander had gekregen met represailles omdat ze iets verkeerd had begrepen en in de fout was gegaan.

Roken en een brandende sigaret tijdens het nachtelijke wachtlopen bijvoorbeeld. Of ze stapelgek was geworden! Zich wassen in de rivier met alleen een string aan. Preutse inheemse latino’s, groepsgenoten, gaven haar aan bij de commandant die vroeg of ze een strijdster was of een prostituee uit Bogotá. Ook wenste de FARC haar niet in de rivier zonder bh te zien. Voor straf moest ze dagen achtereen poepgeulen graven. Het verleidde Tanja Nijboer in haar boek te stellen dat de guerrillastrijders politiek weliswaar heel progressief waren maar in de rest van hun bestaan uiterst conservatief. Ze sjouwde met dertig kilo op haar rug. Of was het nog veel meer? Dat zou ik nog even moeten opzoeken. Niet zij maar heel veel anderen vochten door met een hernia. Zoveel pijn in lendenen en benen dat ze niet meer stil kon liggen en in beweging moest blijven. De stress. Soms was ze de groep kwijt en stond ze in haar eentje tussen de lianen en ging ze er maar even bij zitten totdat de mieren haar gillend overeind deden komen. De vuurvliegen, ze verloor er bijna haar verstand bij. Maar ze had gekozen voor de gewapende strijd en bleef erin geloven en wilde haar vrienden en vriendinnen in de FARC niet in de steek laten. Ik geloof in die solidariteit. Je kunt mijn militaire dienst en tuchtiging natuurlijk moeilijk vergelijken met het guerrillaleven. We hadden te eten, volop zelfs, en we kregen nachtrust, we hadden meestal schone kleren aan ons lijf en ons leven kwam geen moment in gevaar. Maar ik herinner me hoe wij manschappen in het steenkoude Hohne en Seedorf nabij de grens van de DDR een ongelofelijk sterk wij-gevoel ontwikkelden. Niet de één wel een privilege en de ander niet, dan liever niemand een privilege. Niet de één wel een kachel in zijn tent en de ander niet. Dan niemand. Maar eerlijk is eerlijk: mijn militaire dienst was als een vakantie op de Maldiven als je Tanja Nijmeijer bij de FARC leest. Ik weet wel dat ik heb gefantaseerd over hoe die Tanja Nijmeijer in de jungle haar dagen zou doorkomen. Nu lees ik het en dan gaat het om de meest primitieve zaken waar ik tevoren nooit bij heb stilgestaan. Bomen kappen. Voor palen zorgen met een scherpe punt zodat ze de grond in kunnen voor een eigen hutje. Ik noem maar iets.

Schaf het boek aan Moni! Er blijven veel vragen. Over de ontvoering door de FARC van de politica Ingrid Betancourt bijvoorbeeld. Voelt Nijmeijer zich daar niet ongelofelijk medeschuldig over. En die kindsoldaten ook, hoeveel het er ook mogen zijn geweest. Het is jammer dat ik het uit heb. Ik voel de emoties in Colombia. Althans, dat denk ik. Je weet werkelijk niet wat je leest hoeveel ontberingen ze geleden heeft. En dat allemaal voor de, in haar ogen, goede zaak van rechtvaardigheid. Met boomstammen sjouwen en eigenlijk geen linker en rechter schouder meer overhouden. Door haar hoeven zakken van vermoeidheid. Dagenlang stromende regen en uniformen ‘s morgens aandoen die nog net zo nat waren als de avond tevoren. Uitdrogingsverschijnselen. Zoveel dorst geleden hebben dat ze niet eens meer kon slikken nadat ze haar handen tot kommetjes had gemaakt voor wat modderwater uit een plas. Dagen achtereen in de stromende regen of de verzengende hitte door de jungle lopen met een lege maag. En maar alert blijven op hinderlagen. Voetschimmel. Een gekmakende jeuk. Door de modder waden. Voetschimmel door de laarzen die klam waren en klam bleven. Die militaire kistjes droog proberen te wrijven, maar er was geen beginnen aan. Tijdens een vergadering deed ze haar laarzen uit om te kunnen krabben aan haar jeukende voeten en ze in te smeren met talkpoeder. Het kwam haar op straf te staan. De religie van de FARC was belangrijker dan de jeuk aan haar schimmeltenen. Hoofdluis. Van armoe die hoofdluis bestrijden met benzine en motorolie omdat de shampoo niet werkt. Maar de benzine en motorolie verlosten haar ook niet van die hoofdluis. Ze wilde haar hoofd kaal scheren, maar de commandanten accepteerden geen vrouw met een kale kop. ‘s Nachts bij het wachtlopen lek geprikt worden door gluiperige muggen in alle soorten en maten. Kortstondige liefdesavontuurtjes want telkens vonden overplaatsingen naar andere kampen in het oerwoud plaats. Je kreeg dan tien minuten om je rugzak te vullen. Romances waren ondergeschikt aan de strijd voor een betere wereld. Leven op het laagste van het laagste bestaansminimum in een strakke commandostructuur. Later voortdurend uit Amerika overgekomen helikopters van het Colombiaanse regeringsleger boven haar hoofd. Bombardement op bombardement. De plaatselijke bevolking die nog meer achter de FARC ging staan dan daarvoor. Ze zat eens vast aan een liaan en met haar rugzak klem tussen twee rotsblokken en bungelde boven een diep ravijn. Ze telde de seconden af. Een kameraad kwam haar op het nippertje bevrijden. Waarna Tanja Nijmeijer van opluchting een uur lang bleef huilen met haar handen voor haar ogen. Hoe heeft iemand dit in godsnaam allemaal kunnen opbrengen al die jaren, vraag je je als lezer voortdurend verbijsterd af. En daar ontstaat die sympathie voor deze vrouw. En dan kijk ik om mij heen hier en zie ik louter een niet te stillen honger naar materialisme en baas boven baas. Daarbij onszelf niet uitgezonderd. Al vind ik dat in ons geval nog wel meevallen. Hoe durf ik!

