Van supermarkt naar supermarkt voor Noah uit de NRC

 je
Las het voorbije paasweekend in de vaste NRC-rubriek ‘Jong’ geboeid een mooi mini-interviewtje met een zekere Noah. Een scholiere van zestien uit De Meern. Afgaande op de foto dacht ik: ik heb haar wel eens eerder gezien. En toen las ik dat ze een bijbaantje had in een supermarkt. Die Noah was ik dus ooit eens ergens aan de kassa tegengekomen. Maar interessanter waren de meeste andere dingen. Zuid-Afrikaanse van oorsprong. Twee maanden te vroeg geboren. Ongeveer in haar derde maand naar Nederland gekomen. Geadopteerd door een Nederlands echtpaar. Van wie hij advocaat. Zij secretaresse. Op haar achttiende verjaardag voor Noah alle informatie beschikbaar over haar biologische ouders. Dan weet ze of ze uit Kaapstad komt, of Johannesburg, of waar dan ook, welke township misschien wel. Op zich zou ze graag willen weten of haar biologische moeder nog leeft. En zo ja, hoe en waar. De kop boven het verhaal: ‘Ik ben blij dat ik geadopteerd ben.’ Haar uitleg daarover in het artikel. Er sprak een grote liefde uit voor haar ouders in De Meern. Een grote dankbaarheid ook. Wist onder het lezen natuurlijk nog niet dat het artikel vooral haar grootouders van vaderskant zo enorm zou emotioneren. Noah zou blijkens het verhaal een zeer talentvolle hockeyster zijn. Trainde wel drie tot vier keer per week. Dat moest bij Fletiomare zijn natuurlijk. Ze had een sportopleiding aangeboden gekregen. Maar gekozen voor de zorgsector. Om ooit nog eens verpleegster in een ziekenhuis te worden. Ze volgde inmiddels een opleiding in de zorg. En zou ook alreeds stage lopen bij de instelling Abrona die ze zelf had benaderd. Begeleiding namens Abrona van mensen met een al dan niet aangeboren hersenaandoening. Noah wilde niet alleen voor zichzelf gaan in haar leven. Het klonk in het artikel allemaal heel oprecht. Later vernomen dat het ook inderdaad zo was. Maar goed, dat wist ik nog niet toen ik Tweede Paasdag Ellen een stola en een cape omdeed en in de rolstoel naar de auto reed. Met de krant in de hand samen alle supermarkten van De Meern af. Die Noah moest te vinden zijn en die viel misschien wel te strikken als nummer vier in het Dream Team van Ellen voor de verzorging en begeleiding. Misschien wel een zeer geschikte om straks met de vakanties in te vallen. En om bij fraai en aanlokkelijk weer dit voorjaar en deze zomer met Ellen in het Maximápark wandelingen te maken met de rolstoel. Enfin, eerst naar de PLUS. Daar kenden ze geen Noah. Toen naar drie Albert Heijns. Zo achterlijk zijn we hier: drie AH’s op de vierkante kilometer. Over achterlijk gesproken. Vader advocaat. Dus knoopte ik daar vrijwel meteen Albert Heijn aan vast voor het bijbaantje aan de kassa. Elitair denken, noemen we dat. Maar het was steeds: Nee, nee, nee. Begon het leuk te vinden. Hoe vaker ik mijn hoofd stootte, hoe meer het op een ware zoektocht begon te lijken die een beloning verdiende. Het regende, het miezerde, en met Ellen (gele nagellak uiteraard) met Pasen het naspelen van het spannende programma Spoorloos. De Jumbo? Daar misschien? Het meisje uit de krant was ook bij de Jumbo niet bekend. Ook daar al niet. We daalden af – want zo voelde het – naar de Aldi en de Lidl. Ook mis geschoten. Toen de Vomar. En jawel hoor. Al die jongens en meisjes daar dromden om de rolstoel teneinde een blik op de krant te kunnen werpen. Noah! Hun Noah in de krant. Ze vergaten op slag de andere klanten. Er werden plots geen vakken meer bijgevuld. De NRC ging van hand tot hand. Noah! Maar die werkte alleen op zaterdag bij de Vomar. Nu was ze dus vrij. Zat misschien wel bij haar trotse opa en oma aan de cola. Eén van de winkelmeisjes besloot een app te sturen. Of ze met een zekere meneer en mevrouw Carbo contact wilde leggen. Waar Nora eigenlijk zo ongeveer woonde in De Meern? Bleek in onze wijk te zijn. Nota bene een paar onnozele straten verderop. Het werd al met al een kostelijke Tweede Paasdag. Geen eieren zoeken maar een meisje uit de NRC. In feite jammer dat we haar al na een uur hadden opgespoord. Daags erna belde ze ons op. Heel schuchter. Voor een afspraak. Om kennis te maken. Eind van deze middag viel ze hier binnen tijdens een geweldige onweersbui. Ze was in gezelschap van de (eveneens) geadopteerde dochter van onze pedicure. Ze bleken vriendinnen. Noah was zenuwachtig, zoals ze vertelde. Ze had van de pedicure al mooie verhalen over Ellen gehoord. En haar was verteld dat er over Ellen diverse boeken waren geschreven. Die wilde ze graag lezen. Ze zou een exemplaar mee krijgen. Hoe ze zo in de NRC terecht was gekomen? Nou gewoon eigenlijk. Een mevrouw liep met een blocnote bij Abrona rond en vroeg het frêle donkere meisje of ze geïnterviewd wilde worden. Dat wilde Noah wel. Ze had het heel interessant gevonden zo over zichzelf te vertellen. En dat nog wel voor de krant. Ondertussen weer een klap onweer bij de schuifpui. Kende ik de schrijfster van het interview? Ja, die had ik wel eens ontmoet. Dat vond Noah prachtig om te horen. Een sollicitatiegesprek uit het boekje. Noah zat inderdaad geregeld bij de Vomar aan de kassa. Als er een bij-kassa moest komen. Ze legde uit wat dat in godsnaam was. Meestentijds vulde ze vakken. Voor een grijpstuiver. Schrok van het uurloon bij die supermarkt. Slavendrijvers, maar ik hield me nog net op tijd in. Wilde over de zopas overleden Winnie Mandela beginnen, maar liet het zo. Nu was Noah aan de beurt om vragen te stellen. Oh jee. Ze bekeek vol interesse de foto’s van Ellen op de piano. Wat Ellen voor werk vroeger had gedaan? Ellen de liefde van mijn leven? Ze straalde van oor tot oor. Wat parkinson zoal inhield? Hoe dat zat met de spieren? Ze had al bedacht dat ze met Ellen heel veel praktijkervaring kon opdoen voor later. Voor later als verpleegster in het ziekenhuis. Ze was beschikbaar. Heel graag beschikbaar zelfs. Op zaterdag was moeilijk, vanwege het hockey, maar op zondag absoluut niet. Alhoewel, zaterdag kon ook wel, vóor of ná het hockey. Ik gaf haar het advies om nog even over het aanbod na te denken. Twee uur later stuurde ze van thuis een berichtje. ‘Beste Ellen en Johan, ik wil ontzettend graag voor Ellen zorgen. Dank u wel voor vanmiddag. Noah.’ Zo stond het er. Ze wilde ontzettend graag voor Ellen zorgen. Dat mag ze doen. Er staat zelfs al een mentor klaar voor de zestienjarige uit de NRC.

Het is de sleur die ons er doorheen sleurt.

Het is de sleur die ons er doorheen sleurt. Het is het vaste ritme van dag en nacht dat wonderen doet. Leven in een lage versnelling. Niet bijster opwindend nee. Toegegeven. Maar toch. Sleur kan ook zo zijn voordelen bieden. Het is ook de humor die ons op de been houdt. Relativering en zelfspot. Ja, we zijn niet vies van zelfspot. Beluisterde de journalist/ schrijver/ purist Jan Kuitenbrouwer deze week op de autoradio. Het mooiste woord in de Nederlandse taal? Kuitenbrouwer hoefde er niet lang over na te denken. Dat was voor hem het woord liefde. Toch niet nee, verbeterde hij in één adem zichzelf. Het woord liefde plaatste hij op de tweede plaats. Het mooiste woord kwam er heel dicht bij in de buurt: LIEFSTE. Moest eigenlijk altijd met hoofdletters geschreven worden. In de Skoda – geschrokken herstellende die bolide van een gevoelige aanraking met een onzinnig betonnen paaltje op een nagenoeg lege parkeerplaats bij een winkelcentrum –  de volledige instemming met die keuze. LIEFSTE, ja. Een liefste die kan ontroeren, een liefste die naar de levensles van de wijsgeer Heronimus eerstens zichzelf kan ontroeren en daarna ook de ander. Vraag het Maggy en Henk, vraag het Diana. Die laatste is als zorgverlener voor zichzelf begonnen en vertelde op de paasborrel bij een rode wijn op Stille Zaterdag over haar aanvalsplan in klantenwerving. Totdat ze in de gaten kreeg dat het Ellen heel onrustig maakte. ‘Ben je bang Diana te verliezen Ellen?’ ‘Ja, dat mag niet.’ Gebeurt ook niet. Het huilen stond Ellen even nader dan het lachen. Een liefste die kan ontroeren. En ik hoorde Wil Ketz eerder in de week met enthousiasme vertellen dat die liefste tijdens mijn vaste mantelzorgverlof op de woensdagmiddag mee neuriede met een cd met bekende klassieke muziek. Wil beleefde er schitterende ogenblikken aan. Opgetogen, ook naderhand nog steeds: ‘Johan, moet je nú eens horen joh.’ Deed me denken aan het meezingen door Ellen met Tonight uit West Side Story van het fenomeen Leonard Bernstein. Nooit aan de dementerende vragen van: Laat nog eens horen. Gun haar en de al dan niet toevallige getuige(n) hun euforisch moment. Blijf er verder met je tengels sacraal vanaf. Vragen het nog eens te doen is heel melig en onvolwassen vragen naar de bekende weg. Het is nu juist één van de pijnlijke kanten met vlijmscherpe rafelranden aan dementie. Het is een hersenloze belediging aan het adres van de dementerende. Deze dagen een zeer spraakzame Ellen. Niet altijd even goed te verstaan, maar dat lossen we dan op met op de gok een ‘ja’, een ‘nee’ of ‘natuurlijk’. Ineens op deze Goede Vrijdag bij de Lidl: ‘Fijne Pasen Johan.’ Met stomheid geslagen. Even later een koosnaam die ik al enkele jaren niet meer van haar had gehoord. Het floepte er zo maar uit. Zo maar ineens! Even tevoren hadden we een oude bekende ontmoet: Mien Konings. Tachtig intussen, je zou haar zeventig geven. Lieve hartelijke vrouw. Over onze jeugdliefde UVV hadden we elkaar niet veel te vertellen. Mien doet bij het honkbal van UVV het licht uit. Wat moesten we er meer over zeggen? Wel over hoe het leven je een streek kan leveren. En over hoe daar hoopvol met motorolie mee om te gaan. Klaagzang blijft zo veel mogelijk achterwege. Niet altijd even gemakkelijk. Zeker niet. Op straat trek je met een rolstoel veel bekijks. Dat irriteert van tijd tot tijd. Het maakt soms ook boos. Moordlustig zelfs. Gloeiende lava van een vulkaan die op uitbarsten staat. Wildvreemden begluren je, ze willen je ook nog wel eens ongevraagd en ongewenst aanklampen. Neem die non. Die merkwaardige bemoeizuchtige non die zich met haar godvruchtige mondje regelrecht de novelle ‘Wonderbaarlijk toch!’ in maltraiteerde. Of ik mijn vrouw wel voldoende warm had aangekleed op de koude weer. Het was meer dan hondsbrutaal. Het had in de geest van de klinisch psycholoog Baaijens – lees zijn behartigenswaardige interview in de Volkskrant –  iets afschuwelijk superieurs. Zo zal De Here Jezus naastenliefden en barmhartigheid nooit hebben bedoeld. Het lijkt me een mooie paasboodschap voor dit jaar. Witte Donderdag struikelden we bijna weer over die non. Ook nu weer die ingetogen hemels loensende blik. Op grond waarvan zouden wij naar zo’n non en andere gedragsamateurs moeten luisteren? Omdat het dan vanzelf beter wordt? Het is inbreuk op andermans privacy. En ik vul de paasboodschap van Ellen en mij aan met journalistieke topmomenten van wijlen Ien Dales en wijlen Pim Fortuyn. Ien Dales, nog uit de tijd dat de PvdA voor een ledenvergadering lang niet genoeg had aan een kleine woonkamer, sloeg al te opdringerige types eens ferm van zich af met haar handtas. Pim Fortuyn herinneren we ons met ‘Mens ga koken.’ Beiden voelden zich aangerand. Bij het pareren van die non zal ik zeker de zegen hebben gehad van Dales en Fortuyn. Zwaaide nog even vanochtend naar onze postbode Jan. Heeft ook parkinson, net als Ellen. De baas van Jan bij POSTNL maakt zich er druk over dat Jan soms iets te lang over zijn wijk doet. Het is voor die baas het enige belangrijke aan zijn postbesteller. Voor Jan kan die baas de pestpokken krijgen. Gelijk heeft-ie. Jan ging met zijn pijnlijke spieren toch maar even met een sigaret en een banaan op het hekje rond ons rozenperk zitten deze vrome week. De verjaardag van Ellen in De Panne stond in het teken van regen. Veel regen. De ruitenwissers ploegden zich naar een vroegtijdig einde van hun levenscyclus. Maar in familiehotel Cajou kreeg Ellen desalniettemin – woord nummer 3 van Kuitenbrouwer – een onvergetelijke en zonnige verjaardag met champagne bij het ontbijt en champagne aan het diner. Directie en keukenbrigade kwamen haar aan tafel persoonlijk feliciteren. Een vol restaurant begon het ‘Lang Zal Ze Leven’ te zingen. Uit volle borst? Jazeker, dat doen ze daar, die Bourgondische Vlamingen met al een behoorlijk beetje Franse inslag. Na verloop van tijd had ik door wie heel stiekempjes de regie voerde over het verjaardagdiner van Ellen. Dat was de gouvernante. Zij stond in veelvuldig oogcontact met de gerant. Af en toe een wenk. Het was majesteitelijk. Met de grandeur die Ellen toekwam. Natuurlijk weer een warm woordje voor Ellen vanaf een zeepkist. De Belgen de eters, wij de praters. We verlieten Cajou met een tas vol gloednieuwe boeken uit het hotelwinkeltje over de eerste wereldoorlog waarin België monsterlijk werd platgetrapt onder Duitse soldatenlaarzen en ook nog eens vanuit de lucht met een zeppelin te grazen werd genomen. Het verdriet van België. God had het kwetsbare land de verkeerde plek gegeven. Staf Schoeters beschrijft het meesterlijk. Nog steeds zijn die autoritten van ruim drie uur naar de Belgische zuidkust voor Ellen te doen. Maar het zou mooi zijn als er veel dichter bij huis een zorghotel verrees voor een patiënte als Ellen die er haar eigen vaste verzorgende haar werk zou mogen laten doen. Zulks aangekaart bij Puck Bulthuis die een adviesbureau heeft in de zorgsector. Nu nog hebben die zorghotels hun eigen verpleegkundigen, maar onbekend maakt niet altijd bemind. De dementerende is uit de eigen omgeving. Dat is een reden te meer voor de eigen verzorgende mee als houvast. Bovendien: het scheelt een hoop regelgeneuzel en allerhande formulieren die een mantelzorger op de toch al zo strak aangespannen zenuwen werken. Op een gegeven moment draait het om iedereen, behalve om wie het zou moeten draaien: de patiënte. Voor april en mei opnieuw geboekt bij Cajou. Zonder formulieren, regelfetisjisme en verdere poespas. Hopelijk kunnen we dan wel naar de boulevard zonder zuidwester. Natuurlijk andermaal het vertrouwde hotel met zijn schitterende ambiance en gastvrijheid. Weer onze vaste kamers op de derde etage. Alles weer op dezelfde golflengte. En wellicht dan nogmaals naar Duinkerken, net over de Belgische grens Frankrijk in. Als verjaardaguitje voor Ellen viel Duinkerken laatstelijk volledig in het water. Ellen dommelde. De gouvernante achterin de Skoda verbaasde zich vooral over het plots zo slechte wegdek na de grensovergang Frankrijk in. Het is opmerkelijk hoeveel er nog steeds bij Ellen binnenkomt en ook hoezeer ze laat merken aan wie ze wel heel erg gehecht is en aan wie minder. De lichaamstaal maakt heel veel duidelijk. Deed me denken aan die vrijdag bij Albert Heijn. En aan de Conimex. O
oit- het zal zeker twee jaar geleden zijn geweest – publiceerde de Patiëntfederatie onderstaand blog. Dat maakte toen veel los. Het regende reacties op hun site. Ellen is niet doof. Achterlijk evenmin. Ze heeft een neurologische spierziekte. Erg genoeg. Het is haar overkomen. Ze heeft er niet om gevraagd. Ellen beseft haar situatie. Ook nu nog steeds. Die situatie wordt zeker niet door iedereen goed aangevoeld en begrepen. Het genoemde blog in het verlengde van onze paasgroet. Want de tekst van meer dan twee jaar geleden is nog altijd relevant en actueel.

‘Ellen, je huilt’.

Bezig aan onze vrijdagboodschappen. Ellen met het blauwe winkelmandje op haar schoot. Deed bij Albert Heijn juist verlekkerd een inhalige graai naar de pikante pindasoep en de extra gekruide oosterse kippensoep van Conimex.

Waarom huil je? Heb je ergens pijn of zo, Ellen? Zeg me wat er loos is. Zo-even lachte je nog.’

Geen reactie, behalve dikke tranen over haar wangen. Een trillende bovenlip.

Ellen wat is er met je aan de hand, zeg het me alsjeblieft, je maakt me ongerust.’

Mijn schattebout kijkt me met verdrietige wanhopige ogen aan.

Door de knieën voor de rolstoel naast het schap met ook bouillon en vermicelli. Haar hoofd in mijn handen. Mijn ogen zo dicht mogelijk bij die van haar. Neus tegen neus. Voelen of ze misschien ergens pijn heeft. Knijpen in armen en benen. Geen enkele indicatie van pijn. ‘Zeg me Ellen waarom je huilt,’

Ik wil ook kunnen lopen.’

Net als al die mensen hier om ons heen?’

Ze wil ook kunnen lopen, dit hoorde ik toch verduveld goed.

Ze pakt mijn hand stevig vast. Haar scherpe blik volgt iemand met een winkelwagentje. Ik strijk haar een paar keer door het haar. Kus haar lippen. Een voorbijgangster vraagt of alles goed is. Ja alles goed, een bedankje voor haar attente bezorgdheid. Alles is oké.

Maar lieverdje, dat lopen, dat kan helaas niet meer. Je hebt ooit eens je heup gebroken. Als we sommige boodschappen nu eens gingen terugzetten? En als we nu eens bij de visboer aan de overkant haring, gerookte paling en een joekel van een quiche haalden – zou dat je weer opvrolijken?’

Ze glimlacht door haar tranen heen. Nog steeds die hand die de mijne omklemt.

Vis is lekker.’

En geeft vis geen onvervalst rooms tintje aan de vrijdag? Zullen de pastoors en monseigneurs in alle paapse bisdommen verschrikkelijk blij mee zijn. En ook die rare niet te definiëren Limburger Camiel Eurlings die vandaag weer eens de krant haalt met aangifte tegen een vrouw die aangifte tegen hem deed wegens mishandeling.’

Meneer, u vergeet uw soep.’

Ik praat op weg naar de vis over haar schouder over hoe gezellig we het nog steeds hebben.

Ze dommelt weg in het al bijna vergeten julizonnetje. Sla mijn armen in een weids gebaar om mijn dementerende, o zo dierbare en onmisbare echtgenote heen. Ik snuif haar parfum op. Ik zie haar in gedachten weer naar me toekomen in de verpleeginstelling Lückerheide in Kerkrade waar ik op uitnodiging een spreekbeurt hield voor verpleegkundigen en mantelzorgers. Een volle zaal die spontaan en ontroerd voor haar applaudisseerde toen ze mooi opgemaakt en piekfijn aangekleed in het lavendelblauw na de pauze naar binnen werd gereden tot aan het podium toe. Daar zocht haar hand de mijne. Die hand ja, die hand die ik gelukkig nog dagelijks mag vasthouden. We maken veel mee samen, we mógen ook veel meemaken saampjes. Zoals applaus voor het feit dat we ons er niet onder laten krijgen, wel of geen parkinson met dementie. En een gebroken heup.

Thuis bij de schuifpui wijst ze naar de uiterste hoek rechts. ‘Is dat mijn piano?’ Ze had er de afgelopen dagen al vaker een opmerkelijke belangstelling voor getoond.

Wil je misschien soms pianospelen?’

En daar zit ze dan in de rolstoel voor de piano die altijd zo’n belangrijke plaats in haar leven heeft ingenomen. Minutenlang tuurt ze naar de toetsen. Ik laat het zo, ik wacht af. Heel voorzichtig komt er één hand naar voren. Alsof ze probeert een vals hondje te aaien. Ik help haar een beetje. Druk een vinger op een toets. Ze schrikt. Ze kijkt me verwachtingsvol aan. Weer een vinger en weer een toets. Geluid, een klank. Ze zoekt met haar voeten de pedalen. Als een automatisme. ‘Nou jij zelf Ellen, en dan maak ik ondertussen een overheerlijk bordje met haring, paling en stokbrood voor je klaar’. Aarzelend komt ze op gang. Al een paar jaar had ik haar niet meer aan de piano gehad. En wat miste ik dat vertrouwde beeld van een pianospelende echtgenote te midden van puur huiselijk geluk. Pingpong, pingpong is het telkens, en ik zie haar schrikken van haar eigen piano. ‘Lieverd, hij bijt niet hoor’.

De toetsen zwart en wit overweldigen haar. Welke zou ze nu weer eens uitproberen? Weer die associatie met een hondje. Maar dan niet een vals maar een vrolijk keffend hondje. Ze geeft niet op.

‘Niet mooi hè? Maar ik moet er weer even inkomen hoor.’

Bij de zesenzeventigste verjaardag

20170309_184720_resized_3Hoofdstuk LIBER AMICORUM uit WONDERBAARLIJK TOCH! En wéér een verjaardag in De Panne! 

 

Voor Ellen,

Pareltjes zijn het geworden. Pareltjes voor het vriendenboek ter gelegenheid van je zesenzeventigste verjaardag Ellen. Al vrijwel meteen met ‘Jouw verleden nu pas begrepen’. Van Wietske de Goede uit Leeuwarden. In 1954 schreef je in het poëziealbum van je klasgenootje. Niemand die zo ver in je geschiedenis kan teruggaan als Wietske. Jeannette richt zich tot de vrouw van een journalist van de oude stempel. We hadden een driehoeksverhouding: Jij, ik en mijn werk voor de krant. En daarna het gedicht ‘Zorgzaamheid een kostbaar begrip’. Van Trudy Thijssen. Pareltjes ook van de anderen. De inzenders lieten hun hart spreken. Verhalen die spreken. En aanspreken. Ik bewonder vooral ook de meeslepende schrijfvaardigheid van Leroy Scheffer. Van hem enkele zinnen die diep en diep ontroeren. Leroy zou vroeger een ideale student journalistiek zijn geweest. Ik had ‘m naar de NRC gecoacht. Er werd ook VI-taal gebezigd. Dat mocht. Daar was tevoren permissie voor gegeven. Een bloedmooi wijf. Ja, dat was je altijd Ellen, en dat ben je nog steeds. Je kletst ons niet de oren van het hoofd Ellen. Of, zoals Taco schrijft: de gaten in de sokken. Maar ondertussen laat jij je niet onbetuigd. Je laat je vrienden en vriendinnen merken dat je nog steeds weet wat er zoal om je heen gebeurt. Geestig, zoals Agnes verwoordde, hoe je destijds in het verpleeghuis op onze eigen Marlene Dietrich reageerde. Je vroeg je af, en mompelde het ook, of ze wel spoorde. Dat was nou net in De Ingelanden het probleem. Maar ook bij de leiding hoor, ook daar, zo moest ik geregeld vaststellen. Ze waren soms behoorlijk de weg kwijt in dat gouden managerslaantje op de eerste verdieping. Joke van Ketel vroeg mij eens samenzweerderig aan de eettafel: ‘Hoe komt u toch aan zo’n mooie vrouw?’ Volgens mij twijfelde jij op dát moment geen seconde aan de verstandelijke vermogens van je medebewoonster ‘Marlene’ , verreweg de leukste die we in al die jaren in de verpleegzorg zijn tegengekomen. ‘Doe normaal’, moet je volgens Wil bestraffend tegen ‘Marlene’ hebben gezegd als ze weer eens met haar tandenloze mondje begon te zingen. Elly Wolf geniet steeds weer van je knipoog. Communicatie met een grand lady via het oogcontact. Ups, ze zijn er gelukkig nog steeds. Ook downs, het hoort erbij. Maar vooral de ups. Een bloemlezing in dit hoofdstuk Liber amicorum. Een bloemlezing die het waard is in één adem te worden uitgelezen. Het boek is af. De titel: Wonderbaarlijk toch! Jazeker, want weer beleven we deo volente een verjaardag aan de Belgische zuidkust. Het boek is af. Ik ga nu de reistas voor De Panne inpakken. Op naar Cajou. ‘Klimt u maar weer op een stoel en spreekt u maar gerust weer in ons volle restaurant uw jarige vrouw toe hoor, net als vorig jaar.’ Directie en personeel van het hotel lieten al weten naar je komst uit te zien Ellen.

Je liefhebbende regelaar Johan.

 

lieve Ellen,

we kennen elkaar maar een klein beetje en toch ken ik jou meer dan een beetje. Je bent een anak Bandoeng. Je hebt meer meegemaakt dan de meeste mensen. Je hebt een zware start in het leven gehad toen je als babietje jarenlang in een Japans interneringskamp, een jappenkamp belandde. Ik meen in Ambarawa. Een vriendenboek is niet de plek om verschrikkingen te beschrijven, maar ze mogen wel aangestipt worden, zeker als ze je getekend hebben.

Sommige mensen raken na zulke nare beginjaren verbitterd, wrokkig of afgunstig op anderen. Jij niet.

Hoe weet ik dat?

Ik weet dat je een ontzettend aardige, zachte, invoelende  en dappere vrouw bent en ook nog verstandig.

Verstandig? Ja heus! Verstandig en moedig, want je kon geen weerstand bieden aan de honkbalcoach van je twee jongens – ik heb dit uit betrouwbare bron die ik helaas niet mag prijsgeven.

Moedig om je leven op z’n kop te zetten voor de liefde van je leven, moedig om al eerder je leven een 180-graden draai te geven door te breken met tradities die je van huis uit hebt meegekregen. Je hebt knoerthard gewerkt tussen honderden kleuters die niet de makkelijkste van het land waren. Je was en bent de vrouw van een journalist van de oude stempel, dat wil zeggen van iemand die per definitie overspelig is omdat ie altijd hongert naar iets en iemand anders: naar nieuws en naar gretige lezers en naar een beetje bewondering.

Ellen, ik ken je maar een beetje en ik ken je nog niet van vóór de honkbalcoach, maar ik heb twee heel bijzondere herinneringen.

De ex-honkbalcoach en ik hadden een conflict. Niet met elkaar, maar met de directeur die bang was voor de burgemeester. Ja, het was een klucht, maar in die klucht lukte het toch om Johan, want zo heet die coach, en mij een beetje bang te maken. Ik belde naar de Zonzijde voor lotgenotencontact en ik kreeg jou aan de lijn. De bezorgdheid spatte er van af. Geen gemopper op de baas, geen gezeur over het conflict en het tijdverlies –  altijd ten koste van de partner. Nee, bezorgdheid en medeleven met je dierbaarste maatje dat ergens ten onrechte van wordt beschuldigd. Daarin ben je niet uniek, wel in het feit dat je dat was zonder een hoge borst op te zetten en dat je die onbekende collega die opbelde zomaar liet delen in je empathie!

Toen het lot je meerdere rotsreken had geleverd en je – godzijdank tijdelijk – in De Ingelanden woonde, kwamen Marc en ik je onder leiding van Johan een keer opzoeken. Ik wist niet eens of je ons herkende. We deden ons best zo gewoon mogelijk te doen, niet echt gemakkelijk. Ineens zei je: ‘Wat hebben jullie veel meegemaakt.’ Marcs veel jongere broer was driekwart jaar daarvoor vrij onverwacht aan een akelige ziekte gestorven en Johan had het je kennelijk verteld.  Ondanks je eigen zware beperkingen en jullie grote verdriet wist je het nog. Wist je het op het juiste moment en bracht je het op het juiste moment.

Met één zo’n zinnetje van jezelf wegcijferen heb jij je voor mij neergezet.

En dat je dat ook vrolijker en joliger bent blijven doen, weet ik dankzij croniqueur Jopie! Ik hoef alleen maar bagger te zeggen of  Jopie wast wel en ik heb de scherpziende en puntige Ellen te pakken voor wie de honkbalcoach zo terecht viel!

Ellen, laat die Jopie maar wassen, je bent een kanjer. En dat woord gebruik ik echt heel zelden!

Jeannette Klusman

 

 

Mijn poëziealbum, 4 november 1954,

Beste Wietske, ……  Ter herinnering aan je vriendinnetje Ellen Palstra.

Voor altijd bewaard.

Na 60 jaar elkaar weer gevonden.

Ik, pleegkind aan de Overtoom, 93a.

Ons begin, Van Loonschool in Amsterdam, tv kijken aan de Reinier Vinkeleskade,

Met jouw vader, zijn tv, strikt, toch trots op zijn dochter,

Stadsgeluiden, Vondelpark, muziek van het Leger des Heils.

Trouwmars voltooid, zijn foto, van ons, bij het Olympisch stadion.

Jouw lieve moeder, jullie verleden, nu pas begrepen, jouw beker uit het kamp.

Een telefoontje, met Johan, jullie samen op bed. Jouw stem, na zestig jaar,

warme gevoelens, wat was en nu is, onze vriendschap.

Lieve Ellen, nu 76!

Ik ben gelukkig je weer te hebben teruggevonden.

Fijne verjaardag in de Panne.

Kus, Wietske (en John).

 

Lieve Ellen,

Jouw ogen kijken, zoeken en zeggen

Om zonder woorden iets uit te leggen

Jouw armen gevouwen over elkaar

Soms pak je iets vast, een mooi gebaar

Woorden en zinnen moeilijk verstaanbaar

Dan een zuivere zin zo helder en waar

Zorgzaamheid is een kostbaar bezit in jouw leven

Het is bijzonder dat ik die zorg aan jou mag geven

 

Veel liefs van Trudy Thijssen 

 

Allereerst, lieve Ellen, natuurlijk van harte gefeliciteerd met je verjaardag. 76 Jaar, zoals Johan schrijft, wie had dat gedacht! Weet je Ellen, zo af en toe kun je heel iets raaks zeggen. Uit een onverwachte hoek. En dan zo treffend dat bij iedereen die op dat moment aanwezig is de mond openvalt. Laatst nog, toen Johan iets opperde en jij meteen daarop zei: ‘Ik zou dat niet doen.’ Of zoals je op de passagiersstoel in de auto ter zake doende opmerkingen maakt tegen jouw ‘chauffeur’. Ben benieuwd wanneer je van hem verlangt dat hij een pet opzet en van die rare zeemleren handschoentjes met gaten moet aantrekken om ‘mevrouw’ te mogen rijden. Maar altijd is er hilariteit wanneer jij zo pakkend op een detail van een gebeurtenis reageert.

Weet lieve muze van Johan: naar de betekenis van een van die Griekse godinnen blijf jij je man, vriend, weldoener en mantelzorger nog steeds inspireren. Zoals dat een godin betaamt.  Heb je al gehoord dat hij alweer aan een boek wil beginnen. Het hoeveelste? Ik ben de tel kwijt; jij weet dat vast wel, maar dat houd je fijn voor jezelf.

Je kletst ons niet meer de gaten in de sokken. Maar weet je wat zo spannend is? Wij weten niet wat je (nog) precies hoort – of wilt horen, dat kan ook nog – , wat je precies begrijpt, wanneer je het wel nodig vindt om te reageren en wanneer je het misschoen niet de moeite waard vindt. Dan moeten wij  het met je lichaamstaal doen, je gelaatsexpressie. Maar het staat onomstotelijk vast dat je meer beseft wat er met je en om je heen gebeurt dan wij allemaal denken. Nou ja, met één uitzondering: Johan. Die ‘leest’ jou nog steeds als een spannend boek dat geen einde kent.

Wat dokters en wetenschappers ook allemaal mogen zeggen over wat er in jouw brein gebeurt, ze weten nog geen fractie van wat zich daar afspeelt. Weet je wat zo mooi daaraan is? We mogen er zelf een invulling aan geven, waarom je lacht en… zoals ik onlangs hoorde, waarom je ‘au’ zei toen je been iets te hard tegen de rolstoel aan kwam. Dat maakt het allemaal zo aangrijpend mysterieus. Je blijft ons boeien en als ik zo af en toe stiekem naar je kijk dan zie ik ook dat je nog steeds in ons geïnteresseerd bent. Maar op jouw manier. En daarom is het zo onvoorstelbaar mooi dat jouw lieve Johan dat zó heeft uitgelegd dat hij je uit De Ingelanden weghaalde en die mysterieuze mooie eega van hem weer thuis bracht. Al moet hij daar dagelijks een bijna bovenmenselijke inspanning voor leveren, je bent gelukkig weer waar je hoort: thuis en bij hem.

Lieve Ellen, ik wens je mede namens vriend John en zoon Vlad samen met je man een mooie verjaardag toe in dat vertrouwde hotel in het Belgische De Panne. En hopelijk zullen er nog meer volgen.

Proficiat! Taco

 

Lieve Ellen én Johan,

Desgevraagd een stukje tekst over of voor Ellen. Nu wil ik het in dit geval vooral even hebben over jullie beiden, daar ik Ellen, helaas, alleen maar ken van de afgelopen twee jaar.

 Ik ken Ellen eigenlijk vooral doordat ik jou, Johan, over haar hoor praten, maar ook door hoe ik zie hoe jij de zorg voor haar draagt. De passie die jou nog steeds drijft in de liefde die je voor Ellen voelt vind ik weergaloos. ‘Mijn muze’ noemde je haar zo mooi. Ik denk dat liefde in mijn leven pas geslaagd is wanneer ik op dezelfde manier liefde voor iemand kan voelen zoals jij dat voor Ellen doet. Dat die liefde zich uit in de zorg die je voor haar draagt is misschien niet iets zoals je dat ooit gewenst hebt, maar het is nog steeds liefde.

En om dan wat over Ellen te kunnen zeggen… Wanneer iemand blijkbaar zoveel liefde verdient heeft diegene dat ook altijd gegeven. Jullie levens zijn aan elkaar verbonden en dat zal altijd zo blijven. Ik wens jullie nog alle geluk…

Liefs, Leroy.

 

Lieve mevrouw Ellen Carbo,

Fantastisch dat het naar omstandigheden nog steeds redelijk goed met u blijft gaan. Uw kamer staat weer klaar voor een paar mooie dagen bij ons. We zien uit naar uw komst en zullen u opnieuw verwennen. We geven u nu alvast een dikke knuffel. Goede reis naar ons.

Hotel Cajou.

 

Lieve Ellen,

Alweer bijna anderhalf jaar geleden kwam jij naar huis om weer fulltime op de Zonzijde te wonen. Veertien maanden inmiddels mag ik jou meerdere keren per week verzorgen. Wat ik met heel mijn hart doe, dat weet je. Ik word verschrikkelijk blij van jou, en al helemaal als je lekker aan het praten bent en mij soms een knipoog geeft. Nog vaker doen alsjeblieft. En ik geniet als je heerlijk verzorgd in de stoel zit. Ik moet altijd weer verschrikkelijk lachen om die dagelijkse alarmerende kreun van jou als ik je een lekker geurtje op spuit. Je presteert het vaak om dan zelfs ‘au’ te roepen. Van tevoren al. Hoezo au? Je humor is kostelijk, het is je handelsmerk. Houden zo.

Fijne verjaardag gewenst,

Dikke kus en veel liefs van Elly Wolf. En ook van Ber natuurlijk.

 

Het is wederom dinsdagmorgen elf uur! Ellen en Johan zijn al gearriveerd in de wachtruimte. Ik begin met een begroeting van Ellen voordat ik de behandeling ga starten. Met een kleine glimlach van haar in het begin van de behandeling gaat het meestal wel goedkomen met ons. Na een half uurtje zetten we Ellen weer netjes en met de haren mooi in model terug in haar rolstoel. Wat is er dan leuker voor Ellen dan als Johan dan binnenkomt in de behandelkamer en zegt:  ‘Ellen, ik heb een lekker visje voor je meegenomen.’ Johan en Ellen, nog veel liefdevolle jaren samen en geniet van deze kostbare momenten.

Liefs van Dorothy Gresnigt

 

 Lieve Ellen,

Hartelijk gefeliciteerd met je verjaardag. Nooit gedacht dat jij het zover kon brengen. Heb je verjaardagsdatum nu meteen op mijn plee-kalender gezet (van Johan mag ik Voetbal Inside taal gebruiken. Dat doe ik graag.)

Als ik alleen ben, praat ik vaak met mezelf. Over alles en nog wat. Maar vaak in VI-taal. Is dat een afwijking? Hoewel ik afkomstig ben uit het kakkerige Tuindorp en later nog een paar jaren gewoond heb in het dito Oog in Al. Vlakbij Line Klein van UVV: door Johan welhaast geadoreerd, maar niet door mij. Ik ga voor ‘Pa’ Klein.

Daarnaast behoor ik pas sinds kort tot de ‘Ellen-club’. Velen zullen mij niet kennen. Voor mij geldt dat ook zo. In het begin, nu zo’n twee en een half jaar geleden, kende ik slechts de latere kut-koffie-klootzak.

Nu, met een kleinere groep herken ik iedereen. Maar namen onthouden: nee, daar helpt zelfs niet de Geheugentrainer van omroep Max bij. Johan weet vaak meer over een wedstrijd die ik zelf bij UVV-honkbal speelde dan ik doe. Verzachtende omstandigheid daarbij mijnerzijds: toen zaten er bij UVV nog zo’n 1500 à 2000 mensen op de tribune. Ik kende hem toen nog niet. Hij was nog geen bestuurder, maar toeschouwer. Schrijft mij  nu ten onrechte de status van ’topsporter’ toe. Maar in de enige interland die ik speelde (1965, Londen, Selhurst Park, voetbalveld van Crystal Palace), rookten we nog ‘gewoon’ op de spelersbank (zonder overkapping).

Goed, als mijn geheugen me niet in de steek laat, ontmoetten wij (Carry en ik) elkaar ergens begin jaren zeventig in jullie toenmalige woning in De Meern. Twee herinneringen daarover. Tussen jou en Carry -mijn in 2004 door de gevolgen van borstkanker overleden echtgenote- klikte het meteen. Ik dacht bij het voorstellen slechts aan zoiets als ‘Jezus, wat een bloedmooi wijf heeft Johan nu getroffen‘. Voor allen: Carry was ook een bloedmooi wijf. Net als Johan, zou ik haar ook kunnen omschrijven als een ‘muze’. We hebben het beiden getroffen met onze partners.

Even verder door de geschiedenis. Na de eerste kennismaking met jullie beiden troffen we elkaar nog bij ons thuis in Rijsenhout (bij Aalsmeer). En verder nog bij één of twee Haarlemse honkbalweken. En toen jullie in Amstelveen woonden nog eens toen jullie op de fiets naar Thamen (Uithoorn) kwamen, waar ik toen honkbalde. Later nog contacten over jubileum-uitgaven van UVV of de honkbalbond. Maar dan alleen met Johan. (Overigens ik beschouw Johan en jou als een twee-eenheid).

Jaren gingen voorbij. Carry en ik beschouwden jullie toen met wat ik omschrijf als kerst-kaart-kennissen. Ja, twee keer driemaal ‘K’. Van de verachtelijke club met de witte puntmutsen. Komt toevallig zo uit.

En dan maak ik een sprong naar 27 augustus 2016. Eén dag na vijftig jaar ervoor het in liefde vallen met Carry. Johan en ik ontmoetten elkaar toen bij restaurant Plaszicht in Vinkeveen. Had me waarschijnlijk al eerder per mail gevraagd of ik de eindredactie van zijn boek wilde doen. Uiteraard, wat mij betreft. Maar toen niks wetende wat parkinson of Lewy Body inhield. Je kan googelen zoveel als je wil, maar de concepten van Johan gaven mij wél enig inzicht in wat het werkelijk is. Ik zeg ‘werkelijk’, maar zelfs nu, na drie boeken, kan ik het nog niet omvatten. (Johan trouwens vaak ook niet).

Johan vertelde me toen ook dat hij  jou naar huis wilde terugbrengen. Iets waarvan ik dacht: ‘Johan, je haalt Ellen al dagelijks vanuit De Ingelanden. Dit erbij kan je echt niet aan.’ Ondanks dat Johan nu nog meer rete druk is, met af en toe toch momenten dat hij teveel hooi op z’n vork neemt, gaat het nu toch -hoe miniem ook- beter met je.

Later na Vinkeveen. Ik kwam (en kom elke) vier à zes weken bij jullie over de vloer. Zag jou eindelijk weer. Dacht dat herkenning of communicatie onmogelijk was. Maar, dat was het niet. Ondanks dat je niks zei, zag ik meteen aan je wenkbrauwen en ogen, dat je wél wist wie ik was. Dat ontroerde mij. Later kwam er daar ook nog bij dat je handen ook een speciale rol vervulden. Johan vertelde me laatst dat jij kennelijk voelt wie een koffie-klootzak is en wie niet. Je communiceert dus ook met je handen en laat daarmee simpel blijken of het ‘ja’ of ‘nee’ is. Jij hebt vanaf de eerste ontmoeting met mij je ogen laten stralen. En ik heb telkens je handen mogen strelen. Dat verheugt mij enorm: contact met iemand die eigenlijk contact met niemand kan hebben. Blijkt dus niet zo te zijn. Onbegrijpelijk dat parkinson en Lewy Body.

Ik sluit af. Nee, nog even niet. Wat heb jij een fantastische hulpverleners aan Diana, Elly (heerlijk Utregs accent, daar val ik nog steeds voor) en Trudy. Haar heb ik slechts gedurende een minuut of tien gesproken tijdens het laatste ‘Erwtensoepfeest’. Leek mij uitermate geschikt om aan Johans eisen te voldoen. Toch maar even geverifieerd bij Johan. En … ja: Trudy is ook een topper!

Wat kan je je beter wensen met Johan en die drie verpleeghulpen? Niks eigenlijk. Johan die veel meer doet dan ik destijds bij Carry deed. Ik heb Johan eens verteld dat ik me eigenlijk moest schamen: ik deed veel minder met Carry dan hij bij jou doet. Wél een groot verschil: Carry was -gelukkig- in staat zich te bewegen, volledig te uiten en alles te begrijpen tot zo’n 36 uur voor haar dood.

Ga voor de tachtig, lieve Ellen. Kusje op je voorhoofd,

Jan van Ewijk.

 

Toen Ellen in De Ingelanden ging wonen, besloot ik haar eens in de veertien dagen  te bezoeken. We wandelden vaak naar het nabij gelegen winkelcentrum Terwijde, waar we bij de bakker een ijsje op het terras in de zon namen. Na de wandeling in de buitenlucht dronken we een wijntje in het grand café van de verpleeginstelling. Zo ontmoetten we op een middag Agnes en mevrouw Van Ketel, een kostelijke iemand. Deze ontmoeting had tot gevolg dat we voortaan met z’ n viertjes de wandeling maakten naar het  winkelcentrum Terwijde voor het  ijsje. Daarna als vaste gewoonte algauw een wijntje en bitterballen in het grand café van De Ingelanden.

Zowel Ellen als mevrouw van Ketel genoot en beleefde volop plezier aan deze uitjes. Agnes en ik anders ook. Mevrouw Van Ketel kon opmerkingen plaatsen waarop Ellen soms een snedig antwoord had. Zo ook als ‘Marlene Dietrich’ onderweg ging zingen en Ellen zei: ‘Doe normaal!’ Wat hebben we gelachen. De woensdagmiddag wordt, nu Ellen weer volledig thuis woont, voortgezet met samen luisteren naar muziek van Stauss’ Wiener Blut of muziek uit de zestiger jaren van Frank Sinatra , Fats Domino en The Everly Brothers. Eerst een kopje thee en daarna een wijntje met kaas en worst. En als ik dan vraag ‘Ellen vind dit fijn?’dan komt vaak het antwoord : ‘Ja ‘. Ellen, deze middagen zijn me dierbaar geworden en ik hoop dat we hier nog een tijdje van mogen blijven genieten samen. Van harte alvast met je verjaardag binnenkort.

Liefs Wil Ketz.

 

Lieve Ellen,

Alhoewel je het nu minder met ons deelt dan voorheen  ben je nog steeds de lieve doortastende Ellen die ik al jaren ken. Een vrouw om van te houden…

Dikke kus! Charles Aughuet.

 

 Ha Ellen en Johan.

Terecht dat jullie deze week afzagen van jullie komst naar ons in Rotterdam. Het was geen wandelweer. Verstandig Ellen dat je met die snijdende kou binnen bleef en je spaarde voor De Panne. Jullie daar naartoe, wij voor een verjaardag naar Londen. Daarna graag weer gauw een nieuwe afspraak.

Liefs en geniet, Cees & Riek.

 

Lieve Ellen.

Van harte gefeliciteerd met je zesenzeventigste verjaardag. En, laat ik maar meteen met de deur in huisvallen en geen blad voor de mond nemen: wat zie je er nog altijd geweldig uit. Vertel me je geheim! Ik geniet van onze wandelingen en jouw reacties buiten als we met de rolstoel op pad zijn. Je kan ook nog steeds volkomen onverwachts en heel raak uit de hoek komen. Zoals laatst toen ik met jou de krant doornam. Bij nagenoeg elk onderwerp overwoog ik of ik het wel of niet zou voorlezen. Toen ik een pagina opsloeg met een onderwerp en foto over de hongersnood onder Afrikaanse kinderen, en ik die pagina maar liever bliksemsnel wilde omslaan, hield je me tegen. Jij gaf op jouw manier aan dat je het niet erg vond als ik het artikel zou voorlezen. Zo zijn er nog veel meer van die dingen, dingen die aantonen dat je er nog altijd wel degelijk bent.

Lieve Ellen, hele fijne dagen met Johan in De Panne, geniet van het lekkere eten (vooral van de schaaldieren waar je zo gek op bent) en tot gauw. Liefs en heel veel knuffels. Je bent een schat. Mijn ode hierbij aan een zeer bijzondere vrouw. Beter nog: aan een zeer bijzonder stel.

Lieve groet en zoen van John Haakmat

 

Lieve Ellen,

Van een vriendin hoorde ik destijds dat je in De Ingelanden woonde. Hanneke beschreef die verpleeginstelling als een geweldig huis met goede zorg. Dat gaf mij een gevoel van rust omdat mijn cliënte ook daar naartoe verhuisde. De vriendin van Hanneke kwam om de week naar jou. Zo zijn onze gezamenlijke  woensdagmiddagen in 2015 begonnen. Jij, Wil, Joke en ik. Wat een gezellige tijd, we hadden veel lol met elkaar. Mijn dame reageerde op iedereen, jij gaf dan nog weleens commentaar. Hilarisch. Als er een gesluierde vrouw langsliep, riep ze heel vrolijk: ‘Dag zuster’. Joke was van huis uit erg rooms. Jou hoorden we dan zeggen: ‘Ze is niet wijs’.  Bij een etentje vroeg mijn dame aan Johan: ‘Hoe kom jij aan zo’n knappe vrouw?’ We zagen je ogen glinsteren! We hebben wat getoast in huize De Ingelanden op alle gezellige dingen. Later werd het Huize De Zonzijde. Je bent ook een paar keer in Odijk geweest, waar je vooral ook genoot van onze hond. Lieve Ellen, het is een voorrecht om jou en Johan te hebben leren kennen. Het contact moet blijven, ook al lukt het mij niet meer zo frequent als voorheen. Maar ik vergeet je zeker niet.

Lieve groet, van Agnes en Peter.

 

Lieve Ellen, 76! Wij feliciteren je van harte met je verjaardag (en natuurlijk ook voor Johan onze felicitaties). Wij wensen jullie een heerlijk verblijf toe in hotel Cajou in de Belgische badplaats De Panne. Laat je lekker verwennen daar in het Belgische! Jullie verdienen het!  Bij deze felicitatie sluit ik een roos als geschenk bij. Zelf gemaakt die aquarel. De roos, de mooiste bloem die er is voor jou. En verder wensen wij jullie nog heel veel ‘Geef ons ook morgen’ toe.

Liefs ook van Ad , Cinta.

 

Ik hoop van ganser harte dat het met Ellen naar omstandigheden goed gaat. Ik lees de blogs over haar met regelmaat. Interessante en mooie stukken. Ik werd er via via op gewezen. Ik heb als jong heilssoldaat nog samen met Ellen in het Kerstspel gespeeld. Hoe lang is dat al niet geleden. Een halve eeuw. Langer nog. Ik was één van de drie Wijzen. Dat was echter wel een indiaan in dat Kerstspel. Goede herinneringen aan die tijd. Mijn tante was destijds adjunct directrice van het meisjeshuis van het Leger des Heils op de Weesperzijde, senior kapiteine A.J.F. Petrus.

Ellen, zeer van harte gefeliciteerd met je verjaardag van Arie Jan Petrus.

 

 Als ik aan Ellen denk dan zie ik een echte dame voor me . Eén die nog steeds gelukkig heel goed kan aangeven wat ze wel leuk vindt en wat niet. Haar ogen spreken. Ze kunnen mij vertellen. Wij kunnen urenlang zonder woorden communiceren. Door het oogcontact. Ellen weet dat ik haar kan horen en zien en dat geeft haar en mij een fijn gevoel. Zij weet dat ik er voor haar ben. Als Ellen blij is dan laat ze mij dat merken door mijn gezicht te strelen of door met haar vingers door mijn haren te gaan. Ik vind ons contact buitengewoon bijzonder en ik vind Ellen ook een bijzondere vrouw.

Liefs van Diana.

 

Ha die lieve Ellen,

Wat ben je toch een powervrouw, ik geniet altijd van onze uitstapjes. De blikken in jouw ogen en reacties zeggen me genoeg. Ik voel mij vereerd dat ik voor jou mag zorgen en ik hoop van ganser harte nog vele uitjes met jou te mogen maken. Maar eerst show ik je mijn lieve dochter Gigi van net drie weken! Ik voel me er zo gelukkig mee!

Liefs Esmé

 

Ik laat niet los De mensen wijzen mij daar op Diep van binnen zet ik door Het ritme van dat gevoel te vinden Het moet liefde zijn geweest. Mijn hart is goed zoals het is Nu de zonde weggewassen is Verstop ik me niet meer in een hoopje schijn Je laat mij zien wat liefde is Dat ritme sloeg ik op in heel mijn hart Ik neem het met me mee Op de route die al was gepland Mijn hart is voorbestemd Mijn geluk staat vast Het is aan mij om het te volgen Maar als ik vragen mag, hoe kan ik denken met dit besef? Als ik toch verdrietig word, wanneer ik denk Dat ik bij jou altijd zo veilig was En ik in jouw ogen de ware spiegel zag Het lot beantwoordt deze vragen niet Het weet dat mijn verdriet slechts verwarring is Misschien wel het moeilijkste, heb ik nu gehad Mezelf vergeven dat ik zo zorgeloos gelukkig was.

Mijn gedicht voor jou Ellen, Danny Boulker.

 

 Hi Ellen,

Wat allemaal te schrijven over een liefdevol echtpaar bij wie  ik alweer heel wat jaartjes betrokken ben. En allang niet meer louter professioneel. Welnee. Twee mensen die in bijna één vloeiende beweging van cliënten naar vrienden groeiden. Het gebeurde als vanzelf. Wat te zeggen over het avontuur met de verpleeghuizen De Horstwaarde in Nederhorst den Berg en De Ingelanden in Leidsche Rijn. Het was het niet. Er is in de eerdere boeken uitvoerig over geschreven. Ik zal me beperken tot een paar kleine dingen. Het mooiste avontuur toch nog steeds:  Ellen alweer bijna anderhalf jaar fulltime thuis in haar Eigen omgeving en bij haar Geliefde Johan. Downs. Uiteraard. Onvermijdelijk bij dit ziektebeeld. Downs ja. Maar veel meer Ups. Aantoonbaar meer ups. Gelukkig wel. Jullie redden het nog altijd. Ondersteund door een fabuleuze Diana. Maar ik vergeet ook Elly niet. Bijna jarige en Johan, jullie slaan je er met de juiste ondersteuning  geweldig goed doorheen. Lof.

En nu op naar die 76 in het mooie De Panne met hopelijk toch ook weer de kikkerbilletjes op het menu. Is het de ene avond niet dan misschien de andere wel.

Moois toegewenst van Albert Schuurmans.

 

Lieve Ellen,

Jij 76, ik 66, zo we schelen weer 10 jaar voor een paar maanden! Wat hebben we dat vaak tegen elkaar gezegd in onze tientallen jaren durende vriendschap. Een warme liefdevolle vriendschap, waarin jij zo vaak voor mij de grote zus was, die mij adviseerde, opving en waar ik altijd

terecht kon! Onze vriendschap bestaat uit veel vreugdevolle momenten, maar ook verdrietige, waarin we er voor elkaar zijn!

De laatste jaren laat ons lichaam ons nogal in de steek, maar onze vriendschap niet. We kunnen nog genieten van elkaar, daarbij gesteund door onze lieve mannen, onze mantelzorgers!

Lieve El, laten we gaan voor nog vele uurtjes vriendschap en van mij krijg je een hele dikke warme verjaardagszoen!

Heel veel liefs van Maggy.

 

Beste mevrouw Carbo,

Van harte gefeliciteerd met uw verjaardag van uw eveneens met parkinson opgescheept zittende postbode. Bewondering voor hoe u zich er doorheen slaat. Ik ken het gevoel van een voet waaruit elk gevoel is verdwenen. Daarom ook met autorijden gestopt. Ik drukte het gaspedaal in maar voelde niets. Die spierpijn ook steeds maar weer. Dat vallen. Is u ook overkomen. Zelf ben ik al een paar keer van mijn fiets gekukeld. Ik heb al zes jaar parkinson en ik ben pas 65. Ik hoorde het toen ik net met vervroegd pensioen bij Defensie weg was. Het zet je leven volledig op zijn kop. Daar weet u natuurlijk ook alles van. Je levert steeds weer een stukje in. Van alle kanten adviezen van mensen die er geen klap van af weten. Ik laat ze maar. Ik luister alleen naar mijn neuroloog. Ook daar weet u natuurlijk alles van: de beste stuurlui. Geniet u maar lekker in De Panne en van uw verjaardag. Gegund.

Jan van Amerongen, uw postbode.

 

O zo dappere Ellen, schoonheid van me,

Van harte gefeliciteerd Klapzoenen. Het boek onder de titel Wonderbaarlijk toch! is speciaal voor jou. Namens ons allemaal. Ik heb er onze belevenissen van eind december tot nu bijgevoegd. Ik blijf vastleggen immers. Wat breedsprakig misschien wel, maar zo ken je me al zesendertig jaar. Als verhalenverteller. Daar viel je destijds ook op. Zei je tenminste altijd. Later veranderde het in: ‘Graag de korte versie Jopie.’ Ik gaf daar soms gehoor aan –soms- en dan vroeg je naderhand verbaasd: ‘Nu al klaar?’ Meteen to the point, dat vond je achteraf beschouwd eigenlijk maar tegenvallen. Was ook weer niet de bedoeling. Die Jopie, die heeft eigenlijk geen korte versies, die wil ze niet eens, en zeker niet om jou veelkeurig te beschrijven en in het volle zonlicht te zetten. Fanfare laat zich niet temmen, en kortwieken evenmin. Fanfare meandert. Achter mijn woorden smeult de passie, Beatrice Ellen. Je toont ons gelukkig nog dikwijls een wonderbaarlijk kijkje achter je schemering. Na vandaag krijgen we –wonderbaarlijk toch!- gelukkig nog steeds ook morgen – onze bede wordt verhoord. Vannacht maakte ik me zorgen om je. Ik stond een keer of vier aan je bed. Wat lag je te hoesten. Je knorde ook. Het leek –laten we maar voor de humor blijven gaan- waarachtig wel een omvangrijke Brabantse varkenshouderij. Kou gevat een paar dagen terug tijdens dat kleine rolstoelloopje van de auto naar het overdekte winkelcentrum van Overvecht? Maar ik had je toch stevig ingepakt? Een deken, een stola, een muts. Of ben je aangehoest door de één of ander? Ik wil ook geen kasplantje van je maken. Ik had dat shoppen daar niet graag willen missen. Jij anders ook niet. Je zat kaarsrecht in je rolstoel. Je gluurde in alle etalages. Je lachte naar voorbijgangers. Het is soms lastig bepalen waaraan je als mantelzorger verstandig doet. Jouw cadeau bij het ondanks alle hindernissen halen van je zesenzeventigste, wie had dat kunnen denken, is dus dit boek. En! De zekerheid van het kunnen blijven inhuren van de best mogelijke zorg aan huis die maar voorradig is. De zorginstanties hebben besloten tot een uitgebreider persoonsgebonden budget en wel per direct. De vlag kan uit. Ik kan mijn dreamteam voor jou blijven aansturen. En er nog meer expertise aan toevoegen bovendien. Ik stop, mijn liefste. Het ontroert mij zelf nog het meest.

Johan

 

Beste Johan,

Net als ik hebben ook al mijn collega’s bij Centrum Phoenix het boek ‘Wonderbaarlijk toch!’ gelezen! ‘Weer een verjaardag in De Panne’. Prachtig! Ik ken jullie nog niet zo heel erg lang. Maar hoe sterk jullie samen zijn, dat is iets dat ik elke keer weer erg mooi vind om mee te maken. Johan, het is geweldig om te ervaren hoe jij nieuwe ontdekkingen blijft doen over de ziekte van Parkinson en er elke keer weer iets nieuws over weet te vertellen. Heel goed dat jij geregeld even bij ons komt ontspannen, de spieren laat losmaken en even tijd maakt om zo zorgeloos mogelijk te genieten. Ondertussen masseren wij dan ook altijd Ellen haar schouders of benen. Haar reactie erop is altijd geweldig om te zien. Een klein geluidje en soms spreken de ogen boekdelen. Ik vind het elke keer weer zo leuk hoe Ellen reageert. Ik hoop jullie nog vaak in de salon te mogen ontvangen. Ik wens jullie alle geluk van de wereld en dat jullie samen nog maar veel fijne dingen mogen beleven! Proficiat met je verjaardag Ellen! Liefs, Melissa.

 

 

Wonderbaarlijk toch!

20170310_111146_resized_1

 

Wonderbaarlijk toch! En weer een verjaardag in familiehotel Cajou in de Belgische kustplaats De Panne! Bijna iedereen die daartoe werd uitgenodigd, zond een bijdrage in voor het liber amicorum dat in De Panne ten doop wordt gehouden met een feestelijke maaltijd van schaaldieren overgoten met champagne. Ook vorig jaar vierde Ellen als een grand lady haar verjaardag bij Cajou waarvan bijgaande foto getuigt. Die foto, gemaakt door Diana Sharifi, verschijnt paginagroot in het nieuwe boek met als titel: ‘Wonderbaarlijk toch!’ En dat is het ook. De bede ‘Geef ons ook morgen’ werd gelukkig verhoord. Veel bijdragen met hartveroverende woorden voor het liber amicorum dat nu volop in productie is bij drukkerij Van Rooijen in Vleuten. Stuk voor stuk pareltjes, die inzendingen. Over het omgaan met de ziekte van Parkinson en Lewy Body dementie raak je niet snel uitgeschreven. Hoorde de in parkinson gespecialiseerde neuroloog Bloem van het Radboud in Nijmegen zeggen dat  deze aandoening de hardst groeiende ziekte van Nederland begint te worden. Hij had het letterlijk over een tsunami aan nieuwe gevallen die op ons afkomt. Gelukkig toont Ellen ons nog geregeld een kijkje achter haar schemering. Dat blijkt zeker ook uit het liber amicorum waaraan de laatste hand wordt gelegd. Een klein voorproefje alvast.

lieve Ellen,

we kennen elkaar maar een klein beetje en toch ken ik jou meer dan een beetje.
Je bent een anak Bandoeng. Je hebt meer meegemaakt dan de meeste mensen. Je hebt een zware start in het leven gehad toen je als babietje jarenlang in een Japans interneringskamp, een jappenkamp belandde. Ik meen in Ambarawa. Een vriendenboek is niet de plek om verschrikkingen te beschrijven, maar ze mogen wel aangestipt worden, zeker als ze je getekend hebben.
Sommige mensen raken na zulke nare beginjaren verbitterd, wrokkig of afgunstig op anderen. Jij niet. Hoe weet ik dat?Ik weet dat je een ontzettend aardige, zachte, invoelende  en dappere vrouw bent en ook nog verstandig. Verstandig? Ja heus! Verstandig en moedig, want je kon geen weerstand bieden aan de honkbalcoach van je twee jongens – ik heb dit uit betrouwbare bron die ik helaas niet mag prijsgeven. Moedig om je leven op z’n kop te zetten voor de liefde van je leven, moedig om al eerder je leven een 180-graden draai te geven door te breken met tradities die je van huis uit hebt meegekregen. Je hebt knoerthard gewerkt tussen honderden kleuters die niet de makkelijkste van het land waren. Je was en bent de vrouw van een journalist van de oude stempel, dat wil zeggen van iemand die per definitie overspelig is omdat ie altijd hongert naar iets en iemand anders: naar nieuws en naar gretige lezers en naar een beetje bewondering. Ellen, ik ken je maar een beetje en ik ken je nog niet van vóór de honkbalcoach, maar ik heb twee heel bijzondere herinneringen. De ex-honkbalcoach en ik hadden een conflict. Niet met elkaar, maar met de directeur die bang was voor de burgemeester. Ja, het was een klucht, maar in die klucht lukte het toch om Johan, want zo heet die coach, en mij een beetje bang te maken. Ik belde naar de Zonzijde voor lotgenotencontact en ik kreeg jou aan de lijn. De bezorgdheid spatte er van af. Geen gemopper op de baas, geen gezeur over het conflict en het tijdverlies –  altijd ten koste van de partner. Nee, bezorgdheid en medeleven met je dierbaarste maatje dat ergens ten onrechte van wordt beschuldigd. Daarin ben je niet uniek, wel in het feit dat je dat was zonder een hoge borst op te zetten en dat je die onbekende collega die opbelde zomaar liet delen in je empathie! Toen het lot je meerdere rotstreken had geleverd en je – godzijdank tijdelijk – in De Ingelanden woonde, kwamen Marc en ik je onder leiding van Johan een keer opzoeken. Ik wist niet eens of je ons herkende. We deden ons best zo gewoon mogelijk te doen, niet echt gemakkelijk. Ineens zei je: ‘Wat hebben jullie veel meegemaakt.’ Marcs veel jongere broer was driekwart jaar daarvoor vrij onverwacht aan een akelige ziekte gestorven en Johan had het je kennelijk verteld.  Ondanks je eigen zware beperkingen en jullie grote verdriet wist je het nog. Wist je het op het juiste moment en bracht je het op het juiste moment. Met één zo’n zinnetje van jezelf wegcijferen heb je je voor mij neergezet. En dat je dat ook vrolijker en joliger bent blijven doen, weet ik dankzij chroniqueur Jopie! Ik hoef alleen maar bagger te zeggen of  Jopie wast wel en ik heb de scherpziende en puntige Ellen te pakken voor wie de honkbalcoach zo terecht viel! Ellen, laat die Jopie maar wassen, je bent een kanjer. En dat woord gebruik ik echt heel zelden!

Jeannette Klusman

 

Lieve Johan

Wat een prachtig boek heb je weer gemaakt! Ook dit boek zullen we koesteren, net als de andere vijf. Ik voel mij zeer vereerd dat ik de drukproef alvast heb mogen lezen. Weer zo recht vanuit je hart, zo liefdevol en vol passie geschreven – het heeft mij opnieuw heel erg geraakt. Zoveel herkenbare verhalen voor mij over Amsterdam en de jeugd van Ellen, haar ouders en het Leger des Heils. Prachtig allemaal. Het is een werkelijk schitterend cadeau voor Ellen bij haar zesenzeventigste verjaardag. En dan alle lieve wensen van alle vrienden en vriendinnen daarbij gevoegd, het is inderdaad WONDERBAARLIJK !

Liefs van hier en…. ik ben heel trots op je?(Mag ik dat zeggen?)
Wietske.
Lieve Johan.
Wat heeft ‘Wonderbaarlijk toch!’ mij weer geëmotioneerd. Vooral de daarin opgenomen brief van Ellen aan mij. Je kroop in de huid van Ellen, in haar brein. Ik hoorde de Ellen, die ik al zoveel jaren ken, tegen me praten. Alsof ze naast me zat. Zó raak! Ik hoorde haar stem, zoals vroeger. Wat ken je Ellen toch goed joh! Wat een gelukzalig moment leverde in ‘Wonderbaarlijk toch!’ vooral het hoofdstuk ‘We nemen de haarspeldbochten’ op. Het deed me heel veel. 
Liefs Maggy. 

Oploskoffie

 

Ellen_fotoAnneliesVerhelst_078

 

Of ze een kopje koffie lustte? Zeker wel, daar had Trudy best trek in. Kouwe zaterdagavond immers van rond het vriespunt. Ondanks februari in de voortuin de kerstverlichting maar weer aan. Gezelligheid kent geen tijd. Of het ook goudomrande oploskoffie mocht zijn? Want voor één bakkie een hele pot zetten…. Oploskoffie? Vanzelfsprekend. Heerlijk toch! Hoorde ik daarin de echo van Renate! En toen boog Ellen zich naar haar verzorgende toe: ‘Dat is bagger hoor.’ Daar wist ze kennelijk alles van. Bagger? Hoe kwam ze dáár nou weer bij? Hoe kwam ze dáár zo plotseling op? Trudy lag dubbel van het lachen. Ik anders ook. Ja vanwaar ineens dat ‘bagger’? En toen begon het me te dagen. We waren deze zaterdag ‘s middags even langs gegaan bij Maggy en Henk. Even een bloemetje voor het weekend afgeven. Buiten bij de auto vroeg Henk met een vette knipoog of we nog wel eens iets van die ‘onuitstaanbare aandachtstrekker’ hadden gehoord – ‘die jullie koffie op jullie laatste feestje bagger noemde’ en die ‘het presteerde om het spul zonder gêne door de gootsteen te spoelen’. Oh ja, dié. Nee, we hielden de boot een beetje af, zo kreeg Henk te horen. Hij begreep dat wel. Uiteraard begreep hij dat. Zo kletsten we als mantelzorgers onder elkaar nog even een klein kwartier door. Over mensen die zichzelf overschreeuwen en de omgangsvormen uit het oog verliezen. Over een naakte non en een baldadige slager. Over een leven dat door ziekte zo ingrijpend verandert dat daar lang niet alle vrienden van vroeger meer in passen. Er komen anderen voor in de plaats. Daarover zo’n beetje. Frappant dat het woord ‘bagger’, door Henk op zaterdagmiddag om drie uur bij hem voor de deur gebruikt, op zaterdagavond om half acht thuis terugkwam via Ellen. Onderschat haar niet. Korte termijn geheugen foetsie? Niet dus. Net zo min als dat van de lange termijn. Het is geen Alzheimer. Maar weer eens een bewijs dat dementie zich in vele gedaanten aan ons openbaart en volkomen ongrijpbaar is. Onberedeneerbaar ook. Weer het levende bewijs van de noodzaak van differentiatie en specialisatie in de verpleegzorg. Je rolt van de ene verbazing in de andere. Een bewijs ook dat je de aan parkinson lijdende gastvrouw tot op het bot kunt beledigen door de oploskoffie als ‘vieze troep’ te bestempelen die ‘niet te zuipen is’ en te roepen ‘dat je thuis beter gewend bent’, en meer van zulk kruimelgedoe. Je gaat op een gegeven moment je eigen richting. Daar weet ook onze postbode alles van. Ook hij heeft parkinson. Ook hij. Emotie is universeel. Maakte deze week aan de deur een praatje met ‘m. Ik had hem al een tijdje niet meer gezien. ik miste hem. Hij zou toch niet gevallen zijn? Toch niet zijn heup gebroken. Ojee. Mij was opgevallen dat hij steeds moeilijker ging lopen. Een zwabbertred. Hij kreeg ook steeds meer problemen met zijn spraak. Soms was hij amper te verstaan. Hij zou toch niet… Nee, de postbode was niet gevallen, niets gebroken, hij leefde nog steeds. Maar wel hoe langer hoe meer vermoeienissen met het rondbrengen van onder andere die gehate blauwpaarse enveloppen van de belastingdienst en allerhande jaaropgaves. ‘Spieren’, klonk het uit de diepste krochten van zijn lijf, ‘die verdomde spieren’. Ze knepen maar samen. Het maakte hem gillend gek. En hij werd er zo honds- en hondsmoe van. Daar zou mijn vrouw ook wel ontiegelijk veel last van hebben, toch? Ja zeker wel, daar was het ook mee begonnen, voor m’n gevoel alweer een eeuwigheid geleden. We beseften toen alleen nog niet wat ons allemaal nog meer te wachten stond. We wisten toen nog niet dat dit de voortekenen van de ziekte van Parkinson waren. We vierden vakantie in Egmond aan Zee. We logeerden in het hotel Zuiderduin. De oudste kleindochter was mee. ‘s Nachts verging Ellen van de pijn. Kramp en nog eens kramp. Hevige kramp zodra ze tussen de lakens lag. Die kramp trok van haar tenen via de kuiten naar de heupen. En maar masseren. Ze hield een hand voor haar mond om onze kleindochter niet wakker te maken. Het liefst had ze het uitgeschreeuwd. Het viel me toen al een poos op dat ze geen energie meer had en haar levenslust verloor. Doemdenkertje. Alles werd bezwaarlijk. Altijd maar denken dat we in zeven sloten tegelijk zouden lopen. De postbode knikte. Herkenning. Zag ik ook hem even moeizaam slikken? Soms begon hij aan een verhaal, raakte hij opeens de draad kwijt. Hij probeerde het rondbrengen van de post zo lang mogelijk vol te houden. Zei-ie. Maar liever een andere wijk dan de onze. Die van ons vond hij te zwaar. Of heel af en toe nog onze wijk, maar beter voornamelijk een andere. Ik schrok van hoe jong hij eigenlijk nog was. Moest nog zestig worden. Hij had besloten te knokken. Zijn vrouw knokte met hem mee. Ze zagen wel waar het schip strandde. Want dat ze vroeg of laat schipbreuk zouden lijden, dat was wel zeker. Maar wanneer? Met beverige handen rolde hij zijn shagje. Hoe ik me zo redde? Goed team om me heen, hield ik hem voor. Had-ie al begrepen. De postbode maakte wel vaker een praatje met deze en gene. En ja, doorbijten en veel opschrijven, als chroniqueur, vulde ik aan. Niet wegduiken. Ook niet voor de realiteit. Deden hij en zijn vrouw ook niet. Een dik half uur later zag ik hem elders in de wijk schuifelen met zijn post. Raampje van de Skoda een stukje open. Een volgende keer moest hij maar gewoon aanbellen. Er was altijd koffie. Zeker voor hem. Of het oploskoffie mocht zijn? De duim ging omhoog.

 

Ha die Johan! Wat een prachtig verhaal van de bagger-koffie en Ellens fantastische actieve idioom-geheugen dat aan en uit kan knipperen.  Meer ‘aan’ zou je haar als wens willen toezwaaien als dat niet zo zinloos was… Mooi dat jij het opschrijft Carbootje! En dan die arme dappere postbode. Morgen zetten we hier in Amsterdam onze uitwisselingen en commentaren op eigentijdse verschrikkingen voort. Je bent zeker om 5 uur welkom. Wij zorgen voor eet- en drinkbaars. Tot dan! Jeannette.
 
Hallo Johan en Ellen. Mooi verhaal weer zeg. En wat goed van Ellen dat ze wist dat bagger bij de oploskoffie hoorde! Nou, ik kom morgenavond weer een heerlijk bakkie ‘baggeroploskoffie’ (trouwens een mooi woord voor het spel scrable) bij jullie doen hoor. Groetjes van Trudy.
Hallo Johan. Wonderbaarlijk weer met Ellen. En lachen natuurlijk. Groeten en kus voor Ellen. Jan.
Hahaha! Geweldig! Ik kom woensdag weer om een paar uurtjes met Ellen voor onze eigen versie van Intouchables te spelen. Zet de koffie maar vast klaar. Tot dan! Liefs, John Haakmat. 
Die zit Ellen! In de kruising! Zo ken ik je al tig jaren. Liefs. Maggy.
Verdomd goed zeg, Albert (dementieconsulent). 
 
 

De naakte non

Ellen_fotoAnneliesVerhelst_060

Ach, ze bedoelde het niet kwaad, ze bedoelde het zelfs heel goed, de medewerkster in de zaak van onze veelgeprezen haarstilist Danny. Overbezorgd stond ze bij onze binnenkomst aan de voordeur. ‘Kijk uit, oh pas op hoor.’ Ik had ‘m toen al enigszins zitten. Of ik wel in de gaten had dat Ellen gemakkelijk haar naar links iets overhellende hoofd aan de toonbank kon stoten? Jaja, ik wist van het bestaan van die toonbank. En ik deed dit niet voor het eerst. Of ik niet beter de draai met de rolstoel andersom kon maken? Ik ben mantelzorger van mijn beroep, 24 uur de klok rond, acht jaar alweer, mevrouw. En eenmaal voor de spiegel aan de kaptafel begon ze over de kleren van Ellen. Of die stola niet te warm was eenmaal binnen, want dan zou Ellen er buiten niets aan hebben, dat zo ongeveer. Het precieze weet ik niet meer. Maar wat ik me wel herinner, is dat ik haar een sneer gaf. Net even strenger dan ik het feitelijk bedoelde. Ze irriteerde me mateloos. Ik dacht nog: mens laat me met rust, hoepel op. Later toch maar gezegd dat al dat periodieke gedrentel om de rolstoel me de strot uit kwam, en ook rustig uitgelegd waarom. Ze was de eerste niet, en waarschijnlijk ook niet de laatste. Geen enkele ervaring met het leven dat Ellen en mij door ziekte is opgedrongen, geen notie van de impact van die dagelijkse nog altijd op pure liefde gegrondveste carrousel, die apocalyps, maar wel even vertellen hoe je ermee zou moeten omgaan. Verkeersagente in een kapsalon. Cappuccino? Nee, nee , nee – vandaag geen cappuccino. Ik heb er als mantelzorger twintig moeders bijgekregen, als ik niet uitkijk, en dat zijn er twintig te veel. Mantelzorgers hebben ook een ziel en in die ziel bovendien een ‘no go area’. Mogen ze? De goedbedoelde bemoeizucht en vrijpostigheid komen vooral van personen van wie ik zeker weet dat ze het zelf onder onze omstandigheden nog geen drie weken zouden volhouden. Ik noem het zorg met een megafoon. Laatst verliet ik met Ellen de Dirkson in Vleuten. Werd ik aangeklampt door een hemels kijkende, half hemels loensende, bejaarde non. Wildvreemde reli-muts. Greep me bij mijn schouder. Of Ellen niet te koud gekleed was? Wel godverdomme. Mijn reactie, het vloog eruit: ‘Mevrouw, mijn echtgenote heeft ondanks de vrieskou net als u niets onder haar overjas aan. Waar bemoeit u zich eigenlijk mee.’ Verbaasde non droop af. Haar naastenliefde pakte verkeerd uit. Hoe beledigend en tegelijkertijd gênant is het eigenlijk niet om een volwassen man te vragen of hij zijn afhankelijke vrouw wel op de buitentemperatuur heeft gekleed. Impertinentie. Hier wreekt zich het eendimensionale bij zo’n non. Maar ja, voor straatescapades hoef je niet per se een non te zijn. Voor uitglijers evenmin. Ik zie me al op straat een mij totaal onbekend stelletje aanklampen met aan hem de vraag of zijn vriendin er wel verstandig aan doet op zulke hoge hakken te lopen. Vanwege haar enkels en zo. Keek de non na en dacht: wat weet jij nou eigenlijk van het leven, je bent een figurante in een niet bestaand toneelstuk. Het bontst maakte die slager van winkelcentrum Terwijde het. We kwamen er geregeld. Beende achter zijn toonbank vandaan. ‘Mag ik u een gelukkig 2018 toewensen?’ Dat mocht-ie natuurlijk. En wijzend naar het achterhoofd van Ellen: ‘Zal ik dat bij dat oma-tje ook even doen?’ En dàt mocht-ie niet. Oma? Verkleinwoord nota bene? Oma-tje? Vragen aan mij of het nog zin had ook haar een gelukkig nieuwjaar toe te wensen? En wist deze bukhufter dan niet dat dit mijn vrouw is? Mijn godin wegzetten met dat meewarige oma-tje? We waren niet voor het eerst voor een biefstukje bij hem. Maar wel voor het laatst. Nog net niet de slager vermoord, het scheelde niet veel, maar hem wel verbaal gefileerd met een bot aardappelschilmesje. De hele slagerij kon meegenieten. Luchtte op. Goeie remedie tegen een maagzweer en schele hoofdpijn. De slagersvrouw kwam ons later buiten achterna om duizend keer excuus te maken voor haar idiote echtgenoot. En vervolgens commandeerde ze de slager naar de rolstoel om voor Ellen deemoedig op zijn knieën te gaan. Zijn ge-sorry sloeg nergens op, want al snel begon hij klapwiekend de uitgekraamde beledigingen te ontkennen. De droplul. De stompzinnige slager besefte kennelijk ook niet dat de rolstoel geenszins Ellen haar gehoor had aangetast. En evenmin alle besef van de dingen om haar heen. Een voorbeeld. Welaan, twee voorbeelden. Afgelopen zondag: kopje thee en nog eens een kopje thee. Daarna nog één. Om het af te leren. Bij het invallen van de duisternis een glas rode wijn. Ellen: ‘Hèhè, gelukkig wat anders.’  Daags erna aan de nieuwe verzorgende Trudy verteld dat Ellen met John Haakmat achter de rolstoel in De Meern een bezienswaardigheid met Intouchables-gelijkenis vormt, en dat ze hem, de goedlachse Surinaamse Nederlander John, vroeger altijd vertrouwenwekkend Zwarte Pietje noemde. Haar Zwarte Pietje. Ellen vanuit een halfslaap: ‘Maar dat mag nu niet meer.’ Hoe komt ze erop. Inderdaad, laat Sylvana het maar niet horen. Zag trouwens dat het blog voor de landelijke patiëntfederatie over Ellen in de rol van de aristocraat François Cluzet en John als de Senegalese bediende en levensgenieter Omar Sy meer dan vijfduizend keer is aangeklikt en bekeken. Mooie score. Maar goed,  Zwarte Pietje mag niet meer. Ik heb het Ellen toch echt horen zeggen, met Trudy als getuige. Waar komt die scherpe alertheid plots vandaan? Dat is wat ik bedoel. We onderschatten. We schrijven te snel af. Parkinson en dementie, met alle consequenties, maar wel nog voor honderd procent serieus te nemen. Anders dan diverse zielenknijpers. De ziekte van Ellen is verschrikkelijk, maar zeker ook verschrikkelijk is wat je op straat en in winkels zoal te slikken krijgt. Vraag het onze vriendin Maggy. Hersenbloeding vorig jaar. Revalideren. Voor het eerst in een rolstoel naar buiten richting Wilhelminapark in Utrecht. Stapt er een mevrouw van haar fiets. Komt het trottoir op. Een voor Maggy totaal onbekende vrouw. Ze pakt Maggy bij haar schouder. Begint die te knuffelen. ‘Fijn hè schat zo even buiten met dit mooie weer.’ Maggy ging daarna voorlopig niet meer in haar rolstoel een blokje om. Ze voelde zich vernederd. Kon ze het overdoen dan zou ze die vrouw met die fiets een stomp hebben gegeven. Als ze er de kracht voor had gehad. Een goeie kennis van ons weet er ook alles van. Ging met haar dochter schoenen kopen. Schoenen voor haar dochter. Het winkelmeisje liep naar de baas die half in het voorraadhok verscholen zat. Onze goeie kennis kan liplezen. Het winkelmeisje vroeg haar baas of hij even die mevrouw kon helpen ‘met schoenen voor dat mongooltje’. Onze goeie kennis hoefde geen schoenen meer voor haar dochter. Voorlopig niet nee. Met tranen in haar ogen zocht ze de frisse buitenlucht en de stilte op. Eén van mijn moeders met een Bureau voor Ongevraagde Betweterige Op Niets Gebaseerde Adviezen belde me pas geleden op. Ongediplomeerd van alle markten thuis, zo’n type. Ze was in mineur, moest de afspraak afzeggen. Hoe dat zo? Rampen en nog eens rampen. Internet lag er al twee dagen bij haar thuis uit. Zal ik het hier maar even bij laten? ‘Ik begrijp je helemaal’, zei de kapper van de week. Hij had zijn jarenlange showmodel Ellen wederom schitterend geknipt. 

 

 

Gebalde vuisten en niet de schone schijn

 

Soccer Football - Champions League - Feyenoord vs Napoli - De Kuip, Rotterdam, Netherlands - December 6, 2017 Feyenoord's Kenneth Vermeer celebrates REUTERS/Michael Kooren
Kenneth Vermeer, voorbeeld van niet opgeven. Slecht behandeld door Feyenoord, maar wie het laatst lacht. Goede wijn die geen krans behoeft. Handen in de lucht. De vuisten gebald. Op karakter verder ondanks meedogenloos harde tegenslagen. Dit beeld gekozen voor de nieuwjaarswens 2018. Reuters/Michael Kooren
Erwtensoepgala 2018. Traditie inmiddels. Ook de toespraak. Thema ditmaal: de schone schijn en de gebalde vuist.
Op de Academie voor Journalistiek in Tilburg heb ik meerdere keren meegemaakt dat deze Hogeschool opging voor een nieuwe officiële accreditatie. Onze directeur werd daar altijd heel zenuwachtig van. In zijn positie begreep ik dat wel. Het was gelukkig geen onverwachte inval van de keuringsdienst, nee haar komst werd altijd ruim van te voren aangekondigd. Kon je tijdig voor een nieuw behangetje zorgen. Kasten werden overhoop gehaald en het rook ineens doordringend naar ontsmettingsmiddel aan de Professor Gimbrèlelaan in Tilburg. Er was weer eens een nieuw onderwijssysteem ingevoerd, iets met competenties, de precieze naam ben ik kwijt, maar wat ik nog wel weet is dat er bij studenten en docenten over het algemeen grote ontevredenheid heerste. Dat competentiegerichte nieuwerwetse onderwijs, bedacht door naar een Haagse tekentafel verbannen mislukte onderwijskrachten, werd door niemand begrepen. Maar op de dag van de inspectie had iedereen door hoe het moest. De keuringsdienst maakte er ook een gewoonte van tijdens zijn inspectie openhartig te praten met een delegatie docenten. Zo’n ontmoeting verliep voor de directeur altijd naar wens. Dat kon ook niet anders want hij zocht de docenten zelf uit die mochten aanschuiven. Het gaat te ver om hier namen te noemen, maar het waren allemaal doetjes, kolfjes naar de hand van managers. Deze docenten, zelden of nooit op een redactievloer te vinden geweest, waren voor de directeur belangrijker dan de mensen die de drukinkt bij wijze van spreken nog op hun kleren hadden zitten. Twee weken later stond er altijd taart in de docentenkamer. En dan sprong de directeur van vreugde iedereen in de armen. Ja, ik heb een huilende onderdirecteur gezien. Tranen van opluchting. De accreditatiecommissie was vol lof aangaande alle onderdelen van het beoordelingsformulier. En dus konden we weer doorgaan met middelmatig hogeschoolonderwijs, waarbij niet de docent de student beoordeelde maar andersom, in verband met de zo gewichtige studenttevredenheid.
Waar moest mij dit in Tilburg toch aan denken? Aan de militaire dienst in 1970. Aan de artillerie in de legerplaats ‘t Harde op de Veluwe. Als daar een officiële inspectie kwam dan had de commandant aan één fles whisky voor een uur niet genoeg. Alle voertuigen moesten met een tandenborstel worden schoongemaakt en met oude molton lappen worden opgepoetst. Dagen en dagen stond onze verbindingsapparatuur buiten in de wind. Ook hier struikelde je overal over stofzuigers. Ramen werden gezeemd, je kunt het zo gek niet verzinnen. Aan twee soldaten van mijn lichting werd vriendelijk verzocht die dag van de inspectie niet op de kazerne te verschijnen doch lekker thuis te blijven. Daar hoefde geen verlofbriefje voor te worden ingevuld. Eén van die twee soldaten was een zekere Jansen uit Epe. Hij had meer arrest dan hij vrij rondliep. Maar de kapitein Aspers bleef desondanks als de dood voor hem. We gingen een keer naar de schietbaan in december en stonden daar al ‘s morgens om zes uur met de afgetelde kogels in ons hand. Maar we zagen geen hand voor ogen. Laat staan dat we de schietschijven konden ontwaren. Werd die Jansen verschrikkelijk kwaad om. Op hoge toon wilde hij weten waar Aspers was. Hij zou hem onmiddellijk voor zijn donder schieten. Aspers werd ingelicht en die vond het verstandig zich die nevelige dag niet op de schietbaan te wagen. Jansen hoefde nooit meer vroeg op voor een oefening met zijn uzi. Zijn wapen werd ingenomen. Overigens kregen we als compagnie een groot compliment van de inspectiecommissie. Nergens ook maar een spatje modder op de voertuigen, nergens stof op het verbindingsmateriaal, geen kogels zoek, en een hoog moreel onder de fantastische leiding van de onverschrokken kapitein Aspers die ons natuurlijk trakteerde op taart.
Voorgekookte onzin. En ja, de zorg voert anno nu ook (nog steeds) zulke toneelstukjes op. Een verpleeghuis kreeg, zo hoorde ik uit betrouwbare bron in een mantelzorgcafé, een verpleeghuis kreeg deze maand te maken met een audit. De directrice wist gelukkig ruim van te voeren op welke dag zij en haar verpleeghuis voor een examen moesten aantreden. De dagen ervoor legde het ingeslapen reservaat voor dementerenden één en al bedrijvigheid aan de dag. Heel raar maar eten dat net over de datum was moest nu ineens weg. Zelfs bij de peper werd gelet op hoe oud die was. Anders nooit. Scherp werd gekeken of het met de medicijnen allemaal wel in orde was en of de baxters in de juiste volgorde lagen. Alle bewoners werden met welriekende shampoo gewassen en gestreken. Personeelsleden kropen op handen en voeten onder de tafels door met boenwas. De directrice maakte ineens lange dagen. Ze was plots ook heel vriendelijk en attent naar iedereen toe. We krijgen de afleveringen van Hendrik Groen op ons netvlies. Het personeel werd geïnstrueerd zich bij vragen van de auditcommissie op de vlakte te houden. Niemand mocht klagen. Er moest veel gelachen worden. Een beetje neuriën kon ook geen kwaad. Ik verzin dit allemaal niet. Er kwamen proefsessies. Daarna nog enkele repetities. Tenslotte een generale. En maar neuriën. Op de tafeltjes van het restaurant verschenen tegen de gewoonte in verse bloemen. En jawel hoor, snel na de visitatie van de snuffelcommissie was er taart voor alle verzorgenden en verpleegkundigen van het reservaat. Het protocol was netjes nageleefd. De mappen waren op orde gebleken. Er ging ook niet één bewoner tijdens de inspectie dood. Op alle onderzoekpunten een score van een acht of meer. Zelden zo’n goed geordend en gezellig verpleeghuis gezien. En de minister en staatssecretaris konden doorkomen met hun extra poen. Inmiddels gaat het verpleeghuis weer over tot de gezapige orde van de dag. 
Waarom blijven we onszelf zo voor de gek houden? Waarom kondigen we een inspectie tevoren aan die geen enkele wezenlijke functie heeft? Waar blijft de Inspectie voor de Gezondheidszorg met zijn controle via verrassingsoperaties door lekeninspecteurs? Daarvan kun je de uitslag tenminste serieus nemen. Waarom laten we toe dat slechte verpleeghuizen, en die zijn er, meer dan ons lief is, waarom staan we toe dat slechte verpleeghuizen de maatschappij bij de neus kunnen nemen? Waarom zijn we zelf schuldig aan een scheef beeld van hoe het in werkelijkheid is? Maar ja, het beste is misschien wel om er maar om te lachen. Zoals ook om die malle wethouder. De gemeente ben ik vergeten. Maar na Oudjaar maakte hij de balans op. Een stel dwazen had een jaar eerder voor duizenden euro’s schade aangericht. Nu voor veel minder. De wethouder (modern openbaar bestuur) was opgetogen en maakte een rekensommetje. Hij besloot het schadebedrag van de vorige jaarwisseling dat hij al had gereserveerd aan de raddraaiers te schenken. Als beloning voor beter gedrag dan het jaar ervoor. En vervolgens sloopte het gespuis als dank zo’n beetje alle bushokjes van de gemeente waarvan ik helaas de naam kwijt ben. Of de wethouder het niet wat vreemd vond allemaal? Je rijdt voor de verandering een keer niet door rood zoals je altijd doet, de voetgangers zijn voor de afwisseling veilig, en de gemeente maakt daarvoor een bedragje over naar je bankrekening. Drie uur hulpdiensten uitgespaard. Laten we maar blijven lachen. Nee, de opgewekte wethouder vond het allemaal heel logisch. Een president in Amerika die bij zijn laatste medische keurig (van zijn rommelige bovenkamer) weer te horen kreeg over gezond verstand te beschikken. Maar stel nu eens dat er een andere uitslag was geweest, wat dan? Heel logisch jongelui een bedragje te geven als ze gemeenschapseigendommen niet vernielen. Heel logisch verpleeghuizen voldoende tijd te gunnen een audit te halen. Je zal als inspecteurs maar eens in een walm van urine terecht komen, op kleverig laminaat, en nergens bewoners aantreffen omdat die nog niet uit bed zijn gehaald bij gebrek aan voldoende personeel. Je kunt de werkelijkheid ook boetseren. 
Het laat zich raden, niets is zoals het vanavond lijkt. Ook hier, zullen we maar zeggen. Ik draai jullie een rad voor ogen. Ik had voldoende voorbereidingstijd. Nooit staat er hier een bloemetje op tafel, vanavond wel. Nooit wordt hier, anders dan nu, een glaasje wijn geschonken. Dagen en dagen ben ik hier met een stofdoek in de weer geweest. De vlokken vlogen me om de oren. Alle keukenkastje blinken. Zoek naar zilvervliesjes, of hoe die slappelingen heten mogen, gij zult niet vinden. Na vanavond laat ik het weer verslonzen. Maar dan hoop ik jullie accreditatie binnen te hebben voor een volgende fuif.
Afgelopen vrijdag waren Ellen en ik voor een periodieke raadpleging en controle bij de neuroloog Hoff van het Antonius. We kregen complimentjes. De volharding. Een geslaagde audit. Eén zonder schijnmanoeuvres. Complimenten ook later van een bij ons thuis op bezoek zijnde verpleegkundige. Ze had gereageerd op de advertentie in de Oud-Utrechter naar een plek als reserve verzorgende voor de vakantieperiode vanaf mei. Mevrouw had één nadeel. Ze had een poos in het management gezeten. Als gevolg ervan sprak ze soms met meel in haar mond. Gebruikte net even te vaak woorden als protocol, domein en transparant. Voor het overige: vriendelijke vrouw. Complimenten ook van haar voor hoe wij met de parkinson en Lewy Body omgingen. Waar kwam toch die niet aflatende energie bij ons vandaan? Niets was anders dan anders. We deden ons ook tegenover deze vrouw niet beter voor dan we waren. We vertelden. Niet alleen de neuroloog maar ook deze sollicitante vertelden we dat we een diepe buiging maakten naar onze kring verzorgenden en vrienden. En ik herhaal hier in deze woonkamer met de eerste snertwalmen, ik herhaal hoe verschrikkelijk dankbaar we zijn voor alle ondersteuning. Ik noem Wil, ik begin vandaag bij haar, ik noem Leroy en Dorothy, Diana en Elly, Trudy inmiddels ook, Albert, Thea, masseuse en schoonheidsspecialiste Melissa, Kristel Maassen in Kerkrade die Ellen van Kerst tot voorbij de jaarwisseling meerdaags verzorgde, wat een goudomrande geste was dat, haar man Marco en zijn afdeling van Lückerheide, elke middag eind december deed Ellen weer op zijn directiekamer haar middagslaapje, ik noem Charles en Ceciel. Een kleiner gezelschap dan anders, maar aangepast aan het ziektebeeld. De prikkels voor Ellen moeten functioneel zijn, en ook blijven. Verzorgenden en vrienden moeten energie geven en beslist geen energie kosten. We hebben gaandeweg geleerd langs die lijn te selecteren. Gisteravond keken we vanzelfsprekend weer naar Podium Witteman. Het ging over de genie Leonard Bernstein. Honderd jaar geleden geboren uit Russisch joodse ouders. Hij componeerde West Side Story. Met de choreograaf Robbins bracht hij iets fenomenaals op de bühne. In de uitzending van gisteravond werd het lied Tonight ten gehore gebracht. Ik stond in de keuken te roeren in een pan met zuurkool. Wat stond het geluid ineens hard. Bleek het Ellen te zijn. Ze zong mee. Nee, ze zong niet mee, ze galmde mee. Hoorde ik het goed, een stukje tekst in het Engels ook van Ellen? Ik herhaal wat ik bij de vorige keer zei toen we hier open huis hadden: veel kenners van dementie, ik ben er geen. Maar wat muziek zoal niet vermag! Eén ding is duidelijk: met huis wonen gaat bij de dementerende de eigen identiteit niet verloren. Had Ellen net zo op André Rieu gereageerd als op Bernstein? De kracht van de individualisering in de verpleegzorg. 
Voor Ellen op het erwtensoepfeest een paar attenties. Zij is gastvrouw en hoofdgast tegelijk. Een cadeaubon voor een speciale behandeling van de onwillige spieren door Melissa van het instituut Phoenix. Voor binnenkort bovendien een weekend terug in de mooie Belgische flaneerkustplaats De Panne. De hotelbrigade van Cajou kijkt er naar uit, schreven ze ons in een prachtige mail. Ze kijken vooral uit naar Ellen. Ik stond vanmorgen in alle vroegte even op het balkon. Ondanks de donkerte hoorde ik de eerste aarzelende vogelgeluiden. Gekwetter en dat al in januari. Geef ons ook morgen, inderdaad, laat dat zo zijn. Verlangend kijken we uit naar de bloeiende seringen en kersenbomen. Ik wens iedereen een normaal 2018 toe. Een jaar zonder fake. Een jaar waarin de waarheid ook de waarheid is en leugen weer leugens worden. Een jaar zonder al te veel poespas en narigheid en stress. Straks is er snert. Uit de veelbezongen keuken van Elly en Ber. Blijft er over dan kan er erwtensoep mee naar huis. Daarvoor zijn verkeersdrempels bestendige emmertjes met een deksel beschikbaar. Ik zocht naar een beeld voor de ons toegedichte bevlogen strijdlust. Ik vond dat in de geplaagde keeper Kenneth Vermeer. Armen in de lucht, de vuisten gebald. Niets van schone schijn. Het sneue liefdeloze Feyenoord kan voor hem de pot op. Terecht. Hij verdient respect. Krijgt dat ook weer. In Brugge. We komen er langs naar De Panne. Misschien trakteer ik mezelf wel op een voetbalavondje in Brugge tijdens ons verblijf in De Panne. Het voetbal behoeft atletische artiesten tussen de doelpalen. Wij willen katten onder de lat. Ze verdienen hun plek op het toneel. En al helemaal als ze zich na ernstige blessures steeds weten terug te knokken. Het kan nog zo tegenzitten, het draait om karakter. De gebalde vuist tegen de schone schijn. Dat is de titel voor dit erwtensoepgala. En ja, Van Bronkhorst: beschaafde twijfelaar, maar ook beschaafde twijfelaars zijn twijfelaars en ongeschikt. Hij brengt Feyenoord thans ongeluk. 
Oh ja lieve Ellen: als je in hotelabdij Rolduc in Kerkrade met Kerst geheel ontspannen de boel bij mekaar snurkt en ik je wakker maak, zo van: stop ermee, dan heb je gelijk: waar bemoei ik me eigenlijk mee. Ellen: ik houd van je. We gaan in 2018 onverdroten voort. 
 

Een rijk verleden moet je kunnen aanraken. Lak aan Nietzsche (slot)

Hallo Maarten.
Dank wederom, nu voor je reactie op ‘Wim Onderstal, tapijtlegger naar honkbalkampioenschappen’. Heel vriendelijk van je en al even zeer attent. Een verleden dat tastbaar moet blijven. Een rijke clubhistorie moet door het nageslacht kunnen worden opgesnoven en liefst ook nog kunnen worden aangeraakt. Ik heb er een uitgesproken mening over. Zoals ook over die hiphoppers die elders een dubbeltje meer kunnen beuren. Weten vaak niet eens voor welke club ze toevallig spelen. Ooit weigerde mijn held Henk Heinen zijn reiskosten uit Wormerveer te declareren omdat hij als pitcher een nederlaag op zijn geweten had. Kom daar nu nog maar eens om. Heinen die uit schaamte geen onkostennota durfde in te dienen met zijn vergoeding van vijf cent de kilometer. Het duurde altijd een uur voordat Heinen van de parkeerplaats in de kleedkamer was. Uit zijn auto kwamen een vrouw, twee kinderen, een box, een wandelwagentje, een tas met spenen en speelgoed, een dekentje, een springtouw, kleurpotloden, je kunt zo gek niet bedenken. Wat er vaak niet uit die auto van Heinen kwam, waren een honkbalpak, een pet of een paar spikes. Die lagen dan nog in Wormerveer. Herinneringen en nog eens herinneringen. Tussen het roken van een aantal mentholsigaretten door hielp voorzitster Line Klein de familie Heinen vaak een handje met het uitruimen van die verhuiswagen uit Wormerveer. Want anders was Henk nooit van zijn leven op de heuvel verschenen. Alles ging traag. Soms hoefde Henk alleen maar zijn zonnebril van de parkeerplaats naar de kleedkamer mee te nemen. Dan hiep het hele bestuur zijn vrouw en bolle koters met alle meuk. Het aardige was dat Heinen in de jaren zeventig meer wedstrijden won dan verloor. Dat was in de jaren zestig wel even anders. Toen vlogen de kanonskogels alle kanten op. Levensgevaarlijk. Ook voor de buren, de flikvlooiende korfballers en korfbalsters en andere fladderaars van de vereniging Vogel. Catcher Jan Dalmeyer bracht Heinen enige werpbeschaving bij. 
UVV mag er dan sportief en prestatief niet al te best voorstaan momenteel, de club is zeker in de hoofden van veel nostalgisch ingestelde Utrechters nog lang niet dood, zo concludeer ik uit de bonte verzameling mails die ik over de krantpublicaties ontving – ook nu wederom. Van het uitje met Ootje Haazer naar De Musschen in Rotterdam naast De Kuip begin jaren zestig herinner ik me vooral de modderig vette opengebarsten kroketten die je zwaar op de maag bleven liggen. Veel boertjes. Een half leven lang Rotterdam geassocieerd met een frituurpan vol bedorven motorolie.
Het artikel van deze week in de Oud-Utrechters (opening krant nota bene en hoe uitbundig!) betreft een compilatie van een uitgebreid blog op mijn website. Het was bestemd voor, en aangeboden aan de Oud-Rotterdammer. Tot mijn verrassing stond het ook in de Oud-Utrechter. En waarom ook eigenlijk niet. Het stuk probeert de spannendste honkbaljaren van weleer een beetje in leven te houden. Ze zijn het waard. Zie ook de opgetogen reactie van de basketballer Rob Smaling (Midland eertijds). Hij spreekt over Cees Hiele in termen van een kei. Terecht. Hij suggereert een groot artikel en misschien zelfs wel het schrijven van een boek over alle invloed van de vliegbasis Soesterberg op het sportleven in Utrecht. Het heeft me aan het denken gezet. Tsja, daar duikt plots misschien wel UVV’s beste basketballer aller tijden in mijn herinnering op: de stekelkop Bill Finnell. Die is ook nog eens als pitcher bij het honkballen uitgeprobeerd. In 1964 tegen HCK. Maar dat werd geen succes. De werper Finnell werd alle kanten opgeslagen. Allemaal snoeiharde ballen recht door het midden naar catcher Rob Rijnders. HCK (met coach Arie van Driel-Krol) won in een mum van tijd met 1-11. Of 0-10, dat kan het ook zijn geweest. De rest van het honkbalseizoen speelde Finnell als outfielder in het tweede. Een tweede overigens (met Wim Hiele als coach, met Adrie Hiele achter de plaat, en met Cees Hiele en Jan Kars afwisselend op het eerste honk of in het buitenveld) dat in de hoofdklasse voor reserveteams heel goed voor de dag kwam. Bijna kampioen zelfs. Maar ik had het over Bill Finnell. Als basketballer was hij onovertroffen. Volle zalen ook aan het Vredenburg in de stad. Bij UVV basketbalde toentertijd ook de boomlange pivot Piet Polet. Hij legde de ballen in het netje zoals wij de kopjes en schoteltjes op ooghoogte in het keukenkastje zetten. Die Piet Polet woonde in de Cremerstraat en moet zo’n beetje jouw achterbuurman zijn geweest. En ik herinner me de spelverdeler Hofman, of Hofmans. Had die later niet een drankwinkel in de Willem van Noortstraat? 
Met de vroegere eerste team honkballer Jan van Ewijk heb ik twee jaar terug UVV aangeboden gratis en voor niks een (voor het publiek te bezichtigen) museum op de Paperclip op te zetten.
Kijk maar eens naar de aanzuigende werking van zo’n museum bij Feyenoord, ik deed daar mee aan een rondleiding. Maar ik verwijs ook naar de Amsterdamse honkbalvereniging Pirates. Een magneet zo’n collage van historische feiten. De geschiedenis die, als gezegd, tastbaar blijft!
Het is ook waar de geschiedenis recht op heeft. De sport niet uitgezonderd. Ook die kent zijn kassieken en kassiekers.
Men heeft bij UVV nooit de moeite genomen ook maar iets met dat museumidee van ons te doen. De omgangsvormen bij de club bleken slordig. We schrokken daarvan. Soit. Want we liggen er niet wakker van.
Maar wel jammer, want in Leidsche Rijn is heel veel jeugd, verschrikkelijk veel jeugd zelfs, kijk maar eens tijdens de Avondvierdaagse, een stoet van vele kilometers lang, je zou excursies van scholen naar zo’n museum kunnen organiseren. Daar kan geen enkele ledenwerfcampagne tegenop.
Ook de sport heeft zijn geschiedenis. Die van het voetbal en honkbal (meer nog dan van basketbal) van UVV is bovendien een indrukwekkende. Ook de sport heeft zijn tradities – zou die in elk geval moéten hebben, en zou die ook moeten koesteren. Kijk eens naar de Koninklijke HFC in Haarlem! Voorbeelden te over nog verder.
Enfin, graag of niet, dachten Van Ewijk en ik schouderophalend. We verbaasden ons niet over de neergang van UVV-honkbal. Wie zijn verleden niet koestert, heeft geen toekomst. Het is een wetmatigheid.
Nu dreigt het archief van mensen als Cees Hiele, Jan Kars, Jack Keja en noem er nog maar een paar in de vuilnisbak te verdwijnen. Eenmaal naar de vaalt komt het nooit meer terug. Het is niet anders. Maar wel doodzonde.
En dan even die foto van de oude tribune. Inderdaad, roemruchte tribune. Ik herinner me nog een suppoost die naar je ledenkaart vroeg alvorens toestemming te geven op die tribune plaats te nemen. Die suppoost leek zo weggelopen uit de voorstelling van de acteur Ton van Duinhoven (Crooswijk). Wij keken bij UVV vaak of die controleur niet oplette en glipten dan vliegensvlug de tribune op. We hadden die ledenkaart immers nooit bij ons en altijd thuis liggen. De man was heel streng en nam zijn werk altijd ongelofelijk serieus. Het paste in de tijd, zullen we maar zeggen. Nu ik er zo over zit na te denken: de suppoost van UVV had een rood-witte band om zijn bovenarm en volgens mij droeg hij ook nog een speciale pet. Klopt dat? Aan de kassa had het voetbal van UVV vroeger een kerel zitten met strak achterover gekamd haar. Heette hij niet Houtman? Dick Houtman? Die had het nooit zo op honkbal begrepen. Hij had er in latere jaren altijd gloeiend de pest in als wij met honkbal langere rijen voor onze kassa hadden staan dan hijzelf met voetbal. Nu spreek ik over de beginjaren zeventig. Niemand die kan ontkennen dat het honkbal destijds het voetbal bij UVV overvleugelde. Volgens sommigen gaf dat geen pas. Ze vonden het oneerbiedig. Cees Hiele had zich het liefst afgescheiden van UVV. Eigenlijk heeft hij dat met Utrecht Hitters op Welgelegen op het Kanaleneiland ook gedaan.
Anders dan bij het interview met de 90-jarige Henk Ferwerda heb ik me ditmaal niet met de illustraties bemoeid. Die foto van de tribune was nieuw voor mij. Vond hem trouwens meer passen bij mijn vorige verhaal dan dat van deze week dat vooral om Wim Onderstal draaide. Maar dit terzijde. Ik denk dat je maar eens zou moeten informeren bij de redactie van de Oud-Utrechter. Of het Utrechts gemeentearchief. Ja, die oude roemruchte tribune, die stond plots op een zaterdagavond in de fik, ik weet dat nog wel. In de bestuurskamer in de boezem van die oude houten tribune moest ik eind jaren vijftig als jong jochie voor een ballotagecommissie verschijnen om tot UVV te mogen toetreden. Mannen in een strak pak die heel belangrijk deden. Zat Houtman daar al bij? Zou zo maar kunnen. Hoe oud zal ik geweest zijn, acht of zo. Mijn ouders moesten mee naar die ballotagecommissie. Volgens mij werd aan mijn vader nog gevraagd wat voor werk hij deed. Nadat ik was toegelaten tot UVV gingen we voetbalschoenen en een shirtje kopen bij meneer Danvers in de Damstraat in Lombok. Daar hing aan de muur een foto van zeker twee bij twee meter van het kampioenselftal van DOS. Dat team kan ik nog steeds opdreunen. Alleen al uit historisch oogpunt is het dood- en doodzonde dat bepaalde verenigingen al dan niet door een gedwongen fusie zijn verdwenen in Utrecht. Zoals DOS, zoals Velox ook. 
Kars en Cees Hiele waren eigenheimers, maar geweldige eigenheimers. Beiden waren hun tijd vooruit. Ver vooruit zelfs. Ze waren pioniers. Zij beleden het honkbal als een diepgewortelde geloofsovertuiging zoals de biblebelt het Eerste en Tweede Testament. Alleen die twee al zouden een museum verdienen. Net als al die Yankees van Soesterberg (de UVV-Daggers bij basketbal) die de sport in Utrecht een lift naar boven gaven. Maar dat geldt ongetwijfeld ook voor een aantal mensen uit het voetbal van UVV. Je hebt het over de oud-voetballer Peter van Santen. Ik zie een aanvalslinie voor me met Hans van Rooijen, Hans de Heus, Peter van Santen, André ten Hoeve en Reinier Friedrichs. Daarachter die zo jong overleden dynamische Indische jongen Rudie Pieters. Achterin Cees Overeem. En Herber, of Herben, zijn voornaam ben ik kwijt. (misschien wel familie van Mat van Pim Fortuyn). Rechtsback en later stopperspil was Theo Dupont die ooit nog eens een heel gecompliceerde beenbreuk opliep. In het doel de sigarenboer Rob Zomer, later Co Lazet. Ik realiseer me dat ik een rijtje spelers heb opgedreund uit een kampioensjaar. Moet ineens ook denken aan de familie Lacroix die frisdranken vanuit een stalletje verkocht. 
Je noemt in je mail Rob Hoogkamer. Die overigens wist van het aanbod van Jan van Ewijk en mij, hij zat erbij toen wij onze plannen uit de doeken deden. Misschien dat anderen het museumidee alsnog kunnen en willen oppakken.
Wij, Jan en ik, vonden het in elk geval een gemiste kans van de club. Zeker gezien Leidsche Rijn en de nieuwe accommodatie waarnaar je de aloude clubcultuur en –historie zou moeten willen meeverhuizen.
Met hartelijke groet. Johan Carbo. 

Beste Johan,
Weer met plezier jouw stuk gelezen in de Oud-Utrechter. Mooie herinneringen. Ja, ik ben inderdaad die man die vele jaren geleden pijp rookte. Je haalde Jan Kars aan. Met hem en Tom Stamer heb ik nauw samengewerkt bij de verhuizing van de Hoge Weide naar Leidsche Rijn.
Jan en Tom waren lid van de terreincommissie (schadeloosstelling Hogeweide, accommodatie voorbereiden en begeleiden). Ik was erbij betrokken als bestuurder (secretaris en vicevoorzitter van de asvUVV en bouwcoördinator). Tot die periode kende ik Jan alleen als honkballer, maar toen heb ik hem ook als accommodatievakman leren kennen. Soms kort door de bocht, maar wel met humor.
Maar ik heb nog een vraag.
Kun je mij het origineel of een kopie van de foto van de tribune leveren? Bij een scan van de krant lever ik teveel kwaliteit in. Als lid van de Historische Commissie van de club bereid ik namelijk een artikel voor over deze roemruchte tribune (Lage Weide, Inundatiekade, Hogeweide).
De titel zal luiden: ‘In de brand, uit de brand’. Rob Hoogkamer, Peter van Santen en ondergetekende vormen de Historische Commissie van de club.
Wellicht ken je de website: (www.uvv-voetbal.nl)  Rubriek: Historie.
Met vriendelijk groet,
Maarten van der Stoep.

Beste Johan Carbo,
Wat een geweldig boeiend en beeldend geschreven stuk in de Oud-Utrechter over UVV! Hoewel ik zelf basketbalde bij Midland was ik vaak op de Hoge Weide te vinden. Was toen nogal een USA fanaat en met een vriend hadden we veel contact met de jongens van Camp New Amsterdam.
We stapten op woensdag na school  op de fiets en reden naar Den Dolder. De kinderen van de militairen hadden daar een eigen school. Op het pleintje daar was een basketbalveldje en daar hebben we veel geleerd. Na afloop nog even naar de ingang van CNA en een babbeltje maken met de GI’s die we kenden van de competitie in Utrecht. We kleedden ons als de Yanks, inclusief Levi’s, witte sokken en loafers. In de grote stad leidde dat in die tijd nogal eens tot misverstanden. Die dracht was daar meer voorbehouden aan gay’s en toen werd daar nog heel anders naar gekeken. Op den duur kwamen we ook bij de families thuis. Daar werden we getrakteerd op sandwiches met Baloney (een soort boterhammenworst) en Cool Aid (opgelost poeder met vooral chemicaliën).
We genoten ervan! Soms mochten we zelfs met een pasje mee de basis op om te bowlen. Mijn vriend en ik hadden zelfs nog korte ‘flings’ met dochters van de militairen. En honkbal was mijn passie hoewel ik zelf niet speelde. Op maandagmiddag haalde ik bij de kiosk in het Centraal Station de New York Times en bewaarde de verslagen van de Major League in plakboeken. Heb ze nog allemaal, incl foto’s van onze bezoekjes aan de basis. In het weekend luisterde ik ik onder mijn kussen naar de live-verslagen via AFN op de middengolf. Het 32 FIS had ook een eigen basketbalteam dat meedraaide in de Utrecht competitie. Maar ook UVV heeft veel geprofiteerd van de jongens van de basis. Cees Hiele was een kei in het steeds weer charteren van nieuwe dienstplichtigen. Eigenlijk zou iemand eens een artikel/boek moeten schrijven over de invloed van de basis op de sport in Utrecht.
Dank weer voor je artikel,
Vriendelijke groet,
Rob Smaling

Vaclav Havel kijkt over zijn schouder mee

DSC00983
Vrienden en vriendinnen, 
op deze Nieuwjaarsdag 2018:
‘Hoop is niet hetzelfde als optimisme.
Evenmin de overtuiging dat iets goed zal aflopen.
Wél de zekerheid dat iets zinvol is.
Afgezien van de afloop, het resultaat.’
Plukte bovenstaande tekst van de muur van de directiekamer van Lückerheide waar Ellen tussen Kerst en Oud & Nieuw elke dag van één tot vier een geslaagd middagdutje deed, voorafgegaan door een warme maaltijd (niet te versmaden stamppotje meestal) en wat fruit. Toneelschrijver/ dichter/ dissident/ president (en wat al niet meer) Vaclav Havel (wijlen helaas) tekende voor die mooie regels. Die ik overschreef op de achterkant van een lege envelop, omdat ze zo nadrukkelijk de kern raken van hoe wij het nieuwe jaar SAMEN zijn ingegaan. Hoop en Zingeving. Elke dag is er één. ‘Geef ons ook morgen’. Maar! Behalve hoop en zingeving ook behoud van de eigen identiteit. Te vaak gemerkt hoe gemakkelijk je die kunt verliezen bij ziekte en afhankelijkheid. Het is de onvrijheid, gemuilkorfd of niet. Moest als vanzelf terugdenken aan medio november 1989 toen ik voor mijn werk in Praag  was en ik Vaclav Havel in levende lijve tegenkwam op een haastig in elkaar geflanste persconferentie. Zoals ook Alexander Dubcek die met de legendarische (politieke gevangene) Havel het gezicht van de revolutie vormde. Na de val van de Berlijnse Muur kreeg ook het voormalige Tsjechoslowakije het te pakken en schudde dit land geweldloos en vastberaden de ketenen van het communistische regiem van de partijstrateeg en emotieloze apparatsjik Jakes van zich af. Havel en Dubcek: geruggesteund door de perstrojka en glasnost van Gorbatsjov werden die twee het borstbeeld van het socialisme met een menselijk gezicht als exponenten van de volksbeweging Burgerforum. De eerste kennismaking van UN-fotograaf Jaap de Boer en mij met Praag in die geopolitiek historische dagen was het Wenceslasplein. Daarop die onvergetelijke, stormachtige vrijdagavond in 1989 een miljoen ontroerde burgers die het volkslied vol pathos aanhieven. Na Oost-Berlijn (Leipzig vooral en ook Magdeburg) spreidde het burgerverzet zich als een olievlek over de landen achter het IJzeren Gordijn uit. Op de hoek van een straat in de binnenstad van Praag, even verderop van het Wenceslasplein, een zee van kaarsen en bloemen ter nagedachtenis aan een student die bij de opstand het leven had gelaten. Die student ja, de nieuwe Jan Palach zogezegd. In een buitenwijk van Praag bezocht ik dat weekend bij hem thuis de voormalige Feyenoordtrainer Vaclav Jezek. De grijze eminentie woonde heel bescheiden met een klein tuintje voor en een klein tuintje achter in een achterafstraatje, en hij vertelde dat het overgrote deel van zijn salaris destijds bij Feyenoord en andere Westerse clubs (ADO bijvoorbeeld) altijd voor hem onzichtbaar naar de partijkas van de communisten was weggevloeid. De machthebbers hadden hem door de jaren heen steeds aan een touwtje gehad. Als hij van verlof terugkwam uit Praag dan had hij zijn auto volgestouwd met boodschappen. Tot aan aardappelen toe. Een mud aardappelen en het restje. Scheelde in Rotterdam in de kosten. En daar zat Jezek toen op die novemberavond in zijn met buitenlandse trainerschappen bij elkaar gesprokkelde rijtjeshuisje. Op half versleten pantoffels en in een slobbertrui. Ook hij had een week lang aan de fluwelen protesten op het Wenceslasplein meegedaan. Hij had het voor zijn kinderen gedaan, en voor zijn kleinkinderen vooral ook. Die verdienden in de verdere toekomst de vrijheid waar hij in Rotterdam en elders in het vrije westen mee in aanraking was gekomen door het voetballen. Het interview van toen met de verlegen Vaclac Jezek in zijn woonkamer behoort tot de meest memorabele uit mijn periode op de inspirerende buitenlandredactie van het Utrechts Nieuwsblad – jaren ook met de Eerste Golfoorlog van Bush sr. en van de Balkanoorlog met het uiteenvallen van Joegoslavië.  
Wij zijn weer thuis uit Kerkrade na een prachtige week. Ze hebben ons in de watten gelegd, zowel in Lückerheide als in de abdij van Rolduc (nergens zulk lekker knapperig brood als daar). Het ontbijt werd op bed uitgeserveerd. Gisteren hadden we de bruidssuite van Rolduc een beetje extra feestelijk voor de jaarwisseling opgejurkt. Met op een tafeltje uitgespreid servetten van Albert Heijn die van de Kerst waren overgebleven en stevig bleken afgeprijsd. Ze deden 1 euro 89. Een rib uit ons door vakantie ontspannen lijf. Toch nog even getreuzeld bij de aanschaf van die servetten… Immers, even eerder voor vier euro zoveel twee nieuwe boxershorts bij de Action geritseld. We hadden Oudejaarsavond champagne (meegekregen van Elly Wolf) en een fraaie lichtrode rosé. Bij een speciaal wijnhuis (De Tros in de Hoofdstraat in Kerkrade) grandioos mooie wijnglazen gekocht. De waxinelichtjes deden vermoeden dat het onze huwelijksnacht zou worden. De boxershorts met strakke elastieken pijpen deden daar niets aan af. In de namiddag gisteren op Oudejaarsdag belde Diana. Ze miste Ellen. We kwamen net uit de kermis van de Jumbo. Afdelingshoofd Marco Maassen van Lückerheide en zijn vrouw Kristel kwamen in de vooravond op onze abdijkamer een toost uitbrengen op 2018. Hoop is niet hetzelfde als optimisme. Maar wel de zekerheid dat iets zinvol is. Een mooi thema. Buiten regende het en waaide het. Het waaide stevig. Van overal in de verte klonk ruim voor middernacht vuurwerk. Ook de Duitsers aan gene zijde van Kerkrade hielden huis met Oudjaar. We hadden een speciale koelbox voor de hapjes: de achterbak van onze dappere, bloedgeile Skoda. Die steigerde van alle lekkernij. Logisch. Veel verwennerij. De traiteur van Kerkrade had eveneens zijn best gedaan. Gehaktballen zo groot als een softbal en met een hoog knoflookgehalte. Wat doe je op een hotelkamer met kalkoenreepjes in champignonroomsaus die op temperatuur moeten worden gebracht? Geen oven en geen magnetron. Dan maar een poosje de haarföhn van Ellen er boven. Ook vandaag nog op Nieuwjaarsdag rook de hele auto naar Brie en andere soorten Franse ‘stink’ kaas. Die Brie was met de behoorlijk hoge temperaturen voor de jaarwisseling de marathon gaan lopen door de auto. Die meanderde zogezegd onder de plinten door. Vertelde het echtpaar Maassen nog over merkwaardige ervaringen soms in het afgelopen jaar met enkele verzorgenden die het thuisservicebureau ons op ons dak had gestuurd. Zoals die ene mevrouw die bij de eerste kennismaking al meteen liet weten dat ze niet mocht bukken. Niet mocht bukken? Hoezo? Mijn fantasie werkte bliksemsnel. Maar nee, dat was het niet. Ze mocht ook niet tillen. En duwen eigenlijk ook niet. Waarom in hemelsnaam allemaal niet, mevrouw? Nou dan liet haar oog los. Haar oog los en viel dat dan op de grond? Deze Surinaamse modepop in een visgraatje was ooit eens van haar fiets gekukeld, vandaar. Of mevrouw dit alles ook aan het thuisservicebureau had verteld bij de intake? Jawel hoor, en op het kantoor in Zeist hadden ze haar doodleuk gezegd dat die meneer, ze bedoelden mij dus, dat allemaal zelf wel deed en nog geld toe gaf ook. Gekke Henkie dus. In het weekend kwam deze mevrouw eens veel te laat maar dat lag niet aan haar maar aan de buschauffeur en zijn zondagse dienstregeling. Of mevrouw ook voor de buschauffeur niet mocht bukken? Haar carrière bij ons heeft niet lang geduurd. Toen ze stopte zat haar oog er nog steeds in. Youp viel ons gisteravond tegen. Weinig verrassends. Een beetje mat. Jammer. Heb ik het mis of reageerde ook de zaal in Groningen voornamelijk ingetogen? Al blijft het razend knap wat ie doet. Ja, de huichelachtige spijtoptant Camiel Eurlings kwam natuurlijk in de conference nog eventjes langs, Camiel de vechtersbaas die na twee jaar of zo zijn excuus maakte voor de ‘eenvoudige’ mishandeling van zijn ex. Hoe eenvoudig kun je het houden bij een afranseling van een vrouw! Als je baantje bij het IOC maar op de tocht komt te staan dan wil het wel met je excuses… Dan jammer je voor de camera kurkdroge spijttranen. Eurlings, een lege narcist. We kennen ze. De tv na een uur Youp uitgedaan. Achteraf jammer. Want daardoor de ode aan het overleden nagellakjongetje gemist. Echt geestig was de nieuwjaarsboodschap van de net als Youp veelvuldig en hilarisch vloekende radiodominee Gremdaat. Veel doordenkertjes bij de ‘predikant’. Hij schopte tegen de moraalridders aan en spoorde Nederland aan meer over de schreef te gaan. Want waar was die anders voor, die schreef? We moesten het leven ook meer nemen zoals het valt. Toen deze dominee per ongeluk zijn glas met dure rode wijn omstootte, vloekte hij zijn denkbeeldige vrouw helemaal stijf. De hypocrisie had veel weg van de kerstriedel van de zich in weelde badende koning WA. Maar bij de dominee was ’t het betere toneel. Het was om je rot te lachen. Verslond in Kerkrade een boek bijkans zo dik als de Bijbel: ‘De verloren familie’ van de veelgelezen schrijfster Jenna Blum. Een boek om niet meer weg te leggen. En dat gebeurde dan ook niet. Bezonken, en indrukwekkend. Geen regel of de schrijfster greep de lezer wel bij zijn kladden. Over een overlevende van Auschwitz die na de oorlog met culinaire hoogstandjes in zijn eigen restaurant Masha’s hoopte te vergeten dat hij zijn vrouw van 23 en twee dochtertjes van drie in de vernietigingskampen van de nazi’s verloren had. In New York, ver weg van Europa, lukte dat niet. Nergens niet. Wel weer een gezin maar een faliekante mislukking. Een tweede huwelijk van los zand. Voor eeuwig beschadigd. Uiteindelijk was er de redding door de dochter uit zijn tweede huwelijk. Die onhandelbare puber met eetstoornissen en foute vriendjes leerde haar gemankeerde vader zijn emoties te tonen, wat alle psychologen en verdere professionals niet was gelukt. Zijn docht dus wel, maar die was dan ook ondanks haar vijftien jaar ervaringsdeskundige met stip.
Elke dag kwam Kristel Maassen Ellen in Rolduc verzorgen. Zowel ‘s ochtends als ‘s avonds. Hoe lief, hoe zorgzaam. ‘s Middags deed Lückerheide dat. Dank Michelle, Sanne, Ivanka en alle anderen. Senior-verpleegkundige Annelies van de afdeling (ook zij dank) gaf nog wat tips en wijze lessen mee voor het omgaan met parkinson en Lewy Body dementie. Over het masseren van parkinsonpatiënten onder meer. Met de handpalmen. En over wiegen. Ellen reageert daar inderdaad heel relaxed op.  De formule van Lückerheide met differentiatie en specialisatie inclusief een eigen parkinsonkliniek trekt landelijk steeds meer aandacht en bekijks. Zo was een delegatie laatst nog uitgenodigd op een landelijk congres van neurologen om het woord te voeren. Steeds meer neurologen en verpleegkundigen komen naar de Frans aandoende deelgemeente Chèvremont toe om er een dagje mee te lopen. Ellen keek afgelopen week op een ochtend de kamer van Rolduc een paar keer spiedend rond toen Kristel onder de verzorging grapte: ‘Houd u uw man in de gaten Ellen?’ ‘Ik moet wel’, was de reactie luid en duidelijk. Ze moest wel? Feestelijker kon de dag niet beginnen. Ach ja, de communicatie is goeddeels weggevallen, bijna helemaal afgezien van haar wenkbrauwen die naar het voorhoofd opklimmen, het doet verschrikkelijk pijn en dat blijft zo. Er is geen ontsnappen aan. Elke oprisping van mijn liefste, hoe idioot soms ook, want waarom zou ze me in de gaten moeten houden, maar elke geestige opmerking wordt begroet alsof het manna is van de traiteur in Kerkrade. We hebben weer veel lol gemaakt. Al was Lückerheide ook opnieuw een snoeiharde confrontatie. Met name waar het de afdeling van jeugddementie betrof. Verdrietige aanblik. Meer nog dan welke andere afdeling ook. Het doet je beseffen dat je leeft. Eenmaal weer buiten hap je naar frisse lucht. Vroeg me de voorbije week een paar keer af of dit de laatste keer uit was SAMEN. Op pijnlijke wijze kwamen dan herinneringen boven aan de Provence en aan Toscane waar we ongedwongen naartoe tuften. Van niemand afhankelijk. En natuurlijk aan de vakantie in mei en in december in Riu Palmeras (met zijn uitgebreide buffetten en gala’s) op Gran Canaria. Avondjurken voor Ellen mee in de koffer. Jaarwisselingen op het strand bij 22 graden tot meer. Vuurwerk dat vanaf zee werd aangestoken en het hele eiland rond galoppeerde. We waren rijkeluismensen. Zeker qua gezondheid. Ach ja. Ziekte maakt soms ook opstandig. Erg opstandig zelfs. Maar Kerkrade onderdrukte de weemoed naar het paradijselijke Gran Canaria, dat zeer beslist. We hadden er dat veilige abdijhuisje om ons heen gebouwd en genoten er van de stilte. Alleen het ruisen van de bomen. Beneden de veel bezongen Skoda als koelkast. We hebben de dochter van Ellen haar nichtje Lesley nog aan de telefoon gehad in Kerkrade. Lesley rookte als drie schoorstenen tegelijk en overleed twee jaar geleden aan een zware griep. Joanna hield contact met een kerstkaart. Ik hield in Rolduc de telefoon aan Ellen d’r oor en ze leek in de stem van Joanna die van Lesley te herkennen. Ze zette grote ogen op. Ze glimlachte. Ze begon meteen een beetje te praten. ‘Oh hallo’ en ‘Ja. ja, ja’. Toch nog familie met Kerst. Misschien wel het grootste cadeau aan het einde van 2017.
Nu gaan we een drukke week in. Veel administratieve dingetjes. Oh ja, hoe zei Youp het weer met Oudjaar? Je moet in de zorg zoveel formulieren invullen dat je dood bent voordat je alle stempels hebt vergaard. Het is een manier om voor de overheid de zorg betaalbaar te houden. We slaan een kruis. En daarna voor alle zekerheid nog maar één. Waarom ook niet. Komen immers net van de abdij der papen, het kloppend hart der friemelpriesters van weleer. Zoals we al tegen Diana en Elly zeiden: we werken toe naar het voorjaar. Hoe loodsen we Elletje de winter door!! Twee uitroeptekens. Ze is nog niet verkouden geweest. Geen griep of wat daar ook op mocht lijken. ‘Alleen’ die verdomde parkinson en dementie. Dat proces gaat door. Noem dat maar ‘alleen’. Maar we nemen de woorden van Vaclav Havel op als een spons. We knijpen die uit over onze salontafel met brandende kaarsen en zeggen: we kiezen voor HOOP en ZINGEVING. Dat wordt in 2018 ons levensmotto. Plus, ja uiteraard: HUMOR. Niet veel anders dan voorheen overigens. En behoud van de eigen identiteit. Daarom ben ik behalve budgetbeheerder van het pgb ook zelf mede zorgverlener geworden. Hoe meer afhankelijk (van zorgavonturiers) hoe meer ook kans op verlies van eigen identiteit. En nu maar bidden (maar naar wie?) dat we SAMEN het voorjaar halen. SAMEN richting de tulpen en de narcissen.

Ook in 2018 nemen we de haarspeldbochten weer

Hallo Maggy.
Dank voor je kerstgroet. En andermaal kruipt Johan in mijn huid voor het antwoord. In mijn brein vooral. Hij voelt met de pen. Hij verwoordt, in mijn geest geeft hij door, net als enkele keren in ons laatste boek ‘Geef ons ook morgen’. Hij tikt op en ik luister, en hij leest voor en ik knik ja. Of niet. Dan moet het anders. We doen er heel lang over. Maar een mooie therapeutische oefening. Dat is het! We vinden onszelf steeds weer opnieuw uit. We blijven de haarspeldbochten nemen. Want dat zijn het: haarspeldbochten. Ik hoef het jou niet uit te leggen. We leverden dit jaar verder in, maar zou het niet vele malen erger zijn geweest als we dat helemaal niet zouden kunnen opbrengen? Het is bij tijd en wijle erg emotioneel wat we hebben te doorstaan, maar we leven nog, we doen er nog toe, en daar gaat het nu vooral om. Ik bedankte aan de vooravond van Kerst mijn belangrijkste verzorgenden: Diana en Elly. Hun reactie was ontroerend. Een reactie van trots en blijdschap dat ze dit voor mij mochten doen. We leven nog Maggy. En hoe. Ik praat steeds minder, alhoewel: de laatste tijd toch weer wat meer. Ik praat vooral met mijn ogen en met mijn wenkbrauwen. Met mails als deze heb ik nog een stem, een stem op papier. Er komt meer bij mij binnen dan veel buitenstaanders vermoeden. Ik ben niet gek namelijk, maar zit met die uit parkinson voortgevloeide dementie opgesloten in mijn lichaam. Alles in slow motion. 
Ach ja, je word ziek, zoals je schrijft, en er verandert veel. Heel veel. Verschrikkelijk veel. Maar niet alles. Gelukkig maar. Hier boven staan twee tassen gepakt voor de reis naar Rolduc in Limburg. Even eruit. Goed vooruitzicht. Volgens zeggen is de abdij heel sfeervol voor de Kerst en de jaarwisseling opgetuigd. We ontvluchten de drukte en het lawaai. Er wordt op ons huis gepast. De eerste vuurwerkbommen ontploften hier in de buurt al gisteravond. De rebellen aan de stadspoort? Illegaal vuurwerk gooien naar hulpdiensten zal uitgelegd worden als een poging tot doodslag, zo begreep ik. En legaal vuurwerk dan? Dat niet? Maar dat is toch ook gooien? Dus je mag best gooien naar hulpdiensten als het maar niet iets illegaals is? Mij ontgaat waarschijnlijk iets.  
Kerst! Heel heel vroeger stond ik als jong meisje van het Leger des Heils bij de kerstpot in de Amsterdamse Pijp met een tamboerijn te blauwbekken in een veel te kort rokje en panty’s. Halleluja. Mijn wenkbrauwen, ik frons ze nu. Kortgerokt onder een lantaarn zingen over nachtelijke herdertjes. Hoe ondeugend was ik vroeger wel niet! 
Gisteren belde Elly Wolf vanuit haar auto. Of we nog van plan waren om naar het winkelcentrum Vleuterweide bij ons om de hoek te gaan? Nee, dat waren we niet. Moesten we ook zeker niet doen, adviseerde Elly. Er stond gistermiddag om twee uur een paar kilometer file naar het winkelcentrum toe en agenten stonden er het verkeer te regelen. Wij eten gewoon boerenkool Eerste Kerstdag. En voorgebakken pannenkoeken met appelstroop. Even de magnetron en klaar is Kees. Verkeersagenten in gele en oranje lichtgevende hesjes en met beide armen zwaaiend bij ons winkelcentrum…. We moesten onwillekeurig denken aan Diana en haar verhaal deze week over haar vlucht voor de Taliban met haar twee koters vanuit de schuilkelders van Kabul. Voor onderweg kreeg ieder een klein flesje water aangereikt. Daar moesten ze het een volle dag én een nacht mee doen. Geen eten, waarom ook. Alleen een flesje lauw water voor een dag en een nacht. Diana durfde dwars door Rusland niet dat flesje water aan haar gortdroge mond te zetten. Haar zoontje dreigde het loodje te leggen door uitdroging en oververmoeidheid. En dan wij in onze nog meer verTrumpte westerse samenleving in een file naar het winkelcentrum om de karretjes vol te stouwen.
Of Diana nog wel eens met haar nu inmiddels volwassen kinderen sprak over dat flesje water. Nee. Volgens Diana herinneren haar kinderen zich dat waarschijnlijk niet meer en dat vindt ze maar beter ook. Het dwingt respect af. Veel respect. Geweldig dat ze op Wereld Alzheimer Dag heel gastvrij haar woning openstelde om ons, en nog een paar vrienden, kennis te laten maken met de Afghaanse keuken. Grandioos was het, vraag het Elly, vraag het Albert, om nooit meer te vergeten. Ja, dat etentje deed me denken aan vroeger toen ik bij de Marokkaanse en Turkse moeders van mijn schoolkinders op huisbezoek werd genood. Ook die pakten uit in uitbundige gastvrijheid.
Uit het verpleeghuis blijven treurige berichten komen.
Zegt de ene welzijnsmedewerkster van het ons bepaald niet onbekende verpleeghuis tegen de andere welzijnswerkster/activiteitenbegeleidster (dit is werkelijk waar gebeurd!):
‘Ik denk dat ik maar even naar het grand café bel of ze daar een kroketje voor me in de frituur willen gooien, want ik heb nog een lange avond met een zangkoor te gaan.’
Mevrouw belt naar boven. Geen gehoor. Mevrouw neemt daarna die paar houten treden naar boven. Daar hangt de bazin van het grand café van het ons niet onbekende verpleeghuis verveeld over het buffet, met naast haar de telefoon die ze onaangeroerd laat.
Waarom ze niet opnam?
‘Ik wil geen klanten meer. Ik heb al opgeruimd. Ook geen kroketten meer vanmiddag. Het is weliswaar pas vier uur, maar besef dat we vanaf half zes in het tuincentrum ons kerstpakket kunnen komen afhalen. Jammer voor jou en ook voor de bewoners maar we zijn al een hele poos gesloten.’
Heerlijk toch! Ik snap dat inmiddels volkomen. Ik was vanwege die kerstpakketten (met een waardebon even shoppen tussen de schappen) al ‘s morgens om negen uur dicht gegaan met mijn grand café. Nee, ik was ‘s nachts in een slaapzak voor de deur van dat tuincentrum gaan liggen voor mijn kerstpakket. En Hugo Borst maar schrijven over al dat gepassioneerde grondpersoneel in de zorg. Aan mijn hoela. De Ingelanden ligt op zijn gat. Een ware uittocht van personeel. Een file bij de nooduitgang. We worden voortdurend door deze en gene op de hoogte gehouden. Nog even en ook daar staat een verkeersagent voor de deur met zijn armen te zwaaien.
Vrijdag was ik bij de fysio. De baas zelf behandelde mij en Leroy nam mijn tillift Johan mee voor naalden in zijn oververmoeide en stramme schouders en armen. Riep ik hem ‘Veel sterkte hoor’ na. Je had ze allemaal eens moeten zien kijken. Of ik dat wel echt had gezegd. Dat had ik ja. Dan ineens trekt de nevel in mijn hoofd op. Was ook later die dag zo. Ik moest niet zo kreunen en steunen, zei Johan. Ik leek wel 103. En als het nog erotisch gesteun was, zei ie nog. ‘Waar bemoei je je mee’, was mijn antwoord. Johan lag in een deuk. Hij schonk me nog maar eens bij.
We kregen zowaar van een familielid een kerstkaart. Van Joanna en haar gezin, Joanna de dochter van Lesley. We zullen haar hiervoor een bedankje sturen. Heel bijzonder die kaart van Joanna want van de familie zijn we niet veel gewend.
We hadden hier een bevriend echtpaar uit Amsterdam op bezoek. De eigenwijze vriend vond het pleidooi in (ook) ons laatste boek (‘Geef ons ook morgen’) voor differentiatie en specialisatie in de verpleegzorg maar onhaalbare flauwekul. Deden ze in het gevangeniswezen ook niet. Daar zaten de criminelen ook kriskras door elkaar heen. Heel denigrerend was dat in feite van die kletsmajoor. Toen hij over Willem Holleeder dreigde te beginnen, snoerde Johan hem de mond met de woorden ‘Nu kop dicht of anders maar weer per kerende post terug naar Mokum en een andere keer terugkomen’. Het negatieve wijsneuzerige orakel schamperde ook over Lückerheide. Het leek wel dronkenmanspraat. Dat viel hier al helemaal verkeerd. Want daar in Lückerheide mag ik alle dagen van ons verblijf in Kerkrade een middagdutje komen doen op de directeurskamer van Marco Maassen. Een weids gebaar. Na de vermaning besloot onze vriend geen glas rode wijn meer te nemen. Toch nog verstandig. Hij zat er de rest van de avond wat beteuterd bij. Je moet niet kwetsen. Niet zeuren ook over een vlinderstruik in de voortuin waarvan je een paar takken opzij moest doen. Die vlinderstruik stond in volle bloei, die snoeien we toch niet na een onnozele regenbui, die heeft voor ons een bijzondere emotionele waarde. Die gaven wij hier elkaar cadeau toen ik ziek werd. Sommige mensen worden zeurderig oud. Las (Johan dan) bij Dimitri Verhulst dat de moeilijkste typen niet zozeer zij zijn die niet drinken maar vooral (en als wel) zij die niet kúnnen drinken. En als je niet kunt drinken, vergelijk je het verpleeghuis op een verkeerde manier met de bajes. Achteraf is het ook wel grappig.
Zolang ik met Johan ben, stuurde onze Amsterdamse vriend trouw een kerstkaart. Nu ineens niet meer. Maar misschien ligt de zijne wel in Lückerheide op ons te wachten…. Het geeft ook wel weer de ‘waarde’ van zo’n kerstkaart aan. 
Ja Maggy, Onze Lieve Heer heeft vreemde kostgangers. Behalve beheerder van ons pgb is Johan bezig ook zorgverlener te worden, naast Home Instead. Hij wil enkele verzorgenden zelf aansturen. Drukt de prijs. De strijkstok immers. Bestuurslui hoeven niet van onze centen in overdreven dure auto’s te rijden. Is hier iemand op gesprek, informeert die persoon naar een eindejaarsuitkering. ‘Maar u moet toch nog beginnen, u heeft nog geen minuut gewerkt in 2017.’ Dat was een misverstand. Het betrof hier de eindejaarsuitkering over 2018. ‘Maar mevrouw dan leven we geen van allen meer. U ook niet meer. Dan heeft Noord-Korea al toegeslagen, te beginnen in Washington in de slaapkamer van Donald en Melania Trump.’
Daarna is Opstelten aan de beurt. Ik begin van die man te houden. Het onafhankelijke onderzoeksbureau WODC  liet hij gewoon heel onafhankelijk een nieuw onafhankelijk rapport schrijven toen de oorspronkelijke onafhankelijke conclusie onze teddybeer Ivo niet beviel. Heerlijk. Opstelten, de schat, de uitvinder van nepnieuws. De mentor van Donald Trump. Ja, en dan die Pechtold met zijn brave jongetjeshoofd… Even vergeten door te geven dat hij een appartementje in Scheveningen cadeau had gekregen. En met 135.000 euro wel opvallend laag getaxeerd voor de Randstad en vlak aan zee. Jan van Ewijk schreef al: ‘Het wordt met de dag krankzinniger. Geen belastingontduiking maar belastingontwijking.’
Schokkend trouwens hoe ronduit absurde zaken nog absurder kunnen worden door een vereenvoudigde voorstelling van zaken, of althans een poging daartoe. Camiel Eurlings die zich slechts had schuldig gemaakt aan een eenvoudige mishandeling van zijn vriendin. Een eenvoudige mishandeling? Ik had er nog nooit van gehoord. Nog nooit beseft dat je als vrouw ook eenvoudig mishandeld kunt worden, zoals de vriendin van Eurlings, en dat het er dan minder toe doet. Wanneer houdt een eenvoudige mishandeling op eenvoudig te zijn? Als je niet één oog verliest maar beide? De wereld van het ongerijmde. We staan er voor in de file. In de file richting kletspraat. Nog even en dit kereltje heeft zijn vriendin helemaal niet mishandeld. En dan nog even verder en Eurlings heeft helemaal nooit een vriendin gehad. Vroeger leerde mijn vader mij ontzag te hebben voor autoriteiten. Daar is zoetjesaan weinig meer van over. Een schijnconstructie financieel als directeur op een sociale werkplaats en dan nu Kamerlid. Het leven is één grote Oudjaarsconference. Youp heeft ze voor het inkoppen. Mijn vader had hele strenge opvattingen over eerlijkheid en oprechtheid. Ik vond hem vroeger soms overdreven. Nu ben ik hem er dankbaar voor. Hij was wars van de dubbele moraal. Kijk jij trouwens nog veel tv? Bij ons komt dat ding al bijna niet meer aan. Die reclames, om gek van te worden. Hoe komt jouw geld in mijn portemonnee, dat werk. Je krijgt er een kunstkop van.  
We blijven niettemin genieten. We weten ons nog steeds omringd door fantastische mensen. Veel felicitaties ontvangen met ons 30-jarig huwelijk. Daarvoor ook jij veel dank. Leroy schreef zo’n ontroerend mooie mail. Hij vond de behandeling van mij een verrijking voor zichzelf, als fysiotherapeut en als mens. Zo stond het er. Prachtige formulering. En Annelies, ook nog pas achter in de twintig, was over de mail eveneens heel lief en attent. Die is nu als journaliste en fotografe op min of meer de bonnefooi naar de Congo. Wat hebben wij een bewondering voor die twee mensen. Diana stuurde een schitterende video met kerstgroet. Uit Leeuwarden een beauty van een brief. Zo zie je maar, ik word niet vergeten. 
Maggy, lieve groeten van ons en een genoeglijke jaarwisseling. Zeker voor jou begon het afgelopen jaar rampzalig met die hersenbloeding, en zo kort na de dood van je moeder die je tot het laatst toe verzorgde. Bittere pil. Onrechtvaardig. Maar houd de moed erin hoor. Eigenlijk wil ik met deze mail alle vrienden en vriendinnen en alle professionele hulpverleners bedanken voor wat ze het afgelopen jaar voor me hebben betekend. Het gaat om de mensen die ons energie gaven, niet om die ons energie kostten. Ik bedank met deze mail onze vriendenkring en daarom ook dit verhaal op de website. We nemen ook in 2018 weer de haarspeldbochten.
Heb het goed!
Ellen.