


















Leven in en om het huis.


Als we dit huis niet ook eens hadden. Huis en tuin verzachten de pijn om het niets ontziende ziekteproces. De voorraad boeken groeit gestaag. Al toe aan de zesde Billy. Nu begonnen aan een boek van de dochter van filmregisseur Pim de la Parra over hun familiegeschiedenis in Suriname. Nog altijd de wens een keer naar Paramaribo te kunnen teruggaan. Maar dan onder andere omstandigheden privé dan nu.
****
Hallo Johan!
Bedankt voor je mail. En je blog over Knokke, die Syriër uit Geleen en het CDA. Het woord ‘debat’ viel in CDA-kringen. Het begon al met een soort van korte lezing met -toen nog- drie kandidaten. Niveau -slechte- spreekbeurt op de middelbare school. Niks reageren op standpunten van anderen. Debat? Mona die thuis wel zes mannen aankon. De Jonge die lulkoek verkondigde over migratie: een poging om PVV- en FvD-stemmen te krijgen. Omtzigt die telkens koketteerde met zijn prestaties als Kamerlid. Geen enkele keer gehoord hoe één van de drie zijn (haar) rol als lijsttrekker wilde invullen. Wat een armoedig zooitje! CDA stond drie weken in het spotlicht. Dat ebt wel weer weg. Zie ook de column van Geelen in de Volkskrant van vandaag. Laat die Dijkstra (en hijgerige andere journalisten) gewoon eens een maand stage lopen bij Kockelmann. Bij Eén op Eén zegt Roelvink gelukkig niet meer ‘Hallo landgenoten’. Misschien was het qua luisterdichtheid slim om die minkukelende zanger een rol te geven. Nieuws is ook verworden tot showbusiness. Waarom is aan de aspirant lijsttrekkers niet de vraag gesteld waarom ze in Europa nog steeds in dezelfde club zitten met de partij van Orban? Hoe wil je de woningnood oplossen? Hoe dan de marktwerking en privatisering ongedaan maken? Waarom (wens van veel CDA-leden, want gristelijk mededogen) geen 500 weeskinderen hier een toekomst bieden? Er is -meldden vele gemeenten- genoeg opnamecapaciteit. Zo kan ik een heel lang lijstje maken. Gelukkig stem ik geen CDA. Ik ben nog aan het zweven. Ik denk dat De Jonge (nu nog zowat alom bejubeld door zijn optreden tijdens de crisis) het nog verdomd moeilijk gaat krijgen. Wie is er verantwoordelijk voor de RIVM-richtlijn om in verpleeginstellingen aanvankelijk mondkapjes te verbieden? En, wat te denken van het optreden van sergeant-majoor Knops (ook CDA)? In je blog las ik (antwoord aan Jeannette) dat je er geestelijk een beetje doorheen zit. Dat kan ik me voorstellen. Probeer het toch maar van je af te schrijven, Johan! De tuin ziet er in ieder geval prachtig uit. Nu nog weer wat warmer weer: kan Ellen ook naar buiten! Heb je nog gekeken naar Fastball Magazine? Ben benieuwd op Santokhi Bouterse gaat aanpakken. Dat wordt wel moeilijk in Suriname met een tweemaal veroordeelde vicepresident. Als je komt (leuk!) kijk dan wel uit met aanstaande woensdag. De Farmers Defence Group gaat weer de weg op. Met mogelijk ook een blokkade van Schiphol.
Groet, Jan
****
Hi Jan.
De Jonge krijgt nog een hele kluif aan dat partijleiderschap bij die club die hij wil terugbrengen naar het midden. Hij is als de morele verliezer partijleider geworden. Die vraag over Orban is wel aan de Jonge gesteld, maar dan op de radio door Kockelmann. Hoe kon het anders. Ik begreep dat de wat pafferige Kockelmann niet smoelt op tv en daarom is ‘verbannen’ naar de radio. Zo werkt dat in Hilversum. Het draait niet in de eerste plaats om journalistiek inhoudelijke kwaliteit. Orban dus. De Jonge beet zijn tanden stuk op het antwoord. Hij leek de studio te zullen verlaten met een implantaat of een eenvoudig kunstgebitje van het ziekenfonds. Minder marktwerking in de zorg was ook iets waar De Jonge bij Kockelmann niet helemaal uitkwam. Die weeskinderen? Ik geloof al sinds de middelbare school niet meer in God en in de kerk. Maar wel in barmhartigheid en mededogen. Politiek en gristelijk is een anachronisme. Daar probeert de ChristenUnie zich nog een beetje aan te ontworstelen, maar dat lukt niet echt in het Den Haag van het gepolderde compromis. Wat Desi Bouterse betreft: nu sheriff Chan Santokhi president is durf ik je een voorspelling te doen. Bouterse krijgt voor de lieve vrede uiteindelijk gratie. Om de boel in Suriname bij elkaar te houden. Op de radio was afgelopen maandag een belangrijk raadgever en vriend van Santokhi te beluisteren. Meneer Venlo, heet hij geloof ik. Die zei onomwonden Santokhi geadviseerd te hebben Bouterse gratie te verlenen. Het zou een manier zijn om van dat giftige dossier af te komen. Maar kun je dit de nabestaanden van de Decembermoorden aandoen? Ja, en dan meneer Brunswijk. Die woonde destijds in het bauxietstadje Moengo bij Langatabbetje richting Cayenne in Frans-Guyana. Het verhaal ging jaren geleden al dat jonge vrouwen dagelijks in een lange rij bij hem aan de voordeur stonden om vertroeteld te worden. Ze trokken een nummertje voor een nummertje. Je denkt dat ik een geintje maak, maar nee, zo lijkt het echt een hele poos met die Brunswijk te zijn gegaan. Ze stonden in een stoet in zijn tuin. Die tuin zal niet zo explosief zijn geweest als die van Ellen en mij. Maar ja, Ronnie Brunswijk tuinierde blijkens de overlevering liever onder de lakens. Bijzonder opnieuw hè, nu een vicepresident die niet naar het buitenland kan omdat hij anders wordt opgepakt. Ik heb even op de buitenlandredactie een mevrouw als chef gehad die ook volkomen bezeten van Ronnie Brunswijk was. Diens jonge heer moet de kracht van een magneet hebben gehad. Misschien is dat nog wel zo. Ik heb me gisteren bij Broese in Utrecht (prachtig gehuisvest ondertussen in het oude monumentale hoofdpostkantoor aan de Neude) een nieuw boek over Suriname cadeau gedaan: de familiegeschiedenis van de filmregisseur Pim de la Parra. Van oorsprong joodse Portugezen, die familie, die zich in Paramaribo vestigden. Pim de la Parra van ‘Wan pipel’ uit 1976. Hij ging in 1996 vanuit Amsterdam terug naar Suriname om voor zijn oude vader te zorgen en toen die twee jaar later overleed bleef Pim in de tropen. Het boek is geschreven door zijn dochter Bodil, een actrice, en ze brengt veel van Paramaribo terug op mijn netvlies. De opgevoerde brommertjes waar ze met z’n drieën op zitten. Stadsbussen in alle kleuren van de regenboog met handbeschilderde rastataferelen. Zoete geuren van tamarinde en rijpe papaja’s vermengd met de lucht van benzine, diesel en gasolie. De titel van het boek is ‘Het verbrande huis’. In dat huis groeide Pim de la Parra op. Het stond in de Zwartenhovenbrugstraat. Die straat zie ik zo voor me. Ik was er eens op bezoek bij de redactie van het Surinaams Dagblad. Ik had er een afspraak ’s ochtends met de redactiechef. Het ging er heel geanimeerd aan toe. Ik was er nog nooit eerder geweest. Ik kende er ook niemand. Plotseling vroeg de redactiechef me of ik een poosje op zijn redactie wilde passen en er een beetje de leiding over wilde nemen. Ik was stomverbaasd. Hij legde uit dat hij behalve redactiechef ook nog de baas was van een reisbureau aan de overkant van de Zwartenhovenbrugstraat. En het was de hoogste tijd dat hij daar even zijn gezicht liet zien. Hoe charmant kan het zijn Jan! Het enige wat mij restte was mijn hoofd even onder de koude kraan te houden. Ik laat weten wanneer ik kom. Kunnen we naar Loetje voor een biefstuk. Ik ben moe inderdaad maar verder gaat het wel. Ik kom naar Hoofddorp.
Soms de overweging, de aanvechting eerder, te stoppen met de website en zijn blogs vol persoonlijke verhalen over Ellen en mezelf. Maar dan zijn er bij het ochtendgloren altijd wel weer momenten met reacties die dat stoppen ontraden. Hoeveel bijzondere mensen zijn er juist door die website niet op ons pad gekomen! En ja, wat zouden we zijn zonder het schrijven van verhalen. Het schrijven lest voor een deel de pijn, al blijft het verdriet voortwoekeren op minder nog dan millimeters onder de huid. Het verdriet neemt eerder toe dan af. Geef het een plekje, zeggen buitenstaanders al gauw. Ze kletsen uit hun nek. Het verdriet draag ik mee tot aan mijn dood. Zoals ook bij mijn schoonvader die ik helaas nooit heb mogen leren kennen. ‘Hij zou aan je hebben moeten wennen maar je al gauw heel erg gemogen hebben’, zei Ellen eens. ‘Hij zou erg op je gesteld zijn geraakt vanwege je zorgzaamheid en vrolijkheid.’ Ik blader door albums van vroeger. Ellen met haar vader op vakantie in Duitsland. Verbeeld ik het me of zie op de foto’s het gemis van zijn vrouw en haar moeder die in een inrichting is achtergebleven? Ik denk het te zien. Vakantie met een schaduw. Voorzichtig slaat Will een arm om de knokige schouders van zijn nakomertje Ellen. Dertien moet ze op de foto’s zijn geweest. De website brengt ons verhalen van onbekende mensen die aan het verleden refereren. Margo Koopmans-Schurink vertelt. Ze vertelt schitterend. In mooie ronde zinnen waar het gevoel van àf spat. ‘En dan reed de persoonlijk secretaris/ chauffeur van de commissoner Palstra, mijn vader dus die chauffeur, de commissioner van het bezoek aan zijn vrouw in het verpleeghuis terug naar huis en werd er in de auto geen woord gesproken.‘
Beste Johan,
Pas nu kom ik eraan toe om een mail te schrijven. Heb zó geïntrigeerd het verhaal ‘Mam kijk naar de sterren’ van de familie Palstra gelezen; het raakte me. En ik besefte dat dat verhaal nog breder en dieper gaat. Ik stuitte op jullie website en de bundel omdat ik zocht op de naam Palstra. Mijn vader is inmiddels 92 jaar en woont in Zorgcentrum Buitenhaeghe van het Leger des Heils in Almere. Dertig jaar geleden opende hij het als commissioner, nu woont hij er zelf, zo kan het gaan… Hij is van jonge secretaris van commissioner Palstra één van zijn opvolgers geworden. Altijd een boeiend leven gehad, wat dat betreft, veel mogen meemaken in het Leger, ook internationaal. Persoonlijk was zijn leven bewogen, en dat is nu uiteindelijk wat tot stilstand gekomen. Hij maakt het geestelijk/mentaal redelijk goed; lichamelijk zijn er beperkingen, vandaar het wonen in een zorgcentrum.