Een uurtje geleden kwam verzorgende Elly in volle afschuw over de drempel gestruikeld. Haar eerste woorden: ‘Ik schaam me voor mijn Nederlandse nationaliteit.’ Hoezo Elly? Of ik de beelden van gisteravond uit Rotterdam had gezien? Rotterdam als brandende fakkel. Straattuig met capuchon, opgegroeid in westerse welvaart, dat de Lijnbaan in lichterlaaie zette omdat het straattuig met capuchon op zijn Nederlands wilde protesteren tegen de aanscherping van de coronamaatregelen. Het straattuig met capuchon maakt zich zorgen over de tweedeling in de Nederlandse samenleving als we ook nog eens met de 2G te maken krijgen. En laat met heel zijn maatschappelijke bewogenheid, die er natuurlijk helemaal niet is, die zorgen vergezeld gaan met brandstichting, het bekogelen van politiemensen met straatklinkers, het ingooien van de voorruit van een ambulance, en alle verdere denkbare gezagsondermijnende activiteiten. Beelden uit Rotterdam die meteen al de hele wereld over gingen, ook vanzelfsprekend Colombia bereikten, en een dijk van een burgemeester in de Maasstad, Ahmed Aboutaleb, die over een geweldsorgie spreekt. Daar komt dan ook nog eens voor het straattuig met capuchon het vuurwerk bij dat met Oud & Nieuw opnieuw verboden is, met code gitzwart in de ziekenhuizen en overal elders in de zorg. Een landelijk vuurwerkverbod waar overigens het zoetjesaan hopeloze stelletje demissionaire struikelbewindslieden eerst nog van overtuigd moest worden. Waarvan overtuigd? Door wie? Overtuigd door de zorg dat men met de jaarwisseling op de spoedeisende hulp geen tijd en geen mensen heeft voor losse ogen, halve oren, verruïneerde vingers en aan flarden geschoten dijbenen? Onze vaandeldrager Hugo zal straks wel weer roepen dat hij met die brandende puinhoop in zijn woonplaats Rotterdam van vrijdagavond 19 november spijt heeft dat hij opgedirkt in het kerstnummer van de LINDA staat. Zoals zijn partijleider en scheve schaats rijder Hoekstra ook overal naderhand spijt van heeft. Het maakt niet uit wát. Hetgeen ook voortdurend geldt voor de lege huls Grapperhaus met zijn mitrailleurtaal voor de bühne. De enige die nooit ergens spijt van heeft in dat Haagse tamboerkorps is Rutte, domweg omdat hij zich van vervelende dingen naderhand nooit meer iets kan herinneren. Hopelijk weet hij na het weekend nog wel hoeveel politieke ontluistering we weer achter de rug hebben met die gevaarlijke snoeshaan van Forum en het in de mond nemen van tribunalen waarbij ik meteen aan Neurenberg moest denken. En aan ‘t Hooge Nest van auteur Van Iperen. Die verbaal onbesuisde slippendrager van het onbegrepen polariserende genie Baudet zou toch eigenlijk door de Kamervoorzitter onmiddellijk voor een paar maanden afkoeling geschorst moeten kunnen worden! Over die schorsingsbevoegdheid schijnt de Kamervoorzitter ook formeel te beschikken. Zie bijna dagelijks waar wankelmoedig leiderschap in heel zijn ongeloofwaardigheid toe leidt.

Tanja Nijmeijer kan niet meer terug naar Europa, naar Nederland, en ze wil ook niet meer terug al kreeg ze de kans. Ze is Nederland ontwend geraakt, het moreel verloederde Nederland. Ze is het in alles volledig ontgroeid. En ons gederailleerde land helpt haar erbij. Ze heeft het leven van een heel andere kant leren kennen. ‘Er zijn getuigenissen beschikbaar’, schrijft ze, ‘van ontvoeringen, van soldaten, van politici, maar dit is mijn verhaal, de getuigenis van iemand die er nog steeds in geloofd dat er een andere wereld mogelijk is.’ Dit is geen domme vrouw. Verre van dat zelfs. In haar voorwoord citeert ze de Tsjechische schrijver en literatuurwetenschapper Milan Kundera en haalt diens ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’ aan. ‘Er bestaat geen mogelijkheid om na te gaan welke beslissing beter is, want er is geen vergelijking. Wij maken alles zomaar voor het eerst en onvoorbereid mee, net als een acteur die voor de vuist weg een stuk speelt. Maar wat kan het leven waard zijn als de eerste repetitie voor het leven al het leven zelf is?’ Aldus Kundera. Ik heb die woorden tot driemaal toe gelezen en de betekenis ervan op de tong geproefd zoals de kok van Oan ‘t Bat bij de Maas in Eijsden dat dagelijks doet met zijn pepersaus. Wat hebben we er trouwens weer voortreffelijk gegeten afgelopen donderdag, maar dit terzijde. Tanja Nijmeijer (1978) sloot zich in 2002 aan bij de Gewapende Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia (FARC) en verbleef tot 2012 in de jungle. Van 2012 tot 2016 vertegenwoordigde ze de FARC tijdens de vredesbesprekingen in Havana tussen de regering en de guerrilla. Tegenwoordig woont ze in Cali, van de salsa en de vele dansinstituten, en doet ze een master in Interculturaliteit, Ontwikkeling en Territoriale Vrede. Die blaas je echt niet zomaar opzij nee.


De gebeurtenissen worden door haar met een enorme precisie van tijd en plaats vertelt. Ze baseert zich op haar jarenlange dagboekaantekeningen vanaf haar pubertijd. Want daar begint het boek, met het gezin waaruit ze komt en haar leergierigheid. Op haar vierde kon ze al boeken lezen. Ze had het zichzelf geleerd. Niemand die dat kon geloven. Men stond versteld. En haar opstandigheid jegens het kapitalisme en neoliberalisme groeide en groeide maar. Stapels schriften schreef ze vol. Ze doet zich niet beter voor dan ze is. Ze verbloemt niet. Ze is kwetsbaar en tegelijkertijd lijkt ze, afgaande op haar boek, over een ongelofelijk groot incasseringsvermogen te beschikken. Ze moet ook gezegend zijn met een ijzerstek gestel en dat zeker in de jungle hebben gehad. Het was toch anders: een nazaat van Simon Bolivar, eerder gewend aan het oerwoud, of dit meisje uit Denekamp. Ze was als Europees meisje met een universitaire achtergrond natuurlijk ook een kroonjuweel binnen de FARC. Maar ze spreekt tegen dat ze de stoeipoes was van haar commandanten. Ze begrijpt niet, zoals ze schrijft, waarop dat internationale beeld is gebaseerd. Ze was officieel getrouwd met een Colombiaan, Felipe, uit de grote stad toen ze de jungle in ging, de scheiding werd pas vijftien jaar later uitgesproken.

Ben benieuwd of dit boek nog eens genomineerd wordt voor zoiets als de NS-Publieksprijs. Zoals ‘Ik wil leven’ van Lale Gül. Voor beide boeken evenveel belangstelling hier. Ze zijn controversieel. Dat hebben ze gemeen. Ze vertegenwoordigen een maatschappelijk belang. Ze zijn beiden maatschappijkritisch. Ze ademen strijdlust. Het zijn geen huiskamermussen. Geen mensen van ditjes en datjes en geneuzel. Nijmeijers uitleg van haar keuzes kreeg in de internationale media al te vaak met filters te maken, ik doe er niet aan mee. Ik geloof erin dat je volledig in de ban kan raken van die ijzeren wil de wereld ietsjes te verbeteren. Oorzaak en gevolg, al die guerrillabewegingen in Midden- en Zuid-Amerika kennen hun oorsprong. Slechte leefomstandigheden, uitzichtloosheid. De verzetsbewegingen in Latijns-Amerika schoten als paddenstoelen uit de grond. Vanuit de Nederlandse universiteiten, de sociale academies en linkse pers was er steun voor ze, in woord en geschrift. Bestond er in Nederland niet een solidariteitsvereniging die het CLAT heette? Als buitenlandredacteur had ik met die club contact. Maakten de VS niet van Cuba vóór 1959 één groot bordeel zonder fatsoenlijk onderwijs en zonder deugdelijke gezondheidsvoorzieningen? Het was een wingewest en roversnest tegelijk. De VS creëerden Fidel Castro in heel zijn superioriteit en flagrante minachting voor zijn achtertuin. De VS vochten in Vietnam en steunden in Midden- en Zuid-Amerika de meest verschrikkelijk en foute regimes. Zou IK de stap van Tanja Nijmeijer gezet kunnen hebben toen ik twintig was? Het had gekund als ik in Colombia meer had gezien dat een toeristenreservaat. Ze zijn eigenlijk beiden van de rebellie, Nijmeijer en Gül, maar ieder vanuit hun eigen omstandigheden, ieder tegen hun eigen en zeer specifieke decor.

Geweldig trouwens dat Lale Gül (Als onbegrepen Turkse in conflict met de achterstelling van de vrouw in het streng-orthodoxe islamisme) met grote overmacht de NS-Publieksprijs won. Meer dan tweeduizend mensen die gestemd hadden, een absoluut record, en Gül die er, een ander glorieus record, met 32 procent van de stemmen vandoor ging. De jongste genomineerde bovendien ooit. Geweldig. Ik heb staan juichen hier en in mijn handen geklapt. Moest er niet aan denken dat die vreselijk enge nicht van een Meiland zou winnen. Het had bij ons benepen klootjesvolk gepast. In onze directe kring weet ik er sowieso al acht die op Lale Gül hebben gestemd. Maar ook op Tanja Nijmeijer zou de titel ‘Ik wil leven’ met weinig fantasie, doch met weliswaar met enig voorbehoud, van toepassing kunnen zijn. Ik houd wel van zulke sterke karakters. Ze willen in elk geval iets van hun leven maken, ze kennen geen behaagzucht. Moet nu ook even denken aan het boek over Laura H. en het kalifaat, ook zo’n meeslepende thriller. Wat dat zijn het: thrillers. Ze zijn filmisch ook. Laura uit Zoetermeer kon je overigens nou niet bepaald een sterk karakter toedichten. Maar misschien toch wel. De manier waarop ze met die kids de benen nam uit het kalifaat, zinsbegoocheling. Maar het zijn allemaal verhalen die je verslaafd doen zijn aan lezen. Tanja Nijmeijer liep in de jungle voorts nog leichmaniasis op, in de volksmond berglepra. Ook hiervan genas ze. Dankzij glucantime in behoorlijke doseringen wat haar weerstand aantastte. In Denekamp had ze zich een gerieflijker leventje kunnen bezorgen.

In haar boek vertelt De Nederlandse Che Guevara, en dat schrijf ik niet ironisch, laat staan cynisch, niets van spot van mijn kant, in tegendeel, veeleer respect – ze schrijft dat ze graag moeder had willen worden. Maar het was haar verboden. Ze moest er alles aan doen om niet zwanger te raken. Bij zwanger een abortus. Daar ging men op voorhand mee akkoord. Stilzwijgend. Want de guerrillastrijd kon geen baby’s bij de vele verplaatsingen en aanvallen van het regeringsleger gebruiken. Baby’s zouden met hun gehuil de vijand op het spoor kunnen zetten, ze moesten meegezeuld worden op de dagenlange trektochten en waar moesten al die luiers vandaan komen. Het door de FARC opgedrongen spiraaltje werd voor Nijmeijer een ramp met hoge koorts. Eenmaal in een kamp in het noorden van Colombia bezijden de grens met Venezuela zag Tanja Nijmeijer dat zwangerschap binnen de FARC helemaal niet zo’n probleem was en ook veelvuldig voor kwam waarbij de baby’s bij een oma en opa terecht kwamen. Maar ja, schrijft Tanja Nijmeijer, hoe moest dat ik haar geval? Haar ouders woonden mijlenver weg in Denekamp en bovendien wilde ze haar kind zelf opvoeden en zien opgroeien. Ze wilde een echte moeder zijn, geen moeder die haar baby uitbesteedde, maar legde zich bij de feiten neer. Ze verdrong de gedachte aan het moederschap. Het zijn van die passages waarin de sympathie voor deze vrouw verder terrein wint. En haar commandant: ‘Ach Alexandra, je bent pas 26, vecht eerst maar even door hier.’ Achter het onverschrokken meisje uit Twente dat ooit op de lagere school een nieuwe meester bij hun eerste kennismaking een klap in het gezicht gaf met de woorden ‘Die heb je nog van mijn zus te goed die jij eens in de les sloeg’ – achter deze vrouw van 40+ inmiddels met een onbegrijpelijk verleden in de jungle, en in een wereld die bezit van haar genomen had, gaat een mens schuil met diepe gedachten en diepe zielenroerselen en gevoelens. Is ze als mooi Europees meisje gebruikt en misbruikt door de dogmatiek van de FARC? Voor hun public relations misschien? Ze heeft er zelf niet op aangestuurd. Ze was er zelf bij, ze was er zelf bij in die wereld van geweld en extremen, en ze ontkent het niet, ze loopt niet weg voor de feiten.

De FARC begon met een enkele opdracht hier en daar om in Bogotá en omgeving te verkennen, om er ergens op de uitkijk te staan, door iets te laten ontploffen, te beginnen in een stadsbus. Die stap verbaast. In de miljoenenstad Bogotá werd het al gauw menens. Van de stadsguerrilla verhuisde ze , toen er iets gruwelijk mis ging, voor haar eigen veiligheid en om uit handen te blijven van de autoriteiten naar de jungle in het diepe zuiden van Colombia. Dat ze het heeft overleefd is eigenlijk het grootste raadsel van alles. En zo zie je maar dat je met alle ver doorgevoerde hygiëne in Nederland ook volslagen immuun voor bacteriën kunt worden. Haar moeder, aan wie ze haar boek opdraagt, kwam haar in de jungle bezoeken. Alleen al de autorit door kuilen en over de meest verschrikkelijke hobbels van Bogotá naar het junglekamp toe duurde zestien uur. Je ziet die moeder, komend uit het brave Denekamp en de Twentse kleinburgerlijkheid, volkomen uitgeput zitten daar op haar klapstoeltje in het zuiden van Colombia tussen alles wat vreemd en gevaarlijk is. Mams had voor die eerste keer cadeautjes mee gekregen uit Holland, maar dochter Tanja wist bij God niet wat ze met de meeste van die cadeautjes in de jungle aan moest, behalve het heupflesje Jägermeister dat ze prompt gretig aan haar mond zette. Tanja Nijmeijer had haar familie gezegd dat ze voor haar stage een excursie door Colombia ging maken en even geen contact kon opnamen, maar excursie dat was natuurlijk helemaal niet zo. Het was de guerrilla met daarachter een lange stoet vraagtekens. Nu zat moeder op haar klapstoeltje midden in het oorlogsgebied voor twee weken vakantie bij haar dochter, met de krekels én de slangen én de muggen én de al dan niet vliegende mieren én weinig anders dan rijst en bonen of bonen en rijst én geweersalvo’s die van alle kanten kwamen. Moeder en dochter hadden elkaar eigenlijk niet zo veel meer te vertellen. Ze waren uit elkaar gegroeid. Aan het eind van de vakantie voor beiden stonden ze op, draaiden zich om, en liepen in een rechte lijn ieder hun eigen kant op. De dochter terug naar het kamp en het kadaverleven en een nagenoeg zekere dood op jonge leeftijd bij een van de vele vuurgevechten met het Colombiaanse staatsleger zoals zoveel vrienden en vriendinnen van de FARC gruwelijk aan hun einde waren gekomen, ook Tanja Nijmeijer zelf kon elk moment sneuvelen. Moeder hoofdschuddend, leeg vanbinnen en zich afvragend waar het toch zo radicaal was misgegaan naar de auto die haar weer naar het vliegveld van Bogotá moest brengen en vandaar naar het vliegtuig terug naar het leven van alledag in Denekamp waar voor het gezin Nijmeijer deuren waren dichtgegaan door die ene dochter.

Johan