Er zijn wat raakvlakken over en weer, ook al zijn het levens die niet te vergelijken zijn, dat begrijp ik ook. Ik ben zijn jongste dochter, uit zijn tweede huwelijk. Mijn vader verloor zijn eerste vrouw aan leukemie en bleef achter met twee kinderen. Die kregen geen gouvernante zoals Ellen, maar werden overgelaten aan de directrice van het kinderhuis van het Leger in Leiden en Naarden. Is van invloed geweest op het leven van mijn zus en broer. Daarna trouwde hij met mijn moeder, kreeg nog twee kinderen, waaronder ik. In 1997 overleed mijn moeder na een lang ziekteproces van (we vermoeden frontotemporale) dementie. Mijn vader was inmiddels ook opgeklommen tot de hoogste rang van commissioner en was – op voorwaarde dat hij regelmatig naar het verpleeghuis in Nederland kon – de leider van het Leger in Rusland geworden. Na zijn pensionering is hij opnieuw hertrouwd; helaas tot groot verdriet en na een moeilijke tijd is zijn derde vrouw aan de ziekte van Alzheimer overleden. Elf jaar geleden stierf mijn oudste broer op 51-jarige leeftijd heel plotseling aan een hartstilstand. Dat zijn de raakvlakken – het opgroeien in het Leger (waar de tamtam altijd goed werkt, ik snap dat Ellen dat gepraat vervelend vond bij de kerstviering), een moeder in een verpleeghuis, overgelaten worden aan een ander omdat het Leger je vader opslokt (dat geldt dan meer voor mijn zus en broer dan voor mij overigens, alhoewel…), het verlies van een broer. Ik heb trouwens ook mijn broer en zus wel horen vertellen over het bekijken van de intocht van Sinterklaas vanuit het oude Hoofdkwartier tegenover Centraal Station, grappig die gezamenlijke herinneringen. Mijn vader was een tiener in de oorlog, dus daar zijn geen raakvlakken. Ik heb wel begrepen uit het verhaal in ‘Mam kijk naar de sterren’, en ook omdat ik het er met mijn vader over had, dat dat levensbepalend is geweest en heel, heel moeilijk en verdrietig voor de Palstra’s. Nou ja, dat zijn allemaal understatements, daar bestaan geen woorden voor. Ik ben heilssoldaat in Amsterdam West (en mijn man speelt al meer dan 35 jaar bij de Amsterdam Staff Band, opgericht door broer Fokke Palstra). Voor ons korpsmagazine stelde ik mijn vader een aantal vragen. En zo kwamen we op Palstra. Want op de vraag naar zijn favoriete lied, antwoordde hij:
‘Naast het lied ‘ U hebt voor mij geen braambos aangestoken’, ook lied 222 ‘Er is op deze aarde een hand die mij leidt’. Prachtig en betekenisvol. Het enige lied waarbij William Fokke Palstra de melodie componeerde. Ik mocht als jonge kapitein begin jaren ’60 jarenlang de persoonlijk secretaris van commissioner Palstra zijn. Ik heb grote achting gehouden voor deze sterke leider met naast muzikale ook andere specifieke gaven. Zo heb ik de Engelse taal van hem geleerd.’ Op de vraag of er iets is wat je nooit hebt begrepen, antwoordde hij: ‘Ik heb nooit die ene zinsnede in datzelfde lied begrepen, dat God ook onze trouw verwacht als Hij snoeit of kastijdt. Ik heb beproevingen ondergaan. In het leven van Comm. Palstra waren episodes die herkenbaar voor mij zijn. Hij verloor zijn zoon Wiebe, ik mijn zoon René. Zijn echtgenote verbleef net als mijn Wietske jarenlang in een verpleeghuis. Als ik met hem na bezoek huiswaarts reed werd er geen woord in de auto gesproken…’, zo citeer ik mijn vader.
Ik heb de link van uw website toegestuurd aan mijn vader. Hij schrijft mij o.a. (op staccato-manier, want typen is soms wat lastig) “Vreselijke tijd in de jappenkampen. Martelingen. Als ik als PS (chauffeur van Palstra was daar onderdeel van) met hem onderweg een kopje koffie dronk en er zaten Japanners, ging hij ver uit de buurt zitten. Commissioner Beekhuis, leider van het Leger in Indonesië, prees de jonge kapitein of majoor Palstra aan als geboren leider. Hij moet het ongeveer zo hebben gezegd: Wat een man was die Palstra: hardwerken, veel van geleerd. Alhoewel William Palstra zeer muzikaal was, was hij negatief op de vraag te componeren. Weer geef ik door wat mijn vader me vertelde. Ik mail dit, omdat ik vermoed dat u het interessant vindt om te lezen. Hoe levens kunnen gaan… En het zijn maar tipjes van een sluier. Ik heb Ellen nooit gekend (ik ben van 1967, broers en zussen van 1964, 1955 en 1952), maar ik voel het verdriet. Je gunt iemand die je liefhebt een mooi leven, en niet deze ziekte die je menszijn zo kan afpakken. Omringd worden door liefde en liefdevolle zorg geeft haar, hoop ik, het gevoel dat ze veel waard is. Een aanraking, een kus… ik weet niet hoe het met haar is, maar hoop dat ze dat nog voelt. Mijn moeder kon niet meer spreken (taalverlies was het eerste teken van haar ziekte, dat al begon toen ik zo’n 14 jaar was). Maar één keer deed ze toen ik wegging mijn jas dicht en knoopte mijn sjaal goed vast. Dat zal ik nooit vergeten, ze was dat ene kostbare moment nog even echt mijn moeder.
Heel hartelijke groeten van mijn vader, zeker voor Ellen, ook al weet ze zijn naam nu misschien niet meer. Namens mij, dank voor het delen van flarden van levensverhalen.
Met uiteraard ook hartelijke groeten, Margo Koopmans-Schurink.
****

****
De talloze anekdotische voorbeelden van Nederlanders met een donkere huidskleur of migratieachtergrond geven aan dat racisme een hardnekkig en soms ongrijpbaar fenomeen is. Nieuw kun je het in ieder geval niet noemen. Al in de jaren tachtig, citeer ik NRC, sprak Philomena Essed over ‘alledaags’ racisme, waarmee ze aan de hand van persoonlijke ervaringen probeerde aan te tonen hoe racisme in alle lagen van de samenleving doorwerkt. Het is dan ook een treurige constatering dat ruim veertig jaar later op dat vlak weinig is veranderd. De zorg voor Ellen is zwaar. Al jaren. De diagnoses zijn alweer van tien jaar geleden. Een slijtageslag is het. Maar die zorg wordt dagelijks verlicht door liefdevolle zorgverleners van wie de helft met een donkere huidskleur en soms bovendien een migratieachtergrond. Ze zijn ons een zegen.Mede zij redden ons huwelijk. Ik bezie deze zorgverleners van opzij en denk: hoe kan het in hemelsnaam bestaan dat in ons land racisme een hardnekkig en soms ongrijpbaar fenomeen is! Moeten we ons niet diep en diep schamen?! Zelf was ik in Suriname op 1 juli 2009 toen daar in de Palmentuin van Paramaribo Keti Koti werd gevierd, het officiële einde van de slavernij. Overal om ons heen feestelijk aangeklede creolen. We vermoedden dat we wel eens niet welkom zouden zijn, maar nee, dat waren we wél, met brede armgebaren zelfs. Etnisch profileren in Nederland bij de politie, bij de Belastingdienst, op de woningmarkt en in tal van andere sectoren – ik kijk naar Ellen, ik tast weer eens haar brein af, ik probeer te zeggen wat zijzelf helaas niet meer kan en ik pak mijn pen: het racismedebat werd ook al in haar tijd als leidinggevende op een zwarte school op het Kanaleneiland gevoerd en dat racismedebat bleef altijd vrijblijvend. Er zullen zwaardere consequenties aan racisme, onderhuids of niet, verbonden moeten worden. Aan het obligate ‘geschokt’ van de overheid hebben we niets. Net zo min als aan het lafhartige ‘geen noodzaak’ van het CDA waar het gaat om excuses voor het beestachtige slavernijverleden van Nederland. Ook nu weer zou het CDA veel kunnen leren van de ChristenUnie. Maar wat wil je ook met een overschot aan strategische Mona Keijzers bij het CDA. De opportunist deelt gerust en zonder gêne de politieke lakens met die kwast van Forum. Die Mona lijkt zich drukker te maken over de eerste vrouwelijke premier van Nederland, aan ambitie geen gebrek, en over de militante boeren in een land dat achter elke inwoner wel minstens één varken heeft staan.
****
Waarom de eerste zwarte voetballers in 1959 in Nederland zwegen? Ze durfden niet. Ze zwegen als het graf, uit angst. Ze voelden zich vogelvrij. Ze zochten de oplossing in hun eigen trots. De eerste zwarte voetballers in Nederland doen in NRC van 4 juli, voor zover nog in leven, een verbijsterend boekje open over het onverdraagzame Nederland uit mijn jeugd. Michel Kruin en Frank Mijnals leven nog – Humphrey Mijnals, Erwin Sparendam en Charley Marbach zijn inmiddels overleden. Ik heb ze allemaal zien spelen. Bij Elinkwijk, op Zuilen in Utrecht. Sparendam zag ik in 1964 in het zebratenue van het Amsterdamse Blauw-Wit tegen DOS in Galgenwaard (0-0). Herinneringen die nooit vervagen. Overigens was André (Ampie) Kamperveen de allereerste zwarte voetballer in het Nederlandse betaalde voetbal. Hij speelde voor Haarlem. Kamperveen werd later in Paramaribo mediabaas bij Radio Apintie en hij richtte het onafhankelijke station ABC op. Dat werd hem noodlottig. Hij behoort tot de slachtoffers van de Decembermoorden die nog altijd aan Bouterse worden toegeschreven. Was ooit eens te gast bij de radiomakers van ABC waar de zoon van Ampie Kamperveen toen de leiding had. Politiek, discriminatie en racisme als hoofdopdracht bij de dagelijkse programmering. Overal foto’s op de burelen van ABC. Van Ampie, maar ook van Humphrey Mijnals, die in 1960 debuteerde in Oranje als eerste gekleurde speler. Broer Frank Mijnals over de bejegening van Surinaamse voetballers eind jaren vijftig, begin jaren zestig: ‘Godzijdank was er politie in Maastricht, anders was ik daar doodgeschopt.’ Doodgeschopt om zijn huiskleur. De hele wedstrijd door zijn directe tegenstander van MVV getreiterd met zijn zwarte huid. Bij de racistische leuzen vanaf de tribunes toen (kankerneger, hoerenjong, pleurisnikker, baviaan, stink jood) verbleken bijkans de spreekkoren van nu. (Alhoewel… Vraag het eens aan Mendes Moreira van Excelsior). Was dit het Nederland van mijn jeugd? Niet geweten. Me destijds nooit van bewust geweest. Kwam dat door het honkbal bij UVV waar zwarte spelers al heel gewoon waren en het publiek ook anders was? Geen spoor van racisme voor zover ik weet richting de Antilliaanse spelers Rickey Kersout, Ruben Leysner, zijn broer Vincent, Aldrick Victoria en al die anderen. Al gauw daarna (1965) Sheridan Gumbs, Ritchie Richardson, Frank Royer en Kelvin Murray. De zwarte honkballers uit de Antillen vormden zelfs de kurk waar UVV eind jaren vijftig en begin jaren zestig op dreef. Zeker die eerste groep. Zoals ook op de Amerikanen van de vliegbasis Soesterberg met op de heuvel de zwarte stoïcijnse werper Matthew Campbell. En was er ook niet een zekere zwarte Amerikaanse luchtmachtmilitair Williams? Hij staat ergens afgebeeld in één van de jubileumboeken die ik schreef. Scholden wij ook niet op honkballers van de tegenpartij? Maakten we daarbij onderscheid tussen zwart en wit? Volgens mij niet. Dat zeker niet. Wij maakten geen onderscheid. Maar tegen de iele Arubaanse pitcher Merencia van Storks uit Den Haag gingen we in 1965 eens zó tekeer dat hij geen fatsoenlijke bal meer wist te gooien. Daar waren we op uit. We hadden ons doel bereikt. Maar wat riepen we precies? Geen racistische taal, dat kan het onmogelijk zijn geweest, want die huidskleur speelde totaal geen rol. Maar toch. Kwamen we niet in de buurt en bereikten we niet even de rafelranden? Godzijdank had de van Robin Hood uit Paramaribo naar Elinkwijk overgekomen voetballer Frank Mijnals in Maastricht tegen MVV hulp van de politie. Vanuit Suriname blikt hij in NRC op 1959 terug: ‘MVV-supporters bestormden het veld. Ik kreeg een klap tegen mijn jukbeen. Ik was weerloos. Ik viel bloedend op de grond en wist met politiesteun een taxi te bereiken. Die ervaring emotioneert me zestig jaar later nog steeds. Die bakra’s, die blanken, die klootzakken, ze hadden bij de rechtbank schijt aan wat ik vertelde.’

Heel Nederland natuurlijk in het verzet tegen racisme en discriminatie. Daar staat ons land al door de eeuwen heen om bekend. Iedereen een schoon geweten. Heel Nederland in het verzet, net als in de Tweede Wereld tegen de Duitsers en hun transporten met joodse medeburgers naar het Muiderpoortstation en zo verder via Westerbork richting de vernietigingskampen. Iedereen weigerde tussen 1940 en 1945 ook maar elke medewerking aan de nazi’s. Ook de politie en de vervoersbedrijven. Geen tram of trein kwam de remise uit. In andere landen gebeurde dat niet, in Nederland wel. Iedereen maakte deel uit van het verzet. We slaan verbouwereerd en vol afschuw een hand voor onze mond als Johan Derksen met een zwarte piet faux pas uit de bocht sjeest. We moeten met vlugzout weer op de been worden geholpen. En hij kan honderd keer zeggen dat het een slechte en verkeerde grap was, een misplaatste, het ordentelijke Nederland van miljoenen dominees blijft over hem heen vallen. Aan de hoogste boom die snor. Ineens zitten we weer allemaal in het verzet. In Nederland hoeven migranten niet hun naam te veranderen omdat ze anders geen schijn van kans maken bij het solliciteren naar een baan. Dat is alleen elders zo. In Nederland wordt bij de Jumbo geen jonge vrouw met hoofddoek uitgekafferd omdat ze te lang treuzelde bij de vitrine met zuivelproducten. Dat gebeurt alleen in andere landen. Mocht een vriendin van ons bij Albert Heijn niet even passeren in het gangpad omdat de man die zich omdraaide zei dat hij mensen met zwart haar niet kon luchten of zien? Onze vriendin zal het wel verkeerd begrepen hebben. De man was de vorige dag nog op de Dam wezen protesteren tegen racisme en discriminatie. Volkomen onzin van onze vriendin om verdrietig zonder boodschappen de Albert Heijn te verlaten. Want in Nederland gebeuren zulke dingen als het beledigen van migranten niet. En zeker niet in Zeist. Beschaafde gemeente. We staan voor tolerantie. We staan voor medemenselijkheid. De Rotterdamse politie die racisme onderzoekt binnen een appgroep van eigen agenten? Dat moet een misverstand zijn. Land met groot politiek en cultureel engagement. En vol fatsoenridders. En ook nog eens een enkele hoogstaande moraalrukker als Arie Boomsma die de adverteerders van Veronica Inside adviseerde dat programma vanwege Derksen de nek om te draaien. Op Arie kunnen we bouwen! Moet ineens terugdenken aan een oude bekende. Hij moest niets hebben van homo’s. Over transgenders maakte hij in huiselijke kring maar al te graag denigrerende opmerkingen. En toen zat René van der Grijp plots als omgebouwde Renate met blonde pruik aan tafel bij Veronica Inside. Niemand zo hard schande over Gijp horen roepen als onze oude bekende die nooit iets van homo’s en transgenders moest hebben. Plots leidde hij maar al te graag het verzet tegen grappen over transgenders en tegen Veronica Inside. Dat was tv voor tokkies. Zo noemde hij dat. Totdat hij er achter kwam dat Veronica Inside wekelijks werd bekeken in kringen waartoe hij zelf graag wilde behoren. Veronica Inside het favoriete programma van mensen als Joop v.d. Ende en zijn vrouw? Nee, dat wist hij niet. Zolang Nederland nog vol zit met Boomsma’s en Baudets hebben we niets te vrezen. Malse regen daalt over ons neer. De tuin vaart er wel bij. Ons bewustzijn hopelijk ook. Corona en een aantal behoorlijke hete dagen hebben voor een vernauwing in het hoofd gezorgd. Het is ook allemaal onzin wat Johan Derksen over Saudi Arabië en Qatar zegt. Daar gebeuren niet de meest vreselijke dingen. Stadions in de zandbak Qatar die duizenden naamloze en rechteloze en afgebeulde slaven uit Pakistan, India en Bangladesh het leven kostten? En de heren voetballers die nu Veronica Inside boycotten, hebben helemaal gelijk als ze zeggen dat ze in het verzet zitten tegen racisme en discriminatie, maar dat een WK het hoogtepunt van hun carrière vormt en dat ze zich dat niet laten afnemen. Al zou zo’n toernooi in de martelkamers van Qatar worden verspeeld, dan nog niet. Heel Nederland begrijpt dat, behalve Johan Derksen. Daarom moet Veronica Inside maar weg.




Ha die Johan,
Ja, we zij zeker goed aangekomen in Zuid-Frankrijk, ook al ben ik onderweg mijn smartphone kwijt geraakt, wat een hoop tijd en gezanik en ergernis (over mezelf) heeft gekost. Onopgelost raadsel, diefstal kunnen we ons haast niet voorstellen. Een vriendin in NL koopt een nieuwe en stuurt die op, dat is de handigste manier omdat ik mijn oude nummer wil behouden. Hier hebben we die van Marc en bovendien de laptop en doorgaans de wifi dankzij de kabel van de buurman.
Bij aankomst bleek de deur op slot en de sleuteldrager elders aan het werk. Een waterballet toen we de hoofdkraan openzetten en alle kranen nog open bleken te staan, inclusief de toevoer naar de wasmachine. Het duurde even voor we dat in de gaten hadden. Dweilen dus met letterlijk nog een kraan open. Klein leed dat gauw vergeten was.
En nu is het al ruim een week heerlijk, ook dankzij het weer. Vandaag wat drukkend met tien regendroppels, maar voordien een lekker soort warm weer met een fris windje. We leven volgens een soort los-vast patroon; we doen waar we zin in hebben, waaronder mijn door-de-weekse joggen, een rondje van bijna een half uur. Marc wandelt dan en ziet wat er nu weer in de buurt op de hoogvlakte voor onheil wordt aangericht: rommelige weggetjes – nou ja -tjes… -voor weer een paardenfokkerij of een kippenfarm die soms nooit echt ontstaat. De twee jaar oude afgraving voor een equitaine therapie voor autisten die paarden, ezels en schapen zouden mogen aaien, borstelen en soms berijden (de schapen niet, meen ik) is ook nog afgraving gebleven en een autist heb ik er nog niet gezien. Toch leuk bedacht en wij hebben er nog mooie platte natuurstenen voor muurtjes aan overgehouden. In het kader van werkzaamheden aan huis en tuin: de burgemeester is langs geweest omdat onze zieke buurman onze wei niet kon maaien en het gras nu te hoog was voor iedere amateur. De burgemeester, een amateur politicus (nou ja: bestuurder), wilde het veld, zo groot als een half voetbalveld, wel maaien voor de opbrengst van het hooi. Vonden wij prima, fles wijn erbij van onze kant, waar hij erg van opkeek: “Il n’y pas de vin en Hollande, hein?” En blij met de twee ronde grote balen hooi. Blijkt zo’n enorme Swiss Roll bio hooi wel 40 tot 120 euro te kunnen opleveren… Zo begint nou corruptie, dachten wij en hoorden achteraf dat de burgemeester, die overigens ook voor Fransen een onverstaanbaar zuidelijk Frans blijkt te spreken, helemaal niet van wijn houdt. Zo blijven wij naïeve stedelingen.
De pastoor van 94 is overleden, die man wiens 60-jarige priesterjubileum wij als overtuigde atheïsten nog mee hebben opgeluisterd. Gelukkig helemaal aan het begin van de corona-beperkingen, want deze geestige man Gods liep al jaren altijd met een zuurstof tankje in zijn rugzakje. Hij verklaarde eens dat “wij jullie niet meer doden hoor!” Dit toen hij hoorde dat wij ons plutôt als protesten beschouwden dan als katholieken. Vooral ik was te schijterig om als “athé” zoals het modern heet uit de kast te komen. Dacht dat de man geschokt zou zijn. Maar aan dat zogenaamde protestantisme hebben we toch weer deze mooie anekdote te danken!
Corona heeft in ons gehucht nog niet toegeslagen en in de omgeving ook nauwelijks, gelukkig maar. Goed, dit ons wereldnieuws van hier, andere keer weer wat anders.
Hoe is het met jullie? De korte hittegolf hopelijk geen nadelige invloed op Ellen? En op jou vast niet, want je bent nogal van de zonaanbidders, toch? Maar drukkend Hollands weer vind ík nooit zo fijn. Misschien viel het mee onder jullie reuzenparasol en ben je nu solidair met al die rare boeren vanwege regenval die zo goed is voor het land, nee toch? Ik hoop natuurlijk dat alles goed loopt met je noodroosters en dus minder Diana dan jullie gewend zijn. Hopelijk niet teveel ergerlijke zaken in de wereld van de zorg die jij niet kunt veranderen, maar waar je wel last van hebt. Wat een zegen dat Ellen niet in een verpleeghuis meer zit, je moet er niet aan denken…
Johan, het landleven biedt niet zoveel sappige anekdotes, dus dit was het. Nog één ding: ik las hier het boek van Pieter van Os: ‘Liever dier dan mens’. Een overlevingsverhaal van een Pools joods meisje dat jarenlang voor een niet-joods meisje wist door te gaan en zo de gevaarlijkste situaties wist te overleven.. Deze Pieter van Os, zoon van de museumman Henk van Os, heeft een hele holocaust-bibliotheek en nog meer gelezen en die vat hij doorgaans adequaat samen op die punten waar hij vermoedt dat de lezer meer wil weten. Soms is dat een beetje storend, want soms te veel en dan weer te weinig, maar over het algemeen zeer informatief. Ook over Israëls onafhankelijkheidsoorlog en de gruwelen daarin begaan. Van Os was Oost-Europa correspondent voor NRC en De Groene en woont nu al vier jaar in Tirana. Wij vonden een paar dagen daar heel interessant, maar er wonen… Hij heeft misschien een hang naar het macabere?
Houd je goed, ik hoop en “bid” dat je het nog steeds aan kunt en betuig je nogmaals mijn respect daarvoor, zo plechtig als dat klinkt.
Veel groeten van hier met liefs, ook voor Ellen, dat spreekt,
Jeannette en Marc.
Hallo Ellen en Johan,
Met heel veel interesse heb ik deze dagen het boek ‘Mogen wij altijd in dit kamp blijven’ gelezen. Bedankt daarvoor. Indrukwekkend boek. Ellen wat moet jij, net als de schrijfster, veel hebben meegemaakt in je prille jeugd op Java. Vreselijk! Daar hebben wij geen enkele weet van. Hoop dat je deze zeer warme dagen goed doorkomt. Tot gauw!
Lieve groet, Wil.
****
Ha Wil!
Het boek was je van harte gegund. Dat schrijf ik je vooral namens Ellen die me naar je toestuurde om het je te brengen als cadeautje. Zoals je weet probeer ik dagelijks te raden wat Ellen zou willen zeggen, maar wat haar door die verdomde ziekte van Parkinson verdrietig genoeg niet meer lukt. Je stelt je vaak genoeg belangeloos beschikbaar om bij Ellen te zijn voor een paar uurtjes. We stellen je gezelschap zeer op prijs. En ook jij concludeert bij herhaling hoeveel je van het ziekteproces van Ellen leert. Net als de verzorgenden Diana, Trudy en Elly die met Ellen een schat aan ervaring opdoen. Het geldt ook voor de jonge fysiotherapeut Max, en voor Leroy die nu osteopathie doet in een andere praktijk en Ellen daar naartoe heeft meegenomen. Wilde hij vooral ook zelf graag. Het boek dat ik aantrof bij de nieuwe Broese in het voormalige monumentale Postkantoor aan de Neude in Utrecht gaat niet over de prilste jeugd van Ellen, maar tegelijkertijd ook weer wél. Te veel aanknopingspunten. Dat las ik al bij de recensies op de achterflap. Alle kampkinderen hebben hun eigen ervaringen, maar ze delen er ook samen heel veel: de angst, de honger, de viezigheid, de diarree en andere bacteriële aandoeningen, dood en verderf, de brandende zon, de straffen, het opsluiten in hondenhokken buiten bij een temperatuur van meer dan veertig graden, de openbare terechtstellingen, het dwaze buigen voor een goddelijke keizer, het onbestemde en het ongerijmde. ‘Mogen we voor altijd in dit kamp blijven’. Ik heb het boek zelf niet gelezen, maar ik gok dat deze hartenkreet vooral ook sloeg op de periode meteen ná het einde van de Tweede Wereldoorlog en de capitulatie van de Jap in de Indische Archipel. De ene oorlog met internering was nog niet afgelopen of er kwam een volgende oorlog aan waarin de Indonesische vrijheidsstrijders de Europeanen naar het leven stonden. Letterlijk werd je kop eraf gehakt, door eerst de jap en daarna de Indonesische nationalisten als je blanda hoofd ze niet aanstond. Over de miserabele omstandigheden in het kamp van Ambarawa 6 heeft Ellen me het nodige verteld, voor zover ze zich dat kon herinneren. En de rest in ons boek ‘Mam kijk naar de sterren’ was van horen zeggen, de verhalen van haar ouders die overigens heel spaarzaam waren in een terugblik op die verscheurende oorlogsjaren. De oorlog liep diepe wonden na. Lange marsen door de bloedhitte van kamp naar kamp en sommigen vielen er letterlijk dood bij neer. Met Ellen gaat het goed. Ze is een avondmens geworden. ’s Avonds gaan de ogen open en komt ze tot leven. Gisteren vroeg ik haar of ze het leuk vond als ik naast haar kwam liggen met mijn boek over de jacht in Bolivia op de wereldberoemde revolutionair Che Guevara. Een geweldig interessant boek trouwens over de ondergang van de ‘T-shirt-icoon’ Ernesto Che Guevara van twee Amerikaanse onderzoeksjournalisten Kevin Maurer en Mitch Weiss op basis van regeringsrapporten, documenten en ooggetuigenverslagen. Het is een fascinerende reconstructie van één van de eerste succesvolle missies van de US Special Forces in de geschiedenis. De jacht in 1967 op de topguerrilla Che in de schier ondoordringbare jungle van het Latijns-Amerikaanse Bolivia leest als een thriller. De missie zou later worden gekopieerd in Afghanistan en Irak. Maar nu heel iets anders want ik dwaal af: de onverwachte momenten van Ellen, daar wilde ik je graag even over vertellen. Ik vroeg dus of Ellen het leuk vond als ik naast haar kwam liggen. ‘Jááá, goed’, klonk het als een pistoolschot. Ik kon mijn oren niet geloven. Zoiets geeft meteen iets feestelijks aan de avond. Ik begon Ellen meteen op een ijsje te trakteren. Vandaag hadden we wederom zoiets. Zo-even zei Diana tegen Ellen dat ze niet zo moest snurken. ‘Jawel hoor’, en weer met een krachtige stem. We moesten er vreselijk om lachen. Bedankt nog voor die tip van taalcoach voor mensen met een migrantenachtergrond. Ik had je verteld dat ik me gemeld had en dat ik heel snel een reactie kreeg. Vanmiddag had ik een afspraak ter kennismaking. Afgaande op haar naam had ik te maken met een mevrouw uit de Arabische wereld. Ze vertelde me een aantal blogs te hebben gelezen die ze ‘buitengewoon inspirerend’ vond. Ik begin in september met een klas. Het valt goed in te passen in het programma van de zorg voor Ellen. Dit is een bezigheid die alles van doen heeft met mijn vak. Ben jij trouwens ook zo verbaasd over alle ophef rond Johan Derksen? Het is de zoveelste hype. Het was een heel verkeerde grap die Derksen maakte en dat geeft hij toe. Nou laat het daar dan ook bij. Uit eigen ervaring weet ik hoe snel je iets zegt waarvan je achteraf in de auto terug naar huis spijt hebt. Of op z’n minst twijfel. Meerdere keren gaf ik een lezing over de boeken van Ellen en mij. De lezing zelf was geen probleem. Maar na afloop kwamen er soms wel dertig vragen uit de zaal. Bij vraag 25 kon ik wel eens te losjes worden. In de buurt van Brussel stond eens plotseling een mevrouw op die de zaal verliet. Ojee, dacht ik. Ik had iets gewaagds gezegd over het katholicisme. Iedereen heeft nu de mond vol van racisme en discriminatie, maar ondertussen. Laatst in de Jumbo stond een zelfingenomen blonde suikerspin een meisje met een hoofddoek uit te snauwen. Het meisje met hoofddoek stond volgens die suikerspin te lang voor de geopende vitrine met de yoghurtjes. Zeker vijf klanten liepen er met hun winkelwagentje langs zonder er iets van te zeggen. Er zullen zeker moraalridders bij zijn geweest. Maar bij de Jumbo de andere kant op kijken. Selectieve verontwaardiging. Ik kon het niet helpen maar ik gaf die suikerspin haar vet. Ik beet haar toe dat ze moest opdonderen omdat dit nou precies een voorbeeld was van waarom bepaalde bevolkingsgroepen in Nederland zich minderwaardig behandeld voelen. Ik foeterde dat het meisje met hoofddoek net zolang naar de yoghurt mocht kijken tot de houdbaarheidsdatum in zicht kwam. Het resulteerde in het verzoek van een snotneus van de Jumbo om de winkel te verlaten. Dat deed ik natuurlijk niet. Bij de kassa wachtte een man mij op met een badge die aangaf dat hij de filiaalmanager was. Hij vroeg naar het voorval en bood meteen zijn excuses aan. Even later passeerde het meisje met hoofddoek bij de kassa. Ze stak haar duim naar me op. Zachtjes hoorde ik: ‘Heel erg bedankt meneer.’ De filiaalchef glimlachte. Even later een jongen in een kanariegeel sweatshirt. ‘Deed U goed meneer, bedankt.’ De filiaalchef lachte nog maar eens zijn bescheiden boerenkiespijn lachje. Ik moest daar in de Jumbo aan de verhalen van Diana denken. Derksen zou het ook ogenblikkelijk in de Jumbo voor dat meisje met hoofddoek hebben opgenomen. Daar meen ik hem goed genoeg voor te kennen. Bij de Judas Wilfred Genee heb ik mijn twijfels. Dat is een gladjanus. Laat dat programma in godsnaam terugkomen na de zomer. Het is heerlijk origineel en controversieel. Ze praten niemand naar de mond. Je kunt vaak vreselijk lachen. Het is het favoriete tv-programma van Joop v.d. Ende, Alexander Pechtold, Klaas Dijkhoff en zo meer. Ik kijk uit naar twee nieuwe boeken over die vreselijke Trump van wie de Amerikanen hopelijk bij de komende verkiezingen af komen. Trump is momenteel razend druk als president en belangrijkste man van deze wereld met het verbieden van boeken. Hij heeft dagwerk aan het verbod op publicaties. Eerst John Bolton en nu ook zijn nicht Mary, de dochter van zijn overleden broer Fred jr. De titel van het boek van Mary Trump belooft al heel veel: Too Much and Never Enough. Misschien wordt er in dit boek ook meer duidelijk over dat zwaar geestelijk en lichamelijk gehandicapte neefje dat voor verdere behandeling financiële ondersteuning nodig heeft. Maar oom Donald zou niet thuis geven. Al jaren niet. Oom Donald heeft alleen maar iets met succes. Het kwam al in eerdere biografieën aan de orde. De president van Amerika is een hartvochtig personage bij wie alles om hemzelf draait. De querulant twittert zich dagelijks een tennisarm en je vraagt je af hoe vol zijn hoofd aan tegenstanders zit. Ellen geniet zichtbaar van de warme zomeravond. Het bed staat tot bijna in de tuin. Een meter bij haar vandaan stond ik zopas de tuin de sproeien. In de opening van de schuifpui twee brandende citroenkaarsen in zo’n glazen pot van de super. Het scheelt in muggen in huis. Het ruikt ook nog aangenaam. De vlinderstruiken staan binnen twee dagen vol in bloei. Andere planten ook. We staan aan de vooravond van een geweldige bloemenpracht. Maar hoe houd ik dat zo? Daar kan geen water tegenop met de droogte en ongenaakbare zon van de laatste tijd. Het is een kleine wereld maar geen klein bestaan. Het is een zware tijd maar tegelijkertijd ook een bijzondere. We zien je inderdaad hopelijk weer gauw.

Lieve Johan,
Wat een allerakeligst verhaal over Ellen met wie het even mis leek te gaan, alweer twee weken geleden. Wat zal jij in de rats hebben gezeten na die zo te horen wel erg stellige uitspraak van de waarnemend arts, die het vast goed bedoelde, maar kennelijk niet subtiel en precies genoeg was. En dan je aardige eigen arts die ook nog kwam maar op zijn beurt jou ook niet werkelijk gerust kon stellen. Maar de kuur sloeg gelukkig weer aan! Ellen die als je het zo hoort, de regie in eigen hand nam en weer opknapte. Jij blijft zitten met de naweeën van wat er gebeurd is en de onduidelijke duiding daarvan, waarbij je je ongetwijfeld aan het voorbereiden was op wat er in korte of langere tijd kon gebeuren. Daarnaast vraag je je vast en zeker af wat zij van de hele toestand heeft meegekregen (of was daar geen sprake van?) en bovendien met de onbeantwoorde vraag (neem ik aan) wat er nu precies met haar aan de hand was. Ik hoop van ganser harte dat zoiets niet nog eens gebeurt, want dat is beslist voor niemand goed. Dat druk je zelf ook al met die ‘kouwe kleren’ uit. En onderwijl maar voorzichtig zijn vanwege de gevaren. Ik mag hopen dat dat in De Meern gemakkelijker is dan hier, waar de mensen op de terrasjes doen alsof er niets aan de hand is. Ik geloof helemaal niet dat men het vergeet, ik denk eerder aan egoïsme: “Mij treft het toch niet, dus die anderen bekijken het maar”, zoiets.
Wij vertrekken inderdaad als althans het sein helemaal op veilig staat. We zijn voorzichtig en bovendien keert de verzekering niets uit als je tegen een reisadvies in wel op pad gaat en onverhoopt met artsen en ziekenhuizen te maken krijgt. Ik ben niet bijgelovig, maar je moet de kat niet op het spek binden aangezien ik wel eens op de eerste hulp beland ben.
Over Femke Halsema ben ik het niet met je eens, maar dat moet kunnen, zoals dat eens heette. Tegenwoordig lijkt er weinig meer te [moeten] kunnen… Ik vind wel dat ze een aantal ernstige fouten heeft gemaakt, maar het is mij niet duidelijk geworden of het hele politieapparaat wél naar behoren heeft gefunctioneerd. Haar optreden in de raad vond ik netjes en de reacties van “rechts” meteen na het hele gebeuren meer dan walgelijk, je zag het likkebaarden van Telegraaf, Forum en Wilders al in de hoogste versnelling inzetten. En natuurlijk hoor jij niet bij rechts als je kritiek op de burgemeester hebt, daar hoef je (bij mij!) niet bang voor te zijn, dat weet je toch wel.
Ik word bepaald niet minder somber van alles wat er gebeurt, denk ook niet dat het racisme in de praktijk heel veel minder zal worden na al deze adhesiebetuigingen van aardige lieve mensen. Het werd toch al te snel een vanzelfsprekend “uitje” in een soms vrolijke sfeer. Er is helaas geen breed gedragen beweging die ook politiek denkt en eisen weet te formuleren die je bij partijen op tafel kunt leggen. En van boosheid alleen is de wereld volgens mij nog nooit beter geworden. Ik weet weinig van racisme in theoretische zin en ik begrijp dat heel veel met het slavernij-verleden te maken heeft. Maar er is veel meer, neem nou de Marokkanen en andere niet West-Europeanen die hier ook enorm benadeeld worden.
Dat zou een mooi onderwerp zijn om eens rustig met elkaar over te praten, Johan! Dat stellen we dus uit tot zodra wij weer terug zijn deo volente.
Dat jullie samen een rustige en harmonieuze zomer mogen hebben, zonder nare onvoorziene gebeurtenissen en mét heldere momenten van Ellen, die er dan blijk van geeft de essentie van jullie bij – elkaar-horen ondanks alles goed te beseffen.
Johan, ik moet niet van alles voor jou onder woorden gaan brengen, daar heb je mij echt niet voor nodig! Je mooie tuin is een zegen, een kleine Hof van Eden – voor of na de zondeval, dat laat ik aan jou over! Vier je bot op het onkruid en laat de bloemen bloeien en zit er vooral in samen met Ellen en jullie getrouwen.
Ik vind het fantastisch dat je dit zware leven al jaren en jaren weet vol te houden, ook in coronatijd die alles er bepaald niet makkelijker op maakt. Laat je liesbreuk je althans een beetje met rust? In ieder geval fijn dat je niet vandaag of morgen geopereerd hoeft te worden.
We houden contact, sterkte gewenst met hartelijke groeten, ook van Marc, en liefs ook aan Ellen,
Jeannette
****
Lieve Jeannette.
Het is gelukkig allemaal weer redelijk op zijn pootjes terecht gekomen met Ellen. Maar even spannend was het wel twee weken geleden. En dan komt er een ambulance de straat in, stappen daar een arts en een aio uit, en die gaan op de stoep voor maanvrouwtje spelen in hun coronapak met mondkapje en geplastificeerde handschoenen. Het gasmasker ontbrak nog. Gelukkig ontging het de meeste omwonenden. Want belangstelling is goed, maar nieuwsgierigheid is vreselijk. Het zijn bij Ellen de bronchiën. We zaten dicht bij een longontsteking. Zulke spannende en zelfs hartslag verhogende momenten spelen zich af in de dampkring van ons bestaan. De rol van onze eigen huisarts nadien was natuurlijk weer een formidabele. Hij heeft een groot psychologisch inzicht ook. We dragen hem op handen. Nu gaat het weer veel beter hier. De liesbreuk hield zich een poos koest. Dus ging ik weer minder zorgvuldig met die blessure om. Sjouwen, en dat soort dingen. Te zwaar tillen, ik voel het meteen. Gisteren voor een dagje bij vrienden in Leeuwarden. Bij een oud-schoolvriendinnetje van Ellen en haar man. Een buitengewoon ontspannen dagje mantelzorgverlof. Kan ik erg van genieten. Ben met weinig tevreden. Terug op de autoradio een verpleeghuisdirectrice uit de Flevopolder. De verpleeghuisbewoners mochten nu weer een beetje bezoek ontvangen. Dat werd op lijsten bijgehouden. Een behoorlijk aantal van de bewoners had de crisis rond corona niet overleefd. Maar, zo sprak de directrice, veel sterfgevallen hadden ook te maken gehad met eenzaamheid en niet meer willen eten. Niet meer willen eten omdat het bezoek wegbleef. Dat begrepen de verpleeghuisbewoners niet. Ze gingen zichzelf ook verwaarlozen. Sommigen wilden niet eens meer een kam door hun haar. Volgens de directrice lagen er nog geen protocollen voor een eventueel tweede golf aan coronagevallen. Ze vreesde dat ook het zorgpersoneel bij zo’n nieuwe uitbraak eraan onderdoor zou gaan. He rek was eruit. Dat is nu wat ik Halsema verwijt. Heel veel mensen hebben grote offers gebracht de afgelopen maanden. Voor zichzelf maar ook voor hun leefomgeving. En voor personen die verder reikten dan hun eigen leefomgeving en die ze niet eens kenden. Artsen op de ic’s waagden hun eigen leven om dat van anderen te redden. Een buurman van me verloor zijn vriend aan corona. De overledene was zestig en nog heel fit en levenslustig. Dood binnen goed en wel een week. Van kerngezond in een paar dagen naar het crematorium. Naast die vriend lag iemand van vijftig met corona op de ic. Die overleefde het wel. Maar de man schijnt nu eenmaal weer thuis vanuit de huiskamer niet eens zijn keuken meer te halen. De longen schijnen na corona onherkenbaar te zijn. Ik las erover op internet. Alreeds zwaar geteisterde horecaondernemingen krijgen fikse boetes of moeten zelfs hun toko sluiten omdat ze de anderhalve meter uit het oog verliezen. En zet dat eens af tegen het beeld van de Dam op Tweede Pinksterdag. Ik rijm dat niet. Dan laat ik die opgewonden Ghanese rapper maar even buiten beschouwing. Die hadden ze de microfoon moeten afpakken. Halsema heeft om politieke redenen een demonstratie laten doorgaan zonder ooit goed te hebben kunnen inschatten hoe groot de toeloop zou kunnen worden. Immers: Tweede Pinksterdag, mooi weer en de horeca met zijn terrassen weer sinds lange tijd permissie. De artsen waren flabbergasted en begrijpelijk. Natuurlijk tikten ze met hun wijsvinger hun voorhoofd aan. Ik hoop dat een onafhankelijk onderzoek alsnog de val van Halsema inluidt. Nou waren we zó voorzichtig met Ellen. Als zij corona krijgt wordt het haar dood. Dan is er geen houden meer aan. Ze zal niet eens naar een ic gaan. En dan die massaliteit op de Dam?! Het maakte me razend. Maar ik begrijp desondanks de wereldwijde woede om de politiemoord in Minneapolis. Natuurlijk begrijp ik die. Die boosheid heb ik ook. Maar je gaat niet tijdens een pandemie selectief om met de veiligheidsregels. Zo van: we zien wel wat er van komt. Ook op de autoradio gisteren een wethouder uit Rotterdam. Het ging over de beeldenstorm van nu. Die begreep hij. Maar toch wilde hij de beelden laten staan van criminele zeehelden. Liever een bordje erbij, zoals ook zijn partijgenoot en minister-president Rutte bepleitte. Een bordje met daarop waarom de man van het standbeeld eigenlijk geen standbeeld verdiende. Hoe hypocriet. Wat zou er bij Piet Hein in Delfshaven in Rotterdam ter nadere duiding bijgeschreven moeten worden? Hij was een niets en niemand ontziende rover? Of: Helemaal volmaakt was ook Piet niet? Haal ze weg de standbeelden van de misdadigers tegen de menselijkheid. Trek ze van hun sokkel. Laat dat niet aan betogers over maar doe dat als gemeente zelf. Ik zie de standbeelden van Jan Pieterszoon Coen, Piet Hein, Jo van Heutz en ook Johan van Oldenbarnevelt als een foutief eerbetoon en een verkeerd signaal van de Nederlandse overheid aan de huidige generaties van het multiculturele Nederland. Het zijn provocaties geworden. Ze worden uitgelegd als een verheerlijking van personages die verre van rechtschapen bleken. Hun beelden dienen net als die van Edward Colston in Bristol te water te gaan of beter: naar de schroothoop te worden gereden. Door de gemeenten die zij ontsieren. J.P. Coen moordde in het belang van de VOC 15.000 Molukkers op de Banda-eilanden uit vanwege het nootmuskaatmonopolie. Zelfs in de zeventiende eeuw met zijn eigen mores werd Coen al als een wreedaardig beest gezien. Te water met die bruut. Suriname heeft op zijn blote knieën Nederlandse steun gevraagd omdat onze vroegere kolonie een tweede uitbraak van corona moest registreren. Suriname heeft een tekort aan alles. Niet alleen aan beademingsapparatuur. We hebben massaal gedemonstreerd. De Dam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, in alle grote steden. Ook Arnhem, Nijmegen, Tilburg, Breda, en zo kan ik nog even doorgaan. Jeannette, ik vertelde je van die mevrouw met zwart haar in Albert Heijn. Ik vertelde je van die Hollander, die bakra, die blanda, of hoe we die imbeciel ook noemen willen. Diezelfde mevrouw, ook jij kent haar. Lichtbruine tint. Gevlucht uit oorlogsgebied. Ze kan nooit meer naar haar geboortegrond terug. Jaren geleden zaten haar twee kinderen op de lagere school in een keurige Nederlandse gemeente. Mevrouw gaf haar kinderen elke dag hun broodtrommeltje mee met boterhammen en fruit. De kinderen kwamen met een leeg broodtrommeltje ’s middags weer thuis. Het begon de moeder op te vallen dat haar kinderen rammelden van de honger. Ze waren steeds bij de koekjestrommel te vinden. Eindelijk kwam het hoge woord eruit. Hun broodtrommeltje werd afgepakt door schoolkameraadjes. De inhoud werd op het schoolplein in een prullenbak gekieperd. De kinderen van die altijd hoffelijke mevrouw met lichtbruine tint en zwart haar kregen van de klasgenootjes het broodtrommeltje leeg terug. Zulke dingen schijnen nauwelijks gemeld te worden. Ze blijven onder de radar. Dat weten we allemaal. Ze worden niet gemeld omdat de gekleurde slachtoffers hun hoofd niet nog een keer willen stoten bij het doen van aangifte op het politiebureau. Ik ken een jongen met een bruine tint en zwart haar die zijn voornaam veranderd heeft om meer kans te maken bij sollicitaties. Iedereen is tegen elke vorm van racisme. Jaja (….) Iedereen begrijpt dat veel emotie bij de zwarte bevolking mede zijn oorsprong vindt in wat er ooit in driehonderd jaar slavernij is gebeurd. Jaja (….) Welnu, we mogen nu laten zien hoezeer we het met z’n allen menen met onze luidkeels verwoorde afschuw van racisme. We mogen tonen hoezeer wij ons ervan bewust zijn dat een kleurlijn door de eeuwen heen een blanke uitvinding was. De blanke superioriteit en zelfgenoegzaamheid. Het neerkijken op zwarte en bruine mensen. Het mishandelen van deze mensen. Ik hoop dat we zonder verdere condities Suriname op volle kracht gaan helpen. Met apparatuur en medisch personeel. En ik hoop dat we buiten beschouwing laten dat Desi Bouterse weliswaar de verkiezingen heeft verloren maar daar nog altijd wél president is.






Een roekeloze, partijpolitieke burgemeester. Een vaandeldrager van links. Iemand die zich geen burgemeester van alle Amsterdammers voelt. Spotten met het nog altijd aanwezige virus dat al zoveel slachtoffers maakte.
‘Heb er geen goed woord voor over wat er Tweede Pinksterdag op de Dam in Amsterdam gebeurde. Er zijn nu al schattingen dat het mogelijk wel tienduizend demonstranten waren. Dat van de Amerikaan George Floyd is verschrikkelijk, het verdient de hoogst denkbare straf, daarover geen enkel misverstand. Maar een demonstratie laten doorgaan in coronatijd is onverantwoordelijk gegeven ook het feit dat bij een nieuwe golf besmettingen en doorbraak van ernstige gevallen de medische wereld niet nogmaals die ongelofelijk grote inspanning op de ic’s en elders kan leveren. De verpleeghuizen kunnen niet nogmaals op slot. De artsen waren flabbergasted en terecht. Het was op de Dam spelen met vuur. De beelden waren onthutsend.’ Dit is kort samengevat de reactie van een aantal vrienden en vrienden uit onze inner circle op dit blog. Niemand die het had over: moet kunnen. Albert Schuurmans probeert in deze corona maanden zijn werk als dementieconsulent met huisbezoeken nog steeds zo goed mogelijk te doen. Hij rijdt dagelijks door de wijk. Het is niet zonder risico voor hemzelf. Hij weet dat, maar hij neemt zijn verantwoordelijkheid. Vooral hij haalde ongemeen fel uit naar Halsema.

Op weg naar Pinksteren 2020 met de meest actuele foto van Ellen. De foto van pinksterzaterdag. Pinksteren. Die dagen doen altijd nog denken aan Annie M.G., Hetty Blok en Leen Jongewaard. Aan Harry Bannink ook. Aan de musical ‘Heerlijk duurt het langst’. Op een mooie pinksterdag… Het belooft een verschrikkelijk mooi Pinksterweekeinde te zullen worden. Volop zomer. Zwoel tot laat in de avond. Fraaie pinksteromstandigheden. Met een barbecue, een zelf gebakken quiche door een van onze gasten, een salade, de chardonnay en Provençaalse rosé van Gall & Gall, en veel zon bij hoge temperaturen. De tuin, verder verrijkt met potten lavendel van de bloemist. De hortensia’s kunnen de droogte nu al niet meer aan. Die verdwijnen zoetjesaan uit het tuinbeeld in Nederland. Zeker ook bij ons. Ze verleppen en misvormen. Ze hebben te veel water nodig. Een aantal hortensia’s spitten we eruit binnenkort. Ze horen in de tropen niet thuis. De vlinderstruiken nog steeds wel, die staan op uitbarsten. Pinksteren met parasols en ook het zonnescherm ver uit. Ellen wenst de vaste club nu alreeds een prachtig pinksterweekend toe en bedankt die vaste club voor alle steun en aandacht. Zeker een speciaal dankjewel naar onze nieuwe (jonge) buren Rajaë en Niels voor de lekkernijen die ze ons brachten. In verband met het Suikerfeest. Het deed aan vroeger denken, de Marokkaanse kindertjes van Ellen op school op het Kanaleneiland en hun moeders. Het was met hun traktaties altijd weer feestelijk thuiskomen.
****
Beste Johan en Ellen,
Veel dank voor jullie lieve woorden tijdens de coronatijden. Ze hebben mij zeker goed gedaan in een zeer hectische tijd. Ik hoop dat jullie, met de goede mensen om jullie heen, ook momenten hebben dat er genoten kan worden van de voorjaarszon.
Het is een unieke tijd, die ons allen in zekere zin met corona is overkomen. Het zet aan tot bezinning, zeker bij mij. Misschien hebben jullie vernomen dat ik afscheid ga nemen van de Inspectie. Na 7.5 jaar ga ik juist in deze tijd een andere functie invullen, die vanuit andere perspectieven het belang van kwaliteit van zorg als doel heeft. Vanaf volgende week vul ik de functie in van directeur-generaal curatieve zorg bij VWS. Het zal intens zijn, zeker met de vragen die er liggen voor nu en voor de nabije toekomst.
Heb het goed!
Ronnie,
Inspecteur-generaal voor de Gezondheidszorg WVS.
****
Hallo Ronnie.
Duidelijk, onafhankelijk en eerlijk. Ja Ronnie, drie kernbegrippen die op jou van toepassing zijn. Ik sluit me hiermee aan bij eerdere sprekers. Je bent zeer toegankelijk en zo vanzelfsprekend is dat niet in de ambtenarij. Helaas niet nee. En als gezegd: als mediatrainer én mantelzorger keek en luisterde ik met extra aandacht naar je tijdens de overleggen over de corona met de Tweede Kamer welke steeds direct op tv werden uitgezonden. Je durfde ook minder stellig te zijn als daar voor jou alle reden toe was. Dat is niet iedereen gegeven. Je durfde in het openbaar je twijfel te tonen. Beter dat dan stoer doen, hetgeen iets is waar menig politicus zijn nek over breekt in de contacten met het vasthoudende journaille. Want alles wat je zegt moet je ook kunnen waarmaken. Je sprak duidelijk en vanuit het hart. Aarzelingen verdoezelde je niet. Ellen en ik wensen je heel veel succes toe in je nieuwe baan. En we bedanken je voor je werk in de veeleisende job die je op het punt staat te verlaten. Dat doe ik mede namens Ellen. Maar ook mede namens de verzorgenden Diana, Trudy, Elly, Esmé en Zulay. Je kent ze bijna allemaal. Je hebt ze hier thuis ontmoet. Ze doen het nog altijd geweldig. En morgen begint fysiotherapeut Leroy weer. Nu met osteopathie. Daar is hij in afgestudeerd. Donderdag zien we fysiotherapeut Max na een aantal werkloze weken terug. Hij is Dorothy (andere baan) in januari komen vervangen. Woensdag hier voor Ellen weer kapster Renda uit India. Een beetje terug naar normaal waarbij voorzichtigheid geboden blijft. We zijn vooral ook door al deze mensen rijk. Want zo voelt het zeer beslist: als rijk onder niet gemakkelijke omstandigheden. Afgelopen weekend werd ik vertroeteld tijdens mijn mantelzorgverlof door vrienden in Leeuwarden. Zij, Wietske, was 65 jaar geleden in Amsterdam-Zuid een schoolvriendinnetje van Ellen. Toen ik weer thuis kwam uit Friesland was daar de oud-collega van Ellen, Wil, met een alvast gekoelde fles licht getinte rosé onder de arm en leuke verhalen in de pocket. Ja, we zijn rijk. We beseffen dat. Deze omstandigheden gun ik alle mensen die nu wegkwijnen in tehuizen. Hamburgers op de plaat en laat de boeren maar dorsen. Voor ons geen volle stranden of stadsparken. Voor ons geen drukke winkelstraten. Het doen van boodschappen in de daluren is een uitje geworden, een verpozing. We koesteren onze inner circle. Bij de diagnoses parkinson en Lewy Body, inmiddels ruim tien jaar geleden, kregen we te horen dat het een loodzware tijd zou worden. En misschien ook wel een heel bijzondere. Beide kloppen. We weten al niet meer anders dan dat de dingen zijn zoals ze zijn. Ellen is er nog steeds. En er gebeuren dingen die wonderbaarlijk te noemen zijn. Het proces van parkinson en LB gaat onmiskenbaar door. Maar toch! Soms komen er verrassende korte opmerkingen uit Ellen. Ze heeft bijna steeds een glimlach op haar gezicht. Enorme eetlust. Geen corona. Geen enkele narigheid behalve die twee aan elkaar gelieerde aandoeningen parkinson en LB. Zodra de bronchiën opspelen is er een kuur die meteen aanslaat. Daar op die bronchiën loert het gevaar. De vatbaarheid, de longen. In Erik hebben we een fantastische huisarts. Inderdaad, het is een unieke tijd, zoals je schrijft. Het woord ‘uniek’ is misbruikt en heeft zijn ware betekenis verloren door allerhande in oneliners pratende makelaars, projectontwikkelaars en reclamemakers, zo toeterde ik altijd tijdens mijn colleges aan de Erasmus en de hogeschool in Tilburg. Ik verlangde dat mijn studenten het woordje uniek uit hun vocabulaire schrapten. Maar ten aanzien van corona is de kwalificatie uniek natuurlijk zeker op zijn plaats. Want wat nu plaatsheeft kent zijn weerga niet. Ik prijs me gelukkig dat ik Ellen elke dag om me heen heb en dat ik niet vanachter een hermetisch gesloten glazen pui van het verpleeghuis haar hoef te kussen. Elke dag knuffel ik haar. Elke avond kruip ik naast haar in bed met de krant of een boek en ligt ze in mijn oksel te soezen. Dit is HET medicijn Ronnie ! Een normaal mens kan niet zonder fysiek contact. Die kan niet zonder een streling, die behoeft huid op huid. Dat zei ik ook tegen een studente van de TH in Delft die door de boeken over Ellen contact met ons zocht en voor haar afstuderen het onderwerp dementie gekozen heeft. Die studente probeert een technisch hulpmiddel te ontwikkelen om de eenzaamheid van dementerenden te verlichten. Ik heb haar verteld hoe Ellen er steeds weer van geniet haar eigen handen op haar wangen te voelen. Dan gebeurt er iets in haar hoofd. Ik vraag me af of veel bewoners in verpleeghuizen niet eens zozeer door de corona zijn overleden, maar veeleer nog door eenzaamheid en verdriet welke weer voor afbraak van het immuunsysteem hebben gezorgd. Wie een stap over de drempel van de huidige verpleeghuizen zet die breekt. In de verpleeghuizen maken de bewoners een doodsmak. Ze geven het leven op. En dan ook nog eens wekenlang geen bezoek van familie en bekenden?! Draconische maatregelen. Ik zou het bijna misdadig willen noemen. Ik ken de beweegredenen natuurlijk, maar niettemin. Als een dierenasiel. Ik zie voor me kooien en spijlen. Nog net geen stro op de grond. Het gros van die arme verpleeghuisbewoners moet toch niets begrepen hebben van wat er buiten hun kleine leefwereld gebeurde?! Maar jij bent arts, ik niet. Ik hoop dat er na de corona een herbezinning komt op de inrichting en het functioneren van de verpleeghuizen. Welke functie willen we ze in de toekomst geven? Ze moeten een ander uitgangspunt krijgen. Wat er met Ellen gebeurt, is niet toevallig. Het zou fantastisch zijn als we ons minder gingen overgeven aan de marktwerking en de verzakelijking – weg met de uitwassen van het neoliberalisme – geweldig zou het zijn als er iets zou kunnen verrijzen dat het midden houdt tussen de huidige verpleeghuizen en de situatie waarin Ellen, met dagelijks veel liefde omgeven, ook fysiek, met haar ziekte mag én kan omgaan. De fabrieksmatige verpleeghuizen – als je goed luistert hoor je ze daar huilen – zouden veel meer op zorghotels moeten gaan lijken. We zijn immers met de corona al helemaal met onze neus op de droef stemmende feiten gedrukt. Mantelzorgers zouden er moeten kunnen blijven slapen als ze willen. In het belang van degenen voor wie de zorg bedoeld is. Anders dan nu als een haast ondenkbaar privilege waarvoor ze de verpleeghuisdirectrice op hun knieën moeten bedanken. Op de victoriaanse dominee-eilanden die we tezamen Zeeland noemen, vonden ze het zelfs een obscene gedachte dat een partner in het verpleeghuis bij zijn geliefde bleef slapen. Ojee. Ik hoor het die mevrouw in Middelburg tijdens één van mijn presentaties nog zeggen. Idioot zangwonder tussen de gristelijke kerkmuren. En wat dan nóg als twee oudjes met meer dan zestig huwelijksjaren samen in bed op een teder kusje worden betrapt! Geef die mensen het gevoel nog altijd getrouwd te zijn. Schrijf ze niet af! Zeeland zag de verpleeghuizen al meteen in eroscentra veranderen. Het kan zoveel beter. Binnen een aanzienlijk minder rigide structuur van de verpleeghuizen, in een nieuwe open opzet die op een zo normaal mogelijk leven gericht blijft, zou men zijn vrouw of man, moeder of vader, oma of opa mede zelf moeten kunnen verzorgen. Een tussenweg dus, tussen de verpleeghuizen van nu als allang bewezen anachronismen en de thuissituatie zoals bij ons. En daar zouden niet te veel concessies voor nodig moeten hoeven zijn. De les van nu is hopelijk welk een slagveld eenzaamheid en verdriet kunnen aanrichten, meer nog dan het virus dat over de gehele wereld rondwaart. Heb het goed – dat zeg ik ook tegen jou. Heb het goed in je nieuwe baan maar zeker ook in je leven buiten het werk.
Lieve groet van Ellen en van mij.
****
Eens even goed de tijd genomen voor een inhaalslag wat de blogs betreft, en dat is gelukt. Juweeltjes Johan !!!!!!!!! Natuurlijk rijst er wel een kleine vraag, en wel deze: wat is er met de Fabia gebeurd?! Dit omdat ik mijn nieuwsgierigheid niet kan bedwingen! Groet Albert

Kan een mens zich gaan hechten aan een auto, zodanig zelfs dat het vreselijk pijn doet hem in te ruilen? Kan het dat het schuldgevoelens oproept, in de garage te lonken naar een nieuwe glanzend witte Skoda model Rapid? Ik ga nog een stap verder: kan het dat je de huidige auto om vergiffenis vraagt omdat je in de verleiding bent gekomen de huwelijkstrouw over een lange reeks van jaren op te geven? Ja het kan. Ben ik op weg een sentimentele gek te worden? Het zal zonder twijfel. Zo maar een doordeweekse middag. Ellen doet haar dutje. Diana is voor een paar uur naar haar eigen huis en komt later in de middag terug om Ellen weer te verzorgen. Zelf even naar de garage vlakbij voor een afspraak. Want de Skoda Fabia is toe aan een grote beurt. Onder het wachten in de garage prop ik mijn jaszakken vol met fruit. Voor Ellen. Aan de receptie weten ze dat al. Ze kijken er allang niet meer van op. Ze stimuleren het eerder nog. Meneer Carbo van Ellen, heet ik daar. Een sinaasappel, een kiwi, een banaan. Het staat er voor het grijpen. Van de fruittelers van Goes aan de overkant? Sandro Favre van de receptie toont zich altijd weer een verschrikkelijk aardige jongen. Ik schat hem midden twintig. Hooguit. Hoe we zo samen over het inruilen van de meest sexy, en de in boeken en in blogs meest bejubelend bezongen auto van zijn gehele wagenpark kwamen, dat weet ik niet meer. Geen idee. Maar Sandro troonde me ineens mee naar een platform waar verscheidene nog betrekkelijk jonge occasions te koop stonden. Verleidelijke omgeving met auto’s paradijselijk opgepoetst als appeltjes. De meeste van het model Rapid, een slagje groter dan de Fabia. Ik ga vreemd, schoot er door mijn hoofd. Was dit nou verstandig? Konden we maar niet beter teruggaan naar de receptie? Aan de andere kant: ik had het er al een paar keer met Sandro over gehad dat ik dit jaar de Skoda zou vervangen door een nieuwere met minder kilometers op de teller. En ging ik intussen niet naar de 200.000? Sandro deed het goed, hij drong niets op. Hij zag me likkebaarden en glimlachte. Ik vocht een hopeloos gevecht met mezelf. Wroeging omdat ik daar op dat platform wildvreemde occasions liep te strelen en naar de prijskaartjes keek. En naar het bouwjaar. En naar de kilometerstand. Als een kerel die zijn vrouw inlevert voor een jong blond ding. Gedachten die opkomen in een garage met occasions die staan te knipogen. Beneden stond de zwarte Skoda met jarenlang pen en papier op het dashboard om de belevenissen met Ellen onderweg meteen op te schrijven en die anekdotes in de boeken door te geven aan onze vrienden, kennissen en een steeds groter wordende groep onbekenden die lotgenoten bleken. Vergiste ik me of voelde de oude Fabia zich inderdaad aan de kant geschoven? Alle denkbare gemoedstoestanden deden zich voor achter de gesloten portieren van de Fabia. Machteloze woede uit frustratie en onmacht ook. Huilen met het hoofd over het stuur gebogen. Met Ellen nog in het verpleeghuis reed ik in mijn kameraad in grote eenzaamheid overal en nergens naartoe. In de garage dacht ik aan de conversatie met Ellen over de dood. Ze begon er zo maar over, heel plotseling, een kleine vijf jaar geleden. Op de Cartesiusweg is een benzinepomp. Daar stopte ik en pakte ik mijn blocnote en ballpoint. Meteen vastleggen. Was het niet herfst 2015? Zó begon ‘Dankjewel voor je liefde’, een ode aan de mooiste vrouw ter wereld. Storm en regen in 2015 – Lees maar mee.
Terwijl zware windstoten en slagregens hun geldingsdrang aan ons tonen, schrijf ik in euforische geladenheid. Het kan verkeren in heel dit dramatisch wrede proces van parkinson en Lewy Body dementie, het kan verkeren in deze apocalyps van rauwe rouw die ons met welhaast conspiratieve bedoelingen zo onherstelbaar getroffen heeft. Getroffen maar hopelijk niet beschadigd. Alhoewel die twee soms wel érg dicht bij elkaar komen.Vanmiddag terug van de fysio was Ellen zó helder. Als onze hondstrouwe zwarte Skoda met zijn opvallende sexy witte dakje eens kon praten. Hoeveel van onze verhalen van tegenwoordig zijn niet opgeslagen in die ene auto! Die ene auto die bij onze garagehouder een streepje voor heeft en altijd een voorkeursbehandeling krijgt. Want voor de garagehouder is de Skoda niet zo zeer mijn auto, maar veeleer die van Ellen en haar rolstoel. Vanmiddag op de brug ter hoogte van de koffiebranders van de Douwe Egberts naar Utrecht toe verrast Ellen met vragen en opmerkingen die ik de rest van mijn leven niet meer zal vergeten. Luister maar.
‘Ben ik dood?’
‘Nee lieverd, dat ben je niet, anders had je me dit niet
eens kunnen vragen’.
‘Oh ja, dat is waar’.
Vanuit mijn ooghoek zie ik haar prakkiseren.
‘Ben jij dan dood?’
‘Ik? Nee, want anders kwam onze auto nu geen meter meer
vooruit. Je ziet toch dat we rijden?!’
‘Je zal maar dood zijn’.
‘Schei maar uit. Maar je hebt momenteel wel een lekkere
straffe wind mee om snel in de hemel te arriveren. Zullen
ze van opkijken.’
‘De hemel? Die bestaat niet eens’.
‘Maar je hebt er anders vroeger als dochter van de hoogste
baas bij het Leger des Heils wél veel over gezongen. Met
tamboerijn nog wel’.
Stilte. Ze ademt diep in, en dan weer uit. Ze knikt.
‘Ja, dat was toen.’
‘Geen hemel?’
Bijna fel: ‘Nee, die is er niet’.
Een perpetuum mobile ondanks dat ze er verder het zwijgen
toe doet. ‘Toch , Ellen – geloof jij niet net als ik in
het mystieke? Filosofie, Spinoza, of ga ik nu zeveren?’
Dromerig kijkt ze voor zich uit. De huizenrijen van de
saaie Cartesiusweg glijden voorbij. De ruitenwissers van
de parmantige Fabia vechten zich naar vroegtijdige
slijtage.
Inderdaad, het moet najaar 2015 zijn geweest. Ellen woonde nog in verpleeghuis De Ingelanden. Elke dag haalde ik haar daar op. Elke dag zat ze op de passagiersstoel van de gitzwarte Skoda Fabia met zijn witte dakje en met schrijfbenodigdheden op het dashboard. Elke dag bracht ik Ellen ook weer terug naar De Ingelanden. Ze kon lange tijd heel geestig nog uit de hoek komen. Het praten werd langzaamaan minder. Nu praat ze nauwelijks meer. Maar ze beleeft de dingen om haar heen nog altijd wél. Terug naar het heden. Naar Sandro, het platform met zijn occasions en die ene glanzende witte die mijn hart stal. Die albino die me toelachte. Het model Rapid ging eruit, vertelde Sandro. Er kwam een ander model voor in de plaats. Waarom eigenlijk? Dat wist Sandro niet. Maar de Rapid was toch een werkelijk zeer fraaie auto? Ineens herinnerde ik me weer dat ik van de garage een mailtje had ontvangen met de mededeling dat op nader genoemde dagen een serie sterk afgeprijsde Skoda’s van één of hooguit twee jaar oud te koop zou staan. Op = op, stond er ronkend bij, en meestal is dat voor mij de aansporing naar de knop delete te zoeken. Zoals ook met die afgeprijsde Skoda’s het geval was geweest. Op = op, het is me te dwangmatig. Te opdringerig. Moet ik dan al gauw aan toiletpapier en keukenrollen bij het Kruidvat denken. Maar nu ik er toch was in die garage. Ik was eigenlijk al verkocht. Waarom wachten tot na de zomer nu er in de garage gestunt werd. En die ene glanzend witte Rapid bleek nog de meest voordelige ook. Hij stond er voor mij, voor ons! Ik had voor het najaar met een veel hogere uitgavepost rekening gehouden. De twijfel. Er was ook een kleine Skoda in de aanbieding. Een Fabia. Maar nee, die witte raaf waarin nog maar nauwelijks door de vorige eigenaar gereden was. Zou ik mezelf trakteren voor al die jaren dag en nacht mantelzorg? Zou ik? Zou ik mezelf een mantelzorgbonus geven? Die wagen voor een paar uur mee om ‘m eens uit te proberen. Ondertussen zou de garage de inruilwaarde van óns ‘huisdier’ berekenen. De Fabia kwam op één lijn met onze drie katten Sally, Nicols en Sara. Want zo gevoelig begon ik te worden. Ik begon de oude Skoda als een trouwhartig huisdier te ervaren. Ojee. Ze konden ons erin uittekenen, in die Skoda Fabia. Telkens dook hij weer op in de verhalen. Bij de aanschaf had de garage een enorm boeket bloemen voor Ellen meegegeven in het verpleeghuis. Toen ik hem voor het eerst kwam ophalen stond hij onder een wit laken met een koordje. Van het verwijderen van het witte laken maakten ze in de garage een hele ceremonie. Zo van: kiekeboe. Gelukkig geen muziek bij die ceremonie. Geen Mieke Telkamp. Geen Waarheen en waartoe. Dag in dag uit met Ellen in de Fabia. Nooit pech of iets dergelijks. Altijd meteen starten. We waren ermee naar verschillende zorghotels gereden, op de Veluwe bij Wapenveld en in Vlissingen waar we op kamer 6 aan de boulevard de grote schepen zowat konden aanraken. Vooral op de Veluwe wisselde Ellen redelijk goede momenten af met soms zeer verwarrende. En dat verwarde haar mantelzorger weer. Hoelang viel het leven met Lewy Body nog vol te houden? Soms op de Veluwe wilde Ellen niet eens de auto uit. Waren het de bomen, was het de plotselinge overgang van volle zon naar schaduw? Herinner me een Goede Vrijdag in een Hanzestadje onder Zwolle, Ellen weigerde uit de Skoda te komen. Eén en al Lewy Body. Ik werd er krankjorum van. Ze leek op weg naar een psychose. Ik kende met vallen en opstaan de verschijnselen. De enige remedie was een tik met de vlakke hand tegen haar wang. Ik moest haar laten schrikken, waarvan deed er niet toe. Een psychose, levensgevaarlijk als je iemand vanuit de auto in de uitvouwbare rolstoel probeert te tillen. Dat geeft ongelukken. Een pets dus. Een vrouw op de fiets die stopte en boos zei dat ze de politie voor me ging bellen. Mevrouw had geen notie van mijn lijden op Goede Vrijdag in het Hanzestadje waar op dat moment de zon scheen en het carillon speelde. Op de gristelijke Veluwe wisten ze alles van het lijden van Jezus maar niet van het lijden van een mantelzorger. Geen idee die vrouw hoe ik me in de Fabia had zitten opvreten over Ellen. Geen idee die vrouw op die fiets hoezeer de onnavolgbare cocktail Lewy Body de rafelranden van haar en van mij kon zoeken. Dagenlang verdriet van die pets. Maar mogelijk redde die pets het paasweekend in Groot Stokkert. Ritjes in de zwarte Skoda met zijn witte dakje naar Limburg, naar Rolduc, en zo meer, die beroemde kraam ook met ijs en fruit aan het begin van het Geuldal bij Epen. Hij of zij, wat is het, werd uit duizenden voertuigen herkend. De tochten naar De Panne aan de Belgische zuidkust. Het zijn er zoal reeds twintig geweest. De oefeningen met verpleeghuisfysiotherapeut Henk om Ellen, zonder lichamelijke mankementen, voor mij, als tillift, in en uit de auto te krijgen. Uit de heupen. De knieën licht buigen. De schouders losjes. Korte resolute draai. De passagiersstoel op de juiste afstand ten opzichte van de rolstoel. De liesbreuk was nog ver weg. De geïrriteerde buikwand met mogelijk een klein scheurtje eveneens. Eén keer glipte Ellen in de draai uit mijn verkleumde vingers. Dat was rond de kerstdagen, terug van een muziekvoorstelling in theater Vredenburg, ergens op het Weerdsingel in Utrecht en tijdens een hopeloze sneeuwbui. Ik kon haar niet meer houden en vóór het geopende portier belandde Ellen in een plas water. Ik kreeg haar alleen niet meer overeind. Geen kip op straat. Het liep tegen zevenen ’s avonds. Twee Marokkanen uit een eethuisje vlakbij schoten te hulp. Ik ben ze nog steeds dankbaar. Kletsnat was Ellen en met de verwarming hoog draafde de Fabia gedienstig terug naar het verpleeghuis, de parkeergarage met zijn harmonicadeuren in. Met die extreme hitte van vorig jaar reed de Fabia ’s ochtends bijna automatisch naar het ontbijt op het strand van Scheveningen. Twee keer met de Skoda van achteren tegen een betonnen paaltje gezeten. Een keer bij de sporthal en een keer op winkelcentrum Overvecht. Gewoon over het hoofd gezien die grijze paaltjes die geen millemeter meegeven. Schade die gemakkelijk te verhelpen viel. Maar niet zonder gevloek. Ik houd niet van krassen en deuken.
In de Fabia naar de levenslust opwekkende Vecht tussen Maarssen en Breukelen om daar te picknicken op een kleedje. Dat kon toen nog met Ellen. De Fabia in de berm in het manshoge gras. In de achterbak een kartonnen doos met brood, beleg, yoghurt en zo meer. Vogels die het hoogste woord hadden. Pleziervaartuigen met zwaaiende zonnebaders. ‘Je goed vasthouden aan het portier Ellen’, zei ik eens aan de Vecht. ‘Denk maar niet dat ik wegloop’, antwoordde ze. ‘Je weet natuurlijk dat ik geld heb, daarom loop je niet weg.’ ‘Daar doe je anders altijd heel geheimzinnig over.’ De Fabia moet in een deuk gelegen hebben. Want ik bemoeide me eigenlijk nooit met het geld. Het was Ellen d’r afdeling. Voor ons tweede boek ‘Kijkje achter de schemering’ uit 2015, een dagboek, regen de anekdotes van in en buiten de auto zich aaneen als een kostbare kralenketting van Gucci.
Herlees momenteel ‘Kwetsbaar’ van Tatiana de Rosnay, als schrijfster vooral bekend geworden met haar boek ‘Haar naam was Sara’. Kwetsbaar ja, over een jongen van dertien die als voetganger in Parijs werd overreden bij het oversteken en in coma geraakte. Voor zijn ouders stond van de ene op de andere minuut geen steen meer op de andere. Ineens kregen de schooltas van die jongen en zijn agenda een heel andere waarde. Alles kreeg een andere betekenis. Zoals klassenfoto’s. Zoals zelfs een kammetje. En wat nog niet belangrijk was werd wel belangrijk. De glanzend witte Skoda Rapid is met tijdelijk groene nummerplaten op proefverlof uit de garage en rijdt (nee zoeft) als een limousine. En toch. Sta ik mij dit genieten wel toe? Dat is geen altruïsme, het is heel anders, het is verdriet, het zit dicht onder de huid. Hetzelfde verdriet dat het jonge groen oproept dat in het voorjaar de grond uitspuit. Een mens wil delen. Delen met zijn geliefde. Tenzij hij lijdt aan een onhebbelijke persoonlijkheidsstoornis. Dan zijn zelfbewondering en zelfzucht een deugd. Het laat zich aan velen moeilijk uitleggen hoe pijnlijk het is om over de aanschaf van een paar nieuwe schoenen, van kleding en ook zoiets als een auto niet meer met Ellen te kunnen overleggen. Het sámen, het onmisbare samen is weggevallen. En toch zijn we nog steeds rijk. Dat mogen we nog steeds niet vergeten. De inruilwaarde van de Skoda Fabia is niet veel maar ook niet weinig. Er tussenin, zeg maar. Maar wat als ik in ons dorp of daar in de buurt straks ineens die onvermoeibare Fabia zie rondrijden met een totaal onbekende achter het stuur? Mijn auto. Onze auto. Die bleek volgens de garage in nog uitstekende staat te verkeren. Goed onderhouden, altijd op tijd zijn onderhoudsbeurten, niet afgeragd. Nauwelijks krasjes. Onze Fabia. Het klinkt bijna exotisch. Het proeft naar citrusvruchten. Je ziet zon en zee. Ze komen vanzelf op je netvlies. Onze Fabia. De pakezel door het stuifzand op de boulevard van Noordwijk. Een onbekende die rondrijdt in ónze geschiedenis? Dat nooit. Het worden hele zware jaren, hadden de doktoren gezegd bij de diagnoses parkinson en Lewy Body. Maar het zouden behalve zware jaren ook heel bijzondere jaren kunnen worden. Met de nadruk op kúnnen en op wórden. Dat lag zeker ook aan ons. Hoe zouden we met de tragedie omgaan? Het wérden bijzondere jaren. Dat zijn ze nog steeds. Bijzondere jaren. Jaren met een enorme emotionele lading. En ook de zwarte Fabia met zijn witte dakje vertegenwoordigt die bijzondere jaren. Ook die droeg eraan bij. In belangrijke mate zelfs. Hij liet ons nooit in de steek. Nog geen tel! Alsof ik in een maand tijd de derde necrologie schrijf.
Veel wakker vannacht. Afgesproken met Sandro uit Gouda en daarvoor Boskoop en zeker niet Italië dat ik hem de volgende ochtend zou bellen. Doen of niet doen die witte Rapid? En de zwarte Fabia dan, naast Ellen mijn maîtresse? Of is ze mijn concubine? Ging er de laatste tijd steeds vaker alleen mee weg, omdat voor mijn nimf Ellen het reizen en trekken bijna onoverkomelijk is geworden. En de Fabia dan? Maar krijg ik in het najaar in de garage weer zo’n kans? Waarschijnlijk niet. Rare maand mei. Mijn grote sportheld van vroeger Eddy Pieters Graafland dood. Eén van mijn twee favoriete hotels, de abdij van Rolduc, failliet door de corona. En de Fabia ook weg? Dat wordt te veel. Ik hoor de klok drie uur slaan. Drie uur in de nacht. Om elf uur ’s ochtends bel ik Sandro. Ik koop de witte Rapid. Die kan van internet af. Die kan weg van het platform. Die moet niet het weekend in de showroom staan. Ik koop ‘m. En de Fabia, de Fabia die in tal van verhalen voorkomt in de boekenreeks over ons omgaan met parkinson en Lewy Body? De Fabia die ons overal bracht met een lach en een traan? Die geweldige onovertroffen kameraad op wielen! Die auto die nooit uit de school klapte! Geen enkel geheimpje van ín de Fabia ging naar buiten. Altijd ook een thermoskan water mee en de medicijnen. Een oranje thermoskan uit de HEMA. Gekocht in Vlissingen. Ik plaste er eens in toen ik uit Den Haag kwam en in een file belandde en ik het bijna in mijn broek deed. Ik kon op de buitenste rijstrook geen kant op met mijn hoge nood daar op die A12. Het was iets voorbij Zoetermeer. Ellen vond het allang goed. Dat de oranje thermoskan daar achter het stuur van de Fabia te klein bleek voor mijn volle blaas kon Ellen geen zier schelen. Ze was wel wat gewend. De omroeper op de radionieuwsdienst ook. Die vertelde rustig verder over een heel enge president in Washington en zijn laatste waarschuwing aan Noord-Korea. Dan maar verder plassen op het matje bij de pedalen. Sandro luister jongen! De Fabia ruil ik niet in. In die auto ligt veel van onze geschiedenis van de laatste jaren. Je geschiedenis ruil je niet in hoe zwaar die ook geweest mag zijn. De Fabia schenk ik aan een goed doel. Ik tref wel een regeling. De Fabia blijft in de familie. Hij is toe aan een beurt. Die gaan we maandag in plannen. Jullie halen ‘m ook door de wasstraat en poetsen ‘m op. Beloofd Sandro? Ik heb concrete plannen. De Fabia blijft in de familie.
PS. De sales manager in de garage moest mij ongetwijfeld een sentimentele gek vinden. Of niet soms? ‘Nee, dat vind ik niet. Ik heb dit vaker in de autowereld meegemaakt. Ik had een klant aan wie ik net een gloednieuwe auto had verkocht. Het is jaren geleden alweer. Hij ging eerst even voor zijn werk naar het buitenland. Daarna zou hij zijn nieuwe auto samen met zijn vrouw komen ophalen. Hij was eerder terug en stond voor me te huilen. Hij wilde de nieuwe auto niet meer. Of we de koop ongedaan konden maken? Hij zat in het buitenland en zijn vrouw had hem gebeld. Ze hadden er niet op gerekend dat de uitslag van een medisch onderzoek wel eens heel slecht kon uitvallen. Die vrouw bleek een niet te opereren hersentumor te hebben. Ze had nog een half jaar. De man huilde dat hij het ineens niet meer over zijn hart kon verkrijgen de auto weg te doen die hen jarenlang overal heen had gebracht. Ik werkte toen nog in Rotterdam. We hebben alles teruggedraaid. De man kreeg zijn geld terug. Ik heb meer voorbeelden. Als je gezond bent en volop van het leven kunt genieten heeft een auto een andere gevoelswaarde dan zodra je als echtpaar elkaar gaat verliezen. Dan krijgen veel dingen ineens een andere betekenis.’
Herinneringen zijn dikwijls groter, meeslepender en lekkerder dan de werkelijkheid. Zal dat met Rolduc ook zo zijn. Ik verwacht het niet. Hotelabdij Rolduc in Kerkrade is failliet. Door de corona. Door de gedwongen sluiting van de horeca. Het is eigenlijk niet goed voor te stellen. Onvoldoende vet op de botten om de klap van corona op te vangen. Hotel en restaurant vielen om. Het congrescentrum ook. Als tijdens een tropische orkaan met de hoogst denkbare windsnelheden. Te lang geen inkomsten. Ik laat een traan. Het is hartstikke jammer allemaal. Veel meer dan jammer zelfs. Ik kruid mijn verhalen graag met enige pathos maar voor Rolduc is dat niet nodig. Kamer 1203. Zó vertrouwd na al die bezoekjes de afgelopen paar jaar. Kamer 1203 gleed altijd weer als een warme gewatteerde jas om de schouders van deze mantelzorger. Ik liet alles thuis even achter me. Drie bij vier meter, en meer niet, dat was kamer 1203. Er waren grotere kamers, gezinskamers zelfs, maar ik koos de kleine, de kamer zonder noemenswaardige comfort. Net een postzegel. Alleen een wasbak en een bed. Een kraantje uit de sixties nog. Eenvoudige douche op de kamer, toilet op de gang. Een vroegere priester cel. Ik leefde er als een monnik. Uitzicht door een klein raam op de abdijtuin met fontein en gazons. In de hoek een terras met buffet. Een juffrouw in de bediening met een schortje voor. Je overnachtte er voor 45 euro inclusief een formidabel goed ontbijt met brood dat op een gebakje leek. Telkens weer die innemende gastvrijheid in een monumentale geestverruimende ambiance met hoge gewelven en de gebeeldhouwde Maria en het kindeke Jezus die zagen dat het goed was. Verbeeld ik het me of was het écht zo dat Jezus me altijd ter begroeting een knipoog gaf? Restaurant De Kanunnik waar Jo en zijn collega’s het dagmenu uitserveerden. In januari bracht Jo me een van de lekkerste rode wijnen ooit van mijn leven gedronken en ik voelde me prinsheerlijk een kardinaal naast de verlichte kerststal met daarin ook de nachtelijke herdertjes. Ze waakten over mijn welzijn. Jo had altijd wel iets te vertellen. Over zijn vele jaren in de horeca. Jo was inmiddels de zeventig gepasseerd. Zijn mooiste jaren beleefde hij vlak over de grens in Duitsland in exclusieve hotel–restaurants. Thuis in een doodgewone straat in de wijk Chèvremont van Kerkrade zat hij zich vaak te vervelen. En een kapotte broodrooster maken was niet echt zijn hobby. Stofzuigen evenmin. Hij was altijd heel gelukkig getrouwd geweest maar dat werd minder met de hele dag zijn vrouw om hem heen. En zo belandde hij in het restaurant van Rolduc. Het was voor hem op loopafstand. Jo regelde ook variaties op de dagschotel. Dan dribbelde hij met zijn korte beentjes wel even naar de keuken. Bij terugkeer ging er een duim omhoog. De worteltjes waren veranderd in spruitjes. Altijd twee glazen wijn in de Kanunnik. Dat wisten ze. Eerst een rode in het zitje bij een boek of krant en aan tafel een witte loepzuivere Chardonnay. Ze hadden eens een meisje in de bediening die de wijn inschonk tot de rand van het glas. Zoals met jenever. Slurpen. Het was geen drinken. Ik liet het maar zo. Dat ging in de jaren negentig met Ellen anders. We aten nog wel eens in Loenen aan de Vecht. De zaak – heette die niet Proeverij naast Tante Koosje? – was in handen van een Egyptenaar en zijn Nederlandse vrouw. Toen was het Ellen die aan de Egyptenaar vroeg hoe snel hij failliet wilde gaan. Hij was ons dankbaar en beloofde de vakantiekracht heel vriendelijk uit te leggen in welk glas je wat schonk en hoeveel. Maar in Rolduc liet ik het maar zo. Een te vol glas was mijn mantelzorg bonus. Altijd even vanuit De Kanunnik een telefoontje naar thuis om bij Diana te informeren hoe het met Ellen was. En die kreeg ik dan twee minuutjes aan de lijn. Ik moest het meestal doen met haar ademhaling. En met de mededeling van Diana dat Ellen bij het horen van mijn stem even haar wenkbrauwen optrok. Meestal informeerde een van de obers van Rolduc even later of alles goed was thuis. Bejaarde dagjesmensen maakte ik er mee. Hier en daar een steile kerkgeleerde met zijn gezin. Maar ook een motorclub en bonkige deelnemers aan een internationaal worstelkampioenschappen in het nabij gelegen Landgraaf. Maar als gezegd: Rolduc is failliet. Het klinkt zo streng en dat is het ook. Ik zal van de zomer op zoek moeten naar een ander hotel voor mijn mantelzorguitjes. Erger dan voor mij is het uiteraard voor de 65 personeelsleden. Ze staan op straat na het uitspreken van het faillissement, het doodvonnis zo gezegd, door de rechtbank in Maastricht vorige week. Wat een deceptie. Alle dagen tussen Kerst en de jaawisseling schoon uitverkocht het hotel, het restaurant en het congrescentrum. Patriarchaal was het er. In de plezierige betekenis van het woord. Aartsvaderlijk. Arme Jo. Maar ook arme joviale man met een meter snor onder zijn neus aan de receptie. En al die anderen. Het uitchecken moest uiterlijk elf uur ’s ochtends gebeuren. Mij lieten ze uitslapen. Tot zolang ik wilde. Geen extra kosten. Ze kenden Ellen. Ze kenden haar rolstoel. Ze kenden Diana. Ze kenden mijn vermoeidheid. Lieve mensen. Ze zijn hun baan kwijt. Het corona houdt huis in Nederland en overal elders in de wereld. Er vallen klappen, zware klappen. Tabee Rolduc, ik schrijf het met pijn in mijn hart, ik ga je missen. Je was zeker zo goed als Cajou in de Belgische kustplaats De Panne. Je had geen zee en geen strand te bieden. Maar om je heen wel heuvels die wij maar al te graag voor bergen aanzien. Bij C & A op de Markt van Kerkrade kocht ik T-shirts en ook mouwloze shirtjes voor Ellen in bijna alle kleuren van de regenboog. Tussen de middag een broodje brie bij de traîteur even voorbij de HEMA op de Markt van Kerkrade. Bij die HEMA schafte ik de toiletartikelen aan. Pinnen bij het kantoor van de ING in de Hoofdstraat van Kerkrade. Voor een nieuw boek naar een prachtige boekhandel in Vaals en daar dan maar meteen een dagtripje van maken. Wandelen door Chèvremont met die uitstekende slager en zijn leverworst. En met het kasteel natuurlijk. Met Ellen bracht ik eens op de gezinskamer van Rolduc met rolstoelcomfort de oudejaarsavond door. De kalfsoester in champignonsaus maakte ik op de kamer warm met de haardroger van Ellen. Warm? Nee eerder lauw en dat nog niet eens. De fles champagne donderde bij windkracht acht van drie hoog van de vensterbank buiten zonder ongelukken. Die fles stond daar om op temperatuur te komen. Niet eens lauwe kalfsoester, was dat nog maar zo, en geen druppel champagne. Ik vierde er eens mijn verjaardag met Ellen, met Diana, met Albert en zijn vriendin van toen. Kort daarna was die verkering uit. Er kan onmogelijk een causaal verband met de abdij zijn geweest. Ik ga je missen Rolduc